Art. 17.

§ 1.

De aanleg van nieuwe directe lijnen is onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een individuele vergunning afgeleverd door de minister op voorstel van de commissie. De minister kan de aanleg toestaan van elke directe lijn die bestemd is voor de bevoorrading in elektriciteit :

door een in België gevestigde producent of tussenpersoon van één van zijn eigen vestigingen, dochterondernemingen of in aanmerking komende afnemers;
van een in België gevestigde in aanmerking komende afnemer door een producent of tussenpersoon die in België of in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd.

 

§ 2.

Na advies van de commissie bepaalt de Koning de criteria en de procedure voor de toekenning van vergunningen bedoeld in § 1 meer bepaald de vorm van de aanvraag, het onderzoek van het dossier, de termijnen waarbinnen de minister moet beslissen en zijn beslissing aan de aanvrager en de commissie moet meedelen, alsmede de vergoeding die aan de Algemene Directie Energie moet worden betaald voor het onderzoek van het dossier. De toekenning van een vergunning is afhankelijk van een weigering van toegang tot het transmissienet of van het ontbreken van een aanbod tot gebruik van een distributienet tegen redelijke economische en technische voorwaarden, na raadpleging van de netbeheerder.

 

§ 3.

Artikel 10 van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening wordt aangevuld als volgt :
  " g. om producenten, tussenpersonen en in aanmerking komende afnemers te verbinden door directe lijnen toegestaan krachtens artikel 17, § 1, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt. ".

 

§ 4.

De mogelijkheid tot levering van elektriciteit via een directe lijn doet geen afbreuk aan het recht van de afnemers die aangesloten zijn op de directe lijn om een leveringscontract overeenkomstig artikelen 15 en 18 af te sluiten.