[...].

Art. 5.2.3bis.1.16.

§ 1.

Voor meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.17 tot en met 5.2.3bis1.22, van toepassing op de geloosde afgassen.

 

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte als vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met artikel 5.2.3bis.1.22.

 

§ 2.

Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden meeverbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld referentiezuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt.

 

§ 3.

De omrekening voor de in paragraaf 1 en paragraaf 2 vermelde referentiezuurstofgehaltes gebeurt enkel en alleen indien het zuurstofgehalte, dat wordt gemeten tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het referentiezuurstofgehalte droog gas, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22.


Art. 5.2.3bis.1.17.

§ 1.

Als in een meeverbrandingsinstallatie onbehandeld gemengd stedelijk afval of ermee vergelijkbaar bedrijfsafval wordt verbrand, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsinstallaties, van toepassing.

 

§ 2.

Als in een meeverbrandingsinstallatie meer dan 40 % van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsinstallaties van toepassing.


Art. 5.2.3bis.1.18.

§ 1.

Als artikel 5.2.3bis.1.17 niet van toepassing is voldoet elke meeverbrandingsinstallatie, die in bedrijf is, aan de emissiegrenswaarden [...] zoals omschreven in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22.

 

§ 2.

De berekende emissiegrenswaarden worden van toepassing vanaf de eerste meeverbranding en blijven dan gelden, ook als geen afvalstoffen worden meeverbrand.


Art. 5.2.3bis.1.19.

Als een specifieke totale emissiegrenswaarde « Ctotaal » niet in een tabel van artikel 5.2.3bis.1.20, artikel 5.2.3bis.1.21 of artikel 5.2.3bis.1.22 is opgenomen, wordt de onderstaande formule (mengregel) toegepast.

 

De emissiegrenswaarde voor elke verontreinigende stof, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, en voor koolstofmonoxide in het afgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen, wordt als volgt berekend :

 

waarin:

 

Vafvalstoffen: volume afgas ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen(bepaald op basis van de afvalstof met de laagste calorische waarde) en naargelang het geval herleid tot de in artikel 5.2.3bis.1.16 vermelde omstandigheden.

 

Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van afvalstoffenminder dan 10 % bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet Vafvalstoffen worden berekend op basis van een (theoretische) hoeveelheid afvalstoffendie bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10 % van de vrijkomende warmte zou opleveren.

 

Cafvalstoffen: emissiegrenswaardengeldend voor verbrandingsinstallaties zoals vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15.

 

Vproces: het volume afgas ten gevolge van het in de installatie plaatsgrijpende proces, met inbegrip van de verbranding van de toegestane normaal in de installatiegebruikte brandstoffen (geen afvalstoffen), bepaald op basis van het referentiezuurstofgehalte waartoe de emissiesvolgens de geldende regelgeving moeten worden herleid. Ingeval er geen voorschriften voor de installatie bestaan, moet het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas, zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht, worden gebruikt.

 

Cproces: de emissiegrenswaarden die in artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 voor bepaalde industriële sectoren zijn vastgesteld of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze installaties gelden, bij verbranding van de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen). Bij ontbreken van dergelijke bepalingen worden de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde emissiegrenswaarden gebruikt. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geen emissiegrenswaarden worden vermeld, worden de werkelijke massaconcentraties gebruikt. Indien de emissiegrenswaarden die in artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 worden vermeld, soepeler zijn dan de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze industriële sectoren zijn vastgesteld, dan gelden voor Cproces de meest strenge emissiegrenswaarden.

 

Ctotaal: de totale emissiegrenswaarde bij het zuurstofgehalte dat in de tabellen bij artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 1.22 voor bepaalde industriële sectoren is vastgesteld, of, indien een dergelijke tabel of waarde ontbreekt, de totale emissiegrenswaarde die de in de tabel van artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 genoemde emissiegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding vervangt, wordt berekend op basis van bovenstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.


Art. 5.2.3bis.1.20.

§ 1.

Bijzondere voorschriften gelden voor cementovens waarin afvalstoffen worden meeverbrand.

 

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 10%.

 

De volgende emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden :

 

Verontreinigende stof  Ctotaal
(mg/Nm3)
1. totaal stof 30
2. zwaveldioxide 50
3. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 10
4. gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 10
5. gasvormige en anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF  1
6. stikstofoxide(NOX), uitgedrukt als NO2(*)  500
   
   

7. de som van :

a) cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als Cd en
b) thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als Tl 
0,05
8. kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg  0,05

9. de som van :

a) antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als Sb
b)  arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als As
c) lood en loodverbindingen, uitgedrukt als Pb
d) chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als Cr
e) kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als Co
f) koper en koperverbindingen, uitgedrukt als Cu
g) mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als Mn
h) nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als Ni
i) vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als V en
j) tin en tinverbindingen, uitgedrukt als Sn
0,5
 Verontreinigende stof Ctotaal
(ng TEQ/Nm3
10. dioxinen en furanen (**)   0,1

 

(*) Tot 1 januari 2016 kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een afwijking verleend worden op de NOx-emissiegrenswaarde voor Lepol-ovens en lange draai-ovens, op voorwaarde dat in de vergunning een totale emissiegrenswaarde voor NOx van ten hoogste 800 mg/Nm3 bepaald is.

(**) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

Halfuurgemiddelden zijn alleen nodig voor de berekening van de daggemiddelden. 

 

§ 2.

De emissiegrenswaarde voor CO wordt in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld.


Art. 5.2.3bis.1.21.

De volgende bijzondere voorschriften gelden voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand :

 

1° voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, gelden de volgende proces-emissiegrenswaarden (Cproces) als daggemiddelden, waarbij het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een stookinstallatie bepaald wordt aan de hand van de samentellingsregels, vastgesteld in artikel 5.43.2.1 en 5.43.3.1 en halfuurgemiddelden alleen nodig zijn voor de berekening van de daggemiddelden :

 

a) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 7 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, op voorwaarde dat ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen :

 

1) tot en met 31 december 2015 :

 

1.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300300
200
 200
NOX, uitgedrukt als NO 400 400 200 200
stof  50 30 30 30
HCl 30 30 30 30

 

1.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7575
NOX, uitgedrukt als NO600/300*300300200
stof  50151515
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

1.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
150150
NOX, uitgedrukt als NO300300200200
stof  50303030
HCl 30303030

 

2) vanaf 1 januari 2016 :

2.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300300
200100
NOX, uitgedrukt als NO400300200150
stof  50302010
HCl 30303030

 

2.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7575
NOX, uitgedrukt als NO600/300*300250150
stof  5015
1510
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

2.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
150100
NOX, uitgedrukt als NO300300200150
stof  50302010
HCl 30303030

 

b) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen :

 

1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :


Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300200
10060
NOX, uitgedrukt als NO30015010060
stof  5010
106
HCl 30303030

 

2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7560
NOX, uitgedrukt als NO450/300*15015060
stof  5010
106
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
10060
NOX, uitgedrukt als NO30015010060
stof  5010
106
HCl 3030
30
30

 

i. 2° Voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, waarin afvalstoffen worden meeverbrand, gelden de volgende totale emissiegrenswaarden (Ctotaal) Ctotaal voor zware metalen (mg/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 % voor vaste brandstoffen en 3 % voor vloeibare brandstoffen : 

 

Verontreinigende stof
Ctotaal (mg/Nm3)
Cd + Tl
0,05
Hg
0,05
Sb + As + Pb + Cr +Co + Cu + Mn + Ni + V + Sn
0,5

 

ii. Ctotaal voor dioxinen en furanen (ng TEQ/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 % voor vaste brandstoffen en 3 % voor vloeibare brandstoffen :

 

Verontreinigende stof   
Ctotaal (ng TEQ/Nm3)
Dioxinen en furanen
0,1

 

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde. 


Art. 5.2.3bis.1.22.

Bijzondere voorschriften gelden voor industriële sectoren die afvalstoffen meeverbranden en niet onder artikel 5.2.3bis.1.20 of 1.21 vallen.

 

Volgende totale emissiegrenswaarden gelden:

 

Ctotaal uitgedrukt in mg/Nm3. Alle gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur:

 

Verontreinigende stof Ctotaal (mg/Nm3)
Cd + Tl 0,05
Hg 0,05

 

Ctotaal uitgedrukt in ng TEQ/Nm3. Alle gemiddelden worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur:

 

Verontreinigende stof Ctotaal (ng TEQ/Nm3)
Dioxinen en furanen 0,1

 

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

 

Emissies: water