Hoofdstuk VI.
Reguleringsinstantie, geschillenregeling


Art. 23.

§ 1.

Er wordt een commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas, in het Duits « Elektrizitäts- und Gasregulierungs-kommission » en afgekort « CREG », opgericht. De commissie is een autonoom organisme met rechtspersoonlijkheid, met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.

 

De commissie neemt alle redelijke maatregelen om in het kader van haar in artikel 23, § 2, opgesomde opdrachten, desgevallend, in nauw overleg met de overige betrokken federale instanties, met inbegrip van de Raad voor de Mededinging, en onverminderd hun bevoegdheden, volgende doelstellingen te bereiken :

het bevorderen, in nauwe samenwerking met het ACER, de Europese Commissie, de reguleringsinstanties van de Gewesten en van de overige lidstaten, van een concurrentiële interne markt voor elektriciteit, veilig en duurzaam voor het milieu binnen de Europese Gemeenschap, en van een efficiënte vrijmaking van de markt voor alle afnemers en leveranciers van de Europese Gemeenschap, en het garanderen van de gepaste voorwaarden opdat de elektriciteitsnetten op efficiënte en betrouwbare wijze zouden functioneren, rekening houdend met de doelstellingen op lange termijn; 
het ontwikkelen van een markt tussen de regio’s van de Europese Gemeenschap zoals bepaald in artikel 12, § 3, van Verordening (EG) nr. 714/2009, die door mededinging gekenmerkt is en correct functioneert binnen de Europese Gemeenschap met het oog op de verwezenlijking van de in punt 1° bedoelde doelstellingen; 
het opheffen van de handelsbelemmeringen in elektriciteit tussen de lidstaten, meer bepaald door voldoende grensoverschrijdende transmissiecapaciteit te voorzien om aan de vraag te beantwoorden en het versterken van de integratie van de markten van de verschillende lidstaten, hetgeen zou moeten leiden tot een betere circulatie van de elektriciteit doorheen de hele Europese Gemeenschap; 
het bijdragen tot het verzekeren van de ontwikkeling, op de meest kosteneffectieve manier, van veilige, betrouwbare en efficiënte nietdiscriminerende netten die klantgericht zijn, de adequaatheid van netten bevorderen alsmede, aansluitend bij de doelstellingen van het algemene energiebeleid, energie-efficiëntie en de integratie van grooten kleinschalige productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen; 
het bevorderen van de toegang tot het net van nieuwe productiecapaciteit, meer bepaald door de obstakels op te heffen die in de weg zouden staan van de komst van nieuwe marktpartijen en de integratie van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen; 
5bis° aanmoedigen van vraagzijdemiddelen, zoals vraagrespons, om deel te nemen aan het aanbod op de groothandelsmarkt op dezelfde wijze als de middelen met betrekking tot het aanbod;
ervoor zorgen dat de netbeheerder en de netgebruikers voldoende stimuli krijgen, zowel op korte als op lange termijn, om de prestaties van de netten te verbeteren en de integratie van de markt te bevorderen; 
ervoor zorgen dat de afnemers baat hebben bij een efficiënte werking van de markt en de daadwerkelijke mededinging bevorderen alsook bijdragen tot het waarborgen van consumentenbescherming; 
bijdragen tot het bereiken van een hoog niveau van universele en openbare dienstverlening in de sector van de elektriciteitsvoorziening en bijdragen tot de bescherming van kwetsbare afnemers en tot de compatibiliteit van de processen voor de uitwisseling van gegevens teneinde de afnemers die aangesloten zijn op het transmissienet toe te laten om te veranderen van leverancier.  

 

 

§ 2.

De commissie is belast met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en werking van de elektriciteitsmarkt, enerzijds, en met een algemene taak van toezicht en controle op de toepassing van de betreffende wetten en reglementen, anderzijds.

Te dien einde zal de commissie :

gemotiveerde adviezen geven en voorstellen voorleggen in de gevallen bepaald door deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
op eigen initiatief of op verzoek van de minister of van een gewestregering onderzoeken en studies uitvoeren in verband met de elektriciteitsmarkt; In dit kader waakt de commissie over het vrijwaren van de vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige gegevens en/of persoonsgegevens en onthoudt zich derhalve ervan deze openbaar te maken;
toezicht houden op de transparantie en de mededinging op de elektriciteitsmarkt overeenkomstig artikel 23bis;
3bis° de objectief verantwoorde verhouding beoordelen tussen de prijzen en de kosten van een bedrijf, bedoeld in artikel 23ter;
houdt toezicht op en controleert de handelsuitwisselingen van voor de groothandel bestemde energieproducten overeenkomstig de Verordening (EU) nr. 1227/2011, met eerbiediging van de respectievelijke bevoegdheden van de Belgische Mededingingsautoriteiten van de FSMA.
toezicht houden op de mate van transparantie, met inbegrip van de groothandelsprijzen en op de naleving van de transparantieverplichtingen van de elektriciteitsmaatschappijen;
de vergunningsaanvragen voor de bouw van nieuwe installaties voor elektriciteitsproductie en nieuwe directe lijnen krachtens de artikelen 4 en 17 onderzoeken;
op haar website de normen en vereisten inzake de kwaliteit van de dienstverlening en levering in overleg met de netbeheerder bepalen en publiceren, rekening houdend met de middelen die worden toegekend via de tariefmechanismen;
controle uitoefenen op de naleving door de netbeheerder en de elektriciteitsbedrijven van de verplichtingen die op hen rusten krachtens deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook krachtens de overige voor de elektriciteitsmarkt toepasselijke wetgevende en reglementaire bepalingen, meer bepaald betreffende de grensoverschrijdende problemen en de materies bedoeld in Verordening (EG) nr. 714/2009;
controleert de toepassing van het technisch reglement, keurt de documenten goed die door dit reglement worden beoogd met name met betrekking tot de voorwaarden voor de aansluiting en de toegang tot het transmissienet evenals de voorwaarden voor de verantwoordelijkheid voor het evenwicht van de regelzone en evalueert de prestaties uit het verleden van de regels van het technisch reglement die de veiligheid en de betrouwbaarheid van het transmissienet regelen;
10° een advies uitbrengen over het ontwikkelingsplan en het toezicht uitoefenen op de uitvoering van dit plan; De Commissie analyseert de samenhang van dit plan met het
ontwikkelingsplan van het net in de hele Europese Gemeenschap bedoeld in artikel 8, § 3, punt b) van Verordening nr. 714/2009. In voorkomend geval kan deze analyse aanbevelingen opnemen met het oog op de wijziging van het ontwikkelingsplan opgesteld door de netbeheerder.
11° de uitvoering van de openbare dienstverplichtingen bedoeld in artikel 21, eerste lid, 1°, en, in voorkomend geval, de toepassing van de afwijkingen toegestaan krachtens artikel 21, eerste lid, 2°, controleren en evalueren;
12° in voorkomend geval, het mechanisme bedoeld in artikel 7 en het fonds bedoeld in artikel 21, eerste lid, 3°, beheren evenals de fondsen bedoeld in artikel 21ter, § 1, 1° en 4°;
12bis° de maatregelen vastgesteld in toepassing van artikel 7 controleren;
13° controle van de uitoefening van de opdracht voor het beheer van vraagflexibiliteitsgegevens met een energieoverdracht door de netbeheerder volgens criteria en modaliteiten vastgesteld door de Commissie.
14° oefent de tariefbevoegdheden bedoeld in de artikelen 12 tot 12quinquies uit;
14bis° erop toezien dat de tarifering voor de levering van elektriciteit gericht is op het algemeen belang en zich in het globale energiebeleid integreert en, in voorkomend geval, de maximumprijzen controleren die toepasselijk zijn op eindafnemers en distributeurs die eindafnemers die geen in aanmerking komende afnemers zijn bevoorraden en distributeurs die eindafnemers die geen in aanmerking komende afnemers zijn bevoorraden;
15° de rekeningen van de ondernemingen van de elektriciteitssector controleren inzonderheid ter verificatie van de naleving van de bepalingen van artikel 22 en de afwezigheid van kruissubsidies tussen de productie-, transmissie- en distributieactiviteiten;
16° de afwezigheid van kruissubsidies tussen transmissie-, distributieen leveringsactiviteiten controleren
17° alle andere taken uitvoeren die haar door wetten en reglementen betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt worden toevertrouwd.
18° [...]
18° controleert de afwezigheid van kruissubsidies wanneer de netbeheerder artikel 8, § 2 toepast.
19° er op toezien dat de met name technische en tarifaire toestand van de elektriciteitssector alsook de evolutie van deze sector het algemeen belang beogen en kaderen in het algemene energiebeleid. De Commissie verzekert de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt, zowel op het vlak van de marktwerking als op het vlak van de prijzen. De Koning kan, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de permanente monitoring van de elektriciteitsmarkt nader bepalen;
20° toezien op de essentiële belangen van de consument en op de correcte toepassing van de openbare dienstverplichtingen door de betrokken ondernemingen.
21° toezien op het bereikte niveau en de bereikte efficiëntie inzake de vrijmaking van de markt en de mededinging voor de groot- en kleinhandelsmarkten, met inbegrip van de beurzen voor elektriciteit en toezien op de eventuele concurrentievervalsing of –beperking, door alle nuttige informatie mee te delen en de zaken die dit verantwoorden te verwijzen naar de Raad voor de Mededinging;
22° toezien op het opduiken van beperkende contractuele praktijken, met inbegrip van exclusiviteitsclausules, die niet-huishoudelijke afnemers die zijn aangesloten op het transmissienet zouden verhinderen om tegelijk met meer dan één leverancier contracten af te sluiten of die hun keuze ter zake zouden kunnen beperken en, in voorkomend geval, de Raad voor de Mededinging van deze praktijken op de hoogte brengen;
23° toezien op de tijd die de netbeheerder doet over de uitvoering van de aansluitingen en herstellingen;
24° bijdragen tot het waarborgen, in samenwerking met alle andere bevoegde instanties, van de efficiëntie en de implementatie van beschermingsmaatregelen voor de eindafnemers;
25° de toegang verzekeren tot de gegevens betreffende het verbruik van de eindafnemers aangesloten op het transmissienet en de beschikbaarstelling, voor facultatief gebruik verzekeren, van een gemakkelijk te begrijpen methode voor een geharmoniseerde voorstelling van de gegevens, betreffende het verbruik en de snelle toegang van alle eindafnemers aangesloten op het transmissienet tot deze gegevens, zodat deze kosteloos over hun verbruiksgegevens kunnen beschikken en toegang verlenen tot hun verbruiksoverzichten, middels uitdrukkelijk akkoord en kosteloos, voor alle als leverancier geregistreerde bedrijven;
26° toezien op de implementering van de regels betreffende de functies en verantwoordelijkheden van de netbeheerder, van de leveranciers, de eindafnemers en de andere marktpartijen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 714/2009;
27° toezien op de investeringen in de productiecapaciteit vanuit het oogpunt van de bevoorradingszekerheid;
28° toezien op de technische samenwerking tussen de transmissienetbeheerders van de Europese Gemeenschap en van derde landen;
29° toezien op de implementering van de door artikel 32 en het technisch reglement voorziene veiligheidsmaatregelen;
30° bijdragen tot de compatibiliteit van de uitwisselingsmechanismen van gegevens betreffende de belangrijkste marktverrichtingen op regionaal vlak, zoals voorzien in artikel 12, § 3, van Verordening (EG) nr. 714/2009;
31° de netbeheerder certificeren overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, §§ 2ter en 2quater. De commissie zorgt voor de permanente monitoring van de naleving door de netbeheerder van zijn onafhankelijkheidsverplichtingen krachtens de artikelen 9 tot 9ter en, in voorkomend geval, gaat zij op eigen initiatief over tot de certificeringprocedure. De commissie kan van de netbeheerder en van de in de elektriciteitsproductie en -levering werkzame bedrijven alle nuttige informatie opvragen voor haar taken in het kader van de certificeringprocedures voorzien door artikel 10, §§ 2ter en quater. De commissie ziet erop toe dat de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie en/of informatie met een persoonlijk karakter in acht wordt genomen;
32° op verzoek van de gebruiker van een gesloten industrieel net, de in het gesloten industrieel net toegepaste tarieven of de berekeningsmethode van deze tarieven controleren en goedkeuren op basis van de door artikel 18bis vastgelegde criteria;
33° minstens eenmaal per jaar de aanbevelingen over de verenigbaarheid van de leveringsprijzen met de door deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vastgestelde openbare dienstverplichtingen publiceren en ze in voorkomend geval overzenden aan de Raad voor de Mededinging; 
34° erop toezien dat, zo nodig en ingeval van weigering van toegang, de netbeheerder de relevante informatie verstrekt over de nodige maatregelen om het net te versterken; 
35° op voorstel van de netbeheerder, de methoden goedkeuren die gebruikt zijn om de toegang tot de grensoverschrijdende infrastructuren mogelijk te maken, met inbegrip van de procedures voor de toewijzing van capaciteit en congestiebeheer. Deze methoden zijn transparant en niet-discriminerend. De commissie publiceert de goedgekeurde methoden op haar website; 
36° toezien op het congestiebeheer van het transmissienet, met inbegrip van de interconnecties, en de invoering van de regels voor het congestiebeheer. De commissie brengt de Algemene Directie Energie hiervan op de hoogte. De netbeheerder dient bij de commissie, ten behoeve van dit punt, zijn ontwerp van regels voor congestiebeheer in, met inbegrip van de toewijzing van capaciteit. De commissie kan hem op een met redenen omklede wijze verzoeken om zijn regels te wijzigen, met inachtneming van de congestieregels die werden vastgelegd door de buurlanden waarvan de interconnectie betrokken is en in samenspraak met het ACER; 
37°  richtsnoeren vaststellen inzake de uitwisseling van gegevens en het reglement, de eigendom van de gegevens en de verantwoordelijkheden inzake de overzichten; 
38° keurt het algemeen plan goed voor de berekening van de totale overdrachtscapaciteit en van de betrouwbaarheidmarge van de transmissie vanuit elektrische en fysische kenmerken van het net dat gepubliceerd wordt door de netbeheerder met toepassing van artikel 8, § 1, derde lid, 11°; 
39° voert een beoordeling uit van de begrippen en de basismethodes die het mogelijk maken de verantwoordelijkheden te bepalen in geval van verzaking aan verplichtingen die verband houden met transactiebeperkingen zoals bepaald en gepubliceerd door de netbeheerder met toepassing van artikel 8, § 1, derde lid, 12°; 
40° voert een beoordeling uit van het algemeen plan voor de berekening van de interconnectiecapaciteit voor de verschillende termijnen, gebaseerd op de elektrische en fysische karakteristieken van het net, gepubliceerd door de netbeheerder met toepassing van artikel 8, § 1, derde lid, 14°; 
41° voert een appreciatie uit van de manier waarop de netbeheerder alle nuttige gegevens openbaar maakt betreffende de grensoverschrijdende uitwisselingen op basis van de best mogelijke vooruitzichten met toepassing van artikel 8, § 1bis, derde lid; 
42° keurt de criteria goed voor de coördinatie van de inschakeling van de productie-installaties en het gebruik van de interconnecties door de netbeheerder, overeenkomstig artikel 8, § 1, derde lid, 5°; 
43° stelt een verslag op over de ondersteunende diensten, overeenkomstig artikel 12quinquies; 
44° kent afwijkingen toe voor de nieuwe interconnectoren bedoeld in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 714/2009; 
45° voor zover de toepasselijke gewestelijke bepalingen een regime voor gesloten distributienetten implementeren, op vraag van de gebruiker van een gesloten distributienet die is aangesloten op een distributienet de tarieven of de berekeningsmethodologie van de toegepaste tarieven op het gesloten distributienet nagaan en goedkeuren. 


In de gevallen waarin deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan het advies van de commissie vereisen, kan deze op eigen initiatief voorstellen doen.

 

Het directiecomité overhandigt zijn adviezen (en voorstellen) aan de minister binnen veertig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek, behalve wanneer de minister een langere termijn bepaalt. De minister kan een kortere termijn bepalen voor adviezen aangevraagd in het kader van de artikelen 19 en 32. [...]

 

Bij de uitoefening van haar toezicht- en controleopdrachten, zoals bedoeld in het tweede lid, 4°, werkt de commissie samen met de Belgische Mededingingsautoriteiten en met de FSMA en wisselt met hen alle informatie uit en deelt de informatie mee, in voorkomend geval wederkerig, nodig en relevant voor de goede uitvoering van Verordening (EU) nr. 1227/2011 of in de gevallen voorzien of toegelaten door die Verordening. Wanneer de commissie informatie ontvangt vanwege andere autoriteiten in het kader van de uitoefening van haar toezicht-en controleopdrachten, verzekert zij hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid als de autoriteit die ze levert, onverminderd artikel 26, § 2, eerste lid.

 

§ 2bis.

De commissie geeft een volledige motivering en verantwoording voor haar beslissingen om de jurisdictionele toetsing ervan mogelijk te maken.

 

De regels die van toepassing zijn op deze motiveringen en rechtvaardigingen worden nader omschreven in het huishoudelijk reglement van het directiecomité, onder meer rekening houdend met de volgende principes :

in de motivering wordt het geheel van de elementen opgenomen waarop de beslissing gesteund is; 
de elektriciteitsondernemingen hebben de mogelijkheid om, vooraleer een beslissing die hen betreft wordt genomen, hun opmerkingen te laten gelden; 
het gevolg dat aan deze opmerkingen wordt gegeven wordt gerechtvaardigd in de eindbeslissing; 
de akten met een individuele of collectieve draagwijdte die worden aangenomen in uitvoering van haar opdrachten alsook iedere voorbereidende akte, expertiseverslag, opmerking van de geconsulteerde partijen die ermee samenhangen, worden gepubliceerd op de website van de commissie, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige gegevens en/of gegevens van persoonlijke aard. 

 

 

§ 2ter.

In het kader van de uitoefening van haar bevoegdheden, neemt de commissie de contractuele vrijheid in acht op het vlak van onderbreekbare leveringscontracten, en langetermijncontracten wanneer zij verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en in overeenstemming met het gemeenschapsbeleid.

 

§ 3.

De commissie stelt elk jaar een jaarverslag op dat zij vóór 1 mei van het jaar volgend op het betrokken boekjaar aan de Kamer van volksvertegenwoordigers overzendt.

 

Het jaarverslag van de commissie heeft betrekking op :

de uitvoering van haar opdrachten; 
de staat van haar werkingskosten en de wijze waarop zij gedekt zijn, met inbegrip van een overzicht van activa/passiva en het verslag van de bedrijfsrevisor;  
de evolutie van de elektriciteitsmarkt; 
de getroffen maatregelen en de behaalde resultaten voor elk van de in § 2 opgesomde opdrachten; 
een analyse van het ontwikkelingsplan opgesteld door de netbeheerder met toepassing van artikel 13, vanuit het oogpunt van de samenhang ervan met het ontwikkelingsplan van het net over de hele Europese Gemeenschap, zoals bedoeld in artikel 8, § 3, punt b), van Verordening nr. 714/2009, alsook, in voorkomend geval, van de aanbevelingen tot wijziging van het ontwikkelingsplan opgesteld door 7 http://www.emis.vito.be Belgisch Staatsblad d.d. 11-01-2012 de netbeheerder. In het kader van deze analyse houdt de commissie rekening met de prospectieve studie opgesteld met toepassing van artikel 3; 
een kopie van de beslissingen die eventueel werden genomen tijdens het betrokken boekjaar inzake de methodologie voor de berekening van de tarieven met toepassing van de artikelen 12 en 12bis.  

 

De commissie beschrijft in dit verslag de wijze waarop zij de doelstellingen heeft bereikt die werden geformuleerd in haar algemene beleidsnota en in de algemene richtsnoeren die worden voorgeschreven door de regering. Zij verklaart desgevallend de redenen waarom deze doelstellingen niet werden behaald.

 

Dit verslag wordt op de internetsite van de commissie gepubliceerd. Ter informatie wordt een afschrift van dit verslag eveneens naar de minister gestuurd.

 

§ 3bis.

De commissie maakt ook, vóór 1 mei van het jaar volgend op het betrokken boekjaar, aan het ACER en aan de Europese Commissie een jaarverslag over met betrekking tot haar activiteiten en de uitvoering van haar opdrachten. Dit verslag omvat de getroffen maatregelen en de behaalde resultaten voor elk van de in § 2 opgesomde opdrachten. Dit verslag bevat eveneens een analyse van het ontwikkelingsplan opgesteld door de netbeheerder in toepassing van artikel 13, vanuit het oogpunt van de samenhang ervan met het ontwikkelingsplan van het net over de hele Europese Gemeenschap, zoals bedoeld in artikel 8, § 3, punt b), van Verordening nr. 714/2009, alsook, in voorkomend geval, van de aanbevelingen tot wijziging van het ontwikkelingsplan opgesteld door de netbeheerder. In het kader van deze analyse houdt de commissie rekening met de prospectieve studie die opgesteld werd met toepassing van artikel 3.

 

§ 4.

In het kader van de uitvoering van de taken die aan de commissie zijn toegewezen in uitvoering van § 2, 6°, 8°, 9°, 10°, 11°, 15° en 17°, kan de voorzitter van het directiecomité van de commissie de bijstand vorderen van de ambtenaren van de Algemene Directie Energie en Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die gevolmachtigd zijn overeenkomstig artikel 30bis.

 

§ 5.

De commissie ziet erop toe dat haar personeel en de personen belast met haar beheer :

a) onafhankelijk van alle commerciële belangen handelen; 
b) in de uitoefening van hun opdrachten met toepassing van § 2 geen directe instructies vragen noch aanvaarden van gelijk welke regering of andere openbare of privé-entiteit. Deze vereiste geldt onverminderd een nauw overleg, in voorkomend geval, met alle overige bevoegde overheden, evenals de algemene, door de regering voorgeschreven richtsnoeren. 

 


Art. 23bis.

De Commissie ziet er op toe dat elk elektriciteitsbedrijf, dat elektriciteit levert aan in België gevestigde afnemers, zich onthoudt, afzonderlijk of in overleg met meerdere andere elektriciteitsbedrijven, van elk anti-competitief gedrag of oneerlijke handelspraktijken die een weerslag hebben of zouden kunnen hebben op een goed werkende elektriciteitsmarkt in België.

 

Indien de Commissie bij de uitoefening van haar toezichtscontroletaken oneerlijke handelspraktijken of een anti-competitief gedrag vaststelt, maakt zij, op eigen initiatief, een rapport over aan de minister, met haar bevindingen en desgevallend elke maatregel waarvan zij het nodig acht dat die genomen wordt door haarzelf of door elke andere bevoegde overheid om de oneerlijke handelspraktijken of het anti-competitief gedrag die een weerslag hebben of zouden kunnen hebben op een goed werkende elektriciteitsmarkt in België te verhelpen.

 

De Commissie geeft de veronderstelde inbreuken aan bij de Raad voor de Mededinging, zendt het rapport over dat ze aan de minister heeft overgezonden en deelt deze Raad ook de noodzakelijke vertrouwelijke informatie mede.

 

Wat betreft de oneerlijke handelspraktijken, kan de Koning, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de dringende maatregelen nader bepalen die de Commissie toegelaten wordt te nemen.

 

De Commissie kan adviezen formuleren en elke maatregel voorstellen die de goede werking en de transparantie op de markt verhoogt en die van toepassing is op alle elektriciteitsbedrijven, actief in België.


Art. 23ter.

§ 1.

De prijzen van een elektriciteitsbedrijf dienen op een objectief verantwoorde wijze in verhouding te staan tot de kosten van het bedrijf. De Commissie beoordeelt deze verhouding door ondermeer de kosten en de prijzen van genoemd bedrijf te vergelijken met de kosten en de prijzen van vergelijkbare bedrijven, indien mogelijk ook op internationaal vlak.

 

§ 2.

Als een elektriciteitsbedrijf een verbonden onderneming is, wordt misbruik van machtpositie vermoed indien het discriminatoire prijzen en/of voorwaarden aanbiedt aan niet-verbonden ondernemingen

 

§ 3.

Indien de Commissie vaststelt dat er geen objectief verantwoorde verhouding bestaat zoals bedoeld in § 1, maakt zij, op eigen initiatief, een rapport over aan de minister dat haar bevindingen weergeeft en de maatregelen die zij aanbeveelt.

 

De Commissie geeft de veronderstelde inbreuken aan bij de Raad voor de Mededinging, zendt het rapport over dat ze aan de minister heeft overgezonden en deelt deze Raad ook de noodzakelijke confidentiële informatie mede.

 

Wat betreft de discriminatoire prijzen en/of voorwaarden, kan de Koning, op voorstel van de Commissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de dringende maatregelen nader bepalen die de Commissie toegelaten wordt te nemen.

 

Wat betreft de prijzen, kan de Commissie adviezen formuleren en elke maatregel voorstellen die van toepassing is op alle elektriciteitsbedrijven, actief in België.


Art. 23quater.

§ 1.

De commissie werkt voor de grensoverschrijdende zaken samen met de reguleringsoverheid of overheden van de betrokken lidstaten van de Europese Unie en met het ACER.

 

De commissie consulteert en werkt nauw samen met de reguleringsoverheden van de andere lidstaten van de Europese Unie, zij wisselt met hen alle informatie uit voor de uitvoering van de taken die haar toebedeeld zijn krachtens deze wet, en deelt deze informatie mee aan het ACER. De overheid die deze uitgewisselde informatie ontvangt, behandelt ze met dezelfde strikte vertrouwelijkheid als de overheid die ze verstrekt.

 

De commissie werkt tenminste samen op regionaal niveau, zoals bedoeld in artikel 12, § 3, van Verordening (EG) nr. 714/2009, om :

a) de invoering van praktische modaliteiten te bevorderen, teneinde een optimaal beheer van het net mogelijk te maken, elektriciteitsbeurzen en toewijzing van grensoverschrijdende capaciteit te stimuleren, en een adequaat niveau van interconnectiecapaciteit, mede door nieuwe interconnectie binnen de regio en tussen de regio’s, zoals bedoeld in artikel 12, § 3, van Verordening (EG) nr. 714/2009, mogelijk te maken teneinde de ontwikkeling van daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken en de bevoorradingszekerheid te verbeteren zonder tussen leveranciers uit verschillende lidstaten van de Europese Unie te discrimineren; 
b) de ontwikkeling van alle netcodes voor de relevante transmissienetbeheerders en andere marktdeelnemers te coördineren; en  
c) de ontwikkeling van de regels inzake congestiebeheer te coördineren. 

  

De commissie is bevoegd om samenwerkingsakkoorden af te sluiten met de reguleringsoverheden van de andere lidstaten van de Europese Unie teneinde de samenwerking inzake regulering te bevorderen.

 

De acties bedoeld in het derde lid worden, in voorkomend geval, ondernomen in nauw overleg met de andere betrokken federale overheden, onverminderd de bevoegdheden van deze laatste.

 

§ 2.

De commissie schikt zich naar en implementeert de juridisch dwingende beslissingen van het ACER en van de Europese Commissie.

 

De commissie kan het advies van het ACER vragen in verband met de overeenstemming van een beslissing genomen door een regionale reguleringsoverheid of een andere Lidstaat met de door de Europese Commissie opgestelde richtsnoeren in uitvoering van Richtlijn 2009/72/EG of bedoeld in Verordening nr. 714/2009.

 

De commissie kan de Europese Commissie ook op de hoogte brengen van elke beslissing van toepassing op de grensoverschrijdende uitwisselingen, genomen door een regionale reguleringsoverheid of een andere lidstaat van de Europese Unie die zij in strijd acht met de in het tweede lid vermelde richtsnoeren, en wel binnen twee maanden na deze beslissing.

 

Wanneer de Europese Commissie aan de commissie vraagt om één van haar beslissingen in te trekken, gaat deze binnen een termijn van twee maanden over tot de intrekking ervan en brengt ze de Europese Commissie hiervan op de hoogte.

 

§ 3.

De commissie werkt samen met de regionale reguleringsoverheden.

 

De vertegenwoordiging en de contacten op communautair niveau binnen het ACER, overeenkomstig artikel 14, § 1, van Verordening (EG) nr. 713/2009, worden verzekerd door een vertegenwoordiger van de commissie die in formele samenwerking met de regionale reguleringsoverheden handelt.


Art. 24.

§ 1.

De organen van de commissie zijn het directiecomité en de Geschillenkamer bedoeld in artikel 29. Er wordt eveneens een algemene raad opgericht. Het directiecomité en de algemene raad stelt een huishoudelijk reglement op dat ter informatie aan de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt overgezonden.

 

§ 2.

Het directiecomité staat in voor het operationeel bestuur van de commissie en stelt alle handelingen die nodig of dienstig zijn voor de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 23, § 2. Het is een college dat beraadslaagt volgens de gewone regels van beraadslagende vergaderingen.

 

Het directiecomité bestaat uit een voorzitter en drie andere leden, benoemd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit voor een eenmaal hernieuwbare termijn van zes jaar. In afwijking van het voorgaande worden bij de oprichting van de commissie twee leden benoemd voor een aanvankelijke termijn van drie jaar. De voorzitter en de leden van het directiecomité worden gekozen omwille van hun deskundigheid, inzonderheid voor de aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen : de voorzitter wat betreft het management van de commissie, de leden wat betreft de directies die zij moeten leiden.

 

Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministeraad, bepaalt de Koning de in het tweede lid bedoelde procedure van evaluatie van de benoeming of van de hernieuwing van het mandaat van voorzitter of lid van het directiecomité. 

 

Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning de onverenigbaarheden met het mandaat van voorzitter of lid van het directiecomité en de regels die van toepassing zijn op belangenconflicten.

 

De Koning bepaalt, na overleg met de voorzitter en de leden van het directiecomité, de bezoldiging van de voorzitter en de leden van het directiecomité. De Koning kan deze bevoegdheid delegeren aan de minister bevoegd voor energie. Met uitzondering van de voorzitter beschikken de leden van het directiecomité over een identieke bezoldiging. Worden als behorend tot de bezoldiging beschouwd, benevens de bezoldiging in strikte zin : elk voordeel of elke vergoeding die aan de voorzitter en de leden van het directiecomité van de commissie worden toegekend wegens of naar aanleiding van de uitoefening van hun mandaat, met inbegrip van een dertiende maand en een groepsverzekering.

 

Uiterlijk zes maanden voor het einde van het mandaat van de voorzitter of de leden van het directiecomité, wordt de procedure voor de selectie van de volgende voorzitter en leden aangevat. 

 

§ 2bis.

Bij besluit van de Ministerraad, genomen ingevolge een voorstel dat door de minister is gedaan op basis van het advies van de Tuchtraad volgens de procedure bepaald in deze paragraaf, kan een einde worden gemaakt aan het mandaat van de voorzitter of van een of van meerdere leden van het directiecomité van de commissie die aansprakelijk zijn voor een van de volgende inbreuken :

schending van de voorwaarden van onafhankelijkheid waarin deze wet en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, alsmede de uitvoerings–besluiten genomen in uitvoering van deze wetten, voorzien; 
schending, in de uitoefening van hun mandaten, van elke andere wettelijke of reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de voorzitter en/of de leden van het directiecomité krachtens deze wet en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, alsmede de uitvoerings– besluiten genomen in uitvoering van deze wetten. 

 

Na de vaststelling van een inbreuk, bedoeld in het eerste lid, en binnen de maand nadat hij van deze inbreuk heeft kennis genomen, zoekt de minister de Tuchtraad ingesteld door § 2ter aan bij een aangetekende brief met ontvangstmelding. Deze brief beschrijft inzonderheid de aard van de feiten die geacht worden de inbreuk te vormen. Geen enkele vermelding wordt gedaan in deze brief over de gevolgen die dienen te worden gegeven aan deze inbreuk.

 

Binnen drie maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde brief, roept de Tuchtraad de partijen, zijnde de minister en de persoon jegens wie de inbreuk is vastgesteld, op voor een hoorzitting. De oproeping voor deze hoorzitting wordt bij een aangetekende brief met ontvangstmelding verstuurd uiterlijk de tiende dag voor de hoorzitting. De partijen kunnen zich ter zitting laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

 

Binnen de maand na de hoorzitting brengt de Tuchtraad een bindend advies uit voor de minister. Dit advies kan concluderen :

ofwel dat er reden is om tot een vervroegde beëindiging van het mandaat over te gaan met verval van opzeggingsvergoedingen of andere ontslagvergoedingen die contractueel werden bedongen; 
ofwel dat er reden is om tot een vervroegde beëindiging van het mandaat over te gaan, zonder dat het noodzakelijk is het verval uit te spreken van opzeggingsvergoedingen of andere ontslagvergoedingen die contractueel werden bedongen; 
ofwel dat er geen reden is om tot een vervroegde beëindiging van het mandaat over te gaan. 

     

 

§ 2ter.

Voor de toepassing van de bepalingen bedoeld in § 2bis, wordt er een Tuchtraad opgericht. De Tuchtraad bestaat uit een voorzitter, magistraat, en twee leden, eveneens magistraten, die worden verkozen door de Kamer van volksvertegenwoordigers voor een hernieuwbaar mandaat van zes jaar. De voorzitter van de Tuchtraad dient zijn kennis van het Nederlands en van het Frans te bewijzen. Het ene lid is Nederlandstalig en het andere Franstalig. Voor de voorzitter en de leden verkiest de Kamer van volksvertegenwoordigers een plaatsvervanger.

 

Het secretariaat van de Tuchtraad wordt waargenomen door een Nederlandstalige griffier en een Franstalige griffier die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden verkozen. De griffiers zijn magistraten.

 

De Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de regels voor de verkiezing van de leden van de Tuchtraad en zijn griffiers vast.

 

De Tuchtraad stelt zijn huishoudelijk reglement vast.

 

§ 3.

[...]


Art. 25.

§ 1.

De diensten van de commissie zijn in een voorzitterschap en drie directies georganiseerd. De drie directies zijn de volgende :

een directie voor de technische werking van de markt die inzonderheid verantwoordelijk is voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 23, § 2, tweede lid, 6° tot 11°;
een directie voor de controle op de prijzen en de rekeningen die inzonderheid verantwoordelijk is voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 23, § 2, tweede lid, 12°bis tot 16 en 18°;
een administratieve directie die inzonderheid verantwoordelijk is voor het administratief en financieel beheer van de commissie, de juridische studies, de documentatie en, in voorkomend geval, het beheer van het mechanisme bedoeld in artikel 7 en van het fonds bedoeld in artikel 21, eerste lid, 3°.

 

 

§ 2.

Het personeel van de commissie wordt [...] tewerkgesteld krachtens arbeidsovereenkomsten beheerst door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

 

§ 3.

De werkingskosten van de commissie worden gedekt door de federale bijdrage bedoeld in artikel 21bis, ten belope van de begroting bepaald door de Kamer van volksvertegenwoordigers met toepassing van § 5.

 

 

§ 4.

De commissie wordt met de Staat gelijkgesteld voor de toepassing van de wetten en reglementen betreffende de belastingen, heffingen, rechten en vergoedingen van de Staat, de provincies, de gemeenten en de agglomeraties van gemeenten.

 

§ 5.

De commissie duidt, mits instemming van de minister, een bedrijfrevisor aan. Deze bedrijfsrevisor mag geen functie vervullen bij de netbeheerder, de distributienetbeheerders alsook bij de producenten, leveranciers en tussenpersonen.

 

De bedrijfsrevisor aangeduid overeenkomstig eerste lid controleert de financiële toestand en de jaarrekeningen van de commissie alsook de regelmatigheid van de verrichtingen te constateren in de jaarrekeningen ten aanzien van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, van deze wet en van hun uitvoeringsbesluiten.

 

Het ontwerp van begroting van de commissie wordt opgemaakt door het directiecomité. Het ontwerp van begroting van de commissie, vergezeld van een algemene beleidsnota, opgesteld door het directiecomité, wordt vóór 30 oktober van het jaar voorafgaand aan dit waarop het betrekking heeft ter goedkeuring voorgelegd aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

 

De Kamer van volksvertegenwoordigers hoort het directiecomité. Het ontwerp van begroting, eventueel aangepast ingevolge het verhoor, wordt vervolgens door de Kamer van volksvertegenwoordigers goedgekeurd.

 

De commissie zendt de jaarrekening, vergezeld van het verslag van de bedrijfsrevisor opgesteld op basis van het tweede lid, vóór 1 mei van het jaar volgend op het betrokken jaar, over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan het Rekenhof. Het Rekenhof controleert de jaarrekening van de commissie en zendt zijn auditverslag over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.

 

 

§ 6.

De commissie is onderworpen aan de wet van 29 oktober 1846 betreffende de inrichting van het Rekenhof.


Art. 26.

§ 1.

In de uitvoering van de haar toegewezen opdrachten kan de commissie de netbeheerder en de distributienetbeheerders, alsook de producenten, leveranciers, tussenpersonen en tussenpersonen inzake groepsaankopen die op de Belgische markt tussenkomen, elke verbonden of geassocieerde onderneming evenals elke onderneming die een multilateraal commercieel platform beheert of uitbaat waarop energieblokken of financiële instrumenten worden 7 http://www.emis.vito.be Belgisch Staatsblad d.d. 11-01-2012 verhandeld, die een rechtstreeks verband houden met de Belgische elektriciteitsmarkt of die er een directe impact op uitoefenen, vorderen om haar alle nodige informatie te verstrekken, met inbegrip van de verantwoording van elke weigering tot toegangverlening aan een derde, en alle informatie over de nodige maatregelen om het net te versterken, voor zover zij haar verzoek motiveert. Zij kan hun rekeningen ter plaatse controleren.

 

Vanaf 1 januari 2003, kan de commissie ook van hen en van het controlecomité voor de Elektriciteit en het Gas, onverminderd de opdrachten die aan deze laatste toegewezen worden, de informatie vorderen die nodig is voor de voorbereiding van haar tarievenbeleid in het kader van de toepassing van de haar in artikel 23, punten 14°bis , 15 en 16 toegewezen opdracht;

 

§ 1bis.

Bij de uitvoering van de opdrachten die haar bij artikelen 23bis en 23ter worden toebedeeld, beschikt de Commissie bovendien over bevoegdheden en rechten die hierna beschreven zijn :

vanwege de elektriciteitsbedrijven en de tussenpersonen inzake groepsaankopen elke inlichting verkrijgen, onder welke vorm ook, over materies die tot haar bevoegdheid en haar opdracht behoren binnen de dertig dagen na haar vraag;
van deze bedrijven verslagen verkrijgen over hun werkzaamheden of bepaalde aspecten ervan; 
de informatie bepalen die haar regelmatig dient te worden meegedeeld en de periodiciteit waarmee deze informatie aan haar dient te worden overgezonden; 
bij weigering van het toezenden van de gevraagde informatie binnen de dertig dagen overgaan tot het ter plaatse kennisnemen van alle hoger bedoelde inlichtingen en documenten die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten die haar zijn toegewezen en deze desgevallend kopiëren.

 

De informatie die door de commissie wordt vergaard in het kader van deze paragraaf kan alleen worden aangewend voor de verslagen, adviezen en aanbevelingen die bedoeld zijn in de artikelen 23bis en 23ter. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dit artikel uitbreiden tot bindende beslissingen die zouden kunnen bedoeld worden in de artikelen 23bis en 23ter. 

 

§ 1ter.

In het kader van de artikelen 3, 4 en 5 van de Verordening (EU) nr.1227/2011, beschikt de commissie over de bevoegdheid om binnen een redelijke termijn informatie op te vragen aan alle betrokken natuurlijke of rechtspersonen, alsook over de bevoegdheid hen op te roepen en te horen, op voorwaarde dat zij haar verzoek motiveert en dat dit verzoek aansluit op het kader en het doel van haar onderzoek.


De natuurlijke en rechtspersonen die overeenkomstig het eerste lid worden opgeroepen en gehoord, worden op hun verzoek bijgestaan door een raadsman.

 

§ 1quater.

Bij de uitvoering van de opdrachten die haar door de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales worden toebedeeld, beschikt de Commissie over de bevoegdheden en rechten zoals beschreven in paragraaf 1 ten opzichte van de exploitanten bedoeld in artikel 2, 5°, van voornoemde wet en van de vennootschappen bedoeld in artikel 24, § 1, van diezelfde wet

 

§ 2.

De leden van de organen en de personeelsleden van de commissie alsook de controleurs en experten die de commissie verbinden zijn gebonden door het beroepsgeheim; zij mogen de vertrouwelijke gegevens en/of de gegevens met een persoonlijk karakter die hun ter kennis zijn gekomen op grond van hun functie bij de commissie, aan niemand bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen en onverminderd § 3 en de uitwisseling van informatie met de reguleringsinstanties voor elektriciteit en voor gas van de gewesten en van andere lidstaten van de Europese Unie en onverminderd artikel 16 en 17 van de Verordening (EU) nr. 1227/2011, met de Belgische Mededingingsautoriteit en met de FSMA voor de informatie, overgedragen in uitvoering van deze Verordening.

 

De vertrouwelijke informatie die wordt ontvangen, uitgewisseld of doorgegeven krachtens de Verordening (EU) nr. 1227/2011 mag niet worden verspreid, met uitzondering van de gevallen die door artikel 16 en 17 van dezelfde Verordening zijn toegestaan

 

Elke overtreding van het deze paragraaf wordt gestraft met de straffen bepaald door artikel 458 van het Strafwetboek. De bepalingen van het eerste boek van hetzelfde Wetboek zijn van toepassing.

 

§ 3.

[…]


Art. 27.

§ 1.

Er wordt een autonome dienst met rechtspersoonlijkheid, " ombudsdienst voor energie ", " Ombudsstelle für Energie " genaamd in het Duits, opgericht die bevoegd is voor de verdeling van vragen en klachten betreffende het functioneren van de elektriciteitsmarkt en voor de behandeling van alle geschillen tussen een eindafnemer en een elektriciteitsbedrijf inzake aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren krachtens artikel 6, § 1, VI, vierde en vijfde lid en VII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

 

De ombudsdienst voor energie is belast met de volgende opdrachten :

het beoordelen en onderzoeken van alle vragen en klachten van eindafnemers die betrekking op de activiteiten van een elektriciteitsbedrijf en op het functioneren van de elektriciteitsmarkt. De ombudsdienst maakt op grond van de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gewestelijke overheden de vragen en klachten over aan de terzake bevoegde gewestelijke overheidsdienst wanneer de vragen en klachten geheel betrekking hebben op een gewestelijke bevoegdheid.
De vragen van de eindafnemers worden ingediend bij de ombudsdienst voor energie per brief, per fax, met de elektronische post of telefonisch. De antwoorden op deze vragen worden per brief, per fax of met de elektronische post verstuurd.
De klachten van de eindafnemers worden ingediend bij de ombudsdienst voor energie per brief, per fax of met de elektronische post en zijn slechts ontvankelijk wanneer de aanklager voorafgaandelijk bij het betrokken bedrijf stappen heeft ondernomen. De ombudsdienst voor energie mag weigeren een klacht te behandelen wanneer die klacht meer dan één jaar voordien werd ingediend bij het betrokken bedrijf. Indien de klacht van een eindafnemer door de ombudsdienst voor energie ontvankelijk wordt verklaard, wordt de inningprocedure door het elektriciteitsbedrijf opgeschort tot de ombudsdienst voor energie hetzij een aanbeveling heeft geformuleerd, zoals bedoeld in 3°, hetzij een minnelijke schikking heeft bereikt, zoals bedoeld in 2°;
te bemiddelen tussen de eindafnemer en het elektriciteitsbedrijf met het oog op het vergemakkelijken van een minnelijke schikking;
een aanbeveling te formuleren ten aanzien van het elektriciteitsbedrijf ingeval geen minnelijke schikking kan worden bereikt. Een afschrift van de aanbeveling wordt naar de klager gestuurd. In geval het elektriciteitsbedrijf zich niet kan vinden in de aanbeveling, beschikt het over een termijn van 20 werkdagen om zijn beslissing te verantwoorden. Deze met redenen omklede beslissing wordt verstuurd naar de klager en naar de ombudsdienst voor energie;
op eigen initiatief of op verzoek van de minister, adviezen uitbrengen in het kader van zijn opdrachten.

 

 

§ 1bis.

De ombudsdienst voor energie behandelt de vragen en de klachten die hem worden voorgelegd met toepassing van § 1 op basis van transparante, eenvoudige en goedkope procedures die een billijke en snelle regeling mogelijk maken van de geschillen binnen een termijn van veertig werkdagen. Deze termijn kan eenmaal worden verlengd voor een periode van veertig werkdagen, op voorwaarde dat de partijen daarvan zijn geïnformeerd vóór het verstrijken van die termijn.

 

De ombudsdienst voor energie houdt ter zake rekening met de relevante gewestelijke of federale bepalingen, in voorkomend geval, op het vlak van consumentenbescherming en legt de nadruk op de hoogte en de modaliteiten van schadeloosstelling.

 

De ombudsdienst voor energie heeft de volle bevoegdheid om aan de gewestelijke regulatoren de vragen en klachten over te maken die onder hun uitsluitende bevoegdheden vallen.

 

De ombudsdienst voor energie werkt als een enig loket inzake klachtenbehandeling. De verdeling van de vragen en de klachten over de bevoegde federale en gewestelijke diensten, de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen die diensten en de oprichting van een permanente overlegwerkgroep met die diensten, worden geregeld door de bepalingen van dit artikel.

 

De ombudsdienst voor energie heeft toegang tot het Rijksregister der natuurlijke personen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister der natuurlijke personen.

 

§ 1ter.

De ombudsdienst voor energie zendt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers een jaarverslag betreffende de uitoefening van zijn opdrachten. De dienst kan in het kader hiervan voorstellen doen om de procedure voor het behandelen van de geschillen te verbeteren.

 

§ 2.

 

De ombudsdienst voor energie kan, in het kader van een bij hem ingediende klacht, ter plaatse kennis nemen van de boeken, briefwisseling, verslagen en, in het algemeen, van alle documenten en alle geschriften van het elektriciteitsbedrijf die rechtstreeks te maken hebben met het voorwerp van de klacht. De dienst kan van de bestuurders, agenten en aangestelden van het elektriciteitsbedrijf alle nodige uitleg en informatie vorderen en alle verificaties uitvoeren die nodig zijn voor zijn onderzoek.
 

De aldus verkregen informatie wordt op een vertrouwelijke manier door de ombudsdienst voor energie behandeld, wanneer de bekendmaking ervan schade zou kunnen toebrengen aan het elektriciteitsbedrijf op algemeen vlak.

Elke overtreding van deze alinea wordt gestraft met de straffen bepaald door artikel 458 van het Strafwetboek. De bepalingen van het eerste boek van hetzelfde Wetboek zijn van toepassing.
  

Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden krijgt de ombudsdienst voor energie van geen enkele overheid instructies. Onduidelijkheden of meningsverschillen met betrekking tot de kwestie of een vraag of klacht tot de federale of regionale bevoegdheid behoort worden in overleg met het bevoegde Gewest geregeld overeenkomstig de procedure voorzien in het huishoudelijk reglement van de ombudsdienst voor energie.
  

De leden van de ombudsdienst voor energie mogen zich laten bijstaan door deskundigen.
  

Het onderzoek van de klacht wordt beëindigd wanneer omtrent het voorwerp van de klacht een rechtsvordering wordt ingesteld of een arbitrageprocedure wordt aangevat. 

 

 

§ 3.

De ombudsdienst voor energie bestaat uit twee leden die door de Koning benoemd zijn bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. De leden behoren tot een verschillende taalrol.

 

De kandidaat-leden worden opgeroepen tot indiening van hun kandidaturen bij bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

 

Het lid van de ombudsdienst voor energie dat zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een statutaire band bevindt met de Staat of met enig andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt van rechtswege ter beschikking gesteld, overeenkomstig de bepalingen van het betrokken statuut, voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering en weddenverhoging en blijft hij onderworpen aan hetzelfde sociale zekerheidsstelsel dat op hem van toepassing is in de dienst van oorsprong.

 

Indien het lid van de ombudsdienst voor energie zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een contractuele band bevindt met de Staat of met enig ander rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering en blijft hij onderworpen aan hetzelfde sociale zekerheidsstelsel dat op hem van toepassing is in de dienst van oorsprong.

 

De ombudsdienst voor energie handelt als college. Niettemin mogen de leden elkaar onderling delegaties verlenen via een collegiale beslissing, goedgekeurd door de minister.

 

Om als lid van de ombudsdienst voor energie te worden benoemd, moet men :

de Belgische nationaliteit bezitten;
van onberispelijk gedrag zijn en de burgerlijke en politieke rechten genieten;
houder zijn van een diploma dat bij de Rijksbesturen toegang geeft tot een ambt van niveau 1;
gedurende een periode van drie jaar voor de benoeming geen mandaat of functie hebben bekleed in een elektriciteitsbedrijf of ermee verbonden onderneming.

 

Het lidmaatschap van de ombudsdienst voor energie is onverenigbaar met :

een bezoldigd openbaar mandaat;
een bij verkiezingen verleend openbaar mandaat;
het beroep van advocaat;
het ambt van notaris, magistraat of gerechtsdeurwaarder;
een mandaat of functie in een elektriciteitsbedrijf of ermee verbonden onderneming.

 

Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt de Koning de regels die van toepassing zijn op belangenconflicten en de basisprincipes van hun bezoldiging.

 

De leden van de ombudsdienst voor energie kunnen slechts om wettige reden worden ontslagen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

 

§ 4.

De leden van de ombudsdienst genieten voor de duur van hun functies dezelfde pensioenregeling als de vast benoemde personeelsleden van de Staat. Dit pensioen valt ten laste van de Staatskas.

 

Voor de opening van het recht op het in het eerste lid bedoelde pensioen en voor de berekening ervan, komen enkel de diensten gepresteerd als lid van de ombudsdienst in aanmerking. Deze diensten mogen niet in aanmerking genomen worden noch voor de opening van het recht op een ander pensioen van de overheidssector, noch voor de berekening ervan.

 

§ 5.

De personeelsleden van de ombudsdienst voor energie worden aangeworven en tewerkgesteld krachtens de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of krachtens de voorwaarden zoals voorzien bij een koninklijk besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad.
  

Het personeelslid van de ombudsdienst voor energie dat zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een statutaire band bevindt met de Staat of met enig andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt van rechtswege ter beschikking gesteld, overeenkomstig de bepalingen van het betrokken statuut, voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering en weddenverhoging en blijft hij onderworpen aan hetzelfde sociale zekerheidsstelsel dat op hem van toepassing is in de dienst van oorsprong.

 

§ 6.

Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt de Koning de regels betreffende de werking van de ombudsdienst voor energie.
  

De leden van de ombudsdienst voor energie stellen gezamenlijk een huishoudelijk reglement op dat aan de goedkeuring van de minister is onderworpen.

 

§ 7.

Het bedrag van de werkingskosten van de ombudsdienst voor energie wordt jaarlijks bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, op basis van een begrotingsvoorstel opgesteld door de leden van de ombudsdienst voor energie. Het begrotingsvoorstel wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad voor 30 juni van het jaar dat het begrotingsjaar voorafgaat.

 

§ 8.

Voor het eerste werkingsjaar 2010 worden de bedragen van de federale bijdrage, bedoeld in artikel 21bis, § 1, en die door de commissie in het jaar 2005 zijn geïnd met toepassing van artikel 21ter, § 1, gestort in een fonds beheerd door de ombudsdienst voor energie overeenkomstig artikel 21ter, § 1, 6°. Het bedrag bestemd voor de dekking van de werkingskosten van de ombudsdienst voor energie voor het jaar 2005 wordt vastgesteld op 832.054 euro.

 

§ 9.

Om de werkingskosten van de ombudsdienst voor energie te dekken, betalen de elektriciteits- en gasondernemingen vanaf het tweede werkingsjaar jaarlijks aan de ombudsdienst voor energie een bijdrage begroot op basis van de kosten voor de financiering van de ombudsdienst voor energie, " ombudsbijdrage " genoemd.

 

§ 10.

Jaarlijks bepaalt de ombudsdienst voor energie het bedrag van de ombudsbijdrage, verschuldigd door elke elektriciteits- en gasonderneming.
  

Voor het tweede en derde werkingsjaar wordt de ombudsbijdrage per elektriciteits- en gasonderneming begroot op basis van het gemiddeld aantal klanten van het jaar voorafgaand aan de vaststelling van de ombudsbijdrage.
  

Vanaf het vierde en de daaropvolgende werkingsjaren wordt de ombudsbijdrage per elektriciteits- en gasonderneming begroot enerzijds op basis van het gemiddeld aantal klanten van het afgelopen jaar voorafgaand de vaststelling van de ombudsbijdrage, de vaste ombudsbijdrage genoemd en anderzijds op basis van het aantal ingediende klachten in het afgelopen werkingsjaar, de variabele ombudsbijdrage genoemd.

 

§ 11.

De elektriciteits- en gasondernemingen delen de in § 10 bedoelde gegevens uiterlijk op 30 juni aan de ombudsdienst voor energie mee.

 

§ 12.

Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan de Koning de nadere regels bepalen voor de berekening van de ombudsbijdragen.
  

Elk besluit dat krachtens voorgaand lid wordt vastgesteld, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.

 

§ 13.

De ombudsbijdragen moeten uiterlijk op 30 september van het jaar dat voorafgaat aan dat waarvoor zij verschuldigd zijn, worden betaald op het rekeningnummer dat door de ombudsdienst voor energie is opgegeven.

De bijdragen die niet zijn betaald op de vastgestelde vervaldatum geven van rechtswege en zonder ingebrekestelling aanleiding tot een intrest tegen het wettelijke tarief verhoogd met 2 %. Deze intrest wordt berekend naar rato van het aantal kalenderdagen achterstand.

Ten laatste één maand voor de vervaldatum deelt de ombudsdienst voor energie aan de elektriciteits- en gasondernemingen het bedrag mee van de verschuldigde bijdragen.

 

§ 14.

De ombudsdienst voor energie deelt ieder jaar zijn rekeningen voor controle mede aan het Rekenhof.

 

§ 15.

Elk jaar, vóór 1 mei, bezorgt de ombudsdienst voor energie aan de minister een verslag van zijn activiteiten. Het verslag vermeldt inzonderheid de verschillende klachten of typen klachten, een duidelijke opdeling naargelang de klachten en vragen betrekking hebben op federale of gewestelijke bevoegdheden, en het gevolg dat werd gegeven aan die klachten, zonder de aanklagers rechtstreeks of onrechtstreeks te identificeren. De minister maakt het verslag over aan de Wetgevende Kamers. Het wordt ter beschikking gesteld van het publiek. "

 

 

§ 16.

In afwijking van § 3, vijfde lid, § 6, tweede lid, en § 7, en wanneer slechts een van de twee leden van de ombudsdienst benoemd is, is dat lid gemachtigd de bevoegdheden waarin dit artikel voorziet, alleen uit te oefenen.

 

Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer een van de leden van de ombudsdienst zich in de onmogelijkheid bevindt zijn ambt uit te oefenen.


Art. 28.

Elke belanghebbende partij die zich geschaad acht naar aanleiding van een door de commissie genomen beslissing mag, binnen een termijn van vijftien dagen na de bekendmaking of de kennisgeving van deze beslissing een klacht indienen bij de commissie teneinde de zaak opnieuw te laten onderzoeken.

 

Deze klacht heeft geen schorsende werking en sluit de indiening van een beroep voor het hof van beroep te Brussel met toepassing van artikel 29bis niet uit, noch vormt zij een voorafgaande voorwaarde hiertoe.

 

De klacht met het oog op een nieuw onderzoek wordt via aangetekend schrijven of mits neerlegging met ontvangstbewijs tot de zetel van de commissie gericht. Zij bevat een afschrift van de bestreden beslissing evenals de redenen die een herziening verantwoorden.

 

De commissie neemt haar beslissing met betrekking tot de klacht binnen een termijn van twee maanden vanaf de neerlegging van de klacht met het oog op een nieuw onderzoek.


Art. 29.

§ 1.

Binnen de commissie wordt een Geschillenkamer opgericht die, op verzoek van één van de partijen, beslist over geschillen tussen de netbeheerder en de netgebruikers betreffende de verplichtingen die aan de netbeheerder, aan de distributienetbeheerders en aan de beheerders van gesloten industriële netten krachtens deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan werden opgelegd, behalve geschillen inzake contractuele rechten en verbintenissen.

 

§ 2.

De Geschillenkamer bestaat uit een voorzitter, twee andere leden en drie plaatsvervangers, benoemd bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. In afwijking van het voorgaande worden bij de oprichting van de Geschillenkamer één lid en één plaatsvervanger benoemd voor een aanvankelijke termijn van twee jaar en één lid en één plaatsvervanger voor een aanvankelijke termijn van vier jaar.

 

De voorzitter en één plaatsvervanger worden aangewezen onder de magistraten van de rechterlijke orde; de andere leden en plaatsvervangers worden aangewezen omwille van hun deskundigheid inzake mededinging. De leden en de plaatsvervangers mogen niet onder de leden van de organen en de personeelsleden van de commissie worden gekozen. De Koning bepaalt het bedrag van de vergoedingen die hun worden toegekend.

 

§ 2bis.

De leden van de wetgevende Kamers, van het Europees Parlement en van de parlementen van de Gemeenschappen en de Gewesten, de ministers, de staatssecretarissen, de leden van een gemeenschaps- of gewestregering, de leden van het kabinet van een lid van de federale regering of van een gemeenschaps- of gewestregering en de leden van de bestendige deputaties van de provincieraden mogen de functies van voorzitter, van lid of plaatsvervanger van de Geschillenkamer niet uitoefenen.

 

De voorzitter, de leden en plaatsvervangers van de Geschillenkamer mogen geen enkele functie of activiteit, bezoldigd of niet, uitoefenen in dienst van de netbeheerder, van een van de eigenaars van het net, van een producent, van een distributiemaatschappij of van een tussenpersoon zoals omschreven in artikel 2, of van een gasbedrijf zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen.

 

Het verbod waarin het tweede lid voorziet blijft bestaan gedurende een jaar na het einde van het mandaat van de voorzitter, van de leden en de plaatsvervangers van de Geschillenkamer.

 

De bijslagen bedoeld in § 2 kunnen in de betaling voorzien, op het einde van het mandaat van de voorzitter, van de leden van van de plaatsvervangers van de Geschillendienst, van een compenserende vergoeding rekening houdend met het verbod bedoeld in het tweede en derde lid. Deze vergoeding mag de helft van de brutobijslag van de voorzitter, van de leden of van de plaatsvervangers voor de twaalf maanden voorafgaand aan het einde van hun mandaat niet overtreffen.

 

De voorzitter, de leden en de plaatsvervangers van de Geschillenkamer mogen geen aandelen, of andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren, uitgegeven door elektriciteitsbedrijven (andere dan zelfopwekkers) of gasbedrijven, bezitten, noch financiële instrumenten die de mogelijkheid bieden om dergelijke aandelen of waardepapieren te verwerven of over te dragen, of die aanleiding geven tot een betaling in contanten welke hoofdzakelijk afhankelijk is van de evolutie van de waarde van dergelijke aandelen of waardepapieren.

 

Indien de voorzitter, een lid of een plaatsvervanger, rechtstreeks of onrechtstreeks, een tegengesteld belang heeft bij een geschil voorgelegd aan de Geschillenkamer, mag hij de betreffende beraadslagingen van de Geschillenkamer niet bijwonen, noch deelnemen aan de stemming. Hij moet de voorzitter, de overige leden van het directiecomité en/of de overige plaatsvervangers van de Geschillenkamer hierover vooraf inlichten, die daarvan melding moet maken in haar beslissing.

 

De mandaten van de voorzitter, de leden en de plaatsvervangers van de Geschillendienst verstrijken wanneer zij de volle leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt.

 

§ 3.

De Geschillenkamer beslist met een gemotiveerde administratieve beslissing over de aangelegenheden die bij haar aanhangig worden gemaakt, na de betrokken partijen te hebben gehoord. Zij kan overgaan of doen overgaan tot alle nuttige onderzoeken en kan, indien nodig, deskundigen aanwijzen en getuigen horen. Zij kan bewarende maatregelen opleggen in dringende gevallen. Bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, bepaalt de Koning de procedureregels die van toepassing zijn voor de Geschillenkamer.

 

De Geschillenkamer doet uitspraak binnen twee maanden na de aanhangigmaking. Deze termijn kan met twee maanden worden verlengd ingeval de Geschillenkamer om bijkomende inlichtingen verzoekt. Een nieuwe verlenging van deze termijn is mogelijk mits akkoord van de aanvrager.

 

De beslissing van de Geschillenkamer is dwingend, voor zover zij niet werd vernietigd ingevolge een beroep voor de bevoegde rechtbanken.