Hoofdstuk II.
Milieueffect-rapportage over plannen en programma's


Afdeling 1.
Werkingssfeer


Onderafdeling 1.
Toepassingsgebied


Art. 4.2.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op ieder plan of programma dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project.

Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op ieder plan of programma, waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is uit hoofde van artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.


Art. 4.2.2.

Volgend plan of programma valt niet onder het toepassingsgebied van dit decreet :

plan of programma dat uitsluitend bestemd is voor nationale defensie; 
financieel of begrotingsplan en -programma;
plan of programma dat wordt medegefinancierd in het kader van de huidige programmeringsperiode 2000-2006 betreffende EG-Verordening nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen en de programmeringsperiode 2000-2006 en 2000-2007 van EG-Verordening nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL).

 


Onderafdeling 2.
De plicht tot opmaak van een plan-MER


Art. 4.2.3.

§ 1.

Het plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, wordt, alvorens het kan worden goedgekeurd, aan een milieu-effectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk.

 

§ 2.

Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat niet het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau, noch een kleine wijziging inhoudt, moet een plan-MER worden opgemaakt, wanneer :

het plan of programma betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieu-effectrapportage; 
voor een ander plan of programma dan deze vermeld onder 1°, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.

 

 

§ 3.

Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.

 

§ 3bis.

De administratie kan na een gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer van een voorgenomen plan of programma dat overeenkomstig § 2 of § 3 aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, dat voorgenomen plan of programma ontheffen van de verplichtingen inzake milieueffectrapportage overeenkomstig artikel 4.2.5 tot en met 4.2.10.

 

Dat kan als de administratie oordeelt dat :

  1. het voorgenomen plan of programma een uitwerking, wijziging, herziening of voortzetting inhoudt van een plan of programma, waarvoor reeds eerder een plan-MER werd goedgekeurd, en een nieuw plan-MER redelijkerwijze geen nieuwe of extra gegevens betreffende aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
  2. indien in het kader van andere rapportages of beoordelingen reeds een systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu gemaakt werd, die voldoet aan de essentiële kenmerken van een plan-MER zoals vermeld in artikel 4.1.4, § 2.

 

§ 3ter.

Het gemotiveerd verzoek, vermeld in § 3bis, bevat ten minste :

een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen plan of programma, in voorkomend geval met een afbakening van het gebied erbij waarop het plan of programma betrekking heeft; 
in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft om de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten op de hoogte te kunnen brengen; 
de verantwoording voor het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de informatie die in het gemotiveerd verzoek opgenomen moet worden.

 

§ 3quater.

De administratie neemt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek, vermeld in § 3ter een beslissing. In voorkomend geval bevat de beslissing tevens de voorwaarden die eraan zijn verbonden. Indien de beslissing niet kan worden genomen binnen de hiervoor bedoelde termijn van dertig dagen brengt de administratie de initiatiefnemer hiervan schriftelijk of per elektronische post op de hoogte binnen deze termijn. In die kennisgeving geeft de administratie aan wanneer de beslissing uiterlijk zal worden genomen.

 

De beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt onverwijld door de administratie aan de initiatiefnemer betekend. Vanaf de betekening van de beslissing wordt ze bekendgemaakt en wordt ze samen met het gemotiveerd verzoek als vermeld in § 3ter ter inzage gelegd bij de administratie. Als het voorgenomen plan of voorgenomen programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, en/of in verdragspartijen bij het Verdrag, en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, dan wordt de beslissing vermeld in het eerste lid onverwijld door de administratie door betekening [...] ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten.

 

§ 4.

Voor een plan of programma dat uitsluitend bestemd is voor noodsituaties moet geen plan-MER worden opgemaakt.

 

§ 5.

De toepassing van § 2 en § 3 mag er echter niet toe leiden dat plannen en programma's met mogelijke aanzienlijke milieueffecten niet onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen.


Onderafdeling 3.
Integratiespoor


Art. 4.2.4.

§ 1.

Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, kan in een decreet of besluit van de Vlaamse Regering, dat desgevallend voor de opmaak van dat plan of programma van toepassing is, worden bepaald op welke wijze het onderzoek tot milieueffectrapportage of het plan-MER in de opmaakprocedure van dit plan of programma geïntegreerd wordt. Hierbij moet rekening worden gehouden met de volgende verplichtingen :

de plan-MER-plicht wordt vastgesteld en het plan-MER wordt opgemaakt overeenkomstig de vereisten betreffende het toepassingsgebied en de inhoudsafbakening van hoofdstuk II van titel IV van dit decreet; 
het ontwerp van plan-MER wordt samen met het ontwerpplan of -programma met het oog op de raadpleging ervan beschikbaar gesteld van het publiek en de te raadplegen instanties;
ingeval het plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, en/of in verdragspartijen bij Verdrag, en/of in andere gewesten, of als bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, wordt het onderzoek tot milieueffectrapportage of het ontwerp van plan-MER samen met het ontwerpplan of ontwerpprogramma voor raadpleging ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragpartijen en/of gewesten;
bij de vaststelling van het ontwerp van plan of programma wordt met de resultaten van het plan-MER rekening gehouden; 
bij de bekendmaking van het plan of programma wordt de volgende informatie ter beschikking gesteld van het publiek en de geraadpleegde instanties : 
a) het plan of programma zoals het is vastgesteld; 
b) een verklaring die samenvat : 
1) hoe de milieuoverwegingen in het plan of programma werden geïntegreerd; 
2) hoe rekening werd gehouden met het definitieve plan-MER en de gegeven adviezen en het resultaat van de grensoverschrijdende raadpleging; 
3) de redenen waarom is gekozen voor het plan of programma zoals het is aangenomen, en dit in het licht van de andere redelijke alternatieven die zijn behandeld; 
c) de monitoringsmaatregelen waartoe wordt besloten overeenkomstig artikel 4.6.3bis van dit decreet.

 

§ 2.

Indien bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering geen wijze van integratie is bepaald, dan gelden voor een plan of programma, als vermeld in § 1, de bepalingen zoals voorzien in dit hoofdstuk.


Afdeling 2.
Onderzoek tot milieu-effectrapportage


Art. 4.2.5.

Bij het onderzoek tot milieu-effectrapportage, vermeld in artikel 4.2.3, § 2, 2°, en artikel 4.2.3, § 3, raadpleegt de initiatiefnemer tijdig de instanties die door de Vlaamse Regering worden aangeduid, en dit op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering.

Deze instanties brengen hun advies uit op de wijze en binnen de termijn bepaald door de Vlaamse Regering.


Art. 4.2.6.

§ 1.

De initiatiefnemer bezorgt de administratie door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs een afschrift van de volgende documenten :

  1. een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen plan of voorgenomen programma, in voorkomend geval met inbegrip van een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft;
  2. in voorkomend geval de gegevens, met de nodige vertaling, die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling;
  3. het verzoek van de initiatiefnemer tot raadpleging van de instanties, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid;
  4. de uitgebrachte adviezen, vermeld in artikel 4.2.5, tweede lid;
  5. de overeenkomstig artikel 4.2.3, § 2, 2°, en artikel 4.2.3, § 3, door de initiatiefnemer gedane analyse, met inbegrip van de redenen waarom geen plan-MER overeenkomstig dit hoofdstuk moet worden opgemaakt. Dit laatste kan ondermeer het geval zijn als :
    1. [...]
    2. in het kader van andere rapportages of beoordelingen reeds een systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten gevolgen voor mens en milieu werden opgemaakt, die voldoen aan de essentiële kenmerken van een plan-MER zoals vermeld in artikel 4.1.4, § 2.

 

§ 2.

De administratie neemt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de documenten, vermeld in § 1, een beslissing inzake de opmaak van een plan-MER.

 

§ 3.

Als het voorgenomen plan of voorgenomen programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, en/of in verdragspartijen bij het Verdrag, en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, dan wordt de termijn vermeld in § 2 met zestig dagen verlengd.

De administratie bezorgt een afschrift van de documenten, vermeld in § 1, aan de lidstaten, verdragspartijen, gewesten of autoriteiten, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder en de wijze waarop dit gebeurt.

 

§ 4.

De administratie bezorgt haar beslissing onverwijld aan :

  1. de initiatiefnemer, door betekening [...];
  2. de geraadpleegde instanties, vermeld in artikel 4.2.5, eerste lid;
  3. in voorkomend geval de geraadpleegde lidstaten, verdragspartijen, gewesten en/of autoriteiten, vermeld in § 3, door betekening [...].

Art. 4.2.7.

De documenten en beslissing, vermeld in artikel 4.2.6 worden door de administratie overeenkomstig artikel II.2, II.3 en II.4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 ter beschikking gesteld van het publiek.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen.


Afdeling 3.
Kennisgeving en inhoudsafbakening van het plan-MER


Art. 4.2.8.

§ 1.

De initiatiefnemer stelt de administratie door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs in kennis van de reikwijdte, het detailleringsniveau en de aanpak van het plan-MER.

De kennisgeving bevat ten minste :

een beschrijving en verduidelijking van de intenties inzake het voorgenomen plan of programma en een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft;
in voorkomend geval een afschrift van het ontwerpplan of -programma en een verwijzing naar de besluitvormingsprocedure die ervoor van toepassing is; 
in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling;
in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;   
een voorstel van reikwijdte en detailleringsniveau van het plan-MER;
a) een schets van de inhoud, een omschrijving van de voornaamste doelstellingen van het plan of van het programma en het verband met andere relevante plannen en programma's; 
b) de relevante aspecten van de bestaande situatie van het milieu en de mogelijke ontwikkeling ervan als het plan of het programma niet wordt uitgevoerd; 
c) de milieukenmerken van de gebieden, waar voor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn; 
d) alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, met inbegrip van met name milieuproblemen in gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn, zoals gebieden die overeenkomstig Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG zijn aangewezen; 
e) de relevante doelstellingen inzake milieubescherming en de wijze waarop rekening wordt gehouden met die doelstellingen en de milieuoverwegingen bij de voorbereiding van het plan of programma;
f) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en van de onderzochte redelijke alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het plan of programma; de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig hoofdstuk II van titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
g) de maatregelen om aanzienlijke negatieve milieueffecten op het milieu als gevolg van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen; 
h) een schets met opgave van de redenen voor de selectie van de onderzochte alternatieven en een omschrijving van de wijze waarop de evaluatie is doorgevoerd, met inbegrip van de moeilijkheden ondervonden bij het inzamelen van de vereiste gegevens, zoals technische tekortkomingen of gebrek aan kennis; 
i) een omschrijving van de monitoringsmaatregelen; 
j) een niet-technische samenvatting van gegevens, vermeld in punt a) tot en met punt i) ; 
k) de nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en programma's die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt, kan worden gebruikt om de gegevens, vermeld in punt a) tot en met i), te verstrekken; 
een document waarin de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie, van het plan-MER wordt voorgesteld, waarbij wordt gesteund op de gegevens vermeld in punt 5° en het MER-richtlijnenboek; 
7°  een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of -programma of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen en, bondig weergegeven, zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven; 
de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van MER-deskundigen, vermeld in artikel 4.2.9, en de taakverdeling tussen de deskundigen;

in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of aangeduide delen ervan.

 

 

De Vlaamse Regering kan bijkomende voorwaarden en modaliteiten bepalen waaraan de kennisgeving moet voldoen. 

 

 

§ 1bis.

Het plan-MER moet ten minste de volgende gegevens bevatten :

een schets van de inhoud, een omschrijving van de voornaamste doelstellingen van het plan of van het programma en het verband met andere relevante plannen en programma’s;
de relevante aspecten van de bestaande situatie van het milieu en de mogelijke ontwikkeling ervan als het plan of het programma niet wordt uitgevoerd;
de milieukenmerken van de gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn;
alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, met inbegrip van met name milieuproblemen in gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn, zoals gebieden die overeenkomstig richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG zijn aangewezen;
de relevante doelstellingen voor de milieubescherming en de wijze waarop rekening wordt gehouden met die doelstellingen en de milieuoverwegingen bij de voorbereiding van het plan of programma;
een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en van de onderzochte redelijke alternatieven op, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de vermelde factoren. De beschrijving van de milieueffecten omvat de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het plan of programma. De aanzienlijke milieueffecten worden onder meer beoordeeld in het licht van de milieukwaliteitsnormen die zijn vastgesteld conform hoofdstuk II van titel II van dit decreet;
de maatregelen om aanzienlijke negatieve milieueffecten als gevolg van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zo veel mogelijk teniet te doen;
een schets met opgave van de redenen voor de selectie van de onderzochte alternatieven en een omschrijving van de wijze waarop de evaluatie is doorgevoerd, met inbegrip van de moeilijkheden die ondervonden zijn bij het inzamelen van de vereiste gegevens, zoals technische tekortkomingen of gebrek aan kennis;
een omschrijving van de monitoringsmaatregelen;
10° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met punt 9°;
11° de nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en programma’s die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt en kan worden gebruikt om de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 9°, te verstrekken.

 

§ 2.

De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de kennisgeving en betekent, uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na datum van ontvangst van de kennisgeving, deze beslissing aan de initiatiefnemer.

 

Indien de kennisgeving onvolledig is, kan de initiatiefnemer de kennisgeving aanvullen overeenkomstig de beslissing die de punten van onvolledigheid van de kennisgeving opsomt en deze terug aan de administratie overmaken op de wijze vermeld in artikel 4.2.8, § 1.

 

§ 3.

De administratie legt de volledig verklaarde kennisgeving onverwijld en op de volgende wijzen ter beschikking van het publiek :

overeenkomstig artikel II.2, II.3 en II.4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018;
bij de initiatiefnemer; 
via de internetsite van de administratie. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels inzake de terinzagelegging vaststellen.

 

§ 4.

In voorkomend geval bezorgt de administratie, met het oog op advies, een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving aan :

de provincie en/of gemeente, waarvoor het plan of programma relevant is; 
de instanties waarvan de administratie het advies nuttig acht. 

 

De Vlaamse Regering duidt de instanties aan die vanwege de administratie, met het oog op advies, een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving ontvangen.

 

§ 5.

Bij de bekendmaking of bij het overmaken van het afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving wordt duidelijk aangegeven dat het publiek en de instanties eventuele opmerkingen over het plan-MER binnen een termijn van dertig dagen respectievelijk vanaf de datum van de bekendmaking of vanaf de datum van ontvangst van het afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving, aan de administratie kunnen bezorgen, behoudens verlenging van deze termijn, zoals vermeld in het tweede lid.

 

Als het plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, en/of in verdragspartijen bij het Verdrag, en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, maakt de administratie door betekening [...] het afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving over aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten. Bij het overmaken van het afschrift wordt duidelijk aangegeven dat zij eventuele opmerkingen over het plan-MER binnen een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van het afschrift aan de administratie kunnen bezorgen.

 

§ 6.

Na beëindiging van de termijnen, vermeld in § 5, beschikt de administratie over twintig dagen om een beslissing te nemen over :

de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het plan-MER, met inbegrip van de methodologie, rekening houdend met de huidige stand van kennis en evaluatiemethoden, de inhoud en de precisiegraad van het plan of programma, de vordering van het besluitvormingsproces en het feit dat sommige aspecten misschien beter in andere fasen van dat proces worden geëvalueerd om herhaling van de evaluatie te voorkomen; 
de bijzondere [...] richtlijnen voor het opstellen van het plan-MER, die de administratie naast de algemene richtlijnen vervat in de richtlijnenboeken, zoals bedoeld in artikel 4.6.2, kan opleggen; 
de goedkeuring van de voorgestelde opstellers van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.9. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels aangaande de beslissing bepalen.

 

§ 7.

De administratie deelt onverwijld haar beslissing mee aan de initiatiefnemer en de geraadpleegde administraties, instanties, autoriteiten van lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten.

 

De beslissing wordt overeenkomstig artikel II.2, II.3 en II.4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 ter beschikking gesteld van het publiek.


Afdeling 4.
Het opstellen van het plan-MER


Art. 4.2.9.

§ 1.

Het plan-MER wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking. Hij verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.

 

§ 2.

De erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of de alternatieven, noch betrokken worden bij de latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door de initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.

 

De erkende MER-coördinator waakt erover dat de samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het MER-richtlijnenboek en met inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen, vermeld in artikel 4.2.8, § 6.

 

§ 3.

Tijdens het opstellen van het plan-MER is de erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen, vermeld in artikel 4.2.8, § 6, in acht nemen.

 

De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden met betrekking tot de uitoefening van de taak van de erkende MER-coördinator bepalen.


Afdeling 5.
Het onderzoek en het gebruik van het plan-MER


Art. 4.2.10.

De initiatiefnemer informeert de administratie op geregelde tijdstippen over de voortgang van het ontwerp van plan-MER en van het planningsproces. De administratie toetst het ontwerp van plan-MER en de daarin opgenomen informatie tijdens het planningsproces inhoudelijk aan de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6. De initiatiefnemer zorgt ervoor dat de noodzakelijke informatie daarvoor tijdig en op elk moment beschikbaar is voor de administratie.


Art. 4.2.11.

§ 1.

De initiatiefnemer bezorgt, als dat nodig is, het ontwerp van plan of programma samen met het ontwerp van plan-MER en de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6, aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente waarvoor het ontwerp van plan of programma relevant is. Die gemeenten organiseren een openbaar onderzoek dat minstens zestig dagen duurt. Als al op basis van andere toepasselijke wetgeving een openbaar onderzoek moet worden georganiseerd, gelden de procedureregels van die wetgeving voor het openbaar onderzoek.


Het openbaar onderzoek vindt in elk geval plaats vóór het plan of programma wordt vastgesteld of aan de wetgevingsprocedure wordt onderworpen.


Opmerkingen worden schriftelijk bij het college van burgemeester en schepenen ingediend vóór het einde van de termijn van het openbaar onderzoek. Ze worden gevoegd bij het proces-verbaal tot sluiting van het openbaar onderzoek, dat binnen veertien dagen na de sluiting ervan door het college van burgemeester en schepenen wordt opgesteld. Het college van burgemeester en schepenen stuurt de opmerkingen en het proces-verbaal tot sluiting van het openbaar onderzoek binnen dertig dagen na de sluiting naar de initiatiefnemer.


De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het openbaar onderzoek.

 

§ 2.

Op het ogenblik dat de initiatiefnemer de documenten, vermeld in paragraaf 1, in openbaar onderzoek laat brengen, bezorgt hij die documenten ook voor advies aan de reeds geraadpleegde instanties.


Als het voorgenomen plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, of in verdragspartijen bij het Verdrag, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de initiatiefnemer de documenten, vermeld in paragraaf 1, voor advies aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten.


De adviezen moeten binnen vijfenveertig dagen na de adviesaanvraag worden bezorgd aan de initiatiefnemer. Als er sprake is van grens- of gewestoverschrijdende milieueffecten als vermeld in het tweede lid, wordt de termijn met zestig dagen verlengd.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten hun mening over het ontwerp van plan-MER en het ontwerp van plan of programma kunnen meedelen, alsook over de wijze waarop overleg daarover wordt gepleegd.

 

§ 3.

De initiatiefnemer bezorgt de opmerkingen en adviezen, vermeld in paragraaf 1 en 2, en het voltooide plan-MER door betekening of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de administratie.

 

§ 4.

De administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan de beslissing, vermeld in artikel 4.2.8, § 6, rekening houdend met de opmerkingen en de adviezen, vermeld in paragraaf 1 en 2.


De administratie beslist uiterlijk voor de definitieve vaststelling van het plan of programma over de goedkeuring of afkeuring van het plan-MER. Ze betekent die beslissing onverwijld aan de initiatiefnemer en de geraadpleegde administraties, instanties, autoriteiten van lidstaten, verdragspartijen of gewesten. In geval van afkeuring geeft ze aan waar het plan-MER tekortschiet.

 

§ 5.

De beslissing, vermeld in paragraaf 4, vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen vanaf de ontvangst van de beslissing.


Bij heroverweging beslist de administratie na advies van de adviescommissie als vermeld in artikel 4.6.4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de procedure tot heroverweging.

 

§ 6.

Bij de voorbereiding, en vóór de vaststelling of onderwerping van het plan of programma aan de wetgevingsprocedure, wordt rekening gehouden met :

het conform paragraaf 4 goedgekeurde plan-MER;
de opmerkingen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 1 en 2.

 

§ 7.

Als een plan of programma wordt vastgesteld, brengt de initiatiefnemer de instanties, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, het publiek en de autoriteiten van alle lidstaten, van de Europese Unie, verdragspartijen of gewesten, geraadpleegd uit hoofde van paragraaf 2, tweede lid, op de hoogte van de volgende documenten :

het plan of programma zoals het is vastgesteld;
een verklaring die samenvat :
  a) hoe de milieuoverwegingen in het plan of programma zijn geïntegreerd;
  b) hoe rekening is gehouden met het conform paragraaf 4 goedgekeurde plan-MER en de conform paragraaf 1 en 2 gegeven opmerkingen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestoverschrijdende raadpleging;
  c) de redenen waarom is gekozen voor het plan of programma zoals het is aangenomen, in het licht van de andere redelijke alternatieven die zijn behandeld;
de monitoringsmaatregelen waartoe wordt besloten met toepassing van artikel 4.6.3bis.


De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die informatie en de wijze van kennisgeving.