Art. 4.

§ 1.

Met uitzondering van de installaties voor de industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, niet meer het voorwerp van vergunningen kunnen uitmaken, worden de bouw van nieuwe installaties voor elektriciteitsproductie, de herziening, de vernieuwing, de verzaking, de overdracht en elke andere wijziging van een individuele vergunning afgeleverd op basis van deze wet onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een individuele vergunning afgeleverd door de minister na advies van de commissie.

 

Na advies van de commissie kan de Koning, tegen de door Hem bepaalde voorwaarden :

het toepassingsgebied van het eerste lid uitbreiden tot verbouwingen of andere aanpassingen van bestaande installaties;
de bouw van installaties met een laag vermogen vrijstellen van vergunning en onderwerpen aan een procedure van voorafgaande melding aan de commissie.

 

§ 2.

Na advies van de commissie bepaalt de Koning de criteria voor de toekenning van de vergunningen bedoeld in § 1, eerste lid. Deze criteria kunnen inzonderheid betrekking hebben op :

de veiligheid en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsnetten, de installaties en de bijbehorende uitrusting;
de energie-efficiëntie van de voorgestelde installatie, rekening houdend met de internationale verbintenissen van België inzonderheid inzake bescherming van het leefmilieu;
de aard van de primaire energiebronnen, de bijdrage van de productiecapaciteit aan de verwezenlijking van de algemene doelstelling van de Europese Unie die bepaald is bij Richtlijn 2009/28/EG, evenals de bijdrage van de productiecapaciteit aan de vermindering van de emissies;
de professionele betrouwbaarheid en ervaring van de aanvrager, zijn technische, economische en financiële capaciteit en de kwaliteit van zijn organisatie;
openbare dienstverplichtingen, onder andere inzake regelmaat en kwaliteit van elektriciteitsleveringen;
6°  de bescherming van de volksgezondheid en de openbare veiligheid; 
7°  het vermogen van de installatie om deel te nemen aan de automatische ondersteunende diensten voor de primaire regeling van de frequentie en de secundaire automatische regeling van het evenwicht van de Belgische regelzone. 

 

 

§ 3.

Na advies van de commissie bepaalt de Koning :

 

1°  de  procedure  voor  de  toekenning  van  de  in § 1,  eerste  lid, bedoelde vergunningen, meer bepaald de vorm van de aanvraag, het onderzoek van het dossier, de termijnen waarbinnen de minister moet beslissen  en  zijn  beslissing  aan  de  aanvrager  en  de  commissie moet meedelen,  en  de  vergoeding  die  aan  de  Algemene  Directie Energie moet worden betaald voor het onderzoek van het dossier.
de gevallen waarin de minister de vergunning kan herzien of intrekken en de toepasselijke procedures; 
3°  wat er met de vergunning gebeurt in geval van overdracht van de installatie of in geval van controlewijziging, fusie of splitsing van de houder van de vergunning en, in voorkomend geval, de te vervullen voorwaarden en de te volgen procedures voor het behoud of de hernieuwing van de vergunning in deze gevallen. 
de procedures die moeten worden gevolgd in geval van overdracht van productie-installaties die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gebouwd en in gebruik gesteld of in geval van controlewijziging, fusie of splitsing van de eigenaars van productieinstallaties die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gebouwd en in gebruik gesteld.

 

 

§ 4.

Na advies van de commissie legt de Koning, bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bijzondere voorwaarden met betrekking tot de productieafwijking vast, van toepassing op de nieuwe productie-installaties, ongeacht de aard van de gebruikte primaire energie, wanneer de houder van de vergunning van de nieuwe installatie, alleen of met de installaties van de bedrijven waarmee hij verbonden is, voor niet meer dan 10 procent van de in België tijdens het voorbije jaar verbruikte energie bevoorraad heeft. Voor de productie-installaties hierboven vermeld, werkend op basis van hernieuwbare energie of warmtekrachtkoppeling worden deze bijzondere voorwaarden vastgelegd na overlegd met de Gewesten.

 

§ 5.

Voor de nieuwe productie-installaties waarvan de productievergunninghouder in het voorgaande jaar, alleen of met de installaties van vennootschappen die met hem zijn verbonden, niet meer dan 5 % van de totale productie in de Belgische regelzone heeft geproduceerd, en voor zover zij niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 7 of van gelijkwaardige gewestelijke mechanismes voor de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, is de prijs voor de compensatie van kwartuuronevenwichten kleiner dan 125 MWh, gebaseerd op de benoemingen, gelijk aan de marktreferentieprijs, waarop een correctiefactor wordt toegepast voor de eerste vijfenzeventig dagen van injectie op het net zoals geprogrammeerd door de houder van de productievergunning en genomineerd aan de netbeheerder. Deze correctiefactor wordt vastgesteld door de commissie bij toepassing van artikel 12 teneinde de nieuwe installaties bedoeld in dit lid te bevorderen. Bij wijze van overgangsmaatregel, totdat de commissie voornoemde correctiefactor vaststelt, stemt deze laatste factor overeen met de minimale tarifaire boete zoals vastgesteld door de commissie bij toepassing van artikel 12. Voor 2011 zal deze maatregel uitwerking hebben ongeacht de datum van de eerste injectie van de nieuwe productie-installatie op het net gedurende dit jaar.