Art. 4.10.1.1.

Deze afdeling geldt voor de volgende inrichtingen :

1 inrichtingen die als BKG-installaties zijn ingedeeld voor wat betreft hun BKG-emissies;
2 inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1 hebben beoefend;
3 inrichtingen die ontstaan na opsplitsing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie, als binnen de grenzen van de oorspronkelijke BKG-installatie een activiteit wordt uitgevoerd die in de indelingslijst is aangeduid met de letter Y in de vierde kolom.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de vergunning alleen worden verleend als de vergunningverlenende overheid ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies van de broeikasgasemissies die relevant zijn voor de inrichting, te bewaken en erover te rapporteren. Dat betekent dat de exploitant in het bezit moet zijn van een monitoringplan, geverifieerd door het verificatiebureau en goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.