Hoofdstuk 5.59.
ACTIVITEITEN DIE GEBRUIKMAKEN VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN


Afdeling 5.59.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.59.1.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst.

 

Dit hoofdstuk geldt met behoud van de toepassing van deel 4 en de andere hoofdstukken van deel 5.


Art. 5.59.1.2.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Indien een installatie een belangrijke wijziging ondergaat, of na een belangrijke wijziging voor het eerst onder de bepalingen van dit hoofdstuk valt, of indien voor een wijziging een nieuwe vergunning moet worden verleend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 25 april 2014, gelden voor het deel van de installatie dat de belangrijke wijziging ondergaat:

de voorwaarden voor bestaande installaties mits de totale emissies van de gehele installatie niet hoger zijn dan wanneer het deel dat belangrijke wijzigingen heeft ondergaan als nieuwe installatie was behandeld;
de voorwaarden voor nieuwe installaties in het andere geval.

Afdeling 5.59.2.
Voorwaarden voor de beperking van de VOS-emissies


Art. 5.59.2.1.

§ 1.

Alle installatiesvoldoen aan een van de volgende voorwaarden:

of aan de in bijlage 5.59.1 bepaalde emissiegrenswaarden voor afgassen en diffuse emissiegrenswaarden of aan de totale emissiegrenswaarden;
of aan de eisen van het in bijlage 5.59.2 beschreven reductieprogramma.

 

Als de exploitant voor installaties wil gebruik maken van het reductieprogramma van bijlage 5.59.2, meldt hij dat per aangetekend schrijven aan de vergunningverlenende overheid en aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

Bij de melding, vermeld in het tweede lid, toont de exploitant aan dat aan de voorwaarden van bijlage 5.59.2 is voldaan.

 

Voor installaties met een oplosmiddelenverbruik van meer dan 2 ton per jaar wordt de conformiteit met de voorwaarden van bijlage 5.59.2 goedgekeurd door een erkende MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), 5), van het VLAREL.

 

§ 2.

De Vlaamse minister kan, ter uitvoering van artikel 1.2.2.1, § 1, en in afwijking van artikel 1.2.2.1, § 3, [...], de volgende individuele afwijkingen van paragraaf 1, toestaan:

van de diffuse emissiegrenswaarden, op voorwaarde dat de exploitant in zijn aanvraagdossier aantoont dat:
a) deze waarde technisch en economisch niet haalbaar is voor de installatie;
b) er geen aanmerkelijke risico’s voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten;
c) er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek;
voor activiteiten die niet in een gesloten systeem kunnen worden uitgeoefend, indien de mogelijkheid tot afwijking uitdrukkelijk in de bijlage 5.59.1 wordt genoemd. Indien zowel de emissiegrenswaarden van bijlage 5.59.1 als het reductieprogramma van bijlage 5.59.2 technisch en economisch niet haalbaar zijn, moet dat in een afwijkingsaanvraag verantwoord worden. In dat geval toont de exploitant aan dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technieken;
van de eisen van het in bijlage 5.59.2 beschreven reductieprogramma, onder de voorwaarden, beschreven in deze bijlage.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

Bestaande installaties die werken met nabehandelingsapparatuur en voldoen aan de emissiegrenswaarden van:

50 mg C/Nm3 bij verbranding;
150 mg C/Nm3 bij iedere andere nabehandelingsapparatuur,
zijn vrijgesteld van de emissiegrenswaarden voor afgassen in de tabel van bijlage 5.59.1 voor een periode die eindigt op 31 maart 2013, mits de totale emissies van de gehele installatie niet groter zijn dan dat het geval zou zijn geweest indien aan alle eisen van de tabel was voldaan.

 

§ 5.

Installaties waar twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van bijlage 5.59.1 overschrijden, moeten:

ten aanzien van de in de artikel 5.59.2.2 gespecificeerde stoffen voor elke activiteit afzonderlijk voldoen aan de in die leden vermelde eisen; 
ten aanzien van alle andere stoffen:
a) hetzij voor elke activiteit afzonderlijk voldoen aan de in artikel 5.59.2.1 vermelde eisen;
b) hetzij totale emissies hebben die niet hoger zijn dan bij toepassing van a) het geval zou zijn geweest.

 

§ 6.

Alle passende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om de emissies bij het starten en stilleggen van de installatie tot een minimum te beperken.


Art. 5.59.2.2.

§ 1.

Stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F [...] is of zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan VOS die krachtens de CLP-verordening als kankerverwekkend, mutageen of toxisch voor de voortplanting zijn ingedeeld, moeten voor zover mogelijk en worden als dat mogelijk is en binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke stoffen of mengsels vervangen.

 

§ 2.

Voor de uitstoot van de in paragraaf 1 vermelde VOS, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in paragraaf 1 vermelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, geldt een emissiegrenswaarde van 2 mg/ Nm3. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de stoffen in kwestie

 

§ 3.

Voor de uitstoot van gehalogeneerde VOS waaraan [...] de gevarenaanduidingen H341 of H351 zijn toegekend, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de vermelding van [...], H341 of H351 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, geldt een emissiegrenswaarde van 20 mg/ Nm3. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de stoffen in kwestie.

 

De uitstoot van VOS, vermeld in het eerste lid en in paragraaf 1, wordt beperkt alsof het om emissies gaat van een installatie in een gesloten systeem, als dat technisch en economisch haalbaar is, om de volksgezondheid en het milieu te beschermen.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

[...]


Afdeling 5.59.3.
Toezicht, metingen en naleving van emissiegrenswaarden


Art. 5.59.3.1.

§ 1.

Voor afgaskanalen waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde in totaal meer dan 10 kg organische koolstof per uur als daggemiddelde uitstoten, worden de emissiewaarden continu gemeten [...].

 

§ 2.

Voor andere afgaskanalen worden de emissiewaarden:

ofwel continu gemeten [...];
ofwel periodiek gemeten.

Bij periodieke metingen worden gedurende elke meetcampagne ten minste drie meetresultaten geregistreerd en gelden de volgende meetfrequenties:

voor stoffen, vermeld in artikel 5.59.2.2: maandelijks;
voor andere stoffen: zesmaandelijks.

De zesmaandelijkse meetfrequentie kan worden verminderd tot een jaarlijkse meetfrequentie in de gevallen waar naverbranding als zuiveringstechnologie wordt toegepast en indien de volgende werkwijze wordt toegepast:

de concentratie van stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen en koolstofmonoxide wordt bepaald tijdens een meetcampagne als functie van de temperatuur in de naverbrander;
op basis van de interpretatie van deze metingen wordt de optimale temperatuur voor de reductie van deze 3 polluenten gekozen waarbij tevens voldaan is aan de emissiegrenswaarde voor VOS;
de naverbranding wordt ingesteld op de optimale temperatuur en die wordt continu geregistreerd.

 

§ 2bis.

Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot de basisfrequentie/4, met een minimum van één keer per jaar.

 

§ 3.

Metingen zijn niet vereist op afgaskanalen waarvoor nabehandelingsapparatuur aan het einde van de pijp niet noodzakelijk is om te voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en indien voldoende gegevens beschikbaar zijn om de toetsing zoals bepaald in 5.59.3.2, § 2, 3° uit te voeren.


Art. 5.59.3.2.

§ 1.

De exploitant kan aan de toezichthouder op elk moment aantonen dat voldaan is aan :

de emissiegrenswaarden voor afgassen, de diffuse en totale emissiegrenswaarden;
de eisen van het reductieprogramma krachtens bijlage 5.59.2;
de voorschriften van artikel 5.59.2.1, § 2.

Bijlage 5.59.3 bevat richtsnoeren voor een oplosmiddelenboekhouding, waarmee kan worden aangetoond dat deze parameters in acht worden genomen.

 

§ 2.

Te dien einde berekent en controleert de exploitant jaarlijks de VOS-emissies ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen. Hij stelt jaarlijks en uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarin de emissies hebben plaatsgevonden, een document op.

 

Voor inrichtingen met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van minder dan of gelijk aan 100 ton, worden in het document de volgende gegevens opgenomen:

een beschrijving van de inrichting, met opgave van alle nodige gegevens, relevant voor de berekening van de emissies;
een overzicht van de resultaten van de metingen, uitgevoerd overeenkomstig artikel 5.59.3.1 (voor zover van toepassing);
de berekening van de emissiewaarden en controle aan de in paragraaf 1 vermelde voorschriften.

 

Voor inrichtingen met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 100 ton, worden in het document de volgende gegevens opgenomen:

een beschrijving van de inrichting, met opgave van alle nodige gegevens, rekening houdend met de geschatte onnauwkeurigheden, relevant voor de berekening van de emissies;
een overzicht van de resultaten van de metingen, uitgevoerd overeenkomstig artikel 5.59.3.1 (voor zover van toepassing);
de berekening van de emissiewaarden en controle aan de voorschriften, vermeld in paragraaf 1.
een overzicht van de emissiebronnen;
een beschrijving van het ventilatiesysteem en het eventueel aanwezige afgasbehandelingssysteem;
een overzicht van de gebruikte stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F is of zijn toegekend en van de gehalogeneerde VOS waaraan de gevarenaanduidingen H341 of H351 zijn toegekend en een overzicht van de maatregelen om deze solventen binnen zo kort mogelijke tijd door minder schadelijke stoffen of mengsels te vervangen.

 

De exploitant bezorgt een afschrift van dit document aan de toezichthouder of de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning wanneer die daarom verzoekt.

 

§ 3.

Voor inrichtingen,

die geen gebruik maken van de in artikel 5.59.2.2, paragraaf 1 en § 3, vermelde stoffen en een jaarlijks oplosmiddelenverbruik hebben van minder dan 2 ton;
die gebruikmaken van de in artikel 5.59.2.2, paragraaf 1 en § 3, vermelde stoffen en een jaarlijks oplosmiddelenverbruik hebben van minder dan 1 ton,
gelden de voorschriften van paragraaf 2 niet indien de exploitant door middel van een door de afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving goedgekeurde methode kan aantonen dat hij de nodige maatregelen heeft genomen om aan de voorschriften van paragraaf 1 te voldoen.

 

§ 4.

Na een belangrijke wijziging wordt opnieuw nagegaan of de voorschriften worden nageleefd.


Art. 5.59.3.3.

§ 1.

Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen indien dat technisch gerechtvaardigd is, maar ze worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.

 

§ 2.

Bij doorlopende metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien:

geen van de gemiddelden over 24 uur onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de emissiegrenswaarden;
geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.

 

§ 3.

Bij periodieke metingen wordt geacht aan de emissiegrenswaarden voldaan te zijn indien in één toezichtcampagne:

het gemiddelde van alle metingen onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden;
geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.

 

§ 4.

De naleving van artikel 5.59.2.2, § 2 en § 3, wordt gecontroleerd op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende vluchtige organische stoffen in kwestie. In alle andere gevallen vindt de controle op de naleving plaats op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten, tenzij in bijlage 5.59.1 anders is bepaald.


Art. 5.59.3.4. [...]