Hoofdstuk 5.55.
Boringen


Afdeling 5.55.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.55.1.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 55 van de indelingslijst.

 

Het is verboden die inrichtingen aan te leggen of te exploiteren als ze zich dieper dan 2,5 m onder het maaiveld bevinden en geheel of gedeeltelijk liggen in een beschermingszone van het type I of II van grondwaterwinningen, bestemd voor de openbare watervoorziening, zoals afgebakend ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones.


Art. 5.55.1.2.

De boring wordt uitgevoerd volgens de regels van goed vakmanschap, zoals opgenomen in de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit. Elke verontreiniging van het grondwater wordt vermeden, zowel tijdens de aanleg als tijdens de exploitatie. Het uitvoeren en buiten dienst stellen van een boring mag vanaf 1 januari 2015 alleen gebeuren door een boorbedrijf, erkend volgens het VLAREL, voor de desbetreffende discipline, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit, als die activiteit niet uitgesloten is van het toepassingsgebied van een boorbedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, a), van het voormelde besluit.

 

Het boorgat wordt bovenaan afgedicht om verontreiniging van de grondwaterlagen te voorkomen.

 

Het is verboden verschillende watervoerende lagen met elkaar in verbinding te brengen. Inzonderheid worden er ter hoogte van de scheidende lagen kleistoppen geplaatst of wordt de ruimte ter hoogte van scheidende lagen gecementeerd.

 

[...]

 

 


Art. 5.55.1.3.

§ 1.

Als de exploitant een boorgat of de erin aangebrachte installatie of een onderdeel ervan, buiten dienst stelt, dekt hij de ontsluiting van de watervoerende laag af met een ondoorlatend materiaal (zwelklei, cement) om verontreiniging of waterverlies te voorkomen.

 

[...]

 

§ 2.

De exploitant is verplicht een buiten dienst gesteld boorgat of een onderdeel daarvan op te vullen als het een potentieel gevaar betekent voor de kwaliteit van het grondwater. Het boorgat of het onderdeel ervan wordt opgevuld overeenkomstig de code van goede praktijk voor boren, exploiteren en afsluiten van boorputten voor grondwaterwinning, vastgesteld in bijlage 5.53.1 bij dit besluit.

 

§ 3.

De toezichthoudende overheid wordt minimaal twee dagen vooraf op de hoogte gebracht van het aanleggen of opvullen van een vergunningsplichtige boring, zodat haar toezichthouders mogelijk aanwezig kunnen zijn.


Afdeling 5.55.2.
Boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten


Art. 5.55.2.1.

Deze afdeling is van toepassing op boringen in het kader van thermische energieopslag in boorgaten, die ressorteren onder rubriek 55.1 van de indelingslijst.


Art. 5.55.2.2.

§ 1.

De boringen worden gedimensioneerd, ontworpen en onderhouden volgens een code van goede praktijk.

 

De meldingsplichtige inrichtingen, die worden ingedeeld in rubriek 55 van de indelingslijst, worden minimaal vijfjaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. De vergunningsplichtige inrichtingen, die worden ingedeeld in rubriek 55 van de indelingslijst, worden minimaal tweejaarlijks nagekeken en onderhouden door een deskundige ter zake. Daarbij wordt nagekeken of het systeem en de beveiliging correct werken. Ook worden alle uitgevoerde of nog uit te voeren werkzaamheden beschreven. De exploitant houdt een verslag daarvan ter inzage van de toezichthouders.

 

§ 2.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.55.2.3.

§ 1.

De leidingen die worden ingebouwd, bestaan uit materialen die niet reageren met de ondergrond en het grondwater waarin ze worden ingebracht en die een voldoende levensduur hebben in het geïnstalleerde milieu.

 

§ 2.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.


Art. 5.55.2.4.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden de leidingen neergelaten in het boorgat met behulp van een haspel of een geleidingswiel.

 

§ 2.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.


Art. 5.55.2.5.

§ 1.

De opvulling wordt uitgevoerd conform de bepalingen in hoofdstuk 3 van de bijlage 5.53.1 bij dit besluit.

 

§ 2.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid van paragraaf 1, niet.


Art. 5.55.2.6.

§ 1.

Er worden minimaal drie druktesten uitgevoerd : één voor het inbrengen van de leidingen in het boorgat, één na het opvullen van het boorgat en één na de volledige koppeling van de leidingen aan het gebouwsysteem. De druktesten worden uitgevoerd met water dat voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater.

 

§ 2.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, niet.


Art. 5.55.2.7.

§ 1.

Alleen als alle testen, vermeld in artikel 5.55.2.6, het bestaan van lekken uitsluiten, kan er aan het water een antivriesmiddel worden toegevoegd.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt er als antivriesmiddel monopropyleenglycol of bietenderivaat gebruikt.

 

De samenstelling van het antivriesmiddel en de mengverhouding met het water wordt ter inzage gehouden van de toezichthouders.

 

§ 3.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 van dit artikel niet en gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel, vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.55.2.8.

§ 1.

De druk in de leidingen wordt automatisch gemonitord. Bij drukverlies moet het systeem automatisch uitvallen. Als het drukverlies het gevolg is van een lek in een lus, wordt de lus in kwestie buiten dienst gesteld.

 

§ 2.

Voor inrichtingen die vóór 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in dit artikel, vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.55.2.9.

Als een of meer leidingen van de inrichting buiten dienst worden gesteld, wordt de vloeistof die erin aanwezig is, met antivriesmiddel afgepompt en vervangen door water dat voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater. Vervolgens wordt de leiding definitief afgesloten en wordt de put buitengebruik gesteld conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.55.1.3.