[...].

Art. 5.2.3bis.1.13.

§ 1.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de emissies in de lucht die zouden leiden tot luchtverontreiniging van betekenis aan de grond, worden voorkomen.

 

§ 2.

De afgassen worden op gecontroleerde wijze door een schoorsteen geloosd.

 

§ 3.

De schoorsteenhoogte wordt zodanig berekend dat de menselijke gezondheid en het leefmilieu voor gevaar worden behoed. De exploitantberekent de schoorsteenhoogte volgens de algemene schoorsteenhoogteberekeningsmethode vermeld in bijlage 4.4.1 of volgens een gelijkwaardig systeem. De minimale of maximale schoorsteenhoogte kan worden bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 4.

De schoorsteen en de afvoerkanalen worden uitgerust met meetopeningen en een meetplatform overeenkomstig de norm NBN T95-001 of een equivalente norm. De meetopeningen hebben een diameter van tenminste 12 cm.

 

§ 5.

De exploitant treft de nodige schikkingen om het werkelijke debiet van de afgassen, geloosd door de schoorsteen, te registreren. Het werkelijke debiet van de afgassen is het debiet zonder de eventuele verdunningslucht.

 

§ 6.

De berekening van de schoorsteenhoogte en de debietgegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder.