Art. 5.2.3bis.1.15.

Elke verbrandingsinstallatie voor afvalstoffen moet, als ze in bedrijf is, aan volgende voorwaarden voldoen:

volgende emissiegrenswaarden gelden voor CO [...]:
a) een daggemiddelde van 50 mg/Nm3 verbrandingsgas;
b) 150 mg/Nm3 verbrandingsgas voor de bepalingen van tien minuten-gemiddelden, of 100 mg/Nm3 voor de bepalingen van halfuurgemiddelden.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van die emissiegrenswaarden worden afgeweken voor verbrandingsinstallaties die de wervelbedtechnologie gebruiken, mits in de vergunning een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide (CO) bepaald is die een uurgemiddelde van 100 mg/Nm3 niet overtreft.
de volgende emissiegrenswaarden gelden :

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3
  Halfuurgemiddelden  Daggemiddelden
Verontreinigende stof   A
(100 %)
B
(97 %)
100 %
1. totaal stof 30 10 10
2. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 20 10 10
3. gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 60 10 10
4. gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF 4 2 1
5. zwaveldioxide 200 50 50
6. stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2  
a) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van 6 ton/uur of minder
b) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur en voor nieuwe verbrandingsinstallaties van 6 ton/uur of minder
c) voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur (*)
- - 400
400 200 200
400 200 150

(*) Voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur geldt tevens een emissiegrenswaarde voor NOx van 125 mg/Nm3 als jaargemiddelde. Als voor een nieuwe verbrandingsinstallatie een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vóór 28 december 2002 is verleend, gelden de emissiegrenswaarden voor NOx die bepaald werden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, waarbij het daggemiddelde niet meer dan 200 mg/Nm3 mag bedragen.
volgende emissiegrenswaarden gelden als gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal 8 uur:

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3
zware metalen (*) (100 %)
de som van:
- cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als cadmium (Cd)
- thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als thallium (Tl)
0,05
kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg) 0,05
de som van: antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als antimoon (Sb),
- arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As)
- lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)
- chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr)
- kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co)
- koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu)
- mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als mangaan (Mn)
- nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni)
- vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als vanadium (V)
- tin en tinverbindingen, uitgedrukt als tin (Sn)
0,5

(*) Deze gemiddelden omvatten zowel de stofvormige als de gas- en dampvormige emissies van de zware metalen in kwestie en de verbindingen daarvan.
volgende emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen geldt:

Emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm3
dioxinen en furanen 0,1

De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.