Afdeling 5.53.4.
Grondwaterwinningen waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 kubieke meter per jaar bedraagt


Art. 5.53.4.1.

§ 1.

Deze afdeling is alleen van toepassing op inrichtingen die ingedeeld zijn in de eerste klasse.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is de aanleg van de volgende peilputten verplicht:

voor grondwaterwinningen uitsluitend uit freatische watervoerende lagen:
  a) voor de schijf van 30001 m³ tot 1 miljoen m³ per jaar vergund debiet: één peilput per begonnen eenheid van 200.000 m³ per jaar vergund debiet;
  b) voor de schijf van 1 miljoen of meer m³ per jaar vergund debiet: één peilput per begonnen eenheid van 500.000 m³ per jaar vergund debiet;
voor grondwaterwinningen uitsluitend uit afgesloten watervoerende lagen:
  a) voor de schijf van 30.001 m³ tot 500.000 m³ per jaar vergund debiet: één peilput;
  b) voor de schijf van 500.000 of meer m³ per jaar vergund debiet: één peilput per begonnen eenheid van 500.000 m³ per jaar vergund debiet met een maximum van drie peilputten;
voor grondwaterwinningen zowel uit freatische als uit afgesloten watervoerende lagen:
  a) voor zowel de freatische watervoerende laag als de afgesloten watervoerende lagen wordt met toepassing van punt 1° en 2° het aantal peilputten vastgelegd;
  b) onafhankelijk van het aantal peilputten dat met toepassing van punt a) verkregen wordt, moet er minimaal één peilput zijn met filters in de diepste watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt en alle bovenliggende watervoerende lagen;
voor grondwaterwinningen uit verschillende afgesloten watervoerende lagen:
  a) voor elk van de afgesloten watervoerende lagen afzonderlijk worden met toepassing van punt 2° het aantal peilputten vastgelegd;
  b) onafhankelijk van het aantal peilputten dat met toepassing van punt a) verkregen wordt, moet er minimaal één peilput zijn met filters in de diepste watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt en alle bovenliggende watervoerende lagen.

 

De peilputten worden aangelegd volgens de regels van het goede vakmanschap, vermeld in artikel 5.53.1.2, 5.53.2.1 en 5.53.2.2. Elke peilput wordt voorzien van peilbuizen met filters in de watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt en in alle daarboven gelegen watervoerende lagen. Als de peilbuizen in meerdere peilputten worden geïnstalleerd, worden de gesplitste peilputten maar als één peilput beschouwd bij het bepalen van het aantal peilputten. De ligging van de peilputten moet in overleg met een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL, zo worden bepaald dat de afpompingskegel van de waterwinning in de aangesproken watervoerende laag en de invloed in de bovenliggende watervoerende lagen door meting bepaald kan worden. De diameter van de peilbuis in de watervoerende laag waaruit water gewonnen wordt, moet ook het nemen van waterstalen mogelijk maken.


Art. 5.53.4.2. Voor een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, moet ten minste één peilput worden aangelegd. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen bijkomende peilputten worden opgelegd [...].

Art. 5.53.4.3. In het geval van afgesloten watervoerende lagen mag het grondwaterpeil in een centraal aangelegde peilput of bij ontstentenis daarvan in elke grondwaterwinningsput van de grondwaterwinning niet dalen beneden een door de vergunningverlenende overheid bepaald peil (in meters onder het maaiveld). De vergunningverlenende overheid kan de plaatsing van een contactelektrode in een centraal aangelegde peilput of bij ontstentenis daarvan in elke grondwaterwinningsput die de winning stillegt wanneer dit peil bereikt wordt, opleggen.

Art. 5.53.4.4.

Gedurende ten minste twee maanden voorafgaand aan het oppompen van grondwater moeten wekelijkse peilmetingen worden uitgevoerd in de peilputten, bedoeld in artikel 5.53.4.1.


Art. 5.53.4.5.

§ 1.

Alvorens met het oppompen van grondwater te starten, laat de exploitant het grondwater uit elke productieput en/of andere opvanginstallatie bemonsteren en analyseren door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Ten minste de volgende parameters worden bepaald:

de anionen : SO4--, NO2-, NO3-, Cl-, PO4---, CO3-, OH-, HCO3, F-, allemaal uitgedrukt in mg/l;
de kationen: Ca++, K+, Na+, Mg++, NH4+, Mn++, Fe++, Fe+++, allemaal uitgedrukt in mg/l;
de zuurtegraad (pH) in pH-eenheid;;
de temperatuur in °C;
de elektrische geleidbaarheid in µS/cm bij 20 °C;
de totale hardheid in °F;
het zuurstofgehalte in mg/l;
de alkaliniteit ten opzichte van methyloranje in °F;
de alkaliniteit ten opzichte van fenolftaleïne in °F.

 

§ 2.

De bemonstering en analyse, vermeld in paragraaf 1, wordt jaarlijks herhaald op het grondwater uit de, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, meest centraal gelegen productieput van de grondwaterwinning, die grondwater oppompt uit dezelfde watervoerende laag. Een jaarlijkse analyse is noodzakelijk voor alle watervoerende lagen waaruit gepompt wordt.


Art. 5.53.4.6.

§ 1.

Het grondwaterpeil in de meest centraal gelegen productieput en in de peilputten wordt minimaal maandelijks gemeten. Hierbij wordt het ononderbroken gewonnen volume gedurende één uur voorafgaand aan de meting [...] genoteerd. Eénmaal per jaar na het stilleggen van een grondwaterwinning gedurende ten minste 24 uur tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het grondwaterpeil in de productieputten en de peilputten gemeten. De tijd van stilstand van de grondwaterwinning [...] en de peilmetingen worden zorgvuldig genoteerd.

 

In afwijking van het eerste lid, is het stilleggen van de grondwaterwinning gedurende ten minste 24 uur niet vereist als het grondwaterpeil in de meest centraal gelegen productieput en in elke peilfilter in de watervoerende laag waaruit grondwater gewonnen wordt, minstens 6-uurlijks gemeten wordt met een automatisch peilregistratiesysteem. Synchroon met de peilmeting wordt ook het totaal gewonnen volume per watervoerende laag geregistreerd. Eénmaal per jaar worden de grondwaterpeilmetingen van het automatisch peilregistratiesysteem gekalibreerd aan de hand van een manuele peilmeting. In elke productieput waarin geen automatisch peilregistratiesysteem aanwezig is, wordt ook minimaal éénmaal per jaar het grondwaterpeil gemeten.

 

§ 2.

De gegevens, bedoeld in artikel 5.53.4.5 en § 1, worden door de exploitant bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.


Art. 5.53.4.7. De exploitant van een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, deelt elk jaar de resultaten van het voorgaande kalenderjaar mee van de gewonnen volumes grondwater per watervoerende laag, de analyses van het grondwater en de peilmetingen. Hij doet dit overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van de deel IA en IV van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005 tot wijziging van de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, 18 maart 1997 houdende vaststelling van de modaliteiten voor aangifte van de opgepompte of gewonnen hoeveelheden grondwater door de maatschappijen die instaan voor de openbare drinkwatervoorziening ten behoeve van de bepaling van de heffing, 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, en 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.

Art. 5.53.4.8.

Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30.000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die bevoegd is voor grondwateradvisering:

[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1;
[...]
[...]
10° vanaf een vergund debiet van 1.000.000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef;
11°

[...]