Bijlagen.


Bijlage I.

De criteria overeenkomstig artikel 4.2.3, § 2, 2°, en artikel 4.2.3, § 3 zijn:

1. De kenmerken van plannen en programma's, in het bijzonder gelet op :

  1. de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden, alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen;
  2. de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiėrarchisch geheel, beļnvloedt;
  3. de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling;
  4. milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma;
  5. de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap (bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming).

2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beļnvloed, in het bijzonder gelet op :

  1. de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten;
  2. de cumulatieve aard van de effecten;
  3. de grensoverschrijdende aard van de effecten;
  4. de risico's voor de menselijke veiligheid of gezondheid of voor het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen);
  5. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
  6. de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beļnvloed gelet op :
    - bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed;
    - de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden;
    - intensief grondgebruik;
  7. de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de Europese Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.

 


Bijlage II. Criteria als vermeld in artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, § 3, § 3bis en § 4

De criteria overeenkomstig artikel 4.3.2, § 1, § 2, § 2bis, § 3, § 3bis en § 4, zijn:

de kenmerken van de projecten. Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
  a) de omvang en het ontwerp van het hele project;
  b) de cumulatie met andere bestaande of goedgekeurde projecten;
  c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;
  d) de productie van afvalstoffen;
  e) verontreiniging en hinder;
  f) de risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaat-verandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;
  g) de risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling);
de locatie van de projecten. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen:
  a) het bestaande en goedgekeurde landgebruik;
  b) de relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;
  c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende types van gebieden:
    1) wetlands, oeverformaties, riviermondingen;
    2) kustgebieden en het mariene milieu;
    3) berg en bosgebieden;
    4) natuurreservaten en parken;
    5) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd;
    6) Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen krachtens het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
    7) gebieden waarin de milieukwaliteitsnormen die in de wetgeving van de Unie zijn vastgesteld en die relevant zijn voor het project, niet worden nagekomen of worden beschouwd als nietnagekomen;
    8) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;
    9) landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang;
de soort en de kenmerken van het potentiėle effect. De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de criteria, vermeld in punt 1° en 2°, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor
het effect van het project op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, met inachtneming van:
  a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
  b) de aard van het effect;
  c) het grensoverschrijdende karakter van het effect;
  d) de intensiteit en de complexiteit van het effect;
  e) de waarschijnlijkheid van het effect;
  f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;
  g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande of goedgekeurde projecten;
  h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

Bijlage III. Criteria ter bepaling van de negatieve effecten als bedoeld in artikel 15.1.1, 6°

Of een vorm van schade aanmerkelijke negatieve effecten heeft op het bereiken of het handhaven van de gunstige staat van instandhouding van soorten of natuurlijke habitats, wordt bepaald aan de hand van de referentietoestand, rekening houdende met de functies als gevolg van hun belevingswaarde en met hun capaciteit voor natuurlijke regeneratie.

 

Of de referentietoestand aanmerkelijke negatieve wijzigingen heeft ondergaan, wordt bepaald aan de hand van meetbare gegevens zoals :

a) het aantal exemplaren, de populatiedichtheid of de ingenomen oppervlakte; 
b) de rol van afzonderlijke exemplaren of van de beschadigde oppervlakte in verhouding tot de soorten of de instandhouding van de habitat, de zeldzaamheid van de soort of de habitat zoals vastgesteld op plaatselijk, regionaal, nationaal of hoger niveau, met inbegrip van het communautaire niveau; 
c) het voortplantingsvermogen van de soort volgens de voor die soort of populatie specifieke dynamiek, de levensvatbaarheid ervan of het natuurlijke regeneratievermogen van de habitat volgens de dynamiek die specifiek is voor de karakteristieke soort van die habitat of de populaties van die soort; 
d) het vermogen van de soort of habitat om zich, nadat schade is opgetreden, binnen een korte periode en zonder ander ingrijpen dan het instellen van striktere beschermingsmaatregelen te herstellen tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand. 

 

Effecten op de menselijke gezondheid worden beschouwd als aanmerkelijke negatieve effecten.

 

Als aanmerkelijke negatieve effecten worden niet beschouwd :

a) negatieve schommelingen die kleiner zijn dan de normale gemiddelde schommelingen voor een bepaalde soort of habitat; 
b) negatieve schommelingen als gevolg van natuurlijke oorzaken of als gevolg van het ingrijpen in verband met het normale beheer van gebieden, zoals vastgelegd in habitatdossiers of in documenten waarin de doelen zijn uiteengezet, of zoals voordien uitgeoefend door eigenaars of exploitanten; 
c) schade aan soorten of habitats waarvan bekend is dat zij binnen een korte periode en zonder ingrijpen herstellen tot de referentietoestand ofwel tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand. 

Bijlage IV. In artikel 15.1.2 vermelde activiteiten

De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om de bijlage te wijzigen teneinde de conformiteit met het Europees recht ter zake te garanderen.

 

1. De exploitatie van GPBV-installaties onder meer deze zoals bepaald door sub 16° van artikel 1 van titel I van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, hierna het VLAREM genoemd, met uitzondering van installaties of delen daarvan die bestemd zijn voor het onderzoek, de ontwikkeling, en het testen van nieuwe producten en processen.

 

2. Alle afvalbeheeractiviteiten, zoals de inzameling, het vervoer, de nuttige toepassing en de verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op dergelijke activiteiten en de nazorg op de verwijderingslocaties onder meer deze waarop rubriek 2 van bijlage 1 van titel 1 van het VLAREM van toepassing is of die onderworpen zijn aan een andere vergunnings- of registratieplicht.

 

Deze activiteiten omvatten onder meer de exploitatie van stortplaatsen en de exploitatie van verbrandingsinstallaties.

 

Het voor landbouwdoeleinden verspreiden van rioolslib uit zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater valt, mits dat volgens een erkende norm gezuiverd is, niet onder deze activiteiten.

 

3. Lozingen in oppervlaktewater onder meer deze waarop de subrubrieken 3.4 en 3.6.3 van bijlage 1 van titel I van het VLAREM op van toepassing zijn en die aan een voorafgaande vergunning zijn onderworpen.

 

4. Lozingen van stoffen in het grondwater onder meer deze waarop de subrubrieken 52.1.1°, 52.2.2° en 52.2.3° van bijlage 1 van titel I van het VLAREM van toepassing zijn en die aan een voorafgaande vergunning zijn onderworpen.

 

5. Lozingen of injectie van verontreinigende stoffen in oppervlaktewater of het grondwater onder meer deze waarop de subrubrieken 3.4, 3.6.3, 52.1.1°, 52.2.2° en 52.2.3° van bijlage 1 van titel I van het VLAREM van toepassing zijn en aan een vergunnings-, toestemmings- of registratieplicht zijn onderworpen.

 

6. Alle wateronttrekking en -opstuwing onder meer deze waarop de rubrieken en subrubrieken 53.2, 53.2.1°.b) en c), 53.4.2°.b) en c), 53.6, 53.7, 53.8.2° en 3°, 53.9 en 56, van bijlage 1 van titel I van het VLAREM van toepassing zijn en aan een voorafgaande toestemming onderworpen zijn.

 

7. De fabricage, het gebruik, de opslag, de verwerking, de storting, de emissie in het milieu en het vervoer op het terrein van de onderneming van :

  1. gevaarlijke stoffen;
  2. gevaarlijke preparaten;
  3. gewasbeschermingsmiddelen; of
  4. biociden onder meer deze als vermeld in artikel 8 van titel I van VLAREM.

8. Het vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren, over zee of in de lucht van gevaarlijke of verontreinigende goederen onder meer deze als gedefinieerd hetzij in de bijlage bij het koninklijk besluit van 9 maart 2003 inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, met uitsluiting van ontplofbare of gevaarlijke stoffen, hetzij in de bijlage bij het koninklijk besluit van 11 december 1998 inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor, hetzij in in het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum.

 

9. Met betrekking tot de uitstoot in de lucht van verontreinigende stoffen, de exploitatie van installaties onder meer deze waarop rubriek 20 van titel I van het VLAREM van toepassing is en die aan een vergunningsplicht zijn onderworpen, met uitzondering van de subrubrieken waarvoor er een « 3 » staat in de derde kolom.

 

10. Het ingeperkte gebruik, met inbegrip van vervoer, van genetisch gemodificeerde micro-organismen onder meer deze waarop de rubriek 51 van titel I van het VLAREM van toepassing is.

 

11. Elke doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, daaronder begrepen het vervoer van genetisch gemodificeerde organismen als onder meer bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of producten die er bevatten.

 

12. Elke grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Unie waarvoor een toestemming is vereist dan wel een verbod geldt in de zin van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.
 

13. Het beheer van winningsafvalvoorzieningen onder meer deze waarop rubriek 2.3.11 van titel I van het VLAREM van toepassing is.

 

14. De exploitatie van opslaglocaties overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond. 


Bijlage V. Salarisschaal van de bestuursrechters van het handhavingscollege

[...]


Bijlage VI. Lijst van luchtvaartactiviteiten

Alle vluchten die vertrekken van of aankomen op een luchtvaartterrein dat gelegen is op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte vallen onder de “luchtvaartactiviteit”.


Het begrip “vlucht” is een vluchtsector, wat een vlucht of een reeks van vluchten is, die begint op de parkeerplaats van het luchtvaartuig en eindigt op de parkeerplaats van het luchtvaartuig.


Het begrip “luchtvaartterrein” betekent een welomschreven gebied op het land of op het water, met inbegrip van de gebouwen, de installaties en de uitrusting, bedoeld om volledig of gedeeltelijk te gebruiken voor de aankomst, het vertrek en de grondbeweging van luchtvaartuigen.


Als de vliegtuigexploitant een luchtvaartactiviteit uitvoert, als vermeld in deze bijlage, valt de vliegtuigexploitant onder het toepassingsgebied van het Europese emissiehandelssysteem, ongeacht het feit of de vliegtuigexploitant gepubliceerd is op de lijst van vliegtuigexploitanten door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 18bis, derde lid van richtlijn 2003/87/EG.


Buiten deze activiteit vallen:
1° vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd voor het vervoer op een officiėle dienstreis van een regerende vorst en zijn directe familie, staatshoofden, regeringsleiders en ministers van de regering van een ander land dan een lidstaat, als dat wordt bevestigd door een overeenkomstige statusindicator in het vluchtplan.


Deze uitzondering zal worden geļnterpreteerd aan de hand van het uitsluitende doel van de vlucht.


Directe familie” omvat alleen de echtgenoot of echtgenote, elke partner, gelijkgesteld aan de echtgenoot of echtgenote, de kinderen en de ouders.


Ministers van de regering” zijn de leden van de regering, zoals ze zijn opgelijst in het officiėle publicatieblad van het land in kwestie. Leden van regionale of lokale regeringen van een land komen niet in aanmerking voor de uitzondering van dit punt .


Een “officiėle dienstreis” betekent een reis waarbij de betrokken persoon zich gedraagt in een officiėle hoedanigheid.


Positioneringvluchten of veerdienstvluchten van het luchtvaartuig vallen niet onder deze uitzondering.


Vluchten die door de Centrale Routeheffingen Dienst van Eurocontrol (Central Route Charges Office, CRCO) worden geļdentificeerd als uitzonderingen op de routeheffingen, aangeduid met ”S” (hierna “CRCOuitzonderingscode” genoemd) worden verondersteld vluchten te zijn die uitsluitend worden uitgevoerd voor het vervoer op een officiėle dienstreis van een regerende vorst en zijn directe familie, staatshoofden, regeringsleiders en ministers van de regering van een ander land dan een lidstaat, waar dat wordt bevestigd door een overeenkomstige statusindicator in het vluchtplan;


2° militaire vluchten die worden uitgevoerd door militaire luchtvaartuigen en douane- en politievluchten.

 

Militaire vluchten” zijn vluchten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van militaire activiteiten.


Militaire vluchten, uitgevoerd door burgerlijk geregistreerde luchtvaartuigen, vallen niet onder deze uitzondering. Omgekeerd vallen burgerlijke vluchten, uitgevoerd door militaire luchtvaartuigen, niet onder punt 2°.

 

Vluchten met de CRCO-uitzonderingscode “M” of “X” worden geacht vrijgestelde militaire vluchten te zijn.


Douane- en politievluchten, uitgevoerd door zowel burgerlijk geregistreerde als militaire luchtvaartuigen, vormen een uitzondering.


Vluchten met een CRCO-uitzonderingscode “P” worden geacht vrijgestelde douane- en politievluchten te zijn;

 

3° vluchten in verband met opsporing en redding, vluchten in het kader van brandbestrijding, humanitaire vluchten en medische noodvluchten waarvoor de bevoegde autoriteit toestemming heeft verleend.


In relatie tot de onderstaande categorieėn van vluchten, vallen de positioneringvluchten of veerdienstvluchten van luchtvaartuigen en de vluchten die uitsluitend uitrusting en personeel dragen en rechtstreeks betrokken zijn in het verlenen van de gerelateerde diensten, onder deze uitzondering. Die uitzonderingen maken geen onderscheid tussen vluchten, uitgevoerd door middel van publieke of private middelen.


Vluchten in verband met opsporing en redding” zijn vluchten die opsporings- en reddingsdiensten aanbieden.


Opsporings- en reddingsdienst” is de uitvoering van noodbewaking, communicatie, coördinatie en opsporing en reddingfuncties, eerste medische hulp of medische evacuatie door middel van het gebruik van publieke en private middelen, met inbegrip van samenwerkende luchtvaartuigen, vaartuigen en andere toestellen en installaties.


Vluchten met een CRCO-uitzonderingscode “R” en vluchten, geļdentificeerd met STS/SAR in veld 18 van het vluchtplan, worden geacht vrijgestelde opsporings- en reddingsvluchten te zijn.


Vluchten in het kader van brandbestrijding” zijn vluchten, uitgevoerd uitsluitend voor het verlenen van brandbestrijdingsdiensten vanuit de lucht, die het gebruik van luchtvaartuigen en andere middelen vanuit de lucht voor het bestrijden van branden inhoudt.


Vluchten, geļdentificeerd met STS/FFR in veld 18 van het vluchtplan, worden verondersteld vrijgesteld te zijn van vluchten in het kader van brandbestrijding.


Humanitaire vluchten” zijn vluchten, uitgevoerd uitsluitend voor humanitaire doeleinden, die hulppersoneel en hulpmiddelen, zoals voeding, kleding, beschutting, medische en andere middelen tijdens of na een noodgeval of ramp of die gebruikt worden om personen te evacueren van een plaats waar leven of gezondheid wordt bedreigd door een noodgeval of ramp naar een veilig toevluchtsoord in hetzelfde land of een ander land dat bereid is om die personen op te vangen.


Vluchten met een CRCO-uitzonderingscode “H” en vluchten, geļdentificeerd met STS/HUM in veld 18 van het vluchtplan, worden geacht vrijgestelde humanitaire vluchten te zijn.


Medische noodvluchten” zijn vluchten met het uitsluitende doel het vergemakkelijken van medische noodhulp, als onmiddellijk en snel transport essentieel is, door het vervoeren van medisch personeel, medische hulpmiddelen, met inbegrip van uitrusting, bloed, organen, medicatie, of zieke of gewonde personen en andere direct betrokken personen.


Vluchten, geļdentificeerd met STS/MEDEVAC of STS/HOSP in veld 18 van het vluchtplan, worden geacht vrijgestelde medische noodvluchten te zijn.


3° vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd volgens zichtvliegvoorschriften als vermeld in bijlage 2 bij het verdrag van Chicago.


4° vluchten die eindigen op het luchtvaartterrein vanwaar het luchtvaartuig is opgestegen en tijdens welke geen tussenlanding is gemaakt;


5° lesvluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met als doel het behalen van een vliegbrevet of van een bevoegdverklaring in het geval van cockpitpersoneel, als dat wordt bevestigd door een overeenkomstige opmerking in het vluchtplan, met uitzondering van vluchten die dienen voor het vervoer van passagiers of lading en van veerdienstluchten en positioneringvluchten.

 

Vluchten met de CRCO-uitzonderingscode “T” en vluchten, geļdentificeerd met RMK/lesvlucht” in veld 18 van het vluchtplan worden geacht vrijgesteld te zijn overeenkomstig punt 5°.


6° vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met als doel wetenschappelijk onderzoek of het controleren, testen of certificeren van luchtvaartuigen of van grond- of boordapparatuur.


In verband met onderstaande categorieėn van vluchten, vallen positioneringvluchten of veerdienstvluchten van luchtvaartuigen niet onder deze uitzondering.

 

Deze categorie sluit vluchten uit met als enig doel het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Deze uitzondering is alleen van toepassing als het wetenschappelijk onderzoek geheel of gedeeltelijk uitgevoerd wordt tijdens de vlucht. Het vervoer van wetenschappers of onderzoeksmateriaal is op zichzelf niet voldoende om als uitzondering beschouwd te worden.


Vluchten met een CRCO-uitzonderingscode “N” en vluchten, geļdentificeerd met STS/FLTCK in veld 18 van het vluchtplan, worden geacht vrijgesteld te zijn overeenkomstig punt 6°.


7° vluchten die worden uitgevoerd door luchtvaartuigen met een gecertificeerde maximale startmassa van minder dan 5.700 kg;


8° vluchten, uitgevoerd in het kader van de openbare dienstverplichtingen die overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2408/92 worden opgelegd op routes in de ultra perifere gebieden, zoals vermeld in artikel 299, tweede lid, van het verdrag, of op routes waar de aangeboden capaciteit niet meer dan 30.000 zitplaatsen per jaar bedraagt.


Dat zal geļnterpreteerd worden als toepasbaar op de gebieden, opgelijst in artikel 299(2) van het EG-verdrag. Het gaat uitsluitend om vluchten voor openbare dienstverplichtingen binnen één ultraperifeer gebied en vluchten tussen twee ultraperifere gebieden;


9° vluchten die zonder dit punt onder deze activiteit zouden vallen, uitgevoerd door commerciėle luchtvervoersondernemingen die:

- ofwel gedurende drie opeenvolgende periodes van vier maanden minder dan 243 vluchten per periode uitvoeren;
- ofwel vluchten met een totale emissie van minder dan 10.000 ton per jaar uitvoeren.

Vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd voor het vervoer op een officiėle dienstreis van een regerende vorst en zijn directe familie, staatshoofden, regeringsleiders en ministers van een regering van lidstaat, mogen krachtens dit punt niet worden uitgesloten.


Alle commerciėle luchtvervoersondernemingen moeten een bewijs luchtvaartexploitant (Air Operator’s Certificate of AOC) in hun bezit hebben overeenkomstig deel I van bijlage 6 bij de Conventie van Chicago. Een vliegtuigexploitant zonder bewijs luchtvaartexploitant is geen commerciėle luchtvervoersonderneming.


Voor de toepassing van de de-minimis-regel, is de voorwaarde commercieel te zijn, gekoppeld aan de vliegtuigexploitant en niet aan de vluchten in kwestie. Dat betekent in het bijzonder dat rekening wordt gehouden met de vluchten, uitgevoerd door een commerciėle luchtvervoersonderneming om te beslissen of de vliegtuigexploitant boven of onder de uitzonderingsdrempels valt, zelfs als die vluchten niet tegen een vergoeding worden uitgevoerd.


Alleen vluchten die vertrekken van of aankomen in een luchtvaartterrein op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, komen in aanmerking om te beslissen of de vliegtuigexploitant boven of onder de uitzonderingsdrempels van de de-minimis-regel valt. Vluchten, die worden uitgesloten op basis van punt 1° tot en met punt 10°, zullen niet in beschouwing genomen worden voor dezelfde doeleinden.


Vluchten, uitgevoerd door een commerciėle vliegtuigexploitant die minder dan 243 vluchten gedurende drie opeenvolgende periodes van vier maanden uitvoert, zijn uitgesloten. De perioden van vier maanden zijn: januari tot en met april, mei tot en met augustus, september tot en met december. De lokale tijd van vertrek van de vlucht bepaalt in welke periode van vier maanden de vlucht in rekening wordt genomen om te beslissen of de vliegtuigexploitant boven of onder de uitzonderingsdrempels van de de-minimis-regel valt.


Een commerciėle vliegtuigexploitant die 243 vluchten per periode of meer uitvoert, valt onder het toepassingsgebied van het Europese emissiehandelssysteem voor het volledige kalenderjaar waarin de drempel van 243 vluchten bereikt of overschreden wordt.


Een commerciėle vliegtuigexploitant die vluchten uitvoert met jaarlijkse emissies gelijk aan of hoger dan 10.000 ton per jaar, valt onder het toepassingsgebied van het Europese emissiehandelssysteem voor het kalenderjaar waarin de drempel van 10.000 ton bereikt of overschreden wordt.

 

10° met ingang van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020, vluchten die zonder dit punt onder deze activiteit zouden vallen, en die worden uitgevoerd door een niet-commerciėle vliegtuigexploitant die vluchten uitvoert met een totale emissie van minder dan 1000 ton per jaar.


Bijlage IIbis. Informatie op te nemen in het project-MER als vermeld in artikel 4.3.7, § 1

1° een beschrijving van het project, met in het bijzonder:
  a) een beschrijving van de locatie van het project;
  b) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project, en, als dat relevant is, met inbegrip van de vereiste sloopwerken, en de eisen met betrekking tot landgebruik tijdens de bouw en bedrijfsfasen;
  c) een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de bedrijfsfase van het project (met name productieprocessen), bijvoorbeeld energievraag en energieverbruik, aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen (waaronder water, land, bodem en biodiversiteit);
  d) een prognose van de soort en de hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (zoals water, lucht, bodem
en ondergrondverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling) en de hoeveelheden en soorten
afvalstoffen die geproduceerd zijn tijdens de bouw en bedrijfsfasen;
een beschrijving van de door de opdrachtgever onderzochte redelijke alternatieven (bijvoorbeeld met betrekking tot het projectontwerp, de technologie, de locatie, de omvang en de schaal) die relevant zijn voor het voorgestelde project en de specifieke kenmerken ervan, en een opgave van de belangrijkste redenen voor de selectie van de gekozen optie, met inbegrip van een vergelijking van de milieueffecten;
een beschrijving van de relevante aspecten van de huidige toestand van het milieu (referentiescenario) en een schets van de mogelijke ontwikkeling daarvan als het project niet wordt uitgevoerd voor zover natuurlijke veranderingen van het referentiescenario redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van milieuinformatie en wetenschappelijke kennis;
een beschrijving van de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, waarop het project van aanzienlijke invloed kan zijn: bevolking, menselijke gezondheid, biodiversiteit (bijvoorbeeld fauna en flora), land (bijvoorbeeld ruimte-beslag), bodem (bijvoorbeeld organisch materiaal, erosie, verdichting, afdekking), water (bijvoorbeeld hydromorfologische veranderingen, kwantiteit en kwaliteit), lucht, klimaat (bijvoorbeeld broeikasgasemissies, effecten die van belang zijn voor adaptatie), materiėle goederen, cultureel erfgoed, inclusief architectonische en archeologische aspecten, en het landschap;
een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van, onder meer:
  a) de bouw en het bestaan van het project, met inbegrip van, als dat relevant is, sloopwerken;
  b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van die hulpbronnen;
  c) de uitstoot van verontreinigende stoffen, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, het ontstaan van milieuhinder en het verwijderen en terugwinnen van afvalstoffen;
  d) de risico’s voor de menselijke gezondheid, het cultureel erfgoed of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen of rampen);
  e) de cumulatie van effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten, waarbij rekening wordt gehouden met alle bestaande milieuproblemen met betrekking tot gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn en waarop het project van invloed kan zijn, of met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
  f) het effect van het project op het klimaat (bijvoorbeeld de aard en de omvang van emissies van broeikasgassen) en de kwetsbaarheid van het project voor klimaatverandering;
  g) de gebruikte technologieėn en stoffen;
een beschrijving van de methoden of bewijsstukken die gebruikt zijn voor de identificatie en de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten, met inbegrip van een overzicht van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische gebreken of ontbrekende kennis) die zijn ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie en de belangrijkste onzekerheden;
een beschrijving van de geplande maatregelen om alle geļdentificeerde aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen, te beperken of zo mogelijk te compenseren en, in voorkomend geval, van eventuele voorgestelde monitoringsregelingen (bijvoorbeeld de voorbereiding van een postproject analyse). In die beschrijving moet worden uitgelegd in welke mate aanzienlijke nadelige milieueffecten worden vermeden, voorkomen, beperkt of gecompenseerd, zowel in de bouwfase als in de bedrijfsfase;
een beschrijving van de verwachte aanzienlijke nadelige milieueffecten van het project die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie. Daarvoor kan gebruikgemaakt worden van beschikbare relevante informatie die is verkregen met toepassing van het samenwerkingsakkoord van 5 juni 2015 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken of de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle of overeenkomstig andere uitgevoerde relevante beoordelingen die zijn gemaakt met toepassing van titel IV of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving, als aan de vereisten, vermeld in titel IV, hoofdstuk III, wordt voldaan. In voorkomend geval moet de beschrijving de geplande maatregelen ter voorkoming of verzachting van de aanzienlijke nadelige milieueffecten van dergelijke gebeurtenissen omvatten, alsook details over de paraatheid en het voorgenomen reactievermogen bij dergelijke noodsituaties;
een niet-technische samenvatting van de informatie die verstrekt is conform punt 1° tot en met 8°;
10° een referentielijst waarin de bronnen worden vermeld die zijn gebruikt voor de in het rapport opgenomen beschrijvingen en beoordelingen.


De beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten, vermeld in punt 5°, op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid, moet betrekking hebben op de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en grensoverschrijdende effecten op korte termijn, middellange termijn en lange termijn, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve effecten van het project. De aanzienlijke milieueffecten worden onder meer beoordeeld in het licht van de conform titel II, hoofdstuk II, vastgestelde milieukwaliteitsnormen.