Art. 24.

§ 1.

De organen van de commissie zijn het directiecomité en de Geschillenkamer bedoeld in artikel 29. Er wordt eveneens een algemene raad opgericht. Het directiecomité en de algemene raad stelt een huishoudelijk reglement op dat ter informatie aan de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt overgezonden.

 

§ 2.

Het directiecomité staat in voor het operationeel bestuur van de commissie en stelt alle handelingen die nodig of dienstig zijn voor de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 23, § 2. Het is een college dat beraadslaagt volgens de gewone regels van beraadslagende vergaderingen.

 

Het directiecomité bestaat uit een voorzitter en drie andere leden, benoemd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit voor een eenmaal hernieuwbare termijn van zes jaar. In afwijking van het voorgaande worden bij de oprichting van de commissie twee leden benoemd voor een aanvankelijke termijn van drie jaar. De voorzitter en de leden van het directiecomité worden gekozen omwille van hun deskundigheid, inzonderheid voor de aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen : de voorzitter wat betreft het management van de commissie, de leden wat betreft de directies die zij moeten leiden.

 

Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministeraad, bepaalt de Koning de in het tweede lid bedoelde procedure van evaluatie van de benoeming of van de hernieuwing van het mandaat van voorzitter of lid van het directiecomité. 

 

Bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning de onverenigbaarheden met het mandaat van voorzitter of lid van het directiecomité en de regels die van toepassing zijn op belangenconflicten.

 

De Koning bepaalt, na overleg met de voorzitter en de leden van het directiecomité, de bezoldiging van de voorzitter en de leden van het directiecomité. De Koning kan deze bevoegdheid delegeren aan de minister bevoegd voor energie. Met uitzondering van de voorzitter beschikken de leden van het directiecomité over een identieke bezoldiging. Worden als behorend tot de bezoldiging beschouwd, benevens de bezoldiging in strikte zin : elk voordeel of elke vergoeding die aan de voorzitter en de leden van het directiecomité van de commissie worden toegekend wegens of naar aanleiding van de uitoefening van hun mandaat, met inbegrip van een dertiende maand en een groepsverzekering.

 

Uiterlijk zes maanden voor het einde van het mandaat van de voorzitter of de leden van het directiecomité, wordt de procedure voor de selectie van de volgende voorzitter en leden aangevat. 

 

§ 2bis.

Bij besluit van de Ministerraad, genomen ingevolge een voorstel dat door de minister is gedaan op basis van het advies van de Tuchtraad volgens de procedure bepaald in deze paragraaf, kan een einde worden gemaakt aan het mandaat van de voorzitter of van een of van meerdere leden van het directiecomité van de commissie die aansprakelijk zijn voor een van de volgende inbreuken :

schending van de voorwaarden van onafhankelijkheid waarin deze wet en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, alsmede de uitvoerings–besluiten genomen in uitvoering van deze wetten, voorzien; 
schending, in de uitoefening van hun mandaten, van elke andere wettelijke of reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de voorzitter en/of de leden van het directiecomité krachtens deze wet en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, alsmede de uitvoerings– besluiten genomen in uitvoering van deze wetten. 

 

Na de vaststelling van een inbreuk, bedoeld in het eerste lid, en binnen de maand nadat hij van deze inbreuk heeft kennis genomen, zoekt de minister de Tuchtraad ingesteld door § 2ter aan bij een aangetekende brief met ontvangstmelding. Deze brief beschrijft inzonderheid de aard van de feiten die geacht worden de inbreuk te vormen. Geen enkele vermelding wordt gedaan in deze brief over de gevolgen die dienen te worden gegeven aan deze inbreuk.

 

Binnen drie maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde brief, roept de Tuchtraad de partijen, zijnde de minister en de persoon jegens wie de inbreuk is vastgesteld, op voor een hoorzitting. De oproeping voor deze hoorzitting wordt bij een aangetekende brief met ontvangstmelding verstuurd uiterlijk de tiende dag voor de hoorzitting. De partijen kunnen zich ter zitting laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

 

Binnen de maand na de hoorzitting brengt de Tuchtraad een bindend advies uit voor de minister. Dit advies kan concluderen :

ofwel dat er reden is om tot een vervroegde beëindiging van het mandaat over te gaan met verval van opzeggingsvergoedingen of andere ontslagvergoedingen die contractueel werden bedongen; 
ofwel dat er reden is om tot een vervroegde beëindiging van het mandaat over te gaan, zonder dat het noodzakelijk is het verval uit te spreken van opzeggingsvergoedingen of andere ontslagvergoedingen die contractueel werden bedongen; 
ofwel dat er geen reden is om tot een vervroegde beëindiging van het mandaat over te gaan. 

     

 

§ 2ter.

Voor de toepassing van de bepalingen bedoeld in § 2bis, wordt er een Tuchtraad opgericht. De Tuchtraad bestaat uit een voorzitter, magistraat, en twee leden, eveneens magistraten, die worden verkozen door de Kamer van volksvertegenwoordigers voor een hernieuwbaar mandaat van zes jaar. De voorzitter van de Tuchtraad dient zijn kennis van het Nederlands en van het Frans te bewijzen. Het ene lid is Nederlandstalig en het andere Franstalig. Voor de voorzitter en de leden verkiest de Kamer van volksvertegenwoordigers een plaatsvervanger.

 

Het secretariaat van de Tuchtraad wordt waargenomen door een Nederlandstalige griffier en een Franstalige griffier die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden verkozen. De griffiers zijn magistraten.

 

De Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de regels voor de verkiezing van de leden van de Tuchtraad en zijn griffiers vast.

 

De Tuchtraad stelt zijn huishoudelijk reglement vast.

 

§ 3.

[...]