Hoofdstuk 5.54.
HET KUNSTMATIG AANVULLEN VAN GRONDWATER


Art. 5.54.1.

1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 54 van de indelingslijst.

2.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op inrichtingen voor het kunstmatig aanvullen van grondwater:

1 vergund met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones;
2 waarvoor de vergunningsaanvraag met toepassing van het besluit, vermeld in 1, werd ingediend;
3 vergund op basis van de reglementering van toepassing voor de inwerkingtreding van het besluit, vermeld in 1.

Art. 5.54.2.

1.

Rond de installaties voor het kunstmatig aanvullen van grondwater wordt een peilmeetnet aangelegd. Dit peilmeetnet moet een zodanig aantal peilputten omvatten dat het mogelijk is de invloed van het kunstmatig aanvullen op het grondwaterpeil en op de bovengrondse eigendommen te bepalen. Het minimumaantal en de preciese locatie van de peilputten kan in de vergunning nader worden bepaald.

2.

De installaties worden zo gebouwd dat het mogelijk is de aan de grondwaterlaag kunstmatig toegevoegde hoeveelheid water te meten en/of te bepalen.


Art. 5.54.3.

1.

De exploitant moet peilmetingen uitvoeren of laten uitvoeren in de peilputten, bedoeld in artikel 5.54.2, 1:

1 ten minste maandelijks, gedurende de 6 maanden voorafgaand aan het opstarten van het kunstmatig aanvullen;
2 ten minste wekelijks, gedurende het eerste jaar van het kunstmatig aanvullen;
3 ten minste maandelijks, vanaf het tweede jaar van het kunstmatig aanvullen.

2.

De exploitant houdt met betrekking tot de exploitatie van een inrichting voor het kunstmatig aanvullen van grondwater een register bij waarin worden ingeschreven:

1 de resultaten van de peilmetingen, bedoeld in 1, samen met het peil in het infiltratiepand;
2 gedurende het eerste jaar van het kunstmatig aanvullen, de hoeveelheid water die tijdens de 24 uren voorafgaand aan de wekelijkse peilmetingen kunstmatig werd aangevuld;
3 de hoeveelheid water die maandelijks kunstmatig werd aangevuld.

Het register wordt door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

3.

Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30.000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in 2, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

4.

Peilmetingen in rust worden uitgevoerd in de peilputten, bedoeld in 1, wanneer gedurende minstens 8 uur geen grondwater aangevuld werd.


Art. 5.54.4.

1.

Enkel water dat voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater, bedoeld in artikel 2.4.1.1, mag worden gebruikt voor het kunstmatig aanvullen van grondwater.

2.

Alvorens met het kunstmatig aanvullen gestart mag worden, moeten ten minste drie bemonsteringen en analyses worden uitgevoerd van het kunstmatig aan te vullen water. Met betrekking tot deze bemonsteringen en analyses gelden de volgende regels:

1 ze moeten in opdracht en op kosten van de exploitant door een erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5, a), van het VLAREL worden uitgevoerd;
2 de bemonsteringen moeten plaatsvinden met een tussenpauze van ten minste een week;
3 de analyses moeten plaatsvinden voor elk van de parameters, bedoeld in artikel 2.4.1.1.

De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in het eerste lid, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

3.

Het kunstmatig aanvullen mag pas gestart worden nadat op basis van de verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in 2, is aangetoond dat aan de voorwaarde, bedoeld in 1, is voldaan.


Art. 5.54.5.

1.

Na de start van het kunstmatig aanvullen, moeten ten minste driemaandelijks bemonsteringen en analyses worden uitgevoerd van het kunstmatig aan te vullen water. Met betrekking tot deze bemonsteringen en analyses gelden de volgende regels:

1 ze moeten in opdracht en op kosten van de exploitant door erkend laboratorium, in de discipline water, deeldomein grondwater als vermeld in artikel 6, 5, a), van het VLAREL, worden uitgevoerd;
2 de analyses moeten plaatsvinden voor elk van de parameters, bedoeld in artikel 2.4.1.1.

2.

De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in 1, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

3.

Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30.000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in 1, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.