Art. 5.2.3bis.1.11.

§ 1.

De verbrandingsinstallaties worden zo geëxploiteerd dat een verbrandingsniveau wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof (TOC) afkomstig van de ontbinding van organische stoffen in de ontijzerde slakken en de ontijzerde bodemas minder bedraagt dan 3 % of waarbij het gloeiverlies ten gevolge van de ontbinding van organische stoffen in de ontijzerde slakken en bodemas minder bedraagt dan 5% van het droge gewicht van het materiaal, conform het compendium voor monsterneming en analyse, zoals goedgekeurd bij ministerieel besluit.

 

§ 2.

De verbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas na de laatste toevoer van verbrandingslucht op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C gedurende ten minste twee seconden.

 

Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt verbrand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit.

 

De temperatuur, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt gemeten dichtbij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, toegestaan door de toezichthouder.

 

§ 3.

Elke verbrandingslijn van de verbrandingsinstallatie wordt uitgerust met tenminste één brander die automatisch wordt ingeschakeld wanneer de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht daalt tot onder de temperatuur, genoemd in paragraaf 2. De branders moeten ook worden gebruikt bij het starten en stilleggen van de installatie, teneinde te waarborgen dat de genoemde minimumtemperatuur gehandhaafd blijft, zolang zich onverbrande afvalstoffenin de verbrandingskamer bevinden. Tijdens het starten en stilleggen of wanneer de temperatuur van het verbrandingsgas daalt tot beneden de temperatuur, genoemd inparagraaf 2, mogen naar de branders geen brandstoffen worden toegevoerd die hogere emissieskunnen veroorzaken dan die welke ontstaan bij het stoken van vloeibaar gas, van aardgas of van gasolie, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 3 oktober 2002 tot vervanging van het koninklijk besluit van 7 maart 2001 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming.

 

§ 4.

Meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afval ontstane gas gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C. Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit.

 

§ 5.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatiewordt uitgerust met en maakt gebruik van een automatisch systeem waarmee de toevoer van afvalstoffenwordt belet:

bij het starten,totdat de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang van het geval, 1100 °C is bereikt;
wanneer de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang vanhet geval, 1 100° C niet behouden blijft;
wanneer de continumetingen uitwijzen dat een emissiegrenswaardewordt overschreden als gevolg van storingen of defecten aan de reinigingsinstallaties.

 

§ 6.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en wat de temperatuur betreft van paragraaf 5, worden afgeweken voor bepaalde thermische processen of bepaalde categorieën afval op voorwaarde dat in de verbrandings- of meeverbrandingsoven of in de installatie voor de behandeling van de verbrandingsgassen adequate technieken worden toegepast. Bij toepassing van deze technieken moeten de emissieniveaus van dioxinen en furanen overeenkomen met of lager zijn dan de niveaus die onder de voorwaarden van paragraaf 2 of paragraaf 4 worden bereikt [...] en mogen niet meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan verontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de voorwaarden, genoemd in paragraaf 1 tot en met paragraaf 4. De emissies van TOC en CO van afvalmeeverbrandingsinstallaties moeten in deze gevallen tevens voldoen aan de emissiegrenswaarden van artikel 5.2.3.bis.1.15.