Art. 21bis.

§ 1.

Een « federale bijdrage » wordt geheven ter financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de elektriciteitsmarkt.

 

De federale bijdrage is verschuldigd door de op het Belgisch grondgebied gevestigde eindafnemers op elke kWh die ze voor eigen gebruik van het net afnemen. De federale bijdrage is aan de BTW onderworpen.

 

De netbeheerder is belast met de inning van de federale bijdrage zonder toepassing van de regels betreffende de vrijstelling bedoeld in § 1bis en de degressiviteit bedoelt in § 2 en § 5.

 

Daartoe factureert hij de toeslag aan de houders van een toegangscontract en aan de distributienetbeheerders. Indien de houders van een toegangscontract en/of de distributienetbeheerders niet zelf de van het net afgenomen kWh verbruiken, kunnen zij de federale bijdrage factureren aan hun eigen klanten, totdat deze toeslag uiteindelijk wordt gefactureerd aan degene die de kWh voor eigen gebruik heeft verbruikt.

de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 (de oude pilootopwerkingsfabriek Eurochemic of passief BP1; de oude Afvalafdeling van het Studiecentrum voor Kernenergie of passief BP2) te Mol-Dessel en uit het kwart van de denuclearisatie van de BR3-reactor van het technisch passief van het Studiecentrum voor Kernenergie te Mol, alsook uit de behandeling, de conditionering, de opslag en de berging van het geaccumuleerd radioactief afval, met inbegrip van het radioactief afval afkomstig uit de genoemde denuclearisaties, ten gevolge van de nucleaire activiteiten op de genoemde sites en reactor. De tussenkomst van de federale bijdrage in het kwart van de ontmantelingskost van de BR3-reactor is pas verschuldigd vanaf het jaar dat een financieringstekort zich dreigt voor te doen voor het technisch passief van het SCK.CEN. De tussenkomst van de federale bijdrage in dit passief maakt geen deel uit van het regionaal evenwicht bedoeld in het vierde lid van artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 oktober 1991 houdende de regelen betreffende het toezicht op en de subsidiėring van het Studiecentrum voor Kernenergie en tot wijziging van de statuten van dit Centrum
de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 25, § 3, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 25, § 3 en voor de financiering van de werkingskosten van de ombudsdienst voor energie, bedoeld in artikel 27, die door de commissie in het jaar 2005 zijn geļnd met toepassing van artikel 21ter, § 1, en die worden gestort in een fonds beheerd door de ombudsdienst voor energie overeenkomstig artikel 21ter, § 1, 6° ;
de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en financiėle maatschappelijke steunverlening inzake energie zoals bepaald door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiėle maatschappelijke bijstand aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering;
de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen met het oog op de naleving van de internationale verbintenissen van Belgiė inzake bescherming van het leefmilieu en duurzame ontwikkeling;
de financiering van de reėle nettokost die voortvloeit uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan beschermde residentiėle klanten, zoals bepaald in artikel 20, § 2.
[...] [...]

 

 

 

 

 

§ 1bis.

Elektriciteit die van het net werd afgenomen om een installatie voor de opslag van elektriciteit te voeden wordt vrijgesteld van de federale bijdrage.

 

§ 2.

Wanneer op een verbruikslocatie meer dan 20 MWh/jaar voor professioneel gebruik wordt geleverd, wordt vanaf het jaar 2006 de federale bijdrage voor die eindafnemers, op basis van hun jaarlijks verbruik, als volgt verminderd door de leveranciers en de houders van een toegangscontract :

voor de verbruiksschijf tussen 20 MWh/jaar en 50 MWh/jaar : met 15 procent;
voor de verbruiksschijf tussen 50 MWh/jaar en 1 000 MWh/jaar : met 20 procent;
3°  voor de verbruiksschijf tussen 1 000 MWh/jaar en 25 000 MWh/jaar : met 25 procent;
voor de verbruiksschijf meer dan 25 000 MWh/jaar [...] : met 45 procent.

 

[...] per verbruikslocatie en per jaar [...] bedraagt de federale bijdrage, gefactureerd door de leveranciers en de houders van een toegangscontract, voor die verbruikslocatie maximum 250 000 euro.

 

De verminderingen bedoeld in de eerste twee leden gelden voor de elektriciteit afgenomen door alle eindafnemers behalve degenen die geen sectorakkoord of convenant ondertekend hebben waarvoor ze in aanmerking komen.

 

Wanneer blijkt dat een bedrijf dat een sectorakkoord of convenant heeft gesloten en dat de degressiviteit geniet als gevolg van zijn verklaring betreffende de naleving ervan, de verplichtingen van dit akkoord of convenant zoals bepaald door de Gewesten niet naleeft, moet dit bedrijf de bedragen, die wegens de onterechte toepassing van de degressiviteit niet betaald werden, terugbetalen aan de commissie. Daarenboven verliest het bedrijf haar recht op de degressiviteit voor het volgende jaar.

 

§ 3.

Om het totale bedrag te dekken dat uit de toepassing van de verminderingen van de federale bijdrage bedoeld in § 2 voortvloeit, worden volgende elementen aan de in artikel 21ter, § 1, bedoelde fondsen toegewezen :

de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van het bijzondere accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel e) i) en onderdeel f) i) van de programmawet van 27 december 2004 voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15°, als deze verhoging overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 420, § 3, b), van dezelfde wet gebeurt;
als het totaal van de onder 1° van dit lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de verminderingen te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald in artikel 419, onderdeel j) van de programmawet van 27 december 2004 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen;
als het totaalbedrag uit de onder 1° en 2° van dit lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de verminderingen te dekken, wordt een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelastingen bijkomend toegewezen.

 

Voor het jaar 2009, om het totale bedrag te dekken, voortvloeiend uit de toepassing van de verminderingen van de federale bijdrage, bedoeld in § 2, worden ook toegewezen aan de fondsen, bedoeld in artikel 21ter, § 1, de bedragen, 2.650.000 euro komende van het werkingskapitaal van de NV Belgoprocess en 3.000.000 euro van het fonds voor het passief BP1/BP2

 

De codes van de in dit artikel bedoelde gecombineerde nomenclatuur verwijzen naar die welke zijn vastgesteld in de verordening EEG nr 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van de verordening EEG nr 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

Voor de verbruiken vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 wordt de federale bijdrage verminderd, door de leveranciers en de houders van een toegangscontract, voor eindafnemers die van de degressiviteit genieten, op basis van hun jaarlijks verbruik :

voor de verbruiksschijf tussen 20 MWh/jaar en 50 MWh/jaar : met 20 %;
voor de verbruiksschijf tussen 50 MWh/jaar en 1 000 MWh/jaar : met 25 %; 
voor de verbruiksschijf tussen 1 000 MWh/jaar en 25 000 MWh/jaar : met 30 %;
voor de verbruiksschijf tussen 25 000 MWh/jaar en 250 000 MWh/jaar : met 55 %. 

 

Wanneer per verbruikslocatie en op jaarbasis meer dan 250 000 MWh aan een eindafnemer wordt geleverd, bedraagt de federale bijdrage, gefactureerd door de leveranciers en de houders van een toegangscontract, voor deze verbruikslocatie maximum 200.000 euro.

 

§ 6.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de commissie de in § 2 bedoelde percentages aanpassen. Elk hiertoe genomen besluit wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.