Art. 2.

Artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen wordt vervangen door de volgende bepaling :


" Artikel 1. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder :

 

1. " gas " : elke brandstof die gasvormig is bij een temperatuur van 15 graden Celsius en onder een absolute druk van 1,01325 bar;
2. " aardgas " : elke gasvormige brandstof van ondergrondse oorsprong en die hoofdzakelijk uit methaan bestaat, met inbegrip van vloeibaar aardgas, afgekort " LNG ", en met uitzondering van mijngas;
3. " m3 " : genormaliseerde kubieke meter, zijnde de hoeveelheid droog rijk gas die, tegen een temperatuur van nul graden Celsius en onder absolute druk van 1,01325 bar, een volume van één kubieke meter inneemt;
4. [...]
5. " gasonderneming " : elke natuurlijke of rechtspersoon die gas produceert, vervoert, verdeelt, levert, aankoopt of opslaat of meerdere van deze werkzaamheden uitoefent, behalve eindafnemers;
5°bis. « aardgasonderneming » : iedere rechtspersoon die ten minste een van de volgende functies vervult : productie, vervoer, distributie, levering, aankoop of opslag van aardgas en die verantwoordelijk is voor de met deze functies verband houdende commerciële, technische werkzaamheden en/of onderhoudswerkzaamheden, maar die geen eindafnemer is;
6. " upstream-installaties " : alle leidingen en andere installaties gebouwd of geëxploiteerd als onderdeel van een olie- of aardgasproductieproject, of gebruikt om aardgas afkomstig van één of meer olie- of aardgasproductieplaatsen te vervoeren naar een verwerkingsinstallatie of -terminal of aanlandingsterminal;
7. " gasvervoer " : het vervoer van gas door middel van vervoerinstallaties met het oog op levering aan afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;
7°bis " doorvoer " : de handeling met betrekking tot het vervoer van aardgas zonder distributie of levering van aardgas op het Belgisch grondgebied;
8. " vervoerinstallaties " : alle leidingen, met inbegrip van de directe leidingen en de upstream-installaties, en alle opslagmiddelen, LNG- installaties, gebouwen, machines en accessoire inrichtingen die bestemd zijn of gebruikt worden voor een van de in artikel 2, § 1, vermelde doeleinden;
9. " vervoeronderneming " : elke natuurlijke of rechtspersoon die gasvervoer verricht;
10° « vervoersnet » : elk geheel van vervoersinstallaties dat geëxploiteerd wordt door één van de beheerders of door eenzelfde vervoersonderneming, met uitsluiting van de upstream-installaties en directe leidingen;
10°bis « aardgasvervoersnet » : eenvervoersinstallatie uitsluitend voor het vervoer van aardgas en die geëxploiteerd wordt door de met het vervoer van aardgas belaste beheerder, met uitsluiting van de upstream-installaties;
11. " vervoervergunning " : de vergunning bedoeld in artikel 3;
12. " gasdistributie " : de werkzaamheid die erin bestaat gas via plaatselijke pijpleidingnetten te leveren aan afnemers gevestigd op het grondgebied van één of meer bepaalde gemeenten, de levering zelf niet inbegrepen;
12°bis « gasdistributie-installaties » : de leidingen, de opslagmiddelen, de gebouwen, de machines en, in het algemeen, alle toestellen die nodig zijn voor de aardgasdistributie.
13. " distributieonderneming " : elke natuurlijke of rechtspersoon die gasdistributie verricht;
14° « aardgaslevering » : de verkoop, wederverkoop daaronder inbegrepen, aan klanten van aardgas, met inbegrip van LNG;
15° « leveringsonderneming » : elke natuurlijke of rechtspersoon die de aardgaslevering verricht;
16. " leveringsvergunning " : de vergunning bedoeld in artikel 15/3;
17° « geïnterconnecteerd net » : elk samenstel van met elkaar verbonden vervoersnetten;
18. " directe leiding " : elke leiding voor gasvervoer die fysisch geen deel uitmaakt van het geïnterconnecteerd net;
19° « verwante onderneming » : een verbonden of geassocieerde onderneming in de zin van het Wetboek van vennootschappen;
20. [...]
21. " netgebruiker " : elke natuurlijke of rechtspersoon die levert aan of afneemt van het betrokken net;
22. " afnemer " : elke eindafnemer, elke distributieonderneming en elke leveringsonderneming;
23. " eindafnemer " : elke natuurlijke of rechtspersoon die gas koopt voor eigen gebruik;
24. [...]
25° « Richtlijn 2003/55 » : de Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG;
26bis « wet van 18 juli 1975 » : de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas;
26. " wet van 29 april 1999 " : de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
27. " minister " : de federale minister bevoegd voor Energie;
27°bis « Bestuur Energie » : de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
28. " Commissie " : de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas, bedoeld in artikel 15/14;
30. " gedragscode " : de code vastgesteld in uitvoering van artikel 15/5, § 3;
31° « beheerder van het aardgasvervoersnet 187; : de beheerder van het aardgasvervoersnet die werd aangewezen conform artikel 8 of artikel 8/1;
32° « opslaginstallatie voor aardgas » : de installaties eigendom van en/of geëxploiteerd door een beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas, gebruikt voor de opslag van aardgas, met inbegrip van de LNG-installaties specifiek gebruikt voor de opslag van aardgas; met uitsluiting van de opslaginstallaties gebruikt voor de productieactiviteiten, alsook de opslaginstallaties die uitsluitend voorbehouden zijn voor de beheerder van het aardgasvervoersnet voor de voltooiing van zijn taken;
33° « beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas »: de rechtspersoon die bedoeld wordt in afdeling II van hoofdstuk III van deze wet;
34° « LNG-installatie » : een terminal, eigendom van en/of geëxploiteerd door een beheerder van LNG-installatie, die voor het vloeibaar maken van aardgas, de invoer of de verlading, en de hervergassing van LNG gebruikt wordt, met inbegrip van ondersteunende diensten en de tijdelijke opslag van aardgas die nodig zijn voor het hervergassingsproces van LNG en de daaropvolgende doorlevering aan het aardgasvervoersnet met uitsluiting van de LNG-installaties specifiek gebruikt voor de opslag van aardgas;
35° « beheerder van de LNG-installatie » : de rechtspersoon beoogd in afdeling II van hoofdstuk III van deze wet;
36° « ondersteunende diensten » : alle diensten die nodig zijn voor de toegang tot de aardgasvervoers- en/of distributienetten en/of LNGinstallaties en/of opslaginstallaties en voor de exploitatie ervan, met inbegrip van het opvangen van fluctuaties in systeembelasting en menging, maar uitgezonderd installaties die uitsluitend ten dienste staan van de beheerder van het aardgasvervoersnet bij de uitoefening van zijn functies;
37° « opslag van aardgas in leidingen » : de aardgasopslag door samendrukking in de aardgasvervoersnetten en in de distributienetten voor aardgas, maar met uitsluiting van de installaties die voorbehouden zijn voor de beheerder van het aardgasvervoersnet bij de uitoefening van zijn functies;
38° « verticaal geïntegreerde onderneming » : een aardgasonderneming of een groep bedrijven waarvan de wederzijdse relaties zijn vastgelegd in artikel 3, paragraaf 3 van de verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen en die ten minste één van de volgende functies vervult : aardgasvervoer, aardgasdistributie, LNGactiviteit, of opslag van aardgas, en ten minste één van de volgende functies : productie of levering van aardgas;
39° « horizontaal geïntegreerde onderneming » : een onderneming die ten minste één van de volgende functies verzekert : productie, vervoer, distributie, levering of opslag van aardgas en daarnaast ook een niet op het gebied van aardgas liggende activiteit verricht;
40° « veiligheid » : de technische veiligheid;
41° « nieuwe installatie » : een aardgasinstallatie die niet afgewerkt is op de dag waarop de Richtlijn 2003/55/EG in werking treedt, zijnde op 1 juli 2004;
42° « de beheerders » : de volgende drie operatoren : de beheerder van het aardgasvervoersnet, de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas en de beheerder van de LNG-installatie;
43° « gecombineerde netbeheerder » : beheerder belast met het beheer van minstens twee van de volgende installaties of netten :
  a) het aardgasvervoersnet;
  b) de opslaginstallatie voor aardgas;
  c) de LNG-installatie;
44° « niet-uitvoerende bestuurder » : elke bestuurder die geen directiefunctie vervult bij de beheerders of bij een van hun dochterondernemingen;
45° « onafhankelijke bestuurder » : elke niet-uitvoerende bestuurder die :
  a) beantwoordt aan de voorwaarden van het artikel 524, § 4, van het wetboek van Vennootschappen en
  b) tijdens de vierentwintig maanden die zijn aanstelling voorafgegaan zijn geen functie of activiteit heeft uitgeoefend, al dan niet bezoldigd, ten dienste van één van de netwerkeigenaars, van één van de beheerders, van een tussenpersoon, van een leverancier, van een producent of van een dominerende aandeelhouder;
  c) tijdens de negen maanden, die zijn aanstelling voorafgegaan zijn, geen functie of activiteit heeft uitgeoefend, al dan niet bezoldigd, ten dienste van een distributeur;
46° « regulatoire periode » : de periode van vier jaar tijdens welke de tarieven bedoeld in artikel 15/5bis worden toegepast;
47° « billijke marge » : de billijke marge die bedoeld wordt in artikel 15/5bis, § 2, b;
48° « gereguleerd actief » : het gereguleerd actief dat bedoeld wordt in artikel 15/5septies, 1, a);
49° « rendementspercentage» : het rendementspercentage dat bedoeld wordt in artikel 15/5septies, 1, c).