Hoofdstuk II.
Productie


Art. 3.

§ 1.

De prospectieve studie wordt opgesteld door de Algemene Directie Energie in samenwerking met het Federaal Planbureau en in overleg met de commissie.

 

De netbeheerder[...] en de Nationale Bank van België worden geraadpleegd. De Algemene Directie Energie kan de representatieve spelers van de elektriciteitsmarkt raadplegen.

 

Het ontwerp van prospectieve studie wordt voor advies voorgelegd aan de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling en aan de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. De adviezen worden bezorgd binnen de zestig dagen na het verzoek om advies. Bij gebrek aan advies wordt de procedure inzake de uitwerking van de prospectieve studie voortgezet.

 

De prospectieve studie strekt zich uit over minstens tien jaar. Ze wordt om de vier jaar na de publicatie van de vorige studie aangepast.

 

De Algemene Directie Energie stelt om de twee jaar, in samenwerking met het Federaal Planbureau en in overleg met de commissie, een aanvullend verslag op over de opvolging van de bevoorradingszekerheid waarin het resultaat van de opvolging van deze vragen worden voorgesteld evenals elke maatregel die genomen wordt of in dit verband overwogen wordt. Dit verslag wordt ten laatste op 31 juli gepubliceerd en wordt onmiddellijk aan de Europese Commissie medegedeeld. 

 

§ 2.

De prospectieve studie bevat de volgende elementen :

ze maakt een schatting van de evolutie van de vraag naar en van het aanbod van elektriciteit op middellange en lange termijn en identificeert de behoeften aan nieuwe middelen die daaruit voortvloeien;
ze bepaalt de richtsnoeren inzake de keuze van primaire bronnen met zorg voor een gepaste diversificatie van de brandstoffen, de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de inpassing van de door de Gewesten bepaalde randvoorwaarden inzake leefmilieu om rekening te houden met de internationale verbintenissen van België inzake de beperking van emissies en de energieproductie uit hernieuwbare bronnen;; 
ze bepaalt de aard van de productiekanalen waaraan de voorrang moet worden gegeven met zorg voor de bevordering van productietechnologieën met lage emissie van broeikasgassen;
ze evalueert de bevoorradingszekerheid inzake elektriciteit en formuleert, wanneer deze in het gedrang dreigt te komen, aanbevelingen dienaangaande.
5°  ze formuleert de aanbevelingen op basis van de vaststellingen die gemaakt zijn bij § 2, 1° tot 4°. De netbeheerder houdt rekening met deze aanbevelingen wanneer hij zijn in artikel 13 bedoelde ontwikkelingsplan opstelt; 
6°  zij analyseert de opportuniteit om gebruik te maken van de bij artikel 5 voorziene aanbestedingsprocedure. 

 

§ 3.

De minister bezorgt de prospectieve studie aan de federale Wetgevende Kamers en de Gewestregeringen. Hij ziet erop toe dat de prospectieve studie op passende wijze wordt bekendgemaakt alsook aan de Europese Commissie.

 

§ 4.

In het raam van het volbrengen van de opdrachten die haar krachtens dit artikel zijn toegewezen kan de Algemene Directie Energie de elektriciteitsbedrijven die op de Belgische markt een rol spelen, verzoeken haar binnen de dertig dagen volgend op haar aanvraag alle informatie te bezorgen die zij nodig heeft. Ingeval geweigerd wordt de gevraagde informatie binnen de dertig dagen te verstrekken kan zij overgaan tot een plaatsbezoek waarbij zij alle inlichtingen en documenten kan raadplegen die nodig zijn voor het volbrengen van de haar toegewezen opdrachten en die desgevallend kopiëren.


Art. 4.

§ 1.

Met uitzondering van de installaties voor de industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, niet meer het voorwerp van vergunningen kunnen uitmaken, worden de bouw van nieuwe installaties voor elektriciteitsproductie, de herziening, de vernieuwing, de verzaking, de overdracht en elke andere wijziging van een individuele vergunning afgeleverd op basis van deze wet onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een individuele vergunning afgeleverd door de minister na advies van de commissie.

 

Na advies van de commissie kan de Koning, tegen de door Hem bepaalde voorwaarden :

het toepassingsgebied van het eerste lid uitbreiden tot verbouwingen of andere aanpassingen van bestaande installaties;
de bouw van installaties met een laag vermogen vrijstellen van vergunning en onderwerpen aan een procedure van voorafgaande melding aan de commissie.

 

§ 2.

Na advies van de commissie bepaalt de Koning de criteria voor de toekenning van de vergunningen bedoeld in § 1, eerste lid. Deze criteria kunnen inzonderheid betrekking hebben op :

de veiligheid en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsnetten, de installaties en de bijbehorende uitrusting;
de energie-efficiëntie van de voorgestelde installatie, rekening houdend met de internationale verbintenissen van België inzonderheid inzake bescherming van het leefmilieu;
de aard van de primaire energiebronnen, de bijdrage van de productiecapaciteit aan de verwezenlijking van de algemene doelstelling van de Europese Unie die bepaald is bij Richtlijn 2009/28/EG, evenals de bijdrage van de productiecapaciteit aan de vermindering van de emissies;
de professionele betrouwbaarheid en ervaring van de aanvrager, zijn technische, economische en financiële capaciteit en de kwaliteit van zijn organisatie;
openbare dienstverplichtingen, onder andere inzake regelmaat en kwaliteit van elektriciteitsleveringen;
6°  de bescherming van de volksgezondheid en de openbare veiligheid; 
7°  het vermogen van de installatie om deel te nemen aan de automatische ondersteunende diensten voor de primaire regeling van de frequentie en de secundaire automatische regeling van het evenwicht van de Belgische regelzone. 

 

 

§ 3.

Na advies van de commissie bepaalt de Koning :

 

1°  de  procedure  voor  de  toekenning  van  de  in § 1,  eerste  lid, bedoelde vergunningen, meer bepaald de vorm van de aanvraag, het onderzoek van het dossier, de termijnen waarbinnen de minister moet beslissen  en  zijn  beslissing  aan  de  aanvrager  en  de  commissie moet meedelen,  en  de  vergoeding  die  aan  de  Algemene  Directie Energie moet worden betaald voor het onderzoek van het dossier.
de gevallen waarin de minister de vergunning kan herzien of intrekken en de toepasselijke procedures; 
3°  wat er met de vergunning gebeurt in geval van overdracht van de installatie of in geval van controlewijziging, fusie of splitsing van de houder van de vergunning en, in voorkomend geval, de te vervullen voorwaarden en de te volgen procedures voor het behoud of de hernieuwing van de vergunning in deze gevallen. 
de procedures die moeten worden gevolgd in geval van overdracht van productie-installaties die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gebouwd en in gebruik gesteld of in geval van controlewijziging, fusie of splitsing van de eigenaars van productieinstallaties die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gebouwd en in gebruik gesteld.

 

 

§ 4.

Na advies van de commissie legt de Koning, bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bijzondere voorwaarden met betrekking tot de productieafwijking vast, van toepassing op de nieuwe productie-installaties, ongeacht de aard van de gebruikte primaire energie, wanneer de houder van de vergunning van de nieuwe installatie, alleen of met de installaties van de bedrijven waarmee hij verbonden is, voor niet meer dan 10 procent van de in België tijdens het voorbije jaar verbruikte energie bevoorraad heeft. Voor de productie-installaties hierboven vermeld, werkend op basis van hernieuwbare energie of warmtekrachtkoppeling worden deze bijzondere voorwaarden vastgelegd na overlegd met de Gewesten.

 

§ 5.

Voor de nieuwe productie-installaties waarvan de productievergunninghouder in het voorgaande jaar, alleen of met de installaties van vennootschappen die met hem zijn verbonden, niet meer dan 5 % van de totale productie in de Belgische regelzone heeft geproduceerd, en voor zover zij niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 7 of van gelijkwaardige gewestelijke mechanismes voor de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, is de prijs voor de compensatie van kwartuuronevenwichten kleiner dan 125 MWh, gebaseerd op de benoemingen, gelijk aan de marktreferentieprijs, waarop een correctiefactor wordt toegepast voor de eerste vijfenzeventig dagen van injectie op het net zoals geprogrammeerd door de houder van de productievergunning en genomineerd aan de netbeheerder. Deze correctiefactor wordt vastgesteld door de commissie bij toepassing van artikel 12 teneinde de nieuwe installaties bedoeld in dit lid te bevorderen. Bij wijze van overgangsmaatregel, totdat de commissie voornoemde correctiefactor vaststelt, stemt deze laatste factor overeen met de minimale tarifaire boete zoals vastgesteld door de commissie bij toepassing van artikel 12. Voor 2011 zal deze maatregel uitwerking hebben ongeacht de datum van de eerste injectie van de nieuwe productie-installatie op het net gedurende dit jaar.


Art. 4bis.

§ 1.

Teneinde de elektriciteitsbevoorradingszekerheid te verzekeren alsook de veiligheid van het net, moet de [...] definitieve of tijdelijke buitenwerkingstelling van een installatie voor elektriciteitsproductie, of de definitieve of tijdelijke structurele vermindering met 5MW of meer van de geïnstalleerde capaciteit  worden gemeld aan de minister, aan de Algemene Directie Energie, aan de commissie en aan de netbeheerder uiterlijk op 31 juli van het jaar vóór de ingangsdatum van de buitenwerkingstelling of van de structurele vermindering van de geïnstalleerde capaciteit.


Een tijdelijke buitenwerkingstelling of de tijdelijke structurele vermindering met 5 MW of meer van de geïnstalleerde capaciteit kan slechts na 31 maart van het jaar volgend op de mededeling bedoeld in het eerste lid, plaatsvinden.

 

Een definitieve buitenwerkingstelling of definitieve structurele vermindering met 5 MW of meer van de geïnstalleerde capaciteit kan slechts na 31 oktober van het jaar volgend op de mededeling bedoeld in het eerste lid, plaatsvinden. De definitieve buitenwerkingstelling heeft van rechtswege tot gevolg dat de betrokken installatie voor de productie van elektriciteit buiten de markt geplaatst wordt hetgeen de onmogelijkheid met zich meebrengt om elektriciteit te produceren, vanaf die datum onverminderd de levering van strategische reserve, overeenkomstig hoofdstuk IIbis en onverminderd de levering, in voorkomend geval, van de black-start-dienst, in laatste instantie.

 

De termijnen van buitenwerkingstelling en structurele vermindering bedoeld in het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als de buitenwerkingstelling of structurele vermindering wordt opgelegd om veiligheidsredenen, om te voldoen aan milieunormen, of om de contractuele verbintenissen inzake warmtekrachtkoppeling ten aanzien van derden te eerbiedigen, voor dewelke de termijnen desgevallend korter kunnen zijn.

 

Een mededeling van buitenwerkingstelling of van structurele vermindering met 5 MW of meer van de geïnstalleerde capaciteit, is vereist voor elke installatie voor elektriciteitsproductie met een geïnstalleerde capaciteit groter dan of gelijk aan 5 MW, ongeacht of die een voorafgaande individuele vergunning overeenkomstig artikel 4 al dan niet heeft gekregen.

 

§ 1bis.

De exploitant van een productie-installatie kan geen afstand doen van een aangekondigde of effectieve definitieve buitenwerkingstelling of van een aangekondigde of effectieve definitieve structurele vermindering met 5 MW of meer van haar geïnstalleerde capaciteit.

 

De verzaking aan een aangekondigde of effectieve tijdelijke buitenwerkingstelling of structurele vermindering met 5 MW of meer van de geïnstalleerde capaciteit wordt meegedeeld door de exploitant aan de minister, de Algemene Directie Energie, aan de commissie en aan de netbeheerder. Onverminderd het derde en vierde lid en de werkingsregels van de strategische reserve bedoeld in artikel 7septies, kan deze mededeling op ieder tijdstip worden verricht; zij heeft de nietigheid van de in paragraaf 1 bedoelde mededeling tot gevolg.
 

Indien de mededeling bedoeld in het tweede lid wordt gedaan in de periode tussen 1 november tot en met 1 juli, dan heeft deze mededeling uitwerking tien werkdagen volgend op de mededeling, behalve indien de betreffende productie-installatie op het moment van de mededeling deel uitmaakt van de strategische reserve; in dit laatste geval heeft deze mededeling uitwerking vanaf 1 november volgend op de winterperiode waarvoor de deelname aan de strategische reserve gecontracteerd werd.

 

Indien de mededeling bedoeld in het tweede lid wordt gedaan in deperiode tussen 2 juli tot en met 31 oktober, dan heeft deze mededeling uitwerking vanaf 1 april volgend op voornoemde periode, behalve indien de betreffende productie-installatie deel uitmaakt van de strategische reserve voor de volgende winterperiode; in dit laatste geval dan heeft deze mededeling uitwerking vanaf 1 november volgend op de winterperiode waarvoor de deelname aan de strategische reserve gecontracteerd werd.

 

§ 2.

Na advies van de commissie en van de netbeheerder kan de Koning de mededelingsprocedure bedoeld in de paragrafen 1 en 1bis, vaststellen, met name wat de vorm en de modaliteiten van de mededeling betreft evenals de voorwaarden voor de terugkeer in de markt in geval van tijdelijke buitenwerkingstelling of van tijdelijke structurele capaciteitsvermindering van de productie-installatie.

 

De Algemene Directie Energie publiceert op de website van FOD Economie, K.M.O, Middenstand en Energie een tabel met de ontvangen mededelingen met toepassing van de paragrafen 1 en 1bis, die de totale volumes van de betrokken capaciteiten bevat. 

 

§ 3.

Onverminderd de maatregelen voor milieu- en veiligheidsredenen en de contractuele verbintenissen inzake warmtekrachtkoppeling ten aanzien van derden te eerbiedigen, mag geen enkele definitieve of tijdelijke buitenwerkingstelling, of structurele vermindering met 5 MW of meer van de geïnstalleerde capaciteit, plaats vinden tijdens de winterperiode.

 

§ 4.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de eenheden bedoeld in de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie.


Art. 4ter.

Een begrotingsfonds, genaamd “Energietransitiefonds”, wordt opgericht. Het vormt een begrotingsfonds in de zin van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat.


Het wordt gespijsd door de vergoeding die betaald wordt aan de federale Staat in overeenstemming met artikel 4/2 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie.


De Koning bepaalt de gebruiksvoorwaarden voor dit fonds bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.


Art. 5.

 

 

 

§ 1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 21, eerste lid, 1° en 2°, kan de minister een beroep doen op de procedure van offerteaanvraag voor de bouw van nieuwe installaties voor elektriciteitsproductie wanneer de bevoorradingszekerheid niet voldoende wordt gegarandeerd door :

de in aanbouw zijnde productiecapaciteit; of
de maatregelen met betrekking tot energie-efficiëntie; of
het beheer van de vraag.

 

De offerteaanvraag dient rekening te houden met het aanbod van elektriciteitsleveringen dat op lange termijn gewaarborgd is en dat voortkomt uit bestaande installaties voor elektriciteitsproductie, voor zover deze het mogelijk maken de bijkomende behoeften te dekken.

 

§ 2.

De minister motiveert het beroep op de procedure van offerteaanvraag in het bijzonder rekening houdend met de volgende criteria :

het niet afgestemd zijn van het productiepark op de ontwikkeling van de elektriciteitsvraag op middellange en lange termijn, rekening houdend met de prospectieve studie en in het bijzonder met de verbintenissen van België inzake de beperking van broeikasgasemissies en de energieproductie uit hernieuwbare bronnen;
de investeringen die bedoeld zijn om de productiecapaciteit te verhogen, zonder afbreuk te doen aan de investeringen met betrekking tot energie-efficiëntie;
de in artikel 21 bedoelde openbare dienstverplichtingen.

 

 

§ 3.

Het advies van de netbeheerder betreffende de omvang van het productiepark en de weerslag van de invoer wordt gevraagd voorafgaand aan het instellen van de procedure van offerteaanvraag.

 

§ 4.

De Koning bepaalt, na advies van de commissie, de nadere regels betreffende de procedure van offerteaanvraag waarbij hij zorg draagt voor het garanderen van :

een daadwerkelijke mededinging door de offerteaanvraag;
de transparantie van de procedure, in het bijzonder van de technische specificaties en toekenningscriteria van de offerteaanvraag;
de gelijke behandeling van alle kandidaten die antwoorden op de offerteaanvraag.
Het voldoen van de dossiers met betrekking tot de aanbesteding die door de inschrijvers worden ingediend, aan de criteria zoals bepaald door artikel 4 en de uitvoeringsbesluiten ervan. 

 

Het bestek dat wordt opgesteld door de Algemene Directie Energie kan stimuli bevatten voor de bouw van installaties voor elektriciteitsproductie die het voorwerp uitmaken van de offerteaanvraag. Ingeval het bestek stimuli bevat, moet dit voorafgaandelijk zijn goedgekeurd door de Ministerraad. Overeenkomstig artikel 21 kan de Koning, bij besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, de openbare dienstverplichtingen bepalen die de financiering mogelijk maken van de hierboven bedoelde stimuli.

 

Bij gebreke aan toepassing van het financieringsmechanisme bepaald in het tweede lid, worden de stimuli gefinancierd door de Rijksmiddelenbegroting.

 

De stimuli toegekend ingevolge de procedure van offerteaanvraag kunnen geen voorwerp uitmaken voor een belasting.

 

§ 4bis.

De modaliteiten voor de aanbestedingsprocedure worden minstens zes maanden vóór de afsluitingsdatum van de aanbesteding in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

 

Het bestek wordt ter beschikking gesteld van alle belanghebbende bedrijven, gevestigd op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Unie, zodat deze over een voldoende termijn kunnen beschikken om een offerte voor te leggen.

 

Om transparantie en non-discriminatie te waarborgen, bevat het bestek een gedetailleerde beschrijving van de specificaties van het contract, de procedure die alle inschrijvers moeten volgen en de gunning, met inbegrip van stimulansen.

 

§ 5.

Nadat hij het advies heeft ingewonnen van de overheden die worden geraadpleegd in uitvoering van de procedure van artikel 4, wijst de minister, op basis van de in artikel 4, § 2, vermelde criteria, de kandidaat of kandidaten aan die in aanmerking genomen worden ingevolge de aanbesteding. Deze aanwijzing geldt als individuele vergunning voor de elektriciteitsproductie in de zin van artikel 4.

 

§ 6.

De Algemene Directie Energie is verantwoordelijk voor de organisatie, de opvolging en de controle van de aanbestedingsprocedure bedoeld in §§ 1 tot 5. In dit kader neemt de Algemene Directie Energie alle nodige maatregelen om de vertrouwelijkheid van de informatie in de offertes te garanderen.


Art. 5bis.

Een begrotingsfonds genaamd “flexibele elektriciteitsproductie” wordt opgericht. Het vormt een begrotingsfonds in de zin van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat.


Het wordt jaarlijks gespijsd door een derde van de vergoeding die betaald wordt aan de Staat krachtens artikel 4/1 van wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie.


De middelen van dit fonds kunnen worden gebruikt om de impact op de consumenten te verzachten van de maatregelen die nodig zijn om de capaciteiten inzake flexibele elektriciteitsproductie te behouden en/of te ontwikkelen ten einde de bevoorradingszekerheid en het evenwicht van het netwerk te waarborgen. De Koning stelt de voorwaarden vast voor het gebruik van dit fonds bij besluit overlegd in de Ministerraad.


Art. 6.

§ 1.

Met inachtneming van de bepalingen vastgesteld krachtens §,2, en onverminderd de bepalingen van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, kan de minister, na advies van de commissie, domeinconcessies voor een hernieuwbare duur van maximum dertig jaar verlenen voor de bouw en de exploitatie van installaties voor de productie van elektriciteit uit water, stromen of winden, in de zeegebieden waarin België rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht.

 

§ 2.

Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de commissie, bepaalt de Koning de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de concessies bedoeld in § 1, en inzonderheid :

de beperkingen ter vermijding dat de bouw of de exploitatie van bedoelde installaties het gebruik van de reguliere scheepvaartroutes, de zeevisserij of het wetenschappelijk zeeonderzoek in overdreven mate zou hinderen;
de maatregelen die moeten worden genomen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, overeenkomstig de bepalingen van voornoemde wet van 20 januari 1999;
de technische voorschriften waaraan de betrokken kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen moeten beantwoorden;
de procedure voor de toekenning van bedoelde concessies, met zorg voor een gepaste publiciteit van het voornemen tot toekenning van een concessie alsook, in voorkomend geval, voor een effectieve mededinging tussen de kandidaten;
de regels inzake de overdracht en de intrekking van de concessie.

 

De maatregelen bedoeld in het eerste lid, 2°, worden vastgesteld op gezamenlijke voordracht van de minister en van de federale minister die bevoegd is voor de bescherming van het mariene milieu.

 

§ 3.

Artikel 4 is niet van toepassing op de installaties bedoeld in § 1.


Art. 6/1.

§ 1.

Met inachtneming van de bepalingen vastgesteld krachtens § 2 en onverminderd de bepalingen van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de commissie, domeinconcessies verlenen voor de bouw en de exploitatie van installaties voor hydro-elektrische energieopslag in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, namelijk de territoriale zee, de exclusieve economische zone en het continentaal plat, bedoeld in de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België.


Deze installaties kunnen niet genieten van het steunmechanisme bedoeld in artikel 7, § 1, noch van enige andere vorm van subsidie of financiële steun vanwege de Staat of de elektriciteitsverbruiker.

 

§ 2.

Bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de commissie, bepaalt de Koning de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de concessies bedoeld in § 1, en inzonderheid :

de beperkingen ter vermijding dat de bouw of de exploitatie van bedoelde installaties het gebruik van de reguliere scheepvaartroutes, de zeevisserij of het wetenschappelijk zeeonderzoek in overdreven mate zou hinderen;
de maatregelen die moeten worden genomen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, overeenkomstig de bepalingen van voornoemde wet van 20 januari 1999;
de technische voorschriften waaraan de betrokken kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen moeten beantwoorden;
de procedure voor de toekenning van bedoelde concessies, met zorg voor een gepaste bekendmaking van het voornemen tot toekenning van een concessie alsook, in voorkomend geval, voor een effectieve mededinging tussen de kandidaten;
de regels inzake de overdracht en de intrekking van de concessie;
de bepaling van de levensduur van de concessie;
de financiële voorschriften waaraan de betrokken kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen moeten beantwoorden.


De maatregelen bedoeld in het eerste lid, 2°, van deze paragraaf worden vastgesteld op gezamenlijke voordracht van de minister en van de minister die bevoegd is voor de bescherming van het mariene milieu.


Deze procedure wordt gevoerd met respect voor de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en haar uitvoeringsbesluiten.

 

§ 3.

Artikel 4 is niet van toepassing op de installaties bedoeld in § 1.


Art. 6/2.

§ 1.

Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, zal de Koning:

na overleg met de netbeheerder en de in artikel 6 bedoelde titularissen van een domeinconcessie, de uiterste datum bepalen waarop elk deel van het Modular Offshore Grid in dienst moet gesteld zijn;

een vergoedingssysteem instellen ten behoeve van de betrokken titularissen van een domeinconcessie bedoeld in artikel 6, ingeval het Modular Offshore Grid geheel of gedeeltelijk niet in dienst zou gesteld zijn op de datum bepaald krachtens 1°, of ingeval van een volledige of gedeeltelijke onbeschikbaarheid van het Modular Offshore Grid na de indienststelling ervan. De toepassing van dit vergoedingssysteem sluit elke andere wetsbepaling uit die het mogelijk maakt de netbeheerder verantwoordelijk te stellen.

 

De besluiten bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad, indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van hun inwerkingtreding.

 

§ 2.

De doorrekening in de tarieven van de netbeheerder van de kosten van een uit het eerste lid, 2°, resulterende vergoeding gebeurt met toepassing van de tariefmethodologie bedoeld in artikel 12. Wanneer de onbeschikbaarheid van het Modular Offshore Grid echter te wijten is aan een zware of opzettelijke fout van de netbeheerder, wordt de kost van de vergoeding door de commissie te zijnen laste gelegd in evenredig verband met zijn fout zonder dat die, voor het geheel van de gebeurtenissen die gedurende een gegeven jaar plaatsvinden, hoger mag zijn dan de vergoeding, resulterend uit de tariefberekening, die hem tijdens datzelfde jaar wordt toegekend voor de verwezenlijking en het beheer van het Modular Offshore Grid.


Art. 7.

§ 1.

Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie, kan de Koning :

maatregelen van marktorganisatie vaststellen, waaronder de instelling van een door de commissie beheerd systeem voor de toekenning van certificaten van oorsprongsgarantie en van groenestroomcertificaten voor elektriciteit geproduceerd overeenkomstig artikel 6, evenals het opleggen van een verplichting aan de netbeheerder om groenestroomcertificaten afgeleverd door de federale en gewestelijke overheden aan te kopen tegen een minimumprijs en te verkopen, teneinde de afzet op de markt te verzekeren, tegen een minimumprijs, van een minimumvolume elektriciteit geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen [...];
een mechanisme inrichten ter financiering van alle of een deel van de nettolasten die voortvloeien uit de in 1° bedoelde maatregelen.

 

Het in het eerste lid, 2°, bedoelde mechanisme wordt, in voorkomend geval, beheerd door de commissie en kan geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd door een toeslag op de tarieven bedoeld in artikel 12 of door een heffing op alle of objectief bepaalde categorieën van energieverbruikers of marktoperatoren, volgens de nadere regels bepaald door de Koning in uitvoering van het eerste lid, 2°.

 

Elk besluit dat een toeslag of heffing zoals bedoeld in het tweede lid invoert, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding. 

 

Onder voorbehoud van het derde lid, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, bekrachtigd bij artikel 427 van de programmawet(I) van 24 december 2002 en door artikel 28 van de wet van 26 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake energie en door artikel 2 van de wet van 12 juni 2015 tot bekrachtiging van bepaalde artikelen van het koninklijk besluit van 4 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen., wijzigen, vervangen of opheffen.

 

De toeslag bedoeld in het tweede lid is verschuldigd door de op het Belgisch grondgebied gevestigde eindafnemers op elke kWh die ze voor eigen gebruik van het net afnemen. De toeslag is aan de btw onderworpen.

 

De netbeheerder is belast met de inning van de toeslag zonder toepassing van de verminderingen bedoeld in het zevende en achtste lid. Daartoe factureert hij de toeslag aan de houders van een toegangscontract en aan de distributienetbeheerders. Indien de houders van een toegangscontract of de distributienetbeheerders niet zelf de van het net afgenomen kWh verbruiken, kunnen zij de toeslag factureren aan hun eigen klanten, totdat deze toeslag uiteindelijk wordt gefactureerd aan degene die de kWh voor eigen gebruik heeft verbruikt. 

 

Voor de verbruiken vanaf 1 juli 2013 tot 31 december 2013 wordt de toeslag, toepasbaar door elektriciteitsbedrijven op hun eindafnemers, verminderd, op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen, als volgt :

voor de verbruiksschijf vanaf 20 MWh/jaar tot 50 MWh/jaar : met 15 procent;
voor de verbruiksschijf vanaf 50 MWh/jaar tot 1 000 MWh/jaar : met 20 procent;
voor de verbruiksschijf vanaf 1 000 MWh/jaar tot 25 000 MWh/jaar : met 25 procent;
voor de verbruiksschijf hoger dan 25 000 MWh/jaar : met 45 procent.

 

Per verbruikslocatie, tussen 1 juli 2013 en 31 december 2013, bedraagt de toeslag gefactureerd door de elektriciteitsbedrijven voor die verbruikslocatie maximaal 125 000 euro.

 

Voor de verbruiken vanaf 1 januari 2014 wordt de toeslag, toepasbaar door elektriciteitsbedrijven op hun eindafnemers, per verbruikslocatie, verminderd, op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen, als volgt :

voor de verbruiksschijf vanaf 20 MWh/jaar tot 50 MWh/jaar : met 15 procent
voor de verbruiksschijf vanaf 50 MWh/jaar tot 1 000 MWh/jaar : met 20 procent;
voor de verbruiksschijf vanaf 1 000 MWh/jaar tot 25 000 MWh/jaar : met 25 procent;
voor de verbruiksschijf hoger dan 25 000 MWh/jaar : met 45 procent. 

 

Per verbruikslocatie en per jaar, bedraagt de toeslag gefactureerd door de elektriciteitsbedrijven voor die verbruikslocatie maximaal 250.000 euro. 

 

De verminderingen bedoeld in het zevende, achtste, negende en tiende lid gelden voor de elektriciteit afgenomen door alle eindafnemers behalve degenen die geen sectorakkoord of convenant ondertekend hebben waarvoor ze in aanmerking komen. De professionele eindafnemers die een sectorakkoord of een convenant hebben gesloten en die reeds genieten van een degressiviteit voor de federale bijdrage voor elektriciteit zullen automatisch genieten van de degressiviteit op de toeslag.

 

Wanneer blijkt dat een bedrijf, dat een sectorakkoord of convenant heeft gesloten en dat de degressiviteit geniet als gevolg van zijn verklaring betreffende de naleving ervan, de verplichtingen van dit akkoord of convenant zoals bepaald door de Gewesten niet naleeft, moet dit bedrijf de bedragen, die wegens de onterechte toepassing van de degressiviteit niet betaald werden, terugbetalen aan de commissie. Daarenboven verliest het bedrijf haar recht op de degressiviteit voor het volgende jaar.

 

De commissie vergoedt aan de elektriciteitsbedrijven het totale bedrag voortvloeiend uit de toepassing van de verminderingen van de toeslag zoals bedoeld in deze paragraaf. Teneinde dit totale bedrag te dekken worden de volgende elementen aan de commissie toegewezen :

de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van het bijzondere accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel e) i) en onderdeel f) i) van de programmawet van 27 december 2004 voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15o;
als het totaal van de onder 1o van dit lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de verminderingen te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel j) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen;
als het totaalbedrag uit de onder 1o en 2o van dit lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de verminderingen te dekken, wordt een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelastingen bijkomend toegewezen.

 

De codes van de in deze paragraaf bedoelde gecombineerde nomenclatuur verwijzen naar die welke zijn vastgesteld in de Verordering EEG nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van de Verordering EEG nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.

 

De commissie brengt aan het einde van elk trimester verslag uit aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de ministers bevoegd voor energie, begroting en financiën over de uitbetalingen die zij heeft gedaan in het kader van de offshore toeslag.

 

§ 1bis.

In functie van onder meer de voorwaarden van beste technische praktijken, van verkoopprijs van elektriciteit en van financieringskost stelt de commissie jaarlijks een verslag op, voor toekomstige projecten, over de doeltreffendheid inzake kosten van de minimumprijs van de bovenvermelde aankoopverplichting door de netbeheerder van de groenestroomcertificaten die door de federale en gewestelijke overheden worden toegekend. Dit verslag wordt aan de minister overgezonden en op de internetsite van de commissie gepubliceerd. Daarenboven vergelijkt en evalueert de commissie, voor 31 september 2016, de gevolgen voor de consument en de Staat van de twee mechanismen van aankoopverplichting door de netbeheerder aan een door het koninklijk besluit 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen vastgestelde minimumprijs  voor offshore windenergie, namelijk een mechanisme met een vaste minimumprijs et een mechanisme met een variabele minimumprijs.

 

Desgevallend kan de commissie een advies uitbrengen over de wenselijkheid om het bovenvermeld koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met betrekking tot de hoogte van deze minimumprijs te wijzigen.

 

§ 2.

Voor nieuwe installaties voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, die het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 bedoelde domeinconcessie verleend vóór 1 juli 2007, staat de netbeheerder in voor één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen euro voor een project van 216 MW of meer. Deze financiering van 25 miljoen euro wordt naar rato verminderd, wanneer het project minder dan 216 MW bedraagt. In dit bedrag is begrepen de aankoop, de levering en de plaatsing van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van voormelde productie-installaties. Deze financiering wordt over vijf jaar gespreid, a rato van één vijfde per jaar vanaf het begin van de werken. De commissie controleert de voor de financiering in aanmerking te nemen totale kosten op basis van de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt bij toepassing van de geldende wetgeving inzake overheidsopdrachten. De commissie voert deze controle uit binnen een periode van één maand na voorlegging van voornoemde offerte, of offertes, door de titularis van de domeinconcessie bedoeld in artikel 6, § 1. Deze bijdrage wordt gestort in vijf gelijke schijven vanaf de maand volgend op de aanvang van de eerste werken, en elk volgend jaar op dezelfde datum.

 

Installaties, voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, die het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 bedoelde domeinconcessie, verleend na 1 juli 2007 en waarvan de financial close heeft plaatsgegrepen tussen 2 mei 2014 tot en met 31 december 2016, kunnen de minister verzoeken om niet aan te sluiten op ee installatie noodzakelijk voor de transmissie van elektriciteit in de zeegebieden waarin België rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, bedoeld in artikel 13/1. Indien de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, toestemming verleent om niet aan te sluiten, staat de netbeheerder in voor één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen euro volgens de modaliteiten bepaald in deze paragraaf en wordt de minimumprijs voor de geproduceerde windenergie, zoals vastgelegd voor installaties waarvan de financial close plaatsvindt na 1 mei 2014 overeenkomstig het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, verhoogd met 12 euro/MWh. Wanneer het installaties betreft waarvan de financial close plaatsgrijpt na 1 mei 2016, dan wordt de minimumprijs zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen verhoogd met een bedrag ter dekking van en dat bijgevolg overeenstemt met de totale kosten van de financiering van de onderzeese kabel die resulteren uit de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de in aanmerking genomen offerte of offertes.


Installaties, voor de productie van elektriciteit uit wind in de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht, die het voorwerp uitmaken van een in artikel 6 bedoelde domeinconcessie, verleend na 1 juli 2007, en waarvan de financial close heeft plaatsgegrepen na 31 december 2016, worden aangesloten op het Modular Offshore Grid.

 

Voor de installaties voor de productie van elektriciteit bedoeld in het derde lid , wordt de minimumprijs voor de geproduceerde windenergie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen verhoogd met een bedrag ter dekking van en dat bijgevolg overeenstemt met de totale kosten van de financiering van de onderzeese kabel die resulteren uit de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de in aanmerking genomen offerte of offertes. 

 

In geval van absolute en aangetoonde onmogelijkheid om de bouw van het Modular Offshore Grid aan te vatten of te beëindigen, vastgesteld door de minister, kunnen de voormelde installaties voor de productie van elektriciteit rechtstreeks aangesloten worden op de bestaande installaties voor het transport van elektriciteit. De netbeheerder financiert voor één derde de kost van de onderzeese kabel, en dit voor een maximum bedrag van 25 miljoen euro volgens de modaliteiten gedefinieerd in het eerste lid en de minimumprijs voor geproduceerde windenergie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wordt verhoogd met een bedrag dat de totale kosten dekt die in aanmerking komen voor de financiering van de kost van de onderzeese kabel zoals ze voortvloeien uit de offerte of de offertes die de titularis van de domeinconcessie, bedoeld in artikel 6, § 1, in aanmerking neemt in toepassing van de geldende wetgeving inzake overheidsopdrachten. Dit bedrag wordt bepaald door de commissie na verificatie van de offerte of de offertes die in aanmerking genomen werden.

 

In geval van het niet bereiken van de geplande 216 MW binnen de vijf jaren na het begin van de werken wordt een bedrag pro rata aan 25 miljoen euro teruggevorderd op initiatief van de minister, na advies van de commissie.

 

De betaling van iedere schijf gebeurt na aanvraag van de titularis van de domeinconcessie bedoeld in artikel 6, § 1. Deze aanvraag omvat :

het bewijs van het uitvoeren van het vergund investeringsprogramma dat de commissie kan controleren, hetzij op basis van de door de titularis overgezonden stukken, hetzij ter plaatse;
de overlegging van het bewijs van het naleven van de fiscale en sociale wetgevingen en reglementeringen tijdens het afgesloten boekjaar voorafgaand aan de aanvraag tot betaling.

 

Zo de voorwaarden bedoeld in het vijfde lid niet zijn nageleefd, schort de minister, op voorstel van de commissie, de storting van de jaarlijkse schijf op. Zo die voorwaarden wegens overmacht niet worden nageleefd, en indien de economische bedrijvigheid van de onderneming verdergaat, kan het storten van de jaarlijkse schijf door de minister worden gehandhaafd.

 

In geval van intrekking van de machtiging tot betaling gebeurt de terugvordering van de betwiste stortingen op initiatief van de minister, via alle rechtsmiddelen.

De nadere regels van deze financiering zullen worden bepaald in een overeenkomst tussen de netbeheerder en de titularis van de domeinconcessie. De kostprijs van deze bijdrage die door de netbeheerder wordt gefinancierd is toerekenbaar aan de taken bedoeld in artikel 8.

 

§ 3.

De netbeheerder bouwt en exploiteert het Modular Offshore Grid.

 

In afwijking van het eerste lid mag elke persoon die over de nodige administratieve vergunningen beschikt die hij voor de inwerkingtreding van de wet van 13 juli 2017 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met het oog op het instellen van een wettelijk kader voor het Modular Offshore Grid heeft verkregen, mits voorafgaand akkoord van de netbeheerder en de commissie, een van de installaties bouwen die deel uitmaken van het Modular Offshore Grid op voorwaarde dat deze installatie, zolang ze niet geïntegreerd is in de andere elementen van het Modular Offshore Grid, de kenmerken heeft van een aansluiting op het elektriciteitstransmissienet op het vasteland. Deze vergunning is onderworpen aan de formele verbintenis van de betrokken persoon om de principes toe te passen voor de valorisatie van de installatie die de commissie heeft vastgelegd met het oog op de overdracht ervan naar de netbeheerder volgens de modaliteiten in het derde lid.

 

De netbeheerder wordt de eigenaar van een installatie aangelegd met toepassing van het tweede lid vooraleer deze in het Modular Offshore Grid wordt geïntegreerd; deze integratie moet gebeuren ten laatste twaalf maanden na de indienststelling van het betrokken park.

 

De eigendomsoverdracht kan pas gebeuren als aan de netbeheerder een domeinconcessie voor deze installatie werd toegekend met toepassing van artikel 13/1.

 

De commissie bepaalt de waarde van de installatie en de modaliteiten voor de overdracht aan de netbeheerder op gemeenschappelijk voorstel van zijn eigenaar en de netbeheerder dat aan de commissie werd overgemaakt ten laatste negen maanden na de indienststelling van de installatie. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk voorstel legt de commissie de waarde van de installatie op eigen gezag vast na raadpleging van de partijen. De commissie neemt haar beslissing ten laatste op de laatste werkdag van de elfde maand na de indienststelling van het betrokken park,. De effectieve overdracht van de eigendom van de installatie mag niet gebeuren voor de betaling van de door de commissie vastgelegde prijs.

 

§ 4.

Voor de installatieprojecten bedoeld in § 2, ingediend tot 31 december 2007, en in het geval van intrekking van de domeinconcessie bedoeld in artikel 6, § 1, of van enig andere voor de totale realisatie van het project vereiste en door de federale overheid verleende vergunning of toelating, of in geval van stopzetting tijdens de opbouwfase van het project, ingevolge een besluit dat niet gebaseerd is op enige reglementaire basis, al of niet genomen na advies van de bevoegde instantie, zonder dat een voor de titularis van de domeinconcessie aanwijsbare nalatigheid of tekortkoming kan worden aangetoond, wordt voorzien in een maatregel zoals beschreven in het vierde lid, teneinde de investeringszekerheid van het project te garanderen, rekening houdend met het innoverende karakter van het project.

 

Op het ogenblik van de inwerkingtreding van de intrekking of stopzetting zoals beschreven in het eerste lid, wordt een evaluatie gemaakt door de commissie. Deze evaluatie houdt rekening met :

de totale jaarlijkse kost die de investeringen omvat, de exploitatiekosten alsook de financiële lasten;
de verschillende inkomsten voortvloeiend uit het vigerende reglementair kader en de mogelijkheden tot aankoop van energie.

 

De commissie stelt, op basis van de evaluatie in het tweede lid, de noodzakelijke aanpassingen voor aan de prijs van de met het project verbonden groene stroomcertificaten, teneinde een rentabiliteit te waarborgen die gelijkwaardig is aan een investering op lange termijn met gelijkaardige risico's, overeenkomstig de beste praktijken binnen de internationale financiële markten.

 

Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het voorstel van de commissie, bepaalt de Koning op basis van het voorstel van de commissie, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de noodzakelijke aanpassingen aan de prijs van de met het project verbonden groene stroomcertificaten.

De commissie waakt over de verenigbaarheid tussen het voorstel en de vigerende regelgeving.