Onderafdeling 5.53.6.2.
Grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen met inbegrip van terugpompingen


Art. 5.53.6.2.1.

Elke grondwaterwinning wordt gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.

 

De inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 1°, van de indelingslijst en gelegen buiten een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. De overige inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6 van de indelingslijst, worden minimaal tweejaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Hierbij worden het systeem, de putten en de beveiliging op hun correcte werking nagekeken, alsook de registers van de debieten en indien van toepassing ook de peilen en grondwateranalyses. Eveneens worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven.

 

De exploitant houdt hiervan een verslag ter inzage van de toezichthouders.


Art. 5.53.6.2.2. Het grondwater wordt opnieuw geïnjecteerd in dezelfde watervoerende laag als waaruit het onttrokken is.

Art. 5.53.6.2.3.

Het grondwater wordt in een leidingsysteem rondgepompt dat fysiek afgesloten is van het water in het gebouwsysteem.

 

Het leidingsysteem met grondwater wordt altijd onder voldoende overdruk gehouden tot op het punt van injectie onder het waterpeil om ontgassing en luchtintreding te voorkomen. Het leidingsysteem met grondwater bevindt zich continu in overdruk ten opzichte van het gebouwsysteem, tenzij er wordt gebruikgemaakt van een dubbele warmtewisselaar.

 

Het leidingsysteem met grondwater is voorzien van een automatische monitoring van de druk. Een beveiliging legt het systeem stil bij een te hoge of te lage druk. Voor inrichtingen, vermeld onder rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, worden de drukmetingen en de inwerkingtreding van de beveiliging bijgehouden in een register dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.


Art. 5.53.6.2.4.

Indien de inrichting toelaat het grondwater in meerdere richtingen rond te pompen, wordt er, in afwijking van artikel 5.53.3.1, één of meerdere meetinrichtingen voorzien, zodat het opgepompte volume grondwater per pomprichting en per watervoerende laag getotaliseerd kan worden. Daarnaast wordt er op elke spuileiding een meetinrichting voor het gespuide grondwater aangebracht. In afwijking van artikel 5.53.3.1, tweede lid, moet er alleen na een debietmeter die op een spuileiding staat, een kraan geplaatst worden met een inwendige schroefdraad die geschikt is voor de aansluiting van een buis met uitwendige diameter van één duim.


Art. 5.53.6.2.5.

Voor grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, wordt in afwijking van artikel 5.53.4.5, § 2, het grondwater uit zowel een onttrekkings- als injectiefilter in het voorjaar en in het najaar geanalyseerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als er verschillende bronparen zijn, wordt altijd hetzelfde bronpaar gevolgd en bij voorkeur het paar met het grootste debiet.


Art. 5.53.6.2.6.

Voor de grondwaterwinningen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, worden in afwijking van artikel 5.53.4.6 met de productieput of –putten ook de injectieput of –putten bedoeld.


Art. 5.53.6.2.7.

De putten worden geregenereerd op mechanische wijze. Als een chemische reiniging noodzakelijk is, legt de exploitant voorafgaandelijk een plan van aanpak ter goedkeuring voor aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, blijft de spui bij de regeneratie van de putten beperkt tot maximaal 500 m3 per put per jaar.


Art. 5.53.6.2.8. Als de herinjectie van het opgepompte grondwater, al dan niet tijdelijk, niet mogelijk is, wordt het oppompen van het grondwater stopgezet.

Art. 5.53.6.2.9.

De temperatuur van grondwater dat opnieuw wordt geïnjecteerd, bedraagt maximaal 25°C. Voor inrichtingen, vermeld in rubriek 53.6, 2°, van de indelingslijst, wordt de temperatuur van het geïnjecteerde grondwater via automatische registratie gevolgd.


Art. 5.53.6.2.10. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze onderafdeling, vanaf 1 januari 2015.