Art. 21.

Bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de commissie, kan de Koning :

de producenten, tussenpersonen, leveranciers en netbeheerder openbare dienstverplichtingen opleggen inzonderheid inzake regelmaat en kwaliteit van elektriciteitsleveringen en inzake bevoorrading van afnemers, inzake milieubescherming met betrekking tot de bescherming tegen ioniserende straling en doorvoer van radioactief afval, de milieubescherming in de mariene gebieden bedoeld in de artikelen 6 en 6/3 de energie die geproduceerd wordt uit hernieuwbare energiebronnen in de mariene gebieden bedoeld in de artikelen 6 en 6/3 ;
als tegenprestatie voor de openbare dienstverplichtingen bedoeld in 1°, afwijken van de bepalingen van de artikelen 4, 15 en 17 voor zover dergelijke afwijkingen strikt noodzakelijk zijn voor de correcte uitvoering van deze verplichtingen;
een fonds oprichten, onder beheer van de commissie, dat :
a)  de volledige of een deel van de reėle nettokost van de openbare dienstverplichtingen bedoeld in 1° ten laste neemt, voor zover deze kost een onbillijke last zou vertegenwoordigen voor de ondernemingen die tot deze verplichtingen gehouden zijn;
b) geheel of gedeeltelijk wordt gefinancierd door toeslagen op de tarieven bedoeld in artikel 12 of door heffingen op alle of objectief bepaalde categorieėn van energieverbruikers of marktoperatoren, volgens de nadere regels bepaald door hetzelfde besluit.

 

In voorkomend geval wordt de berekening van de kosten en verliezen bedoeld in het eerste lid, 3°, a), door elke betrokken onderneming gedaan, overeenkomstig de door de commissie opgestelde methodologie, en door deze laatste geverifieerd.

 

Elk besluit dat krachtens het eerste lid, 3°, b), wordt vastgesteld, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.

 

[...]