HOOFDSTUK V.
Inning en invordering van verschuldigde bedragen


Art. 16.5.1.

§ 1.

De opgelegde bestuurlijke geldboeten, vermeld artikel 44 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, en titel XVI, hoofdstuk IV, afdeling IV en, in voorkomend geval, de opgelegde voordeelontnemingen en expertisekosten, vermeld in artikel 16.4.25, worden door het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid geļnd en ingevorderd ten voordele van het Minafonds.

 

De kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.7, § 1, voor de ambtshalve uitvoering van de opgelegde bestuurlijke maatregelen en voor de tenuitvoerlegging van veiligheidsmaatregelen worden eveneens geļnd en ingevorderd door het Vlaams Ministerie van Omgeving ten voordele van het Minafonds. In afwijking hiervan worden de kosten die gemaakt zijn voor de uitvoering en de tenuitvoerlegging van die maatregelen door de toezichthouders van de OVAM die toezicht uitoefenen op de toepassing van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en haar uitvoeringsbesluiten en op de toepassing van artikelen 12 en 13 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, geļnd en ingevorderd door de OVAM ten voordele van de OVAM.

 

De bestuurlijke dwangsommen worden ook geļnd en ingevorderd door het Vlaams Ministerie van Omgeving ten voordele van het MINA-fonds.

In afwijking hiervan worden de bestuurlijke dwangsommen geļnd en ingevorderd door:

-       de gemeente op wiens grondgebied de bestuurlijke dwangsom werd opgelegd ten voordele van diezelfde gemeente, voor zover de bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd door een gemeentelijke toezichthouder, een intergemeentelijke toezichthouder, een toezichthouder van een politiezone, de burgemeester of zijn plaatsvervanger;

de provincie op wiens grondgebied de bestuurlijke dwangsom werd opgelegd ten voordele van diezelfde provincie, voor zover de bestuurlijke dwangsom wordt opgelegd door een provinciale toezichthouder, de gouverneur of zijn plaatsvervanger”

 

§ 2.

Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.5, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen in de bossen en aanverwante grondoppervlakten, de onbevaarbare waterlopen en natuurreservaten, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Minafonds.

 

Bij een veroordeling, overeenkomstig artikel 16.6.5, tweede lid, tot terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen op de openbare wegen, de waterwegen en de havens en hun specifieke aanhorigheden, wordt dat bedrag gestort op de rekening van het Vlaams Infrastructuurfonds.


Art. 16.5.2.

§ 1.

Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de verschuldigde bedragen, verhoogd met de invorderingskosten, vermeld in artikel 16.5.1, worden die bedragen bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die daartoe door de Vlaamse Regering wordt aangewezen.

 

§ 2.

Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.

 

Binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet doen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden. Als het dwangbevel betrekking heeft op kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, die door de toezichthouders van de OVAM zijn gemaakt, gebeurt in afwijking hiervan het verzet door de OVAM te laten dagvaarden.

 

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest of de OVAM kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.

 

Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.


Een beroep tegen een dwangbevel kan alleen worden ingesteld met betrekking tot geschillen die in verband met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel rijzen. Die geschillen worden voor de beslagrechter gebracht.

 

§ 3.

Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van voldoening van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, hebben het Vlaamse Gewest en de OVAM een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kunnen ze een wettelijke hypotheek nemen als daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar.

 

Het voorrecht vermeld in § 1 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.

 

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel.

 

De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in § 1. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.

 

Artikel 17 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.


Art. 16.5.2bis.

In afwijking van artikel 16.5.2 kan de ambtenaar, vermeld in artikel 16.5.2, § 1, beslissen af te zien van de invordering van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, als de invorderingskosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag of als niet kan worden vastgesteld wie de overtreder is.


Art. 16.5.3.

De bevoegdheid om over te gaan tot invordering van de bedragen en kosten, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, eerste en derde lid, verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop deze bedragen en kosten moesten worden betaald.


De bevoegdheid om over te gaan tot invordering van de kosten van de maatregelen, vermeld in artikel 16.5.1, § 1, tweede lid, verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag dat de maatregelen geheel zijn voltooid.


De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met 2280 van het Burgerlijk Wetboek.


Art. 16.5.4. De ambtenaar, belast met de inning en invordering, beslist eveneens over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel of spreiding van betaling die de overtreder tot hem richt.