Hoofdstuk V.
Tarifering, openbare dienstverplichtingen, boekhouding


Art. 20.

§ 1.

Na advies van de commissie en beraadslaging in Ministerraad kan de federale minister bevoegd voor economie de maximumprijzen vaststellen voor de levering van elektriciteit aan eindafnemers [...].

 

§ 2.

Na advies van de commissie en overleg met de gewesten kan de federale minister bevoegd voor economie, na beraadslaging in Ministerraad, maximumprijzen vaststellen per kWh geldig voor het gehele grondgebied, voor de levering van elektriciteit aan residentiėle beschermde klanten [...].

 

De elektriciteitsbedrijven verzekeren de bevoorrading van residentiėle beschermde klanten tegen de maximumprijzen bepaald krachtens het eerste lid en voeren een afzonderlijke boekhouding voor deze activiteit.

 

[...]

 

De bepalingen van de wet van 22 januari 1945 op de economische reglementering en de prijzen zijn van toepassing, met uitzondering van artikel 2, § 4, laatste lid, en § 5, voor de bepaling van de maximumprijzen bedoeld in paragraaf 1 en in het eerste lid.

 

De Koning bepaalt, na advies van de commissie, de criteria voor de beoordeling van het aantal huishoudens dat kampt met energiearmoede.

 

§ 2/1.

Voor de toepassing van de maximumprijzen bedoeld in § 2, wordt beschouwd als beschermde residentiėle afnemer elke residentiėle afnemer die kan bewijzen dat hijzelf of iedere persoon die onder hetzelfde dak leeft een beslissing geniet tot toekenning van:

door een OCMW,
  a) het leefloon toegekend in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  b) een financiėle maatschappelijke dienstverlening, die geheel of gedeeltelijk door de Federale Staat ten laste wordt genomen op grond van artikel 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  c) een wachtuitkering op het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, de inkomensgarantie voor ouderen of de uitkering voor personen met een handicap;
door de FOD Sociale Zekerheid Directie Generaal Personen met een Handicap,
  a) de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  b) de integratietegemoetkoming bedoeld in artikel 2, § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  c) een tegemoetkoming bedoeld in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan mindervaliden;
  d) een aanvullende tegemoetkoming, bedoeld in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan mindervaliden;
  e) de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  f) ten minste 4 punten in pijler 1 bedoeld in artikel 6, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
door een instelling van een gewest of een gemeenschap, een tegemoetkoming voor de hulp aan bejaarden die de Koning gelijkstelt met de in 2°, e), bedoelde tegemoetkoming;
op basis van een decreet of ordonnantie genomen beslissing tot toekennig van een aantal punten of een score aan een kind die de Koning gelijkstelt met een in 2°, f), bedoelde beslissing;
door de Federale Pensioendienst,
  a) het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, bedoeld in de wet van 1 april 1969 tot instelling van het ingesteld gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
  b) de inkomensgarantie voor ouderen, bedoeld in de wet van 22 maart 2001, tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
  c) een tegemoetkoming voor hulp van derden bedoeld in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan mindervaliden;
 

d)

een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, bedoeld in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan mindervaliden.

voor zichzelf de verhoogde verzekeringstegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 19, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan de lijst van beschermde residentiėle afnemers, bedoeld in het eerste lid, door de Koning gewijzigd of aangevuld worden. Elk besluit dat voor dit doel wordt genomen, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad, indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.      

 

 

§ 3.

De maximumprijzen bedoeld in §§ 1 en 2 worden zodanig vastgesteld dat :

kruissubsidies tussen categorieėn van afnemers worden vermeden;
wordt gewaarborgd dat een billijk deel van de productiviteitsverbetering ingevolge de openstelling van de elektriciteitsmarkt op evenwichtige wijze ten goede komt van residentiėle en professionele afnemers, waaronder de kleine en middelgrote ondernemingen, in de vorm van een vermindering van de tarieven;
de tarieven voor de in 2° bedoelde afnemers geleidelijk worden afgestemd op de beste tariefpraktijken in hetzelfde marktsegment in de andere lidstaten van de Europese Unie, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de distributiesector.
het recht van toegang tot energie, goed van eerste levensbehoefte, wordt gewaarborgd, waarbij in het bijzonder, in het kader van de openstelling van de elektriciteitsmarkt voor concurrentie, de continuļteit van de sociale voordelen toepasbaar op bepaalde catego-rieėn residentiėle verbruikers inzake aansluitingen en tarieven wordt verzekerd;
erop wordt toegezien dat eindafnemers genieten van de voordelen die uit het afschrijvingsbeleid gevoerd in het gereguleerde systeem zullen voortvloeien;
de transparantie in termen van tarieven wordt gewaarborgd en de rationele consumptiegedragingen worden bevorderd.

 

 

§ 4.

Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na overleg met de gewestregeringen, kan de Koning de minister machtigen om, na advies van de commissie, minimumprijzen vast te stellen voor de aankoop van elektriciteit geproduceerd door middel van warmtekrachtkoppeling en die beantwoordt aan de door Hem bepaalde kwaliteitscriteria, met het oog op de levering aan eindafnemers.

 

§ 5.

Wanneer voor de levering van elektriciteit aan een huishoudelijk afnemer niet langer de maximumprijzen, bedoeld in de paragrafen 1/1 of 2, van toepassing zijn, brengt de leverancier de huishoudelijke afnemer hiervan onverwijld in kennis en bezorgt een overzicht van al zijn op dat ogenblik actieve producten. De leverancier wijst de huishoudelijke afnemer op zijn vrije keuze tussen het overzicht van al zijn actieve producten. De leverancier wijst tevens op een duidelijk zichtbare manier op het feit dat hij via de websites van de gewestelijke regulatoren kan nagaan wat het goedkoopste product is en dat de huishoudelijke afnemer steeds het recht heeft om te veranderen van leverancier overeenkomstig artikel 18, § 2/3. Dit gebeurt via een ondubbelzinnige mededeling met opgave van de hyperlink naar de
juiste webpagina van de betrokken regulator waar de prijsvergelijking kan worden gemaakt. De kennisgeving, dit overzicht en de informatie inzake gewestelijke regulatoren en het recht krachtens artikel 18, § 2/3, wordt aan de huishoudelijke afnemer ter kennis gebracht via hetzelfde middel waarmee gebruikelijk werd gecommuniceerd wanneer die afnemer nog de toepassing van de maximumprijzen, bedoeld in
paragrafen 1/1 of 2, genoot.


Wanneer voor de levering van elektriciteit aan een huishoudelijk afnemer niet langer de maximumprijzen, bedoeld in de paragrafen 1/1 of 2, van toepassing zijn, past de leverancier het op dat ogenblik goedkoopste equivalent product toe van het product dat van toepassing
was tijdens de periode dat de huishoudelijk afnemer de toepassing van de maximumprijzen, bedoeld in de paragrafen 1/1 of 2, genoot.


Art. 20bis.

§ 1.

Teneinde de controle waarin § 3 voorziet te kunnen uitvoeren, stelt de commissie voor elke leverancier, voor elk variabel contracttype, evenals elk nieuw contracttype, en in overleg met hem, binnen twee maanden na de bekendmaking van de wet van 8 januari 2012 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, een gegevensbank op teneinde de methodologie te registreren voor de berekening van de variabele energieprijzen, waaronder de parameters en de indexeringsformules die daarbij gehanteerd worden. Hiertoe kan de commissie extra informatie opvragen in het kader van haar opdracht.

 

§ 2.

De variabele energieprijs voor de levering van elektriciteit aan huishoudelijke eindafnemers en K.M.O.’s kan maximaal vier keer per jaar, en steeds de eerste dag van een trimester, geļndexeerd worden.

 

Binnen drie werkdagen volgend op de indexering publiceren de leveranciers voor contracten met variabele energieprijzen, de desbetreffende indexeringsformules voor de levering van elektriciteit aan huishoudelijke eindafnemers en KMO’s op hun website, alsook de eventuele wijzigingen aan die formules.

 

§ 3.

Binnen vijf dagen na elke indexering, die plaatsgrijpt na de registratie van de variabele energieprijzen overeenkomstig § 1, bezorgt elke leverancier aan de commissie een overzicht van de wijze waarop deze werd aangepast op grond van de door de leverancier gehanteerde indexeringsformule. De commissie gaat na of de door de leverancier gehanteerde indexeringsformule correct werd toegepast en in overeenstemming is met de gegevens zoals die zijn doorgegeven in het kader van § 1.

 

§ 4.

De commissie stelt vast [...] of de indexeringsformule zoals bedoeld in § 1 van de energiecomponent voor levering van elektriciteit met variabele energieprijs aan huishoudelijke eindafnemers en kmo’s correct werd toegepast.

 

De commissie doet op eigen initiatief een vaststelling in geval een leverancier geen aangifte doet van de in § 2 bedoelde gegevens. binnen de bovenvermelde termijnen, na ingebrekestelling van de leverancier om zijn aangifteplicht krachtens § 3 na te komen.

 

De commissie zendt per aangetekende brief met ontvangstmelding haar vaststelling over aan de leverancier binnen vijf werkdagen volgend op diens verklaring bedoeld in § 3 of volgend op de datum waarop zij op eigen initiatief is tussengekomen overeenkomstig het tweede lid. De leverancier heeft het recht de vaststelling door de commissie te betwisten binnen de vijf werkdagen na ontvangst van de vaststelling. Betwistingen worden voorgelegd aan een neutraal en door beide partijen aanvaard lid van het Belgisch Instituut voor Bedrijfsrevisoren, dat binnen dertig dagen en op kosten van de in het ongelijk gestelde partij een bindende vaststelling doet die vaststelt of de indexeringsformule van de energiecomponent voor levering van elektriciteit met variabele energieprijs aan huishoudelijke afnemers en K.M.O.’s correct werd toegepast.

 

Nadat de in het eerste lid vermelde vaststelling definitief is geworden, kan de commissie de leverancier aanmanen om de betrokken klanten te crediteren voor het teveel aangerekende deel van de energiecomponent. Indien de leverancier nalaat dit te doen binnen een periode van drie maanden na deze aanmaning kan de commissie deze een administratieve geldboete opleggen, in afwijking van artikel 31. Deze geldboete mag niet hoger zijn dan 150.000 euro.

 

§ 5.

De leverancier geeft elke stijging van de variabele energieprijs voor huishoudelijke eindafnemers en K.M.O.’s die niet het gevolg is van een beslissing van de bevoegde overheid, regulator, netbeheerder, distributienetbeheerder of die niet voortvloeit uit de toepassing van de §§ 2 tot 4, per aangetekende brief met ontvangstmelding aan bij de commissie.

 

De melding aan de commissie gaat vergezeld van een motivering van de stijging van de variabele prijs zoals bedoeld in het eerste lid.

 

De inwerkingtreding van de stijging zoals bedoeld in het eerste lid wordt geschorst gedurende de duur van de in deze paragraaf bepaalde procedure.

 

De commissie oordeelt [...] of de motivering van de stijging gerechtvaardigd is aan de hand van objectieve parameters, onder andere op basis van een permanente vergelijking van de energiecomponent voor de levering van elektriciteit en aardgas aan huishoudelijke eindafnemers en K.M.O.’s met het gemiddelde van de energiecomponent in de zone Noordwest-Europa.

 

Op initiatief van de commissie [...] wordt een beslissing genomen door de commissie in geval van afwezigheid van aangifte door een leverancier, na ingebrekestelling per aangetekende brief met ontvangstmelding van de leverancier om zijn aangifteplicht krachtens het eerste lid na te komen.

 

De commissie zendt [...] haar beslissing over aan de leverancier binnen vijf werkdagen volgend op diens verklaring bedoeld in het eerste lid of volgend op de datum waarop zij op eigen initiatief is tussengekomen overeenkomstig het vijfde lid.

 

Indien de opwaartse aanpassing van de energiecomponent niet gerechtvaardigd is, knoopt de leverancier onderhandelingen aan met de commissie en de Nationale Bank van Belgiė met het oog op het afsluiten van een akkoord over de variabele prijs voor de energiecomponent voor de levering aan huishoudelijke eindafnemers en K.M.O.’s. [...]

 

In geval van mislukking van de onderhandelingen binnen een termijn van twintig dagen vanaf de ontvangst door de commissie van voormelde aangifte, kan de commissie [...] het geheel of een deel van de geplande stijging verwerpen. De commissie motiveert en deelt haar beslissing per aangetekende brief met ontvangstmelding mee aan de leverancier, onverminderd de rechtsmiddelen van de leveranciers overeenkomstig artikel 29bis.

 

De leveranciers publiceren de goedgekeurde stijging van hun energiecomponent voor levering van elektriciteit aan huishoudelijke eindafnemers en K.M.O.’s op hun website na afloop van deze procedure, binnen vijf werkdagen na de kennisname van de beslissing van de commissie.

 

Ingeval de commissie vaststelt dat de leveranciers hun verplichtingen krachtens deze paragraaf niet naleven binnen een termijn van twee maanden na de mededeling van haar beslissing aan de betrokken leverancier, kan ze de genoemde leverancier in gebreke stellen om zich te schikken naar zijn verplichtingen. Indien de leverancier nalaat dit te doen binnen een termijn van drie maanden na deze ingebrekestelling, kan de commissie hem een administratieve boete opleggen, bij afwijking van artikel 31. Deze boete mag 150.000 euro niet overschrijden.

 

De commissie neemt de strikte vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige gegevens en/of persoonsgegevens in acht.

 

§ 6.

Er wordt onder het gezag van de commissie een Fonds opgericht dat beheerd wordt door de commissie en dat bestemd is voor de vermindering van de federale bijdrage. De administratieve geldboetes worden gestort in het fonds ter vermindering van de federale bijdrage, opgericht door art. 20bis, § 6.

 

§ 7.

Het mechanisme ingevoerd door dit artikel maakt het voorwerp uit van een jaarlijkse monitoring en een jaarlijks verslag door de commissie en de Nationale Bank van Belgiė teneinde met name de risico’s van de marktverstorende effecten te identificeren.

 

Tot 31 december 2014, kan de Koning bij belangrijke marktverstorende effecten, op elk moment beslissen om een einde te stellen aan het mechanisme van dit artikel op voorstel van de minister bij besluit overlegd in Ministerraad op basis van de monitoring en het jaarverslag bedoeld in het eerste lid.

 

Ten laatste zes maanden vóór 31 december 2014, stellen de commissie en de Nationale Bank van Belgiė een evaluatierapport op over dit mechanisme ingesteld door dit artikel. Op basis van dit rapport kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister, het verlengen met een nieuwe periode van drie jaar, indien een hernieuwing nodig is volgens een identieke procedure, indien hij vaststelt dat de transparantie- en mededingingsvoorwaarden nog steeds niet vervuld zijn en dat de bescherming van de consument nog steeds niet gewaarborgd is. Op basis van de monitoring en het jaarverslag van de commissie en de Nationale Bank bedoeld in het eerste lid, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister, op elk moment besluiten om aan het mechanisme van dit artikel een eind te maken in aanwezigheid van belangrijke marktverstorende effecten.


Art. 20ter.

Voor de toepassing van de boete bedoeld in artikel 20bis, §§ 4 en 5, deelt de commissie aan de betrokken leverancier haar bezwaren mee. De leverancier kan zijn opmerkingen meedelen binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de verzenddatum. De commissie organiseert vervolgens een hoorzitting tijdens welke de leverancier zijn opmerkingen kan indienen. De commissie neemt haar eindbeslissing binnen vijf dagen volgend op de hoorzitting.


Art. 20quinquies.

§ 1.

Iedere leverancier die meer dan 200 000 eindafnemers heeft, biedt een contract aan op basis van een dynamische elektriciteitsprijs aan iedere eindafnemer die daarom vraagt en bij wie een daarvoor geschikte meter is geļnstalleerd. In dergelijke aanbieding van een contract op basis van een dynamische elektriciteitsprijs verstrekt de leverancier, onder voorbehoud van het naleven van Boek VI van het Wetboek van Economisch Recht, informatie aan de potentiėle eindafnemer over de mogelijkheden en voordelen, kosten en mogelijke prijsrisico’s van contracten op basis van een dynamische elektriciteitsprijs en betreffende de noodzaak om een passende elektriciteitsmeter te laten installeren.


§ 2.

De commissie staat in voor het toezicht op de betreffende marktpraktijken. Daartoe identificeert de commissie risico’s die de nieuwe producten en diensten met zich mee kunnen brengen, staat de commissie in voor de opsporing, vaststelling en sanctionering van misbruik, onverminderd de bevoegdheden van de Belgische Mededingingsautoriteit.


In het kader van de uitvoering van de taken die aan de commissie zijn toegewezen bedoeld in het eerste lid, kan de commissie specifieke en individuele controle- en sanctioneringsopdrachten die dit verantwoorden, doorverwijzen naar de Belgische Mededingingsautoriteit of bijstand vorderen voor specifieke en individuele controle- en sanctioneringsopdrachten vanwege de ambtenaren van de Algemene Directie Energie en van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die gevolmachtigd zijn overeenkomstig artikel 30bis.


In het geval misbruik wordt vastgesteld, kan de commissie de leverancier een administratieve geldboete overeenkomstig artikel 31 opleggen.


§ 3.

Elke eindafnemer moet altijd expliciete toestemming geven aan de leverancier na de verkrijging van de in § 1 bedoelde informatie voordat wordt overgeschakeld op een contract op basis van een dynamische elektriciteitsprijs.


§ 4.

Gedurende tien jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, staat de commissie in voor een permanent monitoring van de voornaamste marktontwikkelingen met betrekking tot de contracten op basis van een dynamische elektriciteitsprijs, met inbegrip van het aanbod op de markt en de effecten op de facturen van de consument en, specifiek, de prijsvolatiliteit en stelt daarover een jaarverslag op dat uiterlijk binnen 60 werkdagen na de jaardag van de inwerkingtreding van deze wet aan de minister wordt ter kennis gegeven.


Art. 21.

Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de commissie, kan de Koning :

de producenten, tussenpersonen, leveranciers en netbeheerder openbare dienstverplichtingen opleggen inzonderheid inzake regelmaat en kwaliteit van elektriciteitsleveringen en inzake bevoorrading van afnemers, inzake milieubescherming met betrekking tot de bescherming tegen ioniserende straling en doorvoer van radioactief afval, de milieubescherming in de mariene gebieden bedoeld in de artikelen 6 en 6/3 de energie die geproduceerd wordt uit hernieuwbare energiebronnen in de mariene gebieden bedoeld in de artikelen 6 en 6/3 ;
als tegenprestatie voor de openbare dienstverplichtingen bedoeld in 1°, afwijken van de bepalingen van de artikelen 4, 15 en 17 voor zover dergelijke afwijkingen strikt noodzakelijk zijn voor de correcte uitvoering van deze verplichtingen;
een fonds oprichten, onder beheer van de commissie, dat :
a)  de volledige of een deel van de reėle nettokost van de openbare dienstverplichtingen bedoeld in 1° ten laste neemt, voor zover deze kost een onbillijke last zou vertegenwoordigen voor de ondernemingen die tot deze verplichtingen gehouden zijn;
b) geheel of gedeeltelijk wordt gefinancierd door toeslagen op de tarieven bedoeld in artikel 12 of door heffingen op alle of objectief bepaalde categorieėn van energieverbruikers of marktoperatoren, volgens de nadere regels bepaald door hetzelfde besluit.

 

In voorkomend geval wordt de berekening van de kosten en verliezen bedoeld in het eerste lid, 3°, a), door elke betrokken onderneming gedaan, overeenkomstig de door de commissie opgestelde methodologie, en door deze laatste geverifieerd.

 

Elk besluit dat krachtens het eerste lid, 3°, b), wordt vastgesteld, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.

 

[...]

 


Art. 21bis.

§ 1.

Dit artikel regelt de financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de elektriciteitsmarkt.

De volgende doelstellingen worden gedekt door de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716:

de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 (de oude pilootopwerkingsfabriek Eurochemic of passief BP1; de oude Afvalafdeling van het Studiecentrum voor Kernenergie of passief BP2) te Mol-Dessel en
uit het kwart van de denuclearisatie van de BR3-reactor van het technisch passief van het Studiecentrum voor Kernenergie te Mol, alsook uit de behandeling, de conditionering, de opslag en de berging van het geaccumuleerd radioactief afval, met inbegrip van het radioactief afval afkomstig uit de genoemde denuclearisaties, ten gevolge van de nucleaire activiteiten op de genoemde sites en reactor. De tussenkomst van de ontvangsten, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, in het kwart van de ontmantelingskost van de BR3-reactor is pas verschuldigd vanaf het jaar dat een financieringstekort zich dreigt voor te doen voor het technisch passief van het SCK.CEN. De  tussenkomst van de ontvangsten, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, in dit passief maakt geen deel uit van het regionaal evenwicht, bedoeld in het vierde lid van artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 oktober 1991 houdende de regelen betreffende het toezicht op en de subsidiėring van het Studiecentrum voor Kernenergie en tot wijziging van de statuten van dit Centrum;
de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 25, § 3, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 25, § 3;
de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en financiėle maatschappelijke steunverlening inzake energie, zoals bepaald door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiėle maatschappelijke bijstand aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering;
de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen met het oog op de naleving van de internationale verbintenissen van Belgiė inzake bescherming van het leefmilieu en duurzame ontwikkeling;
de financiering van de reėle nettokost die voortvloeit uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan beschermde residentiėle klanten, bedoeld in artikel 20, § 2/1, eerste lid, 1° tot 5°, van deze wet en in artikel 4/1 van de programmawet van 27 april 2007.


Als het totaal van de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns, bepaald in artikel 419, k) van de programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716 niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen, bedoeld in het tweede lid te dekken, dan worden de ontvangsten aangewend voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, onderdeel e) i) en onderdeel f) i) van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017,voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15 °C.

Als het totaalbedrag uit de in het derde lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen, bedoeld in het tweede lid te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel j) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen.
 

Als het totaalbedrag uit de in het tweede, derde en vierde lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten ter realisatie van de doelstellingen bedoeld in het tweede lid te dekken, wordt een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelastingen bijkomend toegewezen.

De codes van de in deze paragraaf bedoelde gecombineerde nomenclatuur verwijzen naar die welke zijn vastgesteld in de Verordening EEG nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van de Verordening EEG nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.

 

§ 1/1.

De financiering van de reėle nettokosten die voortvloeien uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de andere door de Koning overeenkomstig artikel 20, § 2/1, tweede lid, aangewezen beschermde residentiėle afnemers, komt ten laste van de staatsbegroting, die de daartoe voorziene middelen toekent aan het fonds bedoeld in artikel 21ter, § 1, eerste lid, 5°, door middel van een herverdelingsbesluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
 

§ 1/2.

Een bijkomende financiering voor het jaar 2021 van de doelstellingen voorzien in artikel 6, tweede lid, van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiėle maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering, wordt gedragen door de Staatsbegroting, die de daartoe voorziene middelen voorziet via het fonds bedoeld in artikel 21ter, § 1, eerste lid, 2°.


Deze bijkomende financiering wordt bij voorrang toegekend aan personen die niet vallen onder het stelsel van maximumprijzen voor de beschermde residentiėle afnemers, zoals bepaald in artikel 20, § 2/1 van deze wet.

 

§ 1bis.

[..]

 

§ 2.

[..]

 

§ 3.

[..]

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

[..]

 

§ 6.

[..]


Art. 21ter.

§ 1.

Onverminderd het tweede lid, bepaalt de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, de bedragen van de in artikel 21bis, § 1, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten, in voorkomend geval rekening houdend met de saldi van de vorige begrotingsjaren, die moeten worden gestort:

[..]
in het fonds bedoeld in artikel 21, eerste lid, 3°, met het oog op de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 21bis, § 1, eerste lid, 3°;

in de volgende fondsen ten voordele van de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen, met het oog op de financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 21bis, § 1, eerste lid, 1° :

het fonds, genaamd « passief BP « , voor wat betreft het gedeelte van de denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2; 
het fonds, genaamd « BR3 « , voor wat betreft het kwart van de denuclearisatie van de BR3-reactor van het technisch passief van het Studiecentrum voor Kernenergie te Mol.
in een fonds voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen, dat beheerd wordt door de commissie, zoals bedoeld in artikel 21bis, § 1, eerste lid, 4°;
in een fonds ten gunste van de residentiėle beschermde klanten, zoals bedoeld in artikel 21bis, § 1, eerste lid, 5°, en de eenmalige
forfaitaire tegemoetkomingen;
[...]
in een fonds beheerd door de ombudsdienst voor energie met het oog op de financiering van de werkingskosten van deze dienst overeenkomstig artikel 27.
[...]  [...]

 

Het bedrag van de in artikel 21bis, § 1, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten ter dekking van de werkingskosten van de commissie, met inbegrip van de reserve, voor een bepaald overeenkomstig artikel 25, § 3, vastgesteld begrotingsjaar, wordt op verzoek gestort in een door de commissie beheerd fonds, uiterlijk op 15 januari van het betreffende begrotingsjaar. Indien op het tijdstip van het verzoek om middelen van de commissie haar begroting voor het betrokken begrotingsjaar nog niet is goedgekeurd overeenkomstig artikel 25, § 3, wordt op eenvoudig verzoek een voorschot betaald ten belope van 50 % van de begroting van het voorafgaande jaar, en wel uiterlijk op 15 januari van het betrokken begrotingsjaar.
 

Voor het verkrijgen van het bedrag van de in artikel 21bis, § 1, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde ontvangsten dat voor haar bestemd is, richt de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen een geldopvraging aan de commissie volgens de nadere regels bepaald, in toepassing van § 2, 1°.

 

§ 2.

Onverminderd artikel 25, § 3, bepaalt de Koning bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de commissie:

de berekeningswijze die wordt toegepast ter bepaling van de middelen die nodig zijn ter realisatie van de doelstellingen, bedoeld in artikel 21bis, § 1;
de nadere regels voor het beheer van de fondsen, bedoeld in paragraaf 1 door de commissie.

 

§ 2bis.

Onverminderd paragraaf 1, tweede lid, sluiten de Federale Staat en de commissie een protocol tot vaststelling van de voorwaarden voor de terbeschikkingstelling van de in artikel 21bis, § 1, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde middelen met het oog op de nakoming van de in het tweede lid, van artikel 21bis, § 1, bedoelde verplichtingen en tot precisering van alle daarmee verband houdende en andere rechten en plichten van beide contractpartijen, in het bijzonder de onafhankelijkheid van de commissie bij de uitvoering van haar begroting.

 

§ 3.

Na advies van de commissie bepaalt de Koning de regels voor de bepaling van de kost voor de elektriciteitsondernemingen van de activiteit bedoeld in artikel 20, § 2, en van hun tussenkomst voor het ten laste nemen ervan, alsook desgevallend de in acht te nemen procedure voor het bekomen van een vergoeding, met inbegrip van de termijnen en de gevolgen bij overtreding.

 

Na advies van de commissie kan de Koning de regels wijzigen, vervangen of opheffen die vastgesteld zijn in het bij de programmawet van 27 december 2004 bekrachtigde koninklijk besluit van 21 januari 2004 tot vastelling van de nadere regels voor de compensatie van de reėle nettokost die voortvloeit uit de toepassing van de sociale maximumprijzen in de elektriciteitsmarkt en de tussenkomstregels voor het ten laste nemen hiervan. 

 

§ 4.

[..]

 

§ 5.

[..]

 


Art. 21quater.

Onverminderd 8 juniartikel 26, § 1bis, zoals ingevoegd door de wet van 8 juni 2008, en artikel 30bis, § 3, zoals ingevoegd door de programmawet van 22 december 2008, kan de Commissie de door deze artikelen verleende bevoegdheden uitoefenen om de correcte toepassing van de bepalingen inzake de in onderhavige wet en haar uitvoeringsbesluiten voorziene toeslagen te controleren.


Art. 21quinquies.

De opdrachten waarmee de netbeheerder krachtens artikel 7, § 1, eerste lid, krachtens artikel 7, § 2, tweede, vierde en vijfde lid, krachtens artikel 7octies, krachtens 7undecies, § 1, en in voorkomend geval krachtens artikel 7duodecies, belast wordt, maken openbare dienstverplichtingen uit waarvan de nettolasten gefinancierd worden door:

de ontvangsten voortvloeiend uit de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, k) van de programmawet van 27 december 2004 voor elektriciteit van de GN-code 2716;
als het totaal van de onder 1° vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten te dekken, de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van de bijzondere accijns bepaald in artikel 419, onderdeel e) i) en onderdeel f) i) van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 25 december 2017, voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15 °C;
als het totaal van de onder 2° vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten, voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht, bepaald in artikel 419, onderdeel j) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen;
als het totaalbedrag uit de onder 1°, 2° en 3° vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de nettolasten te dekken, wordt een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelastingen bijkomend toegewezen.


De codes van de in deze paragraaf bedoelde gecombineerde nomenclatuur verwijzen naar die welke zijn vastgesteld in de Verordening EEG nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van de Verordening EEG nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.
 


Art. 22.

§ 1.

De wet van 17 juli 1975 op de boekhoudingen de jaarrekening van de ondernemingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsmede de artikelen 64 tot 66, 77 (met uitzondering van het zesde lid), 80, 80bis en 177bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen zijn van toepassing op de netbeheerder en op de beheerders van de distributienetten, producenten, distributeurs, leveranciers en tussenpersonen die vennootschappen of organismen naar Belgisch recht zijn, ongeacht hun rechtsvorm. De jaarrekening van deze ondernemingen specificeert in de toelichting alle significante verrichtingen met verbonden of geassocieerde ondernemingen tijdens het betrokken boekjaar.

 

§ 1bis.

De bedrijven die bedoeld in § 1 voeren in hun interne boekhouding gescheiden rekeningen in voor de werkzaamheden die verband houden met hun openbare dienstverplichtingen.

 

§ 2.

De ondernemingen bedoeld in §1 die verticaal of horizontaal geļntegreerd zijn, houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen voor hun productie-, transmissie- en distributieactiviteiten en, in voorkomend geval, voor het geheel van hun activiteiten buiten de elektriciteitssector, zoals zij zouden moeten doen indien deze activiteiten door juridisch onderscheiden ondernemingen werden uitgevoerd. Zij houden ook rekeningen die kunnen geconsolideerd worden voor de andere activiteiten met betrekking tot elektriciteit die niet verbonden zijn met de transmissie of distributie.

 

Tot 1 juli 2007, houden de in § 1 bedoelde ondernemingen, afzonderlijke rekeningen voor hun leveringsactiviteiten aan in aanmerking komende en niet in aanmerking komende afnemers. De inkomsten uit de eigendom van het transmissienet worden in de boekhouding vermeld.

 

Wat de gescheiden rekeningen voor hun productieactiviteiten betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen de productie van nucleaire oorsprong en de productie van fossiele of andere oorsprong.

 

De jaarrekening van de ondernemingen bedoeld in het eerste lid bevat in de toelichting een balans en een resultatenrekening voor elke categorie van activiteiten, alsmede de regels voor de toerekening van de activa en passiva en de opbrengsten en kosten die bij de opstelling van de afzonderlijke rekeningen werden toegepast. Deze regels mogen slechts in uitzonderlijke gevallen worden gewijzigd en deze wijzigingen moeten in de toelichting bij de jaarrekening worden vermeld en naar behoren gemotiveerd.

 

§ 3.

De commissie kan bepalen dat de ondernemingen bedoeld in § 1 of bepaalde categorieėn ervan haar periodiek boekhoudkundige gegevens overmaken betreffende hun gescheiden rekeningen of hun financiėle of commerciėle betrekkingen met verbonden of geassocieerde ondernemingen, teneinde de commissie in de mogelijkheid te stellen na te gaan of deze relaties niet van aard zijn de wezenlijke belangen van de consumenten of de correcte uitvoering van de openbare dienstverplichtingen van de betrokken onderneming te schaden.

 

De commissie kan ondernemingen bedoeld in § 2 toestaan om gegevens van hun analytische boekhouding niet bekend te maken indien de betrokken onderneming aantoont dat de bekendmaking ervan haar concurrentiepositie kan schaden.

Elk besluit dat voor de elektriciteitssector wordt vastgesteld krachtens artikel 11, 2°, van de voornoemde wet van 17 juli 1975, en elke afwijking die aan ondernemingen uit deze sector wordt toegestaan met toepassing van artikel 15 van dezelfde wet, is onderworpen aan het voorafgaand advies van de commissie.

 

§ 3bis.

De commissie garandeert de vertrouwelijke behandeling van de commercieel gevoelige informatie en/of informatie met een persoonlijk karakter, uitgezonderd de wettelijke verplichtingen tot bekendmaking van informatie.