Bijlagen.


Bijlage I.

Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

 

Verordening (EEG) nr. 2455/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de in- en uitvoer van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen, PB 1992, L 251/13, gewijzigd door Verordening (EEG) nr. 41/94 van de Commissie van 11 januari 1994 tot wijziging van bijlage II van Verordening (EEG) nr. 2455/92 van de Raad betreffende de in- en uitvoer van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen, PB 1994, L 8/1.

 

Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen

 

Verordening (EG) nr. 3093/94 van de Raad van 15 december 1994 betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken.

 

Verordening (EG) nr 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende detergentia, PB 2004, L 104/1.

 

Verordening (EG) nr. 50/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG,PB 2004, L158, zoals gerectificeerd in PB nr. L 229 van 29/06/2004, blz. 5-22.

 

Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006

 

Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie 

 

Verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en –mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik

 

Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006

 

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad

 

Verordening (EU) nr. 547/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de etiketteringsvoorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen

 

Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap. 

 

Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters


Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden


Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europese Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur


Bijlage II. CE-markering (zoals bedoeld in artikel 14quinquies, § 1, tweede lid)

 

 

 

De CE-markering moet minimaal 5 mm hoog zijn. Bij vergroting of verkleining van de CE-markering moeten de verhoudingen van de bovenstaande rastertekening in acht worden genomen.

 

De CE-markering moet op het evp worden aangebracht. Indien dit niet mogelijk is, moet zij op de verpakking en de begeleidende documenten worden aangebracht.


Bijlage III. Verklaring van overeenstemming (zoals bedoeld in artikel 14quinquies, § 1, derde lid)

De EG-verklaring van overeenstemming moet de volgende elementen bevatten :

  1. naam en adres van de fabrikant of zijn gevolmachtigde;
  2. een voldoende nauwkeurige beschrijving van het model om dit op ondubbelzinnige wijze te kunnen identificeren;
  3. in voorkomend geval, de referenties van de toegepaste geharmoniseerde normen;
  4. in voorkomend geval, de overige gebruikte technische normen en specificaties;
  5. in voorkomend geval, de referentie van andere toegepaste communautaire wetgeving die voorziet in de aanbrenging van de CE-markering;
  6. identiteit en handtekening van de persoon die bevoegd is om de fabrikant of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger te binden.

Bijlage IV. Interne ontwerpcontrole (zoals bedoeld in artikel 14undecies, § 1)

1. In deze bijlage wordt de procedure beschreven waarbij de fabrikant of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger die zich van de in punt 2 van deze bijlage vastgestelde verplichtingen kwijt, garandeert en verklaart dat het evp aan de relevante voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet. De verklaring van overeenstemming kan op één of meer producten betrekking hebben en moet door de fabrikant worden bewaard.

 

2. Er wordt door de fabrikant een technisch documentatiedossier opgesteld aan de hand waarvan de overeenstemming van het evp met de eisen van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel kan worden beoordeeld.

 

De documentatie bevat met name de volgende elementen :

  1. een algemene beschrijving van het evp en van het bedoelde gebruik;
  2. de resultaten van de door de fabrikant uitgevoerde relevante milieubeoordelingsstudies en/of verwijzingen naar milieubeoordelingsliteratuur of casestudies die door de fabrikant bij het beoordelen, documenteren en bepalen van productontwerpen worden gebruikt;
  3. het ecologische profiel, indien vereist krachtens de uitvoeringsmaatregel;
  4. elementen van de productontwerpspecificatie betreffende de op het milieu gerichte ontwerpaspecten van het product;
  5. een lijst van de terzake doende normen zoals bedoeld in artikel 17, die volledig of gedeeltelijk worden toegepast, en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel te voldoen wanneer de in artikel 17 bedoelde normen niet zijn toegepast of wanneer deze normen de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel niet volledig dekken;
  6. een exemplaar van de informatie betreffende de op het milieu gerichte ontwerpaspecten van het product, die overeenkomstig de in bijlage I, deel 2, gespecificeerde voorschriften wordt verstrekt;
  7. de resultaten van metingen die in verband met de eisen inzake ecologisch ontwerp zijn uitgevoerd, met inbegrip van gegevens betreffende de overeenstemming van deze metingen met de eisen inzake ecologisch ontwerp die in de toepasselijke uitvoeringsmaatregel zijn vastgesteld.

3. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het product wordt vervaardigd overeenkomstig de in punt 2 bedoelde ontwerpspecificaties en de op het product toepasselijke eisen van de maatregel.


Bijlage V. Beheerssysteem voor de overeenstemmingsbeoordeling (zoals bedoeld in artikel 14undecies, § 1)

1. In deze bijlage wordt de procedure beschreven waarbij de fabrikant die zich van de verplichtingen van punt 2 van deze bijlage kwijt, garandeert en verklaart dat het evp aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet. De verklaring van overeenstemming kan op één of meer producten betrekking hebben en moet door de fabrikant worden bewaard.

 

2. Voor de beoordeling van de overeenstemming van het evp kan een beheerssysteem worden gebruikt, mits de fabrikant de in punt 3 van deze bijlage opgesomde milieuelementen implementeert.

 

3. Milieuelementen van het beheerssysteem

In dit punt worden de elementen van een beheerssysteem opgesomd alsmede de procedures aan de hand waarvan de fabrikant kan aantonen dat het evp aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voldoet.

 

3.1. Het beleid inzake de milieuprestaties van producten

De fabrikant moet kunnen aantonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel. De fabrikant moet tevens kunnen voorzien in een kader voor het bepalen en herzien van doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van producten met het oog op de verbetering van de algehele milieuprestaties van producten.

 

Al de door de fabrikant getroffen voorzieningen om de algehele milieuprestaties van het product te verbeteren en het ecologische profiel ervan vast te stellen, indien de uitvoeringsmaatregel zulks vereist, via ontwerp en fabricage, moeten op systematische en geordende wijze worden gedocumenteerd in de vorm van schriftelijke procedures en instructies.

 

Deze procedures en instructies moeten met name een adequate beschrijving bevatten van :

  • de lijst van documenten die moeten worden opgesteld om de conformiteit van het evp aan te tonen en die in voorkomend geval beschikbaar moeten worden gesteld;
  • de doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van het product, de organisatiestructuur, de verantwoordelijkheden, de bevoegdheden van het management en de toewijzing van middelen met betrekking tot de stelselmatige toepassing ervan;
  • de na de fabricage uit te voeren controles en tests om de productprestaties aan de milieuprestatieindicatoren te toetsen;
  • de procedures om de voorgeschreven documentatie te controleren en ervoor te zorgen dat ze wordt bijgewerkt;
  • de methode om de toepassing en de doeltreffendheid van de milieuelementen van het beheerssysteem te verifiëren.

3.2. Planning

De fabrikant draagt zorg voor de vaststelling en handhaving van :

  1. procedures voor het vaststellen van het ecologische profiel van het product;
  2. doelstellingen en indicatoren voor de milieuprestaties van het product, waarbij, rekening houdend met technische en economische eisen, technologische opties in beschouwing worden genomen;
  3. een programma om deze doelstellingen te verwezenlijken.

3.3. Uitvoering en documentatie

 

3.3.1. De documentatie betreffende het beheerssysteem omvat met name het volgende :

  1. verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden vastgelegd en gedocumenteerd teneinde ervoor te zorgen dat de producten effectieve milieuprestaties leveren en dat over de werking van het systeem verslag wordt uitgebracht met het oog op evaluatie en verbetering;
  2. er worden documenten opgesteld waarin de toegepaste ontwerpcontrole en verificatietechnieken en de bij het ontwerp van het product toegepaste processen en vaste procedures worden beschreven;
  3. de fabrikant zorgt voor de opstelling en het bijhouden van informatie ter beschrijving van de essentiële milieuelementen van het beheerssysteem en de procedures voor het controleren van alle vereiste documenten.

3.3.2. De documentatie betreffende het evp omvat met name het volgende :

  1. een algemene beschrijving van het evp en van het beoogde gebruik;
  2. de resultaten van de door de fabrikant uitgevoerde milieubeoordelingsstudies en/of verwijzingen naar milieubeoordelingsliteratuur of casestudies die door de fabrikant bij het beoordelen, documenteren en bepalen van productontwerpen worden gebruikt;
  3. het ecologische profiel, indien vereist krachtens de uitvoeringsmaatregel;
  4. documenten waarin de resultaten worden beschreven van metingen die in verband met de eisen inzake ecologisch ontwerp zijn uitgevoerd, met inbegrip van gegevens betreffende de overeenstemming van deze metingen met de in de toepasselijke uitvoeringsmaatregel gestelde eisen inzake ecologisch ontwerp;
  5. de fabrikant stelt specificaties op waarin met name wordt opgegeven welke normen werden toegepast, alsmede waar de in artikel 17 bedoelde normen niet worden toegepast of waar zij de eisen van de relevante uitvoeringsmaatregel niet volledig dekken, en welke middelen werden gebruikt om de naleving te garanderen;
  6. een exemplaar van de informatie betreffende de op het milieu gerichte ontwerpaspecten van het product, die overeenkomstig de in bijlage I, deel 2, gespecificeerde voorschriften wordt verstrekt.

3.4. Controle en corrigerende maatregelen

  1. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het product wordt vervaardigd overeenkomstig de ontwerpspecificaties en de op het product toepasselijke eisen van de maatregel;
  2. de fabrikant zorgt ervoor dat er procedures worden ingesteld en nageleefd om gevallen van niet-overeenstemming te onderzoeken en te corrigeren en om uit corrigerende maatregelen voortvloeiende wijzigingen van de procedurevoorschriften in praktijk te brengen;
  3. de fabrikant voert ten minste om de drie jaar een volledige interne audit van de milieuelementen van het beheerssysteem uit.

Bijlage VI. Lijst van regelgevingen bij overtreding waarvan strafrechtelijk moet gesanctioneerd worden overeenkomstig artikel 17, §§ 2quater en 2quinquies, in geval van een lozing, een uitstoot of anderszins brengen van een hoeveelheid materie in de lucht, het water of de grond, waardoor bij gebruik ervan de dood van of ernstig letsel aan personen wordt of kan worden veroorzaakt

1° Koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende vaststelling van productnormen voor inwendige verbrandingsmotoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines.

Bijlage VII. Lijst van regelgevingen bij overtreding waarvan strafrechterlijk moet gesanctionneerd worden overeenkomstig artikel 17, §§ 2quater en 2quinquies, in geval van een lozing, een uitstoot of anderszins brengen van een hoeveelheid materie in de lucht, het water of de grond, waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, water of grond of aan dieren of planten wordt of kan worden veroorzaakt wanneer het op de markt gebracht wordt

1° Koninklijk besluit van 8 mei 2014 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruiken van biociden;

 

2° Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;

 

3° Bijlage XVII van de REACH-verordening (EG);

 

4° Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende detergentia;

 

5° Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG;

 

6° Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;

 

7° Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;

 

8° Koninklijk besluit van 27 maart 2009 inzake het op de markt brengen en de informatie voor de eindgebruikers van batterijen en accu’s, en tot opheffing van het koninklijk besluit van 17 maart 1997 inzake batterijen en accu’s die gevaarlijke stoffen bevatten;

 

9° Koninklijk besluit van 25 maart 1999 houdende bepaling van productnormen voor verpakkingen;

 

10° Koninklijk besluit van 19 maart 2004 houdende productnormen voor voertuigen;

 

11° Koninklijk besluit van 17 maart 2013 tot beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur;

 

12° Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden;


13° Koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik.