Titel XV.
Milieuschade


HOOFDSTUK I.
Inleidende bepalingen


Afdeling I.
Definities


Art. 15.1.1.

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :

milieuschade : schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, schade aan water en bodemschade;
schade : een meetbare negatieve verandering in de natuurlijke rijkdommen of een meetbare aantasting van een ecosysteemfunctie, die direct of indirect optreedt;
natuurlijke rijkdommen : beschermde soorten en natuurlijke habitats, water en bodem;
functies en ecosysteemfuncties : de functies die de natuurlijke rijkdommen vervullen ten behoeve van andere natuurlijke rijkdommen of het publiek;
decreet Natuurbehoud : decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats : elke vorm van schade die aanmerkelijke negatieve effecten heeft op het bereiken of het handhaven van de gunstige staat van instandhouding van deze soorten of habitats. Deze effecten worden bepaald aan de hand van de criteria als vermeld in bijlage III. Deze schade omvat niet de vooraf vastgestelde negatieve effecten van handelingen van een exploitant waarvoor uitdrukkelijke toestemming werd gegeven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 36ter, §§ 3, 4 en 5, of met de bepalingen die genomen zijn ter uitvoering van artikelen 51 en 56 van het decreet Natuurbehoud wat betreft de vogelsoorten in bijlage IV van het decreet Natuurbehoud en de niet in die bijlage genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, en wat betreft de dieren plantensoorten van bijlage III van het decreet Natuurbehoud;
beschermde soorten en natuurlijke habitats :
  a) de vogelsoorten in bijlage IV van het decreet Natuurbehoud, de niet in bijlage IV genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, de dier- en plantensoorten in bijlage II of III van het decreet Natuurbehoud; 
  b) de habitats van de vogelsoorten in bijlage IV van het decreet Natuurbehoud, de habitats van de niet in bijlage IV genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, de habitats van de dier- en plantensoorten in bijlage II van het decreet Natuurbehoud, de habitats genoemd in bijlage I van het decreet Natuurbehoud en de voortplantings- en rustplaatsen van de soorten in bijlage III van het decreet Natuurbehoud;
  c) de soorten en de habitats, niet vermeld in de bijlagen I, II, III en IV van het decreet Natuurbehoud, die door de Vlaamse Regering, op advies van de bevoegde instantie, zijn aangeduid voor de toepassing van deze titel;
staat van instandhouding van een natuurlijke habitat : de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of in het natuurlijke verspreidingsgebied van die habitat;
staat van instandhouding van een soort : de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of in het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort;
10° gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat : staat die zich voordoet wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  a) het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied zijn stabiel of nemen toe;
  b) de nodige specifieke structuur en functies voor behoud op lange termijn bestaan en zullen in de afzienbare toekomst vermoedelijk blijven bestaan;
  c) de staat van instandhouding van de voor de habitat typische soorten is gunstig als vermeld in 11°;
11° gunstige staat van instandhouding van een soort : staat die zich voordoet wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan
  a) uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog altijd een levensvatbare component is van de habitat waarin de soort voorkomt en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven;
  b) het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort wordt niet kleiner of lijkt binnen afzienbare tijd niet kleiner te zullen worden;
  c) er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
12° decreet Integraal Waterbeleid : decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;
13° schade aan water : elke vorm van schade die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de ecologische toestand, het ecologisch potentieel of de chemische toestand van het oppervlaktewater of de chemische of kwantitatieve toestand van het grondwater als vermeld in het decreet Integraal Waterbeleid, met uitzondering van de negatieve effecten waarop artikel 1.7.2.5.4 van het decreet Integraal Waterbeleid van toepassing is;
14° water : alle oppervlaktewater en grondwater waarop het decreet Integraal Waterbeleid van toepassing is;
15° Bodemdecreet : decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
16° bodemschade : nieuwe bodemverontreiniging die de bodemsaneringnormen overschrijdt, conform de bepalingen van het Bodemdecreet;
17° exploitant : natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroepsactiviteit verricht of regelt, of aan wie doorslaggevende economische zeggenschap over het technisch functioneren van een dergelijke activiteit is overgedragen, met inbegrip van de houder van een vergunning of toelating voor het verrichten van een dergelijke activiteit of de persoon die een dergelijke activiteit laat registreren of er kennisgeving van doet;
18° beroepsactiviteit : een in het kader van een economische activiteit, een bedrijf of een onderneming verrichte activiteit, ongeacht het private, openbare, winstgevende of niet-winstgevende karakter daarvan;
19° maatregelen : preventieve maatregelen, inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen;
20° onmiddellijke dreiging van schade : een voldoende waarschijnlijkheid dat zich in de nabije toekomst milieuschade zal voordoen;
21° preventieve maatregelen : maatregelen naar aanleiding van een gebeurtenis, handeling of nalatigheid waardoor een onmiddellijke dreiging van milieuschade is ontstaan, teneinde die schade te voorkomen of tot een minimum te beperken;
22° inperkingsmaatregelen : maatregelen die erop gericht zijn de betrokken verontreinigende stoffen of enige andere schadefactoren onmiddellijk onder controle te houden, in te perken, te verwijderen of anderszins te beheersen, teneinde verdere milieuschade en negatieve effecten op de menselijke gezondheid of verdere aantasting van functies te beperken of te voorkomen;
23° herstelmaatregelen : maatregelen, met inbegrip van tussentijdse maatregelen, die gericht zijn op herstel, rehabilitatie of vervanging van de aangetaste natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties, of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor rijkdommen of functies, als vermeld in de artikelen 15.3.3 tot en met 15.3.11;
24° referentietoestand : de toestand waarin de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties zich ten tijde van de schade zouden hebben bevonden indien zich geen milieuschade had voorgedaan, gereconstrueerd aan de hand van de best beschikbare informatie;
25° regeneratie : in geval van water, beschermde soorten en natuurlijke habitats de terugkeer van de aangetaste natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties tot de referentietoestand; in geval van bodemschade het verdwijnen van een aanmerkelijk gevaar van een nadelig effect op de menselijke gezondheid, conform de bepalingen van het Bodemdecreet ter zake. Regeneratie omvat eveneens natuurlijke regeneratie;
26° primaire herstelmaatregelen : maatregelen waardoor aangetaste natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties tot de referentietoestand worden teruggebracht of hersteld;
27° complementaire herstelmaatregelen : maatregelen met betrekking tot natuurlijke rijkdommen of ecosystemen ter compensatie van het feit dat primaire herstelmaatregelen niet tot volledig herstel van de aangetaste natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties leiden. Zij hebben tot doel eenzelfde niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te scheppen, zo nodig ook op een andere locatie, als het geval zou zijn wanneer de aangetaste locatie in haar referentietoestand hersteld zou zijn. Waar mogelijk en passend moet de andere locatie geografisch verbonden zijn met de aangetaste locatie, rekening houdend met de belangen van de getroffen populatie. Deze maatregelen zijn zodanig opgezet dat de extra natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties beantwoorden aan de tijdspreferenties en het tijdschema van de herstelmaatregelen;
28° compenserende herstelmaatregelen
28° compenserende herstelmaatregelen : maatregelen ter compensatie van tussentijdse verliezen van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties die zich voordoen tussen het tijdstip waarop de schade ontstaat en het tijdstip waarop primaire herstelmaatregelen hun volledige uitwerking hebben bereikt. Deze compensatie houdt in dat op de aangetaste locatie of op een alternatieve locatie aan beschermde natuurlijke habitats en soorten of water aanvullende verbeteringen worden aangebracht. Deze maatregelen bestaan niet uit financiėle compensatie voor het publiek. Deze maatregelen zijn zodanig opgezet dat de extra natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties beantwoorden aan de tijdspreferenties en het tijdschema van de herstelmaatregelen;
29° tussentijdse verliezen : verliezen die het gevolg zijn van het feit dat de aangetaste natuurlijke rijkdommen of functies van natuurlijke rijkdommen hun ecologische functies niet kunnen vervullen of geen functies kunnen vervullen voor andere natuurlijke rijkdommen of het publiek totdat de primaire of complementaire maatregelen hun uitwerking hebben bereikt. Deze maatregelen bestaan niet uit financiėle compensatie voor het publiek;
30° kosten : de kosten die verantwoord zijn in het licht van de noodzaak een juiste en doeltreffende toepassing van deze titel te garanderen. Deze kosten omvatten ook de ramingskosten van milieuschade of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat en de kosten van alternatieve maatregelen, alsook de administratieve, juridische en handhavingkosten, de kosten van het vergaren van gegevens en andere algemene kosten, en de kosten in verband met monitoring en toezicht.

 

 

 

 

 


Afdeling II.
Toepassingsgebied


Art. 15.1.2.

Deze titel is van toepassing op milieuschade die wordt veroorzaakt door enige beroepsactiviteit, zoals vermeld in bijlage IV, of op een onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat als gevolg van een van die beroepsactiviteiten.

 

Deze titel is eveneens van toepassing op schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats die wordt veroorzaakt door enige andere dan de in bijlage IV vermelde beroepsactiviteiten, alsook op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat als gevolg van een van die andere beroepsactiviteiten, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat de exploitant in gebreke of nalatig is geweest.


Afdeling III.
Verhouding tot ander recht


Art. 15.1.3. Deze titel is van toepassing onverminderd strengere bepalingen met betrekking tot de beroepsactiviteit die onder het toepassingsgebied van deze titel valt.

Art. 15.1.4. Deze titel is van toepassing onverminderd het toepasselijke aansprakelijkheidsrecht, het recht inzake de toegang tot de rechter en de wetgeving inzake jurisdictieconflicten.

Art. 15.1.5. Deze titel is niet van toepassing op gevallen van lichamelijk letsel, schade aan particuliere eigendom of economisch verlies en geeft aldus personen geen recht op schadevergoeding vanwege milieuschade of een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade.

Afdeling IV.
Uitzonderingen


Art. 15.1.6.

§ 1.

Deze titel is niet van toepassing op milieuschade, of op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, als gevolg van :

een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog of oproer; 
een natuurverschijnsel dat uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar is.

 

§ 2.

Deze titel is niet van toepassing op activiteiten die hoofdzakelijk de landsverdediging of de internationale veiligheid dienen.

 

§ 3.

Deze titel is niet van toepassing op activiteiten die uitsluitend de bescherming tegen natuurrampen tot doel hebben.

 

§ 4.

Deze titel is niet van toepassing op :

schade, die veroorzaakt is door een emissie, een gebeurtenis of een incident die/dat heeft plaatsgevonden vóór 30 april 2007; 
schade, die veroorzaakt is door een emissie, een gebeurtenis of een incident die/dat heeft plaatsgevonden op of na 30 april 2007, indien de schade het gevolg is van een specifieke activiteit die heeft plaatsgevonden en beėindigd is voor die datum; 
schade, indien het meer dan dertig jaar geleden is dat de emissie, de gebeurtenis of het incident die/dat tot schade heeft geleid, heeft plaatsgevonden. 

 

§ 5.

Deze titel is niet van toepassing op nucleaire risico’s en op milieuschade, of op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, als gevolg van activiteiten waarop het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing is, of als gevolg van een incident of activiteit waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen de werkingssfeer valt van een van de volgende internationale overeenkomsten, met inbegrip van toekomstige wijzigingen daarvan :

het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie alsook het Verdrag van Brussel van 31 januari 1963 tot aanvulling van het Verdrag van Parijs; 
het Verdrag van Wenen van 21 mei 1963 inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade; 
het Verdrag van 12 september 1997 inzake aanvullende vergoeding voor kernschade; 
het gezamenlijk protocol van 21 september 1988 betreffende de toepassing van het verdrag van Wenen en het Verdrag van Parijs; 
de overeenkomst van Brussel van 17 december 1971 inzake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van het zeevervoer van nucleaire stoffen.

 

§ 6.

Deze titel is niet van toepassing op milieuschade, of op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, als gevolg van een incident waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen de werkingssfeer valt van een van de volgende internationale overeenkomsten, met inbegrip van de toekomstige wijzigingen daarvan :

het internationaal verdrag van 27 november 1992 inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie; 
het internationaal verdrag van 27 november 1992 tot oprichting van een internationaal fonds voor de vergoeding van schade door verontreiniging door olie.

 

§ 7.

Deze titel is alleen van toepassing op milieuschade, of op de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, die het gevolg is van diffuse verontreiniging, wanneer een oorzakelijk verband kan worden gelegd tussen de schade en de activiteiten van individuele exploitanten.


HOOFDSTUK II.
Preventieve acties


Art. 15.2.1. Wanneer zich nog geen milieuschade heeft voorgedaan maar een onmiddellijke dreiging bestaat dat dergelijke schade zal ontstaan, neemt de exploitant onverwijld de nodige preventieve maatregelen.

Art. 15.2.2. Exploitanten zijn verplicht de bevoegde instantie zo spoedig mogelijk over alle relevante aspecten van de situatie te informeren, wanneer een onmiddellijke dreiging van milieuschade ondanks de door de betrokken exploitant genomen preventieve maatregelen niet verdwijnt.

Art. 15.2.3.

Op elk moment kan de exploitant door de bevoegde instantie :

verplicht worden informatie te verstrekken over een onmiddellijke dreiging van milieuschade of in gevallen waarin zo’n onmiddellijke dreiging vermoed wordt;
verplicht worden de nodige preventieve maatregelen te nemen; 
instructies krijgen die bij het nemen van de nodige preventieve maatregelen moeten worden opgevolgd.

Art. 15.2.4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen ter uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk, in het bijzonder aangaande de inhoud en de procedure van de informatieplicht van de exploitant.

HOOFDSTUK III.
Herstelacties


Afdeling I.
Basisverplichtingen


Art. 15.3.1.

Wanneer milieuschade zich heeft voorgedaan :

stelt de exploitant onverwijld de bevoegde instantie in kennis van alle relevante aspecten van de situatie; 
treft de exploitant elke inperkingsmaatregel;
treft de exploitant in overeenstemming met artikelen 15.3.3 tot en met 15.3.11, de nodige herstelmaatregelen.

 


Art. 15.3.2.

Op elk moment kan de exploitant door de bevoegde instantie :

verplicht worden aanvullende informatie te verstrekken over enige schade die zich heeft voorgedaan; 
verplicht worden de nodige herstelmaatregelen en nodige inperkingsmaatregelen te nemen; 
instructies krijgen die hij bij het nemen van de nodige herstelmaatregelen en nodige inperkingsmaatregelen moet naleven.

 

[...]


Afdeling II.
Keuze en vaststelling van herstelmaatregelen


Art. 15.3.3.

De exploitanten stellen in overeenstemming met artikelen 15.3.4 tot en met 15.3.11 de potentiėle herstelmaatregelen vast en leggen die ter goedkeuring aan de bevoegde instantie voor.


Onderafdeling I.
Herstel van schade aan natuurlijke habitats, beschermde soorten en water


Art. 15.3.4. Bij het vaststellen van primaire herstelmaatregelen worden opties overwogen om de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties op directe en versnelde wijze, of door natuurlijke generatie, weer in hun referentietoestand te brengen.

Art. 15.3.5. Bij het bepalen van de omvang van de complementaire en compenserende herstelmaatregelen wordt eerst een aanpak overwogen die berust op de equivalentie van de rijkdommen of functies. In een dergelijke aanpak worden eerst maatregelen overwogen die leiden tot natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties van dezelfde soort, kwaliteit en kwantiteit als die welke zijn aangetast. Indien dit niet mogelijk is, wordt in alternatieve natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties voorzien.

Art. 15.3.6.

Wanneer de aanpak overeenkomstig artikel 15.3.5 op basis van de equivalentie van de natuurlijke rijkdommen of functies niet mogelijk blijkt, worden alternatieve waardebepalingstechnieken gebruikt.

 

Als een waardebepaling van de verloren gegane rijkdommen of functies mogelijk is, maar een waardebepaling van de vervangende natuurlijke rijkdommen of functies niet haalbaar is binnen een redelijke termijn en tegen redelijke kosten, kan de bevoegde instantie kiezen voor herstelmaatregelen waarvan de kosten overeenkomen met de geraamde geldelijke waarde van de verloren gegane natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties.


Art. 15.3.7.

De redelijke herstelopties worden beoordeeld, gebruik makend van de best beschikbare technieken, op basis van de volgende criteria :

het effect van elke optie op de menselijke gezondheid en de veiligheid;
de kosten van de uitvoering van de verschillende opties;
de kans op succes van elke optie; 
de mate waarin elke optie toekomstige schade zal voorkomen en waarin bij de uitvoering van de optie onbedoelde schade kan worden vermeden; 
de mate waarin elke optie ten goede komt aan de verschillende onderdelen van de relevante natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties in kwestie;
de mate waarin elke optie rekening houdt met relevante sociale, economische en culturele aandachtspunten en andere relevante plaatsgebonden factoren; 
de tijd die het zal vergen om de milieuschade effectief te herstellen;
de mate waarin elke optie het herstel van de locatie van de milieuschade verwezenlijkt; 
de geografische relatie met de schadelocatie.

 


Art. 15.3.8. Bij de evaluatie van de verschillende herstelopties kan voor primaire herstelmaatregelen worden gekozen die het aangetaste water en beschermde soorten en natuurlijke habitats niet volledig terugbrengen tot hun referentietoestand of die referentietoestand minder snel herstellen. Een dergelijke beslissing mag uitsluitend worden genomen, wanneer de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties die het voorwerp zijn van deze beslissing, worden gecompenseerd door de complementaire en compenserende maatregelen te versterken en zo een soortgelijk niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te scheppen als oorspronkelijk bestond.

Art. 15.3.9.

Niettegenstaande de voorschriften van artikel 15.3.8 kan de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 15.8.10 besluiten dat er geen verdere herstelmaatregelen genomen worden indien :

de reeds genomen herstelmaatregelen waarborgen dat er geen aanmerkelijk gevaar meer is voor negatieve effecten op de menselijke gezondheid, het water of de beschermde soorten en de natuurlijke habitats; 
de kosten van de te nemen herstelmaatregelen om de referentietoestand of een gelijkwaardig niveau te bereiken zouden niet in verhouding staan tot de milieuvoordelen die daarmee zouden worden verkregen.

 


Art. 15.3.10. Herstel van schade aan water, beschermde soorten en natuurlijke habitats houdt ook in dat elk aanmerkelijk risico dat de menselijke gezondheid negatieve effecten ondervindt, wordt weggenomen.

Onderafdeling II.
Herstel van bodemschade


Art. 15.3.11.

Het herstellen van bodemschade geschiedt overeenkomstig de relevante bepalingen van het Bodemdecreet.


Afdeling III.
Nadere uitvoering


Art. 15.3.12. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen ter uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk, in het bijzonder aangaande de inhoud en de procedure van de informatieplicht van de exploitant en wat het gebruik van de waardebepalingstechnieken betreft.

HOOFDSTUK IV.
Kosten van preventie en herstel


Afdeling I.
Verplichting voor de exploitant


Art. 15.4.1.

De exploitant draagt de kosten van de overeenkomstig deze titel genomen maatregelen, onverminderd de eventuele latere toepassing van artikelen 15.5.1 tot en met 15.5.6.

 

De maatregelen die door de bevoegde instantie worden genomen op grond van artikelen 15.8.4 tot en met 15.8.7 laten deze verplichting voor de betrokken exploitant op grond van deze titel, alsook de maatregelen inzake staatssteun, onverlet.


Afdeling II.
Kostenverhaal in geval van meerdere partijen


Art. 15.4.2. Wanneer één en dezelfde schade of onmiddellijke dreiging van schade door meerdere partijen wordt veroorzaakt, zijn de partijen hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten.

HOOFDSTUK V.
Verweermiddelen


Afdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 15.5.1.

§ 1.

Voor de gevallen waarin de exploitant meent te voldoen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 15.5.3, 15.5.4, 15.5.5 of 15.5.6, betekent de exploitant zijn gemotiveerd standpunt tot terugbetaling van de gemaakte kosten bij aangetekende brief aan de bevoegde instantie.

 

Hij doet dat, op straffe van verval, binnen een termijn van negentig dagen na het voltooien van de maatregelen.

 

§ 2.

De bevoegde instantie onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of de exploitant voldoet aan de gestelde voorwaarden.

 

De bevoegde instantie stelt die exploitant in kennis van haar beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerde standpunt.

 

§ 3.

Indien de bevoegde instantie oordeelt dat het verzoek van de exploitant tot terugbetaling gegrond is, neemt de bevoegde instantie binnen de perken van de daartoe voorziene kredieten op het Minafonds de passende maatregelen.

 

§ 4.

Voor de gevallen waarin de exploitant zich beroept op het verweermiddel bedoeld in artikel 15.5.3 dient de exploitant de kosten in eerste instantie te verhalen op de derde. Wanneer niet kan worden vastgesteld wie de derdeveroorzaker is of deze niet solvabel is om de kosten geheel of gedeeltelijk te dragen, kan de exploitant zijn kosten of het niet-invorderbaar deel ervan verhalen overeenkomstig de in § 1, tweede lid, bedoelde maatregelen.


Art. 15.5.2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op bodemschade.

Afdeling II.
Derdeveroorzaker en dwingend overheidsbevel


Art. 15.5.3. Een exploitant is niet verplicht de kosten van de overeenkomstig deze titel genomen maatregelen te dragen, indien hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat veroorzaakt is door een derde, ondanks het feit dat passende veiligheidsmaatregelen waren getroffen en voorzover de betrokken derde geen rechtsvoorganger, vertegenwoordiger, aangestelde of uitvoeringsagent is van de exploitant.

Art. 15.5.4. Een exploitant is niet verplicht de kosten van de overeenkomstig deze titel genomen maatregelen te dragen, indien hij kan bewijzen dat de milieuschade, of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat, het gevolg is van de opvolging van een dwingende opdracht of instructie van een overheidsinstantie, tenzij het een opdracht of instructie betreft naar aanleiding van een emissie of een incident veroorzaakt door de activiteiten van de exploitant zelf.

Afdeling III.
Vergunning


Art. 15.5.5.

De exploitant behoeft niet de kosten te dragen van de herstelmaatregelen die op grond van deze titel worden genomen, indien hij bewijst dat hij :

niet in gebreke of nalatig is geweest; 
de milieuschade is veroorzaakt door een emissie of gebeurtenis die uitdrukkelijk is toegestaan op grond van, en geheel in overeenstemming is met de voorwaarden van, een vergunning die is verleend bij of krachtens de toepasselijke federale en gewestelijke bepalingen en uitvoeringsbesluiten welke uitvoering geven aan de in bijlage IV genoemde wettelijke maatregelen van de Gemeenschap, als toegepast op de datum van de emissie of de gebeurtenis.

 


Afdeling IV.
Stand van de wetenschappelijke en technologische kennis


Art. 15.5.6.

De exploitant behoeft niet de kosten te dragen van de op grond van deze titel genomen herstelmaatregelen, indien hij bewijst dat hij :

niet in gebreke of nalatig is geweest;
de milieuschade is veroorzaakt door emissies of activiteiten of alle manieren waarop een product tijdens een activiteit wordt gebruikt, waarvan de exploitant kan bewijzen dat die op grond van de stand van de wetenschappelijke en technologische kennis op het tijdstip dat zij plaatsvonden, niet als schadelijk werden beschouwd.

 


HOOFDSTUK VI.
Verzoeken om maatregelen


Art. 15.6.1.

De volgende personen die kennis hebben van gevallen van milieuschade kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen en de bevoegde instantie verzoeken om maatregelen te treffen krachtens deze titel :

natuurlijke personen en rechtspersonen die milieuschade lijden of dreigen te lijden; 
natuurlijke personen en rechtspersonen die een belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade; 
rechtspersonen als vermeld in artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.

 


Art. 15.6.2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd.

Art. 15.6.3.

De personen vermeld in artikel 15.6.1 worden zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een termijn van dertig dagen door de bevoegde instantie in kennis gesteld van de beslissing over het al dan niet nemen van maatregelen en de redenen hiertoe.


Art. 15.6.4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de indiening, de behandeling en de kennisgeving van een verzoek om maatregelen.

HOOFDSTUK VII.
Beroep


Art. 15.7.1.

§ 1.

De personen vermeld in artikel 15.6.1 kunnen tegen de beslissing van de bevoegde instantie als vermeld in artikel 15.6.3 beroep instellen bij de Vlaamse Regering.

 

De exploitanten ten aanzien van wie de bevoegde instantie preventieve acties nam overeenkomstig artikel 15.2.3, of herstelacties in de zin van artikel 15.3.2, kunnen eveneens tegen de beslissing houdende deze acties beroep indienen bij de Vlaamse Regering.

 

§ 2.

Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs betekend of tegen ontvangstbewijs afgegeven aan de Vlaamse Regering binnen dertig dagen na de dag van ontvangst van de bestreden beslissing.

 

De Vlaamse Regering doet binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroep uitspraak over de ontvankelijkheid.

 

§ 3.

Binnen een termijn van negentig dagen na de ontvankelijkheidsverklaring van het beroep, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over het beroep na toetsing aan de materieelrechtelijke en procedurele voorschriften van deze titel.

 

§ 4.

Dit beroep is niet-schorsend.

 

§ 5.

Als de uitspraak over het ingediende beroep niet gebeurt binnen een termijn van negentig dagen, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de wijze waarop het beroep bedoeld in dit artikel moet worden ingediend, bekendgemaakt en behandeld.


HOOFDSTUK VIII.
Bevoegde instantie


Afdeling I.
Aanduiding


Art. 15.8.1.

De Vlaamse Regering stelt binnen het beleidsdomein Omgeving het Departement Omgeving aan als bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de onderscheiden taken waarin de artikelen 15.8.2 tot en met 15.8.19 voorzien.

 

Deze bevoegde instantie kan een of meer van deze taken opdragen of delegeren aan overheidsinstanties of derden.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de organisatie en de werking van de bevoegde instantie.


Afdeling II.
Taken


Onderafdeling I.
Algemene taken


Art. 15.8.2.

De bevoegdheid om de aard, de omvang en de ernst van de schade te beoordelen berust bij de bevoegde instantie.

 

Het vaststellen van bodemschade geschiedt overeenkomstig de relevante bepalingen van het Bodemdecreet.


Art. 15.8.3.

De bevoegdheid tot aanwijzing van de exploitant die de schade, of de onmiddellijke dreiging van schade, heeft veroorzaakt, berust bij de bevoegde instantie.

 

Het aanwijzen van de persoon die gehouden is op eigen kosten de bodemschade te voorkomen en te herstellen geschiedt overeenkomstig de relevante bepalingen van het Bodemdecreet.


Art. 15.8.3bis.

Met uitzondering van artikelen 15.8.2, 15.8.3 en 15.8.8 kan de Vlaamse Regering de gevallen bepalen waarin de bevoegde instantie de uitvoering van de noodzakelijke maatregelen aan derden kan delegeren of opdragen.


Art. 15.8.3ter.

De bevoegde instantie stelt de betrokken exploitant onverwijld in kennis van elk besluit waarbij maatregelen worden opgelegd.


Het besluit, vermeld in het eerste lid, vermeldt de precieze gronden waarop het is gebaseerd, de rechtsmiddelen die ter beschikking staan van de betrokken exploitant, en de termijnen die voor die rechtsmiddelen gelden.


De Vlaamse Regering kan nadere regels over de wijze van kennisgeving bepalen.


Onderafdeling II.
Preventieve acties


Art. 15.8.4.

De bevoegde instantie kan op elk moment :

de exploitant verplichten informatie te verstrekken over een onmiddellijke dreiging van milieuschade of in gevallen waarin zo’n onmiddellijke dreiging vermoed wordt;
de exploitant verplichten de nodige preventieve maatregelen te nemen; 
de exploitant instructies geven die bij het nemen van de nodige preventieve maatregelen moeten worden opgevolgd; 
zelf de nodige preventieve maatregelen nemen.

 

Als de maatregelen, vermeld in het eerste lid, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning of, krachtens artikel 4.2.1 en artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of artikel 5.2.1 van dit decreet, geldt het besluit waarbij de preventieve maatregelen worden opgelegd of het besluit om ambtshalve preventieve maatregelen te nemen, als melding of milieuvergunning, als stedenbouwkundige melding of -vergunning respectievelijk als melding of omgevingsvergunning.


Art. 15.8.5.

De bevoegde instantie eist dat de preventieve maatregelen door de exploitant worden genomen. Als de exploitant de verplichtingen van artikel 15.2.1 en artikel 15.2.3, 2° en 3°, niet nakomt of niet kan worden geļdentificeerd, kan de bevoegde instantie zelf de nodige preventieve maatregelen nemen.


Onderafdeling III.
Herstelacties


Art. 15.8.6.

De bevoegde instantie kan op elk moment :

1°  de exploitant verplichten aanvullende informatie te verstrekken over enige schade die zich heeft voorgedaan. De bevoegde instantie is gemachtigd van de exploitant te verlangen dat hij zelf een beoordeling maakt en alle aanvullende informatie en gegevens verstrekt;
de exploitant verplichten de nodige herstelmaatregelen en nodige inperkingsmaatregelen te treffen; 
de exploitant instructies geven die hij bij het nemen van de nodige herstelmaatregelen en nodige inperkingsmaatregelen moet naleven; 
zelf de nodige herstelmaatregelen en elke inperkingsmaatregel nemen.

 

Als de maatregelen, vermeld in het eerste lid, handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, krachtens artikel 4.2.1 en artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of artikel 5.2.1 van dit decreet, geldt het besluit waarbij de inperkingsmaatregelen of herstelmaatregelen worden opgelegd of het besluit om ambtshalve inperkingsmaatregelen of herstelmaatregelen te nemen, als melding of milieuvergunning, als stedenbouwkundige melding of -vergunning respectievelijk als melding of omgevingsvergunning.

De Vlaamse Regering bepaalt welke instanties ter zake voorafgaandelijk advies moeten verlenen, als het herstelmaatregelen betreft.


Art. 15.8.7.

De bevoegde instantie eist dat de inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen door de exploitant worden genomen. Als de exploitant de verplichtingen waarin artikel 15.3.1 en artikel 15.3.2, 2° en 3°, voorzien niet nakomt, of niet kan worden geļdentificeerd, kan de bevoegde instantie zelf deze maatregelen nemen.


Art. 15.8.8.

De bevoegdheid om te bepalen welke herstelmaatregelen in overeenstemming met artikelen 15.3.3 tot en met 15.3.11 moeten worden uitgevoerd, berust bij de bevoegde instantie.


Onderafdeling IV.
Vaststelling van inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen


Art. 15.8.9. De bevoegde instantie werkt indien nodig samen met de exploitant.

Art. 15.8.10.

Wanneer zich meerdere gevallen van milieuschade hebben voorgedaan en de bevoegde instantie er niet voor kan zorgen dat de noodzakelijke inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen gelijktijdig worden genomen, kan de bevoegde instantie bepalen welk geval van schade eerst moet worden hersteld.

 

Bij het nemen van deze beslissing houdt de bevoegde instantie onder meer rekening met de aard, de omvang en de ernst van de milieuschade en met de mogelijkheid van natuurlijke regeneratie. Zij houdt ook rekening met het gevaar voor de menselijke gezondheid.


Art. 15.8.11.

De bevoegde instantie nodigt de personen, vermeld in artikel 15.6.1, en in ieder geval de personen op wier terrein de herstelmaatregelen en inperkingsmaatregelen worden getroffen en de betrokken exploitant uit om opmerkingen te maken. De bevoegde instantie houdt rekening met die opmerkingen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels over de wijze van kennisgeving bepalen.


Onderafdeling V.
Kostenverhaal


Art. 15.8.12.

Onverminderd de toepassing van de artikelen 15.5.1 tot en met 15.5.6, verhaalt de bevoegde instantie de kosten die zij in samenhang met het nemen van de maatregelen op grond van deze titel heeft gemaakt op de exploitant die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt.

 

Deze kosten worden door de bevoegde instantie geļnd en ingevorderd ten voordele van het Minafonds.


Art. 15.8.13.

Het Vlaamse Gewest kan deze kosten bij dwangbevel invorderen. Het dwangbevel wordt door de bevoegde instantie geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

 

Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen van tenuitvoerlegging.

 

Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.

 

Binnen een termijn van dertig dagen na de dag van ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet aantekenen bij het Vlaamse Gewest door deurwaardersexploot.

 

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.


Art. 15.8.14.

Het Vlaamse Gewest verhaalt de kosten onder andere door middel van een zakelijke zekerheid of andere geschikte waarborgen.

 

Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van het verhaal van de kosten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de exploitant en kan het een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de exploitant.

 

Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van koophandel.

 

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel.

 

De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de bevoegde instantie. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.

 

Artikel 447, tweede lid, van boek III van het Wetboek van koophandel met betrekking tot het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de kosten van de maatregelen.

 

De Vlaamse Regering kan andere vormen van financiėle zekerheid aanvaarden.


Art. 15.8.15.

In afwijking van artikel 15.8.12, kan de Vlaamse Regering beslissen af te zien van verhaal wanneer de verhaalskosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag of wanneer niet kan worden vastgesteld wie de exploitant is.


Art. 15.8.16. De bevoegde instantie is gerechtigd tegen de exploitant de procedure in te leiden voor het verhalen van de kosten met betrekking tot alle op grond van deze titel genomen maatregelen, voordat een termijn van vijf jaar verstreken is, te rekenen vanaf de datum waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of de datum waarop de aansprakelijke exploitant is geļdentificeerd, indien die datum later is.

Art. 15.8.17. De Vlaamse Regering kan nadere regels en procedures bepalen voor het vaststellen van de kosten en met betrekking tot het uitoefenen van het kostenverhaal.

Onderafdeling VI.
Behandeling van verzoeken om maatregelen


Art. 15.8.18.

De bevoegde instantie neemt opmerkingen en verzoeken om maatregelen, die aannemelijk maken dat er milieuschade is, in overweging. Artikel 15.8.11 is hierbij van overeenkomstige toepassing.


Art. 15.8.19.

De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk de personen vermeld in artikel 15.6.1 in kennis van de beslissing over het al dan niet nemen van maatregelen, en de redenen hiertoe.


Art. 15.8.20. [...]

Art. 15.8.21.

Als de maatregelen handelingen, inrichtingen of activiteiten omvatten die meldings- of vergunningsplichtig zijn krachtens titel V of krachtens artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, geldt het besluit, vermeld in artikel 15.8.20, als de meldingsakte of omgevingsvergunning.


Art. 15.8.22. [...]

HOOFDSTUK IX.
Financiėle zekerheden


Art. 15.9.1. De Vlaamse Regering treft maatregelen om de geėigende economische en financiėle actoren aan te moedigen financiėle zekerheidsinstrumenten en -markten te ontwikkelen, met inbegrip van financiėle mechanismen voor gevallen van insolventie, opdat de exploitanten gebruik kunnen maken van financiėle garanties om hun verantwoordelijkheden krachtens deze titel na te komen.

HOOFDSTUK X.
Samenwerking met de gewesten, de federale overheid en andere lidstaten


Art. 15.10.1.

Wanneer milieuschade gevolgen heeft of dreigt te hebben voor één of meer gewesten, de federale overheid of andere lidstaten van de Europese Unie, werkt de bevoegde instantie samen met de bevoegde instanties van de andere gewesten, de federale overheid en andere lidstaten, onder andere door een behoorlijke uitwisseling van informatie, teneinde ervoor te zorgen dat de nodige maatregelen met betrekking tot die milieuschade of onmiddellijke dreiging van milieuschade worden genomen.

 

Wanneer zich milieuschade overeenkomstig het eerste lid voordoet, verstrekt de bevoegde instantie voldoende informatie aan de bevoegde instanties van de andere gewesten, de federale overheid of andere lidstaten van de Europese Unie.

 

Wanneer de bevoegde instantie milieuschade vaststelt die niet binnen haar grenzen is veroorzaakt, kan zij dit melden aan de bevoegde instanties van alle betrokken gewesten, de federale overheid of lidstaten van de Europese Unie, in voorkomend geval aan de Europese Commissie; kunnen aanbevelingen gedaan worden inzake de nodige maatregelen en kan om terugbetaling verzocht worden van de kosten van de genomen maatregelen.

 

Deze samenwerking doet geen afbreuk aan bestaande en toekomstige samenwerkingsvormen.


HOOFDSTUK XI.
Rapport en evaluatie


Art. 15.11.1.

De bevoegde instantie brengt tweejaarlijks, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze titel, rapport uit aan de Vlaamse Regering over de toepassing van deze titel.

 

Dit rapport omvat minstens de volgende informatie :

de genomen maatregelen ter bevordering van het gebruik van instrumenten van financiėle zekerheid en de resultaten ervan; 
de gevallen van milieuschade, het type van milieuschade, de data waarop de milieuschade is ontstaan of aan het licht is gekomen; 
de resultaten van de herstelprocessen; 
de uitkomsten van de beroepsprocedures; 
de raming van de extra administratieve kosten die jaarlijks door de overheid moeten worden gedragen; 
de evaluatie van de verweermiddelen vermeld in artikelen 15.5.1 tot en met 15.5.6, in het bijzonder wat betreft de toepassing van de stand van de wetenschappelijke en technologische kennis; 
de niet-toepassing van de procedure voor de verzoeken om maatregelen op gevallen van onmiddellijke dreiging van milieuschade. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels ter zake bepalen.