Afdeling 2.
Geschillen die ressorteren onder de bevoegdheid van de Raad voor de Mededinging


Art. 29ter.

Er kan een beroep worden ingesteld bij de Raad voor de Mededinging door elke persoon die een belang aantoont, tegen de beslissingen van de Commissie, genomen in toepassing van artikel 23, 2, tweede lid, 9°, betreffende de controle op de toepassing van het technisch reglement bedoeld in artikel 11 en de uitvoeringsbesluiten ervan, voorzover de beslissing de goedkeuring, de aanvraag tot herziening of de weigering tot goedkeuring betreft van :

de beslissingen van de netbeheerder betreffende de toegang tot het transmissienet, bedoeld in artikel 15, behalve in geval van contractuele rechten en verbintenissen;
de allocatiemethode of methoden voor de toewijzing van de beschikbare capaciteit op de interconnectoren voor de elektriciteitsuitwisselingen met de buitenlandse transmissienetten.

 


Art. 29quater.

§ 1.

Het beroep bedoeld in artikel 29bis heeft geen schorsende werking, tenzij het is ingesteld tegen een beslissing van de commissie tot het opleggen van een administratieve boete. Het hof van beroep te Brussel waarbij een beroep aanhangig wordt gemaakt, kan evenwel, alvorens recht te doen, de schorsing bevelen van de tenuitvoerlegging van de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep als de aanvrager ernstige middelen inroept die de vernietiging of hervorming van de beslissing kunnen rechtvaardigen en als de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan hem een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Zo ook kunnen alle personen die een belang hebben een beroep aanhangig maken bij het hof van beroep te Brussel en de schorsing vragen van de tenuitvoerlegging van alle beslissingen van de commissie genomen met toepassing van de artikelen 12 tot 12quinquies waardoor de commissie de wet zou overtreden. Op de vordering tot schorsing doet het hof uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Een vordering tot schorsing kan niet worden ingeleid zonder dat een vordering ten gronde wordt ingeleid.

 

§ 2.

Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld bij ondertekend verzoekschrift dat wordt neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing of, voor de belanghebbenden aan wie de beslissing niet ter kennis is gebracht, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de publicatie van de beslissing, of, bij ontstentenis van publicatie, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisneming ervan. Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.

 

§ 3.

Binnen de drie werkdagen die volgen op de neerlegging van het verzoekschrift, wordt hiervan kennis gegeven via gerechtsbrief door de griffie van het hof van beroep aan alle partijen die door de verzoeker bij de zaak worden betrokken. De griffie van het hof van beroep vraagt het directiecomité van de commissie het administratief dossier betreffende de aangevochten akte bij de griffie neer te leggen, met het verzoekschrift. De neerlegging van het administratief dossier geschiedt ten laatste de dag van de inleidingszitting, zonder dat de termijn tussen de ontvangst van het verzoekschrift door de commissie en de inleidingszitting evenwel korter mag zijn dan tien dagen. In geval van uiterste hoogdringendheid kan het hof van beroep de termijn voor de indiening van het administratief dossier inkorten, zonder dat deze termijn evenwel korter mag zijn dan vijf dagen na de ontvangst van het verzoekschrift. Het administratief dossier kan door de partijen worden geraadpleegd bij de griffie van het hof van beroep vanaf de neerlegging ervan en tot de sluiting der debatten.

 

§ 4.

Op ieder ogenblik kan het hof van beroep te Brussel ambtshalve alle andere partijen, wier toestand beďnvloed dreigt te worden door de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep, uitnodigen in het geding tussen te komen.

 

§ 5.

Deel IV, Boek II, Titel III, Hoofdstuk VIII van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de procedure voor het hof van beroep te Brussel.

 

§ 6.

Het hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen meedelen en een kopie ervan neerleggen ter griffie. Het hof bepaalt eveneens de datum van de debatten.

Het hof van beroep te Brussel beslist binnen een termijn van zestig dagen na de neerlegging van het in § 2 beoogde verzoekschrift.


Art. 29quinquies.

§ 1.

Het beroep ingesteld bij de Raad voor de Mededinging is onderworpen aan de onderzoeksbepalingen en procedureregels met betrekking tot de restrictieve mededingingspraktijken, zoals bepaald in de wetten van 10 juni 2006 tot bescherming van de economische mededinging en tot oprichting van een Raad voor de Mededinging.

 

§ 2.

Het beroep wordt ingesteld bij de Raad voor de Mededinging binnen een termijn van dertig dagen vanaf de betekening van de beslissing of, voor de belanghebbenden aan wie de beslissing niet is betekend, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de publicatie van de beslissing of, bij ontstentenis van publicatie, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisneming ervan.

 

De Raad voor de Mededinging, opgericht door de wet van 10 juni 2006, beslist binnen een termijn van vier maanden.