Hoofdstuk 2.9.
BELEIDSTAKEN INZAKE DE BEPERKING VAN DE EMISSIE VAN VLUCHTIGE ORGANISCHE STOFFEN TEN GEVOLGE VAN HET GEBRUIK VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN BIJ BEPAALDE WERKZAAMHEDEN EN INSTALLATIES.


Art. 2.9.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld ter uitvoering van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning of artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Art. 2.9.0.2.

Overeenkomstig de EG-richtlijn 1999/13/EG van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en installaties draagt de minister er zorg voor dat de onder zijn bevoegdheid ressorterende overheidsorganen waarvan sprake is in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ieder wat zijn adviesbevoegdheid betreft, de ontwikkelingen op het gebied van emissiebeperking van vluchtige organische stoffen (beste beschikbare technieken, vervanging door milieuvriendelijkere alternatieven,…) volgen of daarvan op de hoogte worden gehouden en eveneens toepassen bij de adviesverlening. Daarbij wordt ondermeer uitgegaan van de informatie die de Europese Commissie publiceert ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, van richtlijn 1999/13/EG.


Art. 2.9.0.3.

§ 1.

De afdeling , bevoegd voor luchtverontreiniging wordt aangewezen als autoriteit voor de uitwisseling van de informatie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de richtlijn 1999/13/EG en in artikel 64 van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriėle emissies (geļntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). De minister stelt via de geėigende kanalen de Europese Commissie van deze aanwijzing in kennis.

 

§ 2.

De afdeling , bevoegd voor luchtverontreiniging brengt overeenkomstig de EG-richtlijn 1999/13/EG de Europese Commissie elke drie jaar via de geėigende kanalen verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn. Het verslag wordt aan de Commissie voorgelegd binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft. Behoudens de in artikel 5.59.2, tweede en derde lid, van richtlijn 90/313/EEG, vastgestelde beperkingen publiceert de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging de verslagen op het tijdstip waarop ze bij de Commissie worden ingediend. Het eerste verslag bestrijkt de eerste drie jaar na 1 april 2001.

 

§ 3.

Het in § 2 genoemde verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de procedure van artikel 6 van richtlijn 1991/692/EEG.

 

Het verslag omvat voldoende representatieve gegevens om aan te tonen dat voldaan is aan de voorschriften van artikel 5 van richtlijn 1999/13/EG. In dit verslag wordt ook een overzicht gegeven van de afwijkingen die zijn verleend ter uitvoering van artikel 5.59.2.1, § 2, van dit besluit.