Art. 5.2.3bis.1.14.

1.

Voor verbrandingsinstallaties voor afvalstoffen zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, van toepassing op de geloosde afgassen.

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 11%.

Voor de verbranding van afgewerkte olie geldt een referentiezuurstofgehalte van 3%.

2.

Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld referentiezuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt.

3.

De omrekening voor de in paragraaf 1 en paragraaf 2 vermelde referentiezuurstofgehaltes gebeurt enkel en alleen indien het zuurstofgehalte dat gemeten wordt tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het referentiezuurstofgehalte. In afwijking hiervan gebeurt voor de bestaande roosterovens de omrekening altijd naar 11%, ongeacht het gemeten zuurstofgehalte.