Onderafdeling 5.53.6.3.
Grondwaterwinningen voor de openbare watervoorziening


Art. 5.53.6.3.1.

§ 1.

Alvorens met het oppompen van grondwater te starten, laat de exploitant van een grondwaterwinning, bedoeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, aanvullend aan de analyses, bedoeld in artikel 5.53.4.5, het grondwater uit elke productieput en/of andere opvanginstallatie waarbij grondwater wordt opgepompt uit freatische watervoerende lagen, analyseren door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL voor de volgende bijkomende parameters:

pesticiden: atrazine, simazine, diuron, isoproturon en chloortoluron;
geëmulgeerde of opgeloste koolwaterstoffen, minerale oliën;
zware metalen: arseen, cadmium, zink en nikkel;
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) : fluoranteen, benzo 3,4 fluoranteen, benzo 11,12 fluoranteen, benzo 3,4 pyreen, benzo 1,12 peryleen en indeno-pyreen (1,2,3 cd).

 

§ 2.

De parameters, vermeld in artikel 5.53.4.5, worden viermaal per jaar bepaald op het grondwater uit de, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, meest centraal gelegen productieput van de grondwaterwinning, die grondwater oppompt uit dezelfde watervoerende laag. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden jaarlijks bepaald op het grondwater uit de, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, meest centraal gelegen productieput van de grondwaterwinning, die grondwater oppompt uit dezelfde watervoerende laag. Een jaarlijkse analyse is noodzakelijk voor alle watervoerende lagen waaruit gepompt wordt.

 

§ 3.

Indien de kwaliteit van het ruwe watermengsel volgende maximale waarden overtreft, wordt de frequentie opgevoerd tot viermaal per jaar op de productieputten die verontreinigd zijn met de desbetreffende parameters. De maximale waarden zijn:

som PAK’s < 0,020 µg/l;
som geëmulgeerde of opgeloste koolwaterstoffen en minerale oliën < 5 µg/l;
voor de pesticiden atrazine, simazine, diuron, isoproturon en chloortoluron < 0,020 µg/l per individueel actief product;
voor de zware metalen: arseen < 50 µg/l, cadmium < 5 µg/l, zink < 200 µg/l en nikkel < 50 µg/l.

Deze bepaling is niet van toepassing voor stoffen die van nature in het grondwater aanwezig zijn.

 

§ 4.

De gegevens, bedoeld in § 1 en § 2, worden bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.

 

§ 5.

De exploitant deelt elk jaar de gegevens, vermeld in paragraaf 1 en 2, van het voorgaande kalenderjaar mee conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.53.4.7.

 

§ 6.

In afwijking van paragraaf 2 worden, voor grondwaterwinningen waarbij het grondwater door middel van één pomp of hevelsysteem uit meerdere productieputten in dezelfde watervoerende laag tegelijk wordt aangetrokken, de parameters, vermeld in artikel 5.53.4.5, en de parameters, vermeld in paragraaf 1, bepaald op een mengstaal per pomp of hevelsysteem.


Art. 5.53.6.3.2.

De exploitant van een grondwaterwinning, bedoeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, maakt per periode van vijf jaren een rapport op met de volgende inhoud:

de beschrijving van de evolutie van de opgepompte debieten en overeenkomstige peilen in de productieputten en de peilputten over de afgelopen periode (ev. weergegeven in tijdsreeksen) alsook een evaluatie hiervan;
de beschrijving van de eventuele mogelijke vastgestelde invloeden op de bovengrondse eigendommen, zowel wat betreft stabiliteit van de grond als de mogelijke invloed op gewassen en het natuurlijk milieu;
bij grondwaterwinningen met vijf peilputten en meer, twee stijghoogtekaarten respectievelijk in de aangepompte watervoerende laag en de freatische watervoerende laag van de omgeving, opgemaakt op basis van de reële metingen, één met de hoogste en één met de laagste gemeten grondwaterstand.
De exploitant bezorgt een kopie van dit rapport aan de vergunningverlenende overheid alsook aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

Art. 5.53.6.3.3.

In afwijking van artikel 5.53.2.3 is het herboren van grondwaterwinningsputten en het boren van reservegrondwaterwinningsputten toegelaten mits:

deze worden aangelegd volgens de voorwaarden bepaald in de verleende vergunning;
dit geen weerslag heeft op het totale vergunde debiet;
geen andere watervoerende laag wordt aangeboord;
alle nieuwe inrichtingen gelegen zijn op de in het vergunningsbesluit opgenomen kadastrale percelen en binnen het afgebakend waterwingebied;
de oude putten worden, van zodra ze niet meer in gebruik zijn, ofwel afgedekt en opgevuld volgens de bepalingen van artikel 5.53.5.1, ofwel ingericht en gebruikt als peilput.