VLAREBO 2008
14 DECEMBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming

Titel I.
Definities


Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

Bodemdecreet : decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;

minister : Vlaamse minister, bevoegd voor het Leefmilieu en het Waterbeleid;

juridische dienst: de subentiteit van het Departement Omgeving, belast met de taken van juridische dienstverlening;

decreet betreffende de omgevingsvergunning: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

[...]

Vlarem II : besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne;

CMA : compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, vermeld in het VLAREL.

onderneming : iedere eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm of de wijze waarop ze wordt gefinancierd.

de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage : de subentiteit van het Departement Omgeving, belast met taken van milieueffectrapportage;

10° de afdeling, bevoegd voor omgevingsveiligheidsrapportage : de subentiteit van het Departement Omgeving, belast met taken van omgevingsveiligheidsrapportage.


Art. 1/1.

Dit besluit wordt aangehaald als : VLAREBO-besluit van 14 december 2007.


Titel II.
Doelstellingen en algemene bepalingen


HOOFDSTUK I.
Doelstellingen


Afdeling I.
Richtwaarden voor de bodemkwaliteit


Art. 2.

De richtwaarden voor de bodemkwaliteit, vermeld in artikel 3, § 2, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage II, gevoegd bij dit besluit.


Afdeling II.
Streefwaarden voor de bodemkwaliteit


Art. 3.

De streefwaarden voor de bodemkwaliteit, vermeld in artikel 3, § 3, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage III, gevoegd bij dit besluit.


HOOFDSTUK II.
Algemene bepalingen


Afdeling I.
Opstallen die geen grond zijn


Art. 4.

De volgende opstallen worden voor de toepassing van het Bodemdecreet niet beschouwd als grond in de zin van artikel 2, 9°, van het Bodemdecreet op voorwaarde dat in het opstal zelf geen risico-inrichting gevestigd is of was :

scheidingsmuren en omheiningen;
reclameborden en -zuilen;
straatmeubilair en abri’s;
antennes en masten;
hoogspanningsmasten, tellers, laagspanningskasten;
installaties voor het opwekken van water-, wind- en zonne-energie;
regenwater- en drinkwaterleidingnetwerk en gasdistributie- en elektriciteitsnetwerk;
datacommunicatie-, computer- en televisiekabelnetwerk;
rails van trein, tram en metro.

 

De opstallen, vermeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van het Bodemdecreet opnieuw als grond gekwalificeerd als door emissie vanuit het opstal bodemverontreiniging tot stand komt.


Afdeling II.
Monsternemingen en analyses


Art. 5. De monsternemingen in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld.

Art. 6.

De analyses in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard.

 

De OVAM spreekt zich uit binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verzoek om een methode gelijkwaardig te verklaren. Bij gebrek aan uitspraak binnen die termijn wordt de methode geacht niet gelijkwaardig te zijn.

 

Als de OVAM een methode gelijkwaardig verklaart, geldt die verklaring alleen voor het laboratorium dat het verzoek heeft ingediend en alleen voor de resterende duur van de erkenning van dat laboratorium.


Afdeling III.
Standaardprocedures


Art. 7.

De standaardprocedures, vermeld in het Bodemdecreet, worden vastgesteld door de minister.

 

De besluiten houdende vaststelling van de standaardprocedures worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


Afdeling IV.
Financiėle zekerheden


Onderafdeling I.
Vorm van de financiėle zekerheid


Art. 8.

Een financiėle zekerheid in het kader van het Bodemdecreet kan de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie :

 

een onherroepelijke garantie van de volgende kredietinstellingen :
  a) een kredietinstelling die vergund is krachtens de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
  b) een kredietinstelling die ressorteert onder een andere lidstaat van de Europese Unie en die, krachtens voormelde wet van 25 april 2014, haar werkzaamheden op het Belgische grondgebied mag uitoefenen;
een onherroepelijke garantie van een verzekeringsonderneming die toegelaten is krachtens de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
een verpande rekening van een kredietinstelling, vermeld in punt 1°.

De OVAM kan ook een andere financiėle zekerheid aanvaarden als is aangetoond dat die financiėle zekerheid voldoende garantie geeft dat de verplichtingen bij of krachtens het Bodemdecreet kunnen worden nagekomen.


Onderafdeling II.
Bedrag en looptijd van de financiėle zekerheid


Art. 9.

Het bedrag van de financiėle zekerheid wordt door de OVAM vastgesteld op basis van een door haar goedgekeurde raming van de kosten van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiėle zekerheid krachtens het Bodemdecreet moet worden gesteld.

 

De OVAM kan een lager bedrag dan vermeld in het eerste lid aanvaarden op basis van elementen die de zekerheidsteller aanbrengt om te motiveren dat het risico dat de OVAM de financiėle zekerheid moet aanspreken beperkt is.

 

De OVAM kan een hoger bedrag dan vermeld in het eerste lid vaststellen op basis van een inschatting van de risico’s dat de gekozen techniek om de bodemverontreiniging te behandelen niet of in onvoldoende mate leidt tot het realiseren van de doelstellingen van het Bodemdecreet.


Art. 10.

De looptijd van de financiėle zekerheid moet minstens de duurtijd dekken van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiėle zekerheid krachtens het Bodemdecreet moet worden gesteld.


Onderafdeling III.
Aanpassing van de gestelde financiėle zekerheid


Art. 11.

De zekerheidsteller kan bij de OVAM een [...] aanvraag indienen om het bedrag of de looptijd van de gestelde financiėle zekerheid te verminderen. De OVAM neemt hierover een beslissing, rekening houdend met de resultaten van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiėle zekerheid krachtens het Bodemdecreet werd gesteld en met de nog uit te voeren verplichtingen.


Art. 12.

Onder meer in de volgende gevallen kan de OVAM de zekerheidsteller de verplichting opleggen om de vorm, het bedrag of de looptijd van de gestelde financiėle zekerheid binnen een door haar bepaalde termijn aan te passen :

als de termijn voor de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiėle zekerheid krachtens het Bodemdecreet werd gesteld, niet of in onvoldoende mate wordt nageleefd;
als de OVAM van oordeel is dat het voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject een aanpassing van de gestelde financiėle zekerheid rechtvaardigt;
als de OVAM van oordeel is dat het nieuwe bodemsaneringsproject of het nieuwe beperkt bodemsaneringsproject, opgelegd krachtens artikel 64, tweede lid, van het Bodemdecreet, een aanpassing van de gestelde financiėle zekerheid rechtvaardigt;
als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject of het beperkt bodemsaneringsproject opgesteld in het kader van de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in artikel 115 van het Bodemdecreet, een aanpassing van de gestelde financiėle zekerheid rechtvaardigt;

als de OVAM op basis van het eindevaluatieonderzoek van oordeel is dat de resultaten van de bodemsaneringswerken een aanpassing van de gestelde financiėle zekerheid rechtvaardigen.

 


Afdeling V.
Digitalisering


Art. 12/1.

De minister bepaalt welke kennisgevingen, meldingen, verzendingen en procedures in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit digitaal kunnen worden gedaan of verlopen conform de regels die hij vaststelt.


Titel III.
Bodemsanering


HOOFDSTUK I.
Identificatie en inventarisatie van gronden


Afdeling I.
Grondeninformatieregister


Onderafdeling I.
Beheer van het Grondeninformatieregister


Art. 13.

De OVAM neemt een grond op in het Grondeninformatieregister wanneer ze over de volgende gegevens beschikt :

de ligging van de grond : de kadastrale gegevens van de grond of een duidelijke ruimtelijke afbakening van de grond op basis van het in het Vlaamse Gewest gehanteerde coördinatenstelsel die onweerlegbaar de ligging ten opzichte van de perceelsgrenzen bepaalt;
de identiteit van de eigenaar van de grond;
minstens een van de volgende gegevens over de grond :
  a) informatie over de grond afkomstig uit de gemeentelijke inventaris;
  b) relevante gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit van de grond, die vastgesteld zijn door bodemsaneringsdeskundigen, politiediensten of overheidsinstanties als vermeld in artikel II.28, § 1, eerste lid, van het bestuursdecreet van 7 december 2018, die bevoegdheid hebben of openbare verantwoordelijkheden of functies uitoefenen inzake het leefmilieu of het waterbeleid.

Art. 14.

De in het Grondeninformatieregister aanwezige gegevens worden vervolledigd of bijgewerkt op basis van relevante gegevens die vastgesteld zijn door de personen, diensten en instanties, vermeld in artikel 13, of door instrumenterende ambtenaren.


Art. 15.

Op eerste verzoek bezorgen alle diensten van de Vlaamse overheid, de gemeenten en provincies met het oog op het beheer van het Grondeninformatieregister alle nuttige gegevens aan de OVAM en aan de bodemsaneringsdeskundige die handelt in opdracht van de OVAM. Onderafdeling II. Toegankelijkheid van het Grondeninformatieregister


Art. 16.

De informatie uit het grondeninformatieregister is toegankelijk via de aanvraag van een bodemattest, via een verzoek om specifieke informatie of via het e-loket van de OVAM, en dit overeenkomstig de procedure en de voorwaarden, vermeld in artikel 17 tot en met 20.


A.
Bodemattest

Art. 17.

De aanvraag van een bodemattest moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij de OVAM worden ingediend met een volledig ingevuld aanvraagformulier voor een bodemattest. Het model van dat aanvraagformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens :

 

de coördinaten van de aanvrager;
de coördinaten van de grond waarop de aanvraag voor bodemattest betrekking heeft;
als de aanvraag betrekking heeft op een grond zonder kadastraal nummer : een kadastraal plan met aanduiding van de contouren van de grond.

Bij de aanvraag van een bodemattest moet overeenkomstig artikel 162, § 9, van het Bodemdecreet, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, het bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 162, § 1, van het Bodemdecreet, worden gevoegd.


Art. 18.

Als de OVAM de aanvraag van een bodemattest onontvankelijk verklaart, stuurt ze die beslissing binnen veertien dagen na ontvangst van de aanvraag naar de aanvrager met vermelding van de reden van niet-ontvankelijkheid.

 

Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van die beslissing zorgt de aanvrager ervoor dat de aanvraag voldoet aan alle ontvankelijkheidsvereisten, vermeld in het eerste lid. Als dat niet het geval is, wordt de aanvraag geacht definitief onontvankelijk te zijn.

 

[...]


B.
Specifieke informatie

Art. 19.

De OVAM kan op schriftelijk verzoek specifieke informatie verstrekken uit het Grondeninformatieregister.

 

Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek om specifieke informatie stuurt de OVAM naar de aanvrager een ontwerp van overeenkomst die de modaliteiten van de gevraagde dienstverlening omvat. Die modaliteiten hebben minstens betrekking op de termijn waarbinnen de gevraagde informatie wordt geleverd en de prijs voor die dienstverlening.


C.
Digitale informatie via het e-loket van de OVAM

Art. 20.

Via het e-loket van de OVAM kan de volgende informatie uit het Grondeninformatieregister worden opgevraagd in digitale vorm:

de verslagen van bodemonderzoeken;
de rapporten over bodemsaneringen en andere maatregelen als vermeld in hoofdstuk VI van titel III van het Bodemdecreet.

Afdeling II.
Lijst van risico-inrichtingen


Art. 21.

De lijst van risico-inrichtingen wordt vastgesteld als volgt:

in bijlage I, gevoegd bij dit besluit (kolom 'Categorie'): de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie is aangevat voor 1 juni 2015;
in kolom 8 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid: de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie is aangevat na 31 mei 2015.

 

De volgende inrichtingen worden voor de toepassing van het Bodemdecreet en dit besluit niet beschouwd als risico-inrichtingen :

inrichtingen waarvan de sluiting dateert van voor 11 februari 1946;
tijdelijke inrichtingen en activiteiten als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van Titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van Titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
de aanwending van afvalstoffen voor een functionele verharding boven op een bestaande bodem waarbij de afvalstoffen duidelijk onderscheidbaar zijn van het bodemmateriaal;
inrichtingen in het kader van bodemsaneringswerken waarvoor het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject geldt als meldingsakte of omgevingsvergunning.

 

In kolom 8 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt aangegeven op welke risico-inrichtingen de onderzoeksplicht, vermeld in artikel 33bis van het Bodemdecreet, van toepassing is, en voor welke van die risico-inrichtingen de eenmalige onderzoeksplicht van artikel 33bis, § 2, van het Bodemdecreet wordt uitgevoerd vóór 7 januari 2014 en voor welke van die risico-inrichtingen vóór 7 juli 2015.


Afdeling III.
Gemeentelijke inventaris [...]


Onderafdeling I.
Beheer van de gemeentelijke inventaris


Art. 22.

Een gemeente neemt de volgende gronden op in de gemeentelijke inventaris, vermeld in artikel 7 van het Bodemdecreet :

risicogronden;
gronden waarop uitsluitend inrichtingen, vermeld in artikel 21, tweede lid, 1°, gevestigd waren die in de lijst in bijlage 1 van dit besluit in de kolom “Categorie” met de letter I worden aangeduid.


Een gemeente neemt een grond op in de gemeentelijke inventaris op basis van relevante gegevens over de inrichtingen die op de grond gevestigd zijn of waren. Het gaat om gegevens die in haar bezit zijn of die haar worden bezorgd door bodemsaneringsdeskundigen, instrumenterende ambtenaren, politiediensten of overheidsinstanties als vermeld in artikel 13, 3°, b), van dit besluit. De gegevens die zijn opgenomen in de gemeentelijke inventaris worden vervolledigd of bijgewerkt op basis van relevante gegevens die afkomstig zijn van de voormelde personen, instanties en diensten.
 


Art. 23.

In de gemeentelijke inventaris wordt minstens de volgende informatie over een grond opgenomen en beheerd :

de ligging van de grond : de kadastrale gegevens van de grond of een duidelijke ruimtelijke afbakening van de grond op basis van het coördinatenstelsel dat in het Vlaamse Gewest gehanteerd wordt en dat onweerlegbaar de ligging ten opzichte van de perceelgrenzen bepaalt;


 
de inrichtingen, vermeld in artikel 22, die op de grond gevestigd zijn of waren :
a) nummer, beschrijving en categorie van de inrichting, zoals ingedeeld in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
b) start- en einddatum van de exploitatie van de inrichting, als die informatie beschikbaar is;
de identiteit van de eigenaar.

Art. 24. De gemeente staat niet in voor de juistheid van de gegevens die haar overeenkomstig dit besluit rechtstreeks of onrechtstreeks worden verstrekt.

Art. 25.

De minister bepaalt de inhoud en de vorm van het uittreksel, vermeld in artikel 7, § 2, van het Bodemdecreet, evenals de modaliteiten volgens welke het uittreksel aan de OVAM wordt bezorgd.


Onderafdeling II.
Toegankelijkheid van de gemeentelijke inventaris


Art. 26.

Overeenkomstig artikel II.31 van het bestuursdecreet van 7 december 2018 bezorgt de gemeente op eenvoudig schriftelijk verzoek informatie uit de gemeentelijke inventaris aan iedereen die erom vraagt.


HOOFDSTUK II.
Erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Afdeling I.
Taken van de bodemsaneringsdeskundige


Art. 27. [...]

Art. 28. [...]

Art. 29. [...]

Afdeling II.
Voorwaarden tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Onderafdeling I.
Bodemsaneringsdeskundige van type 1


Art. 30. [...]

Onderafdeling II.
Bodemsaneringsdeskundige van type 2


Art. 31. [...]

Onderafdeling III.
Algemene bepalingen

[...]


Art. 32. [...]

Afdeling III.
Procedure tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Onderafdeling I.
Ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning


Art. 33. [...]

Art. 34. [...]

Onderafdeling II.
Beoordeling, advies en beslissing over de aanvraag tot erkenning


Art. 35. [...]

Afdeling IV.
Voorwaarden voor het gebruik van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Art. 36. [...]

Afdeling V.
Schorsing en opheffing van de handtekeningsbevoegdheid en van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Onderafdeling I.
Schorsing en opheffing van de handtekeningsbevoegdheid


Art. 37. [...]

Art. 38. [...]

Onderafdeling II.
Schorsing van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Art. 39. [...]

Art. 40. [...]

Onderafdeling III.
Opheffing van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Art. 41. [...]

Art. 42. [...]

Onderafdeling IV.
Opheffing van rechtswege van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Art. 43. [...]

Art. 44. [...]

Afdeling VI.
Duur en overdraagbaarheid van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige


Art. 45. [...]

Afdeling VII.
Onverenigbaarheden


Art. 46. [...]

HOOFDSTUK III.
Verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren en te (pre)financieren


Afdeling I.
Saneringscriterium bij nieuwe bodemverontreiniging


Art. 47.

De bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 9, § 1, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage IV, gevoegd bij dit besluit.


Afdeling II.
Saneringsdoel


Art. 48.

Bij de evaluatie van de beste beschikbare technieken die geen overmatige kosten met zich meebrengen, moet rekening worden gehouden met al de volgende elementen :

de verschillende lokaal-milieuhygiėnische criteria van de beschouwde technieken, zoals :
  a) de mate waarin de decretale doelstellingen behaald worden;
  b) de totale vuilvrachtvermindering;
  c) de rechtstreekse emissie naar andere milieucompartimenten;
  d) de tijd die nodig is om de bodem te saneren, rekening houdend met eventueel geldende beleidsdoelstellingen;
de verschillende regionaal/globaal-milieuhygiėnische criteria van de beschouwde technieken, zoals :
  a) het verbruik van grondstoffen en gerecycleerde materialen;
  b) de productie van niet-herbruikbaar afval tijdens de sanering;
de verschillende technische en maatschappelijke criteria van de beschouwde technieken, zoals :
  a) de mogelijke hinder voor de omgeving tijdens de sanering;
  b) de eventuele beperkingen op het gebruik van de grond na de bodemsanering;
  c) de mate waarin bij de uitvoering onbedoelde schade kan worden vermeden;
  d) de noodzakelijke maatregelen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken;
de kosten van de uitvoering van de bodemsanering en de eventuele bijkomende kosten die gekoppeld zijn aan de restverontreiniging.

Art. 49.

De nadere regels voor de afweging van de verschillende technieken worden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in artikel 47, § 2, van het Bodemdecreet.


Afdeling III.
Vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren


Onderafdeling I.
Kennisvoorwaarde


Art. 50.

Bij de beoordeling van het feit of de eigenaar al dan niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving, vermeld in artikel 12, § 2, 3°, en artikel 23, § 2, 3°, van het Bodemdecreet, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de volgende elementen :

 

het tijdstip van de verwerving;
vermeldingen of aanwijzingen in de aankoopakte;
de hoedanigheid van de eigenaar;
de ervaring of beroepskennis van de eigenaar;
de aard, de zintuiglijke waarneembaarheid of de algemene bekendheid van de bodemverontreiniging;
de aard van de inrichting die aanleiding heeft gegeven tot de bodemverontreiniging;
de toestand van en de voorkennis over de verontreinigde grond;
beschikbare documenten met betrekking tot de verontreinigde grond.
de verwerving van de verontreinigde risicogrond zonder oriėnterend bodemonderzoek op grond van artikel 102, § 1, derde lid, van het Bodemdecreet.

Onderafdeling II.
Procedure tot aanvraag van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren


A.
Nieuwe bodemverontreiniging

Art. 51.

De persoon, vermeld in artikel 11 van het Bodemdecreet, bezorgt zijn gemotiveerd standpunt tot vrijstelling van de plicht als vermeld in artikel 12 van het Bodemdecreet [...] aan de OVAM. Hij doet dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de brief van de OVAM waarin hem wordt gewezen op zijn zelfstandige verplichting om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of om tot bodemsanering over te gaan.

 

De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of de persoon, vermeld in artikel 11 van het Bodemdecreet, voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1 of § 2, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 12, § 3, van het Bodemdecreet, van toepassing is. De OVAM stelt die persoon in kennis van haar beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerd standpunt.


B.
Historische bodemverontreiniging

Art. 52.

Voor de aanmaning, vermeld in artikel 22 van het Bodemdecreet, kunnen de personen, vermeld in artikel 22 van het Bodemdecreet, op elk tijdstip [...] hun gemotiveerde standpunt tot vrijstelling van de plicht als vermeld in artikel 23 van het Bodemdecreet aan de OVAM bezorgen.

 

De OVAM neemt het gemotiveerde standpunt op in het dossier van de grond.

 

Na de aanmaning of de beslissing van de OVAM over de aard en de ernst van de bodemverontreiniging bezorgt de saneringsplichtige persoon, vermeld in artikel 22 van het Bodemdecreet, zijn gemotiveerde standpunt aan de OVAM. Hij doet dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen negentig dagen na de ontvangst van de aanmaning of de beslissing van de OVAM over de aard en de ernst van de verontreiniging

 

De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of de saneringsplichtige persoon voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1 of § 2, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 23, § 3, van het Bodemdecreet, van toepassing is. De OVAM stelt die persoon in kennis van haar beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerde standpunt.


Onderafdeling III.
Overdracht van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren


Art. 53.

Als de persoon die de grond overdraagt voor een bepaalde bodemverontreiniging krachtens artikel 12 of 23 van het Bodemdecreet vrijstelling van de verplichting tot het uitvoeren van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering heeft verkregen, gaat die vrijstelling op het moment van de verwerving van de grond van rechtswege over op de verwerver of de volgende verwervers als voldaan is aan de drie volgende voorwaarden :

de verwerver of zijn rechtsvoorganger heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;

de verontreiniging is niet tot stand gekomen tijdens een periode dat de verwerver of zijn rechtsvoorganger eigendoms- of gebruiksrechten op de grond had;

de verwerver heeft op het moment dat de grond wordt overgedragen geen eigendomsrechten op de grond.

 

 


Art. 54.

De vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren die krachtens artikel 53 op de verwerver of een volgende verwerver is overgegaan, vervalt van rechtswege wanneer de aanwezige bodemverontreiniging die op basis van het oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek of van het beschrijvend bodemonderzoek, of in de eindverklaring door de OVAM werd gekwalificeerd als geen ernstige bodemverontreiniging, opnieuw een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beļnvloeding van mens of milieu door een wijziging van de kenmerken, functies of eigenschappen van de bodem.


Afdeling IV.
Cofinanciering


Onderafdeling I.
Algemeen


Art. 54/1.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de administrateur-generaal van de OVAM op aanvraag cofinanciering toekennen aan de personen, vermeld in artikel 54/2, voor de uitvoering van bodemsaneringswerken als vermeld in artikel 54/3.

 

De cofinanciering wordt toegekend met inachtneming van de verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.


Onderafdeling II.
Toepassingsgebied


A. Personeel toepassingsgebied.

Art. 54/2.

De volgende personen komen in aanmerking voor cofinanciering :

 de eigenaar van de grond waarop de bodemverontreiniging tot stand gekomen is, op voorwaarde dat hij vóór 1 juni 2008 eigenaar van de grond is geworden;
een vroegere eigenaar van de grond waarop de bodemverontreiniging tot stand gekomen is, op voorwaarde dat hij vóór 1 juni 2008 eigenaar van de grond is geworden en mits voldaan is aan één van de volgende voorwaarden :
a) als het gaat om een risicogrond : hij heeft in de hoedanigheid van eigenaar-overdrager van die grond jegens de OVAM de verbintenis aangegaan tot uitvoering van bodemsaneringswerken voor die bodemverontreiniging;
b) als het gaat om een niet-risicogrond : hij voert de bodemsaneringswerken uit waartoe hij verplicht is krachtens het Bodemdecreet. 
de eigenaar die na 31 maart 2019 de grond waarop de bodemverontreiniging tot stand gekomen is, heeft verworven van een eigenaar als vermeld in punt 1° en 2°, die met toepassing van het tweede lid, 1° tot en met 3°, niet van cofinanciering uitgesloten is, als hij overeenkomstig het Bodemdecreet en dit besluit tegenover de OVAM de verbintenis is aangegaan tot uitvoering van de bodemsaneringswerken voor die bodemverontreiniging .

 

De volgende eigenaars, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor cofinanciering :

1°  de eigenaar die vrijgesteld is van de saneringsplicht;
de eigenaar die zelf of van wie de rechtsvoorganger de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt minder dan dertig jaar voor de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag tot cofinanciering;
de eigenaar ten laste van wie een proces-verbaal of een verslag van vaststelling werd opgesteld wegens schending van het Bodemdecreet of dit besluit;
de eigenaar die als onderneming niet voldoet aan de voorwaarden voor de-minimissteunverlening.

B. Materieel toepassingsgebied.

Art. 54/3.

De uitvoering van bodemsaneringswerken komt in aanmerking voor cofinanciering als aan al de volgende voorwaarden voldaan is :

de bodemsaneringswerken worden uitgevoerd op basis van een bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM na 31 mei 2008 een conformiteitsattest heeft afgeleverd;
de bodemsaneringswerken worden uitgevoerd op kosten van de persoon, vermeld in artikel 54/2, eerste lid;
de bodemsaneringswerken hebben betrekking op de volgende aard van bodemverontreiniging :
a) een historische bodemverontreiniging waarvoor de OVAM op basis van een beschrijvend bodemonderzoek of een oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek heeft beslist dat er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging; 
b) een gemengde bodemverontreiniging waarvoor de OVAM op basis van een beschrijvend bodemonderzoek of een oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek heeft beslist dat conform het Bodemdecreet moet worden overgegaan tot bodemsanering.

 

De uitvoering van de bodemsaneringswerken, vermeld in het eerste lid, komt niet in aanmerking voor cofinanciering als de werken betrekking hebben op een van de volgende bodemverontreinigingen :

een bodemverontreiniging die het gevolg is van de exploitatie van een tankstation als vermeld in artikel 2, 3° van het samenwerkingsakkoord van 22 maart 2001 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations;
een bodemverontreiniging die het gevolg is van een activiteit waarvoor een bodemsaneringsorganisatie als vermeld in artikel 95, § 1, van het Bodemdecreet, is erkend;
een bodemverontreiniging waarvan de bodemsaneringswerken al het voorwerp hebben uitgemaakt van cofinanciering als vermeld in dit besluit of van een andere financiėle tegemoetkoming van een overheidsinstantie voor dezelfde kosten als de kosten die op basis van artikel 54/4 in aanmerking komen voor cofinanciering.

 


Onderafdeling III.
Kosten die in aanmerking komen voor cofinanciering


Art. 54/4.

De volgende kosten die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van de bodemsaneringswerken komen in aanmerking voor cofinanciering :

de kosten van de uitvoering van de bodemsaneringsconcepten en bodemsaneringstechnieken [...];
de kosten van de milieukundige begeleiding van de bodemsaneringswerken;
de kosten van werken en maatregelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de bodemsaneringswerken.

 

Alleen kosten van bodemsaneringswerken die na 31 december 2015 zijn uitgevoerd en waarvan de facturen dateren van minder dan twee jaar voor de datum van ontvangst van de aanvraag tot cofinanciering door de OVAM, komen in aanmerking voor cofinanciering.

 

Voor een gemengde bodemverontreiniging komen alleen de kosten van bodemsaneringswerken die betrekking hebben op het deel van de gemengde bodemverontreiniging dat voor 29 oktober 1995 tot stand gekomen is, in aanmerking voor cofinanciering.


Onderafdeling IV.
Percentage van de cofinanciering


Art. 54/5.

De minister stelt het percentage van de cofinanciering vast.

 

Het percentage van de cofinanciering bedraagt minimaal 20 % en maximaal 50 %.

 

De minister kan in het percentage van de cofinanciering variėren naargelang de begunstigde al dan niet een onderneming is.


Onderafdeling V.
Procedure voor de behandeling van een aanvraag tot cofinanciering


Art. 54/6.

Een aanvraag tot cofinanciering wordt [...] elektronisch bij de OVAM ingediend.

 

De aanvraag tot cofinanciering wordt ingediend met een volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier voor de aanvraag van cofinanciering. Het model van het aanvraagformulier wordt vastgesteld bij besluit van de administrateur-generaal van de OVAM en voorziet in ieder geval in de opvraging van al de volgende gegevens :

de identificatie van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of van het beperkte bodemsaneringsproject op basis waarvan de bodemsaneringswerken zijn uitgevoerd die het voorwerp uitmaken van de aanvraag tot cofinanciering;
een overzicht van de kosten van de bodemsaneringswerken die in aanmerking komen voor cofinanciering met toepassing van artikel 54/4. Het overzicht wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 op basis van het conform verklaarde bodemsaneringsproject of van het conform verklaarde beperkte bodemsaneringsproject, vermeld in punt 1°;
een aan de OVAM tegenstelbare akte waaruit blijkt wanneer de aanvrager van de cofinanciering eigenaar van de grond is geworden;
een kopie van de facturen voor de kosten, vermeld in punt 2°. De facturen worden opgenomen in een rekeningstaat, en een gedetailleerde vorderingsstaat en een betalingsbewijs worden bijgevoegd. De administrateurgeneraal van de OVAM kan een model van vorderings- en rekeningstaat vastleggen, en vormvereisten voor de facturen opleggen.

 

Er kunnen maximaal drie aanvragen tot cofinanciering bij de OVAM worden ingediend voor bodemsaneringswerken voor dezelfde bodemverontreiniging.


Een aanvraag tot cofinanciering die niet voldoet aan de vereisten, vermeld in het eerste tot en met derde lid, is niet ontvankelijk.


Art. 54/7.

De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid van de aanvraag. Als de OVAM oordeelt dat de aanvraag ontvankelijk is, neemt de administrateur-generaal van de OVAM na onderzoek en beoordeling van het aanvraagdossier een beslissing over de aanvraag tot cofinanciering.

 

De cofinancieringsbeslissing bevat in ieder geval de volgende elementen :

het percentage van de cofinanciering dat van toepassing is op het moment van de beslissing tot cofinanciering;
het bedrag van de cofinanciering.

 

Het uit te betalen bedrag van de cofinanciering wordt berekend door het toepasselijke percentage van de cofinanciering te vermenigvuldigen met de kosten die in aanmerking komen voor cofinanciering en die opgenomen zijn in de facturen die beantwoorden aan de vereisten, vermeld in artikel 54/6, tweede lid, 4°.


Het gecumuleerde bedrag van de cofinanciering voor de bodemsaneringswerken voor dezelfde bodemverontreiniging, dat toegekend wordt aan een begunstigde, kan niet meer dan 200.000 euro bedragen.


Art. 54/8. De minister kan de procedure voor de behandeling van een aanvraag tot cofinanciering nader bepalen.

Onderafdeling VI.
Uitbetaling van de cofinanciering

[...]


Art. 54/9. [...]

Art. 54/10. [...]

Art. 54/11. [...]

Art. 54/12. [...]

Onderafdeling VII.
Overdracht van het recht op cofinanciering

[...]


Art. 54/13. [...]

Onderafdeling VIII.
Opeenvolgende aanvragen tot cofinanciering


Art. 54/14.

De begunstigde van cofinanciering kan voor de uitvoering van bodemsaneringswerken voor verschillende bodemverontreinigingen een aanvraag tot cofinanciering indienen bij de OVAM en cofinanciering ontvangen. In ieder geval kan over een periode van drie kalenderjaren het gecumuleerde bedrag van toegekende cofinanciering aan een begunstigde niet meer dan 200.000 euro bedragen.

 

Als de begunstigde een onderneming is, geldt ook als voorwaarde dat het de-minimisplafond op elk moment moet worden gerespecteerd, met behoud van de toepassing van artikel 2, vijfde lid, van verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.


Onderafdeling IX.
Terugvordering


Art. 54/15.

Onverminderd artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, kan de OVAM in de volgende gevallen de uitbetaalde cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen :

bij vaststelling dat de cofinanciering uitbetaald is op basis van onjuiste of onvolledige gegevens, opgenomen in de aanvraag tot cofinanciering [...]; 
bij vaststelling dat de bepalingen, vastgesteld bij of krachtens het Bodemdecreet, niet zijn nageleefd bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken.

 

In geval van terugvordering wordt de Europese referentievoet voor terugvordering van onrechtmatig verleende staatssteun toegepast.


Afdeling V.
Vermengde bodemverontreiniging


Art. 54/16.

Overeenkomstig artikel 27quater van het Bodemdecreet gebeurt de (pre)financiering van de uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering volgens een verdeelsleutel die door de OVAM op basis van de beschikbare gegevens naar alle redelijkheid wordt vastgesteld. Bij het vaststellen van de verdeelsleutel houdt de OVAM in het bijzonder rekening met de volgende elementen :

de historiek en de aard van de activiteiten en inrichtingen die aanleiding geven of hebben gegeven tot het ontstaan van de vermengde bodemverontreiniging;
de bodemgesteldheid ter hoogte van de activiteiten of inrichtingen, vermeld in punt 1°, onder meer de lokale bodemopbouw en de grondwaterstroming;
de fysische en chemische eigenschappen van de verontreinigende stoffen van de vermengde bodemverontreiniging;
de omvang en het huidige verspreidingspatroon van de vermengde bodemverontreiniging.

 


Art. 54/17.

De verdeelsleutel voor de (pre)financiering van de kosten van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering van de vermengde bodemverontreiniging wordt door de OVAM op basis van de beschikbare gegevens naar alle redelijkheid vastgesteld in de beslissing, vermeld in artikel 27bis van het Bodemdecreet.


Na de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek voor de vermengde bodemverontreiniging kan de OVAM op basis van nieuwe gegevens uit het beschrijvend bodemonderzoek naar alle redelijkheid een nieuwe verdeelsleutel vaststellen voor de kosten van de bodemsanering van de vermengde bodemverontreiniging.


Na de conformverklaring van het bodemsaneringsproject voor de vermengde bodemverontreiniging kan de OVAM op basis van nieuwe gegevens uit het bodemsaneringsproject naar alle redelijkheid een nieuwe verdeelsleutel vaststellen voor de kosten van de bodemsaneringswerken en het eindevaluatieonderzoek.


Na de eindverklaring over de bodemsaneringswerken voor de vermengde bodemverontreiniging kan de OVAM op basis van nieuwe gegevens uit de bodemsaneringswerken of het eindevaluatieonderzoek naar alle redelijkheid een nieuwe verdeelsleutel vaststellen voor de kosten van de bodemsaneringswerken en het eindevaluatieonderzoek.


HOOFDSTUK IV.
Oriėnterend bodemonderzoek en beschrijvend bodemonderzoek


Afdeling I.
Oriėnterend bodemonderzoek


Onderafdeling I.
Aanvullende onderzoeksverrichtingen en conformverklaring van het oriėnterend bodemonderzoek


Art. 55. [...]

Art. 56. [...]

Art. 57. [...]

Onderafdeling II.
Verplichting om een oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren


A.
Overdracht van risicogrond bij gedwongen mede-eigendom

Art. 58. [...]

Art. 59. [...]

Art. 60. [...]

B.
Periodieke verplichting om een oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren

Art. 61.

De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de kolom 'Categorie' van de lijst in bijlage I, gevoegd bij dit besluit, met de letter B zijn aangeduid, en de exploitanten van de risico-inrichtingen die in kolom 8 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, met de letter B zijn aangeduid, evenals met de letter B* voor zover het gaat om een inrichting met ondergrondse opslag of met een combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag, moeten op eigen kosten een oriėnterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema :

een eerste maal :
  a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat : voor 31 december 2011;
  b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat : voor 31 december 2015;
  c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar geen oriėnterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen zes jaar na de aanvang van de exploitatie;
  d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar een oriėnterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen tien jaar na de aanvang van de exploitatie;
vervolgens periodiek om de tien jaar.

Art. 62.

De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de kolom 'Categorie' van de lijst in bijlage I, gevoegd bij dit besluit, met de letter A zijn aangeduid, en de exploitanten die in de lijst in bijlage 1 van VLAREM I in de kolom 'VLAREBO' met de letter A zijn aangeduid, evenals met de letter A* voor zover het gaat om een inrichting met ondergrondse opslag of met een combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag, en met de letter B* voor zover het gaat om een inrichting met uitsluitend bovengrondse opslag, moeten op eigen kosten een oriėnterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema :

een eerste maal :
a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat : voor 31 december 2013;
b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat : voor 31 december 2017;
c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar geen oriėnterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen twaalf jaar na de aanvang van de exploitatie;
d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar een oriėnterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen twintig jaar na de aanvang van de exploitatie;
vervolgens periodiek om de twintig jaar.

Art. 63. [...]

Onderafdeling III.
Uitzondering op de verplichting om een volledig nieuw oriėnterend bodemonderzoek uit te voeren


A.
Geen nieuw oriėnterend bodemonderzoek

Art. 64.

§ 1.

Er moet geen nieuw oriėnterend bodemonderzoek worden uitgevoerd als sedert de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriėnterend bodemonderzoek op de te onderzoeken grond geen risico-inrichting gevestigd is of was. Als er sedert die datum wel een risico-inrichting gevestigd is of was, moet ook geen nieuw oriėnterend bodemonderzoek worden uitgevoerd als de ondertekening van het meest recente verslag van oriėnterend bodemonderzoek dateert van minder dan een jaar voor de rechtshandeling die of het rechtsfeit dat krachtens het Bodemdecreet de verplichting tot het uitvoeren van een oriėnterend bodemonderzoek met zich meebrengt.

 

§ 2.

In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, moet in de volgende situaties toch een nieuw oriėnterend bodemonderzoek worden uitgevoerd :

de ruimtelijke omschrijving van de onderzochte grond stemt niet meer overeen met de ruimtelijke omschrijving van de grond waarop de onderzoeksplicht rust;
de bestemming van de te onderzoeken grond conform de vigerende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen is sedert de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriėnterend bodemonderzoek gewijzigd in die zin dat een bestemmingstype met een lagere bodemsaneringsnorm van toepassing is;
sedert de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriėnterend bodemonderzoek heeft er zich een schadegeval op de grond voorgedaan.
Het nieuwe oriėnterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 28, § 2, van het Bodemdecreet.

 

§ 3.

Paragraaf 1 is niet van toepassing op de onderzoeksverplichtingen, vermeld in artikel 33bis, § 1 en § 2, van het Bodemdecreet. Voor de onderzoeksplicht, vermeld in artikel 33bis, § 2, van het Bodemdecreet, wordt geen nieuw oriėnterend bodemonderzoek uitgevoerd als in het kader van de exploitatie van de risico-inrichting op de grond in het verleden al een oriėnterend bodemonderzoek werd uitgevoerd.


Art. 65. [...]

B.
Beperkte aanvulling van het oriėnterend bodemonderzoek

Art. 66. [...]

C.
Bundeling en aanvulling van de beschikbare onderzoeksgegevens

Art. 67. [...]

Art. 67/1. [...]

Afdeling II.
Beschrijvend bodemonderzoek

[...]


Art. 68. [...]

Art. 69. [...]

Art. 70. [...]

Art. 71. [...]

Afdeling III.
Oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek

[...]


Art. 72. [...]

Art. 73. [...]

Art. 74. [...]

Art. 75. [...]

Art. 76. [...]

HOOFDSTUK V.
Bodemsanering


Afdeling I.
Bodemsaneringsproject


Onderafdeling I.
Kennisgeving van het bodemsaneringsproject aan de OVAM


Art. 77.

Het bodemsaneringsproject wordt bij de OVAM ingediend via het e-loket van de OVAM, zoals bepaald in de standaardprocedure, vermeld in artikel 47, § 2, van het Bodemdecreet.


Onderafdeling II.
Inhoud van het bodemsaneringsproject


Art. 78.

Een bodemsaneringsproject bevat minstens de volgende gegevens :

een niet-technische samenvatting van het bodemsaneringsproject;
de volgende identificatiegegevens :
a) de identificatie van de te saneren gronden waarop het bodemsaneringsproject betrekking heeft;
b) de identificatie van de gronden waarop werken noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren, inclusief de coördinaten van hun eigenaar en gebruiker en, indien van toepassing, de coördinaten van de vereniging van mede-eigenaars;
de volgende specifieke informatie in geval van :
a) een gefaseerd bodemsaneringsproject : de motivatie waarom een gefaseerd bodemsaneringsproject wordt opgesteld;
b) aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject : de aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject;
c) een nieuw bodemsaneringsproject : de motivatie waarom een nieuw bodemsaneringsproject wordt opgesteld;
een overzicht van de verontreinigingstoestand en de eventueel uitgevoerde maatregelen en pilootproeven :
a) de resultaten van de relevante [...] oriėnterende en beschrijvende bodemonderzoeken, beschrijvende bodemonderzoeken of waterbodemonderzoeken die in voorkomend geval geactualiseerd werden;
b) de resultaten van de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van Titel III van het Bodemdecreet, die in voorkomend geval genomen werden, voor zover die een impact hebben op het bodemsaneringsproject;
c) de resultaten van de pilootproeven die in voorkomend geval werden uitgevoerd;
de volgende informatie over de behandeling van de bodemverontreiniging en de eventuele nazorg :
a) wat de technische mogelijkheden betreft om de bodemverontreiniging te behandelen :
1) de verschillende technische mogelijkheden om de bodemverontreiniging te behandelen en de resultaten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken naar de haalbaarheid van die technische mogelijkheden;
2) een raming van de kostprijs van die technische mogelijkheden;
3) een aanduiding van de impact van die technische mogelijkheden op het leefmilieu en van de resultaten waartoe ze zullen leiden, rekening houdend met de bepalingen van artikel 10 of 21 van het Bodemdecreet en met de eventuele beperkingen die ze zullen meebrengen bij het toekomstige gebruik van de verontreinigde gronden;
4) een afweging van de in overweging genomen relevante technische mogelijkheden om de beste beschikbare techniek voor te stellen overeenkomstig artikel 48;
b) de maatregelen die de opsteller van het bodemsaneringsproject voorstelt te nemen overeenkomstig artikel 10 of 21 van het Bodemdecreet, en de termijnen waarbinnen die maatregelen zullen worden genomen;
c) de verenigbaarheid van het potentiėle gebruik van de verontreinigde gronden na bodemsanering met de vigerende of voorlopig vastgelegde bestemming;
d) de beperkingen die tijdens of na de uitvoering van de bodemsanering zullen gelden krachtens artikel 72 van het Bodemdecreet;
e) de wijze waarop de tijdelijk of definitief weggenomen verontreinigende stoffen of delen van de bodem of opstallen zullen worden behandeld of verwerkt;
f) de beschrijving van de maatregelen die zullen worden genomen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken;
g) de weerslag van de uitvoering van de bodemsaneringswerken op de naburige gronden;
h) de activiteiten op de naburige gronden voor zover die een impact kunnen hebben op de bodemsanering;
i) de eventuele nazorg en de termijn waarvoor die van kracht is;
de volgende gegevens over eventuele meldings- of vergunningsplichtige inrichtingen, activiteiten of handelingen in het kader van de bodemsaneringswerken :
a) als de uitvoering van de bodemsaneringswerken activiteiten omvat die krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid of de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 meldings- of vergunningsplichtig zijn : de relevante gegevens over die meldings- of vergunningsplichtige inrichtingen, activiteiten of handelingen;

b)

als de uitvoering van de bodemsaneringswerken activiteiten omvat waarvoor met toepassing van artikel 4.3.2, § 2bis, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een project-m.e.r-screeningnota moet worden opgesteld : een project-m.e.r.-screeningnota waarin voor de voormelde voorgenomen activiteiten wordt aangegeven of er aanzienlijke effecten voor mens en milieu te verwachten zijn;

c)

als de uitvoering van de bodemsaneringswerken activiteiten omvat waarvoor met toepassing van artikel 47bis, § 2, van het Bodemdecreet of artikel 4.3.2, § 1, of § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een project-MER moet worden opgesteld : de gegevens, vermeld in artikel 4.3.7, van het voormelde decreet van 5 april 1995;

d) als de uitvoering van de bodemsaneringswerken het exploiteren of het veranderen van een inrichting impliceert waarvoor een omgevingsveiligheidsrapport vereist is krachtens de geldende wetgeving : de relevante gegevens daarover.
in voorkomend geval, het gemotiveerde verzoek, vermeld in artikel 52 van het Bodemdecreet.

 

 


Art. 78/1.

Als de persoon die tot bodemsanering overgaat overeenkomstig artikel 47ter, § 2, van het Bodemdecreet, de OVAM verzoekt een advies uit te brengen over de inhoud van de gegevens die het bodemsaneringsproject als gevolg van de verplichting inzake project-MER moet bevatten, raadpleegt de OVAM in dat verband de persoon die tot bodemsanering overgaat, de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage en de adviesverlenende instanties, vermeld in artikel 83, 1° en 2°, en artikel 84, voor ze haar advies uitbrengt.


Onderafdeling III.
Ontvankelijkheid en volledigheid van het bodemsaneringsproject


Art. 79.

Het bodemsaneringsproject is onontvankelijk als de kennisgeving van het bodemsaneringsproject niet conform de bepalingen van artikel 77 is.

 

Het bodemsaneringsproject is onvolledig als het bodemsaneringsproject niet minstens de gegevens, vermeld in artikel 78, bevat.


Art. 80.

De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid en de volledigheid van het bodemsaneringsproject. Als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject onontvankelijk of onvolledig is, of als het bodemsaneringsproject van rechtswege onvolledig is, stelt ze de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject in kennis van die beslissing binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject.


Onderafdeling IV.
Kennisgeving door de OVAM van de indiening van een ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject


Art. 81.

De OVAM brengt de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop werken noodzakelijk zijn om de verdere bodemsanering uit te voeren binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject op de hoogte dat een ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject bij de OVAM werd ingediend.

 

In de kennisgeving vermeldt de OVAM dat ze de mogelijkheid hebben om :

kennis te nemen van het bodemsaneringsproject op de zetel van de OVAM, en bij de diensten van de gemeente als de bodemsaneringswerken inrichtingen omvatten die vergunningsplichtig zijn krachtens het decreet betreffende de omgevingsvergunning;
bezwaren of opmerkingen op het bodemsaneringsproject bij [...] brief aan de OVAM mee te delen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van die kennisgeving.

Als de grond waarop werken noodzakelijk zijn om de verdere bodemsanering uit te voeren een mede-eigendom als vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek betreft, doet de OVAM de kennisgeving, in afwijking van het eerste lid, alleen aan de vereniging van mede-eigenaars. De vereniging van mede-eigenaars brengt de eigenaars en gebruikers van die mede-eigendom op de hoogte van de kennisgeving van de OVAM binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan.


Art. 82.

De kennisgevingsverplichting, vermeld in artikel 81, geldt niet ten aanzien van de eigenaars en gebruikers waarvan het gedagtekende en ondertekende akkoord of de gedagtekende en ondertekende bezwaren of opmerkingen opgenomen zijn in het bodemsaneringsproject.


Onderafdeling V.
Openbaar onderzoek en advies


Art. 83.

Als het bodemsaneringsproject de exploitatie van ingedeelde inrichtingen omvat die overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het decreet betreffende de omgevingsvergunning vergunningsplichtig zijn, legt de OVAM het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan voor advies voor aan de volgende instanties :

het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de vergunningsplichtige inrichtingen worden gevestigd;
de andere overheidsorganen die krachtens artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning aangewezen zijn om advies uit te brengen over een omgevingsvergunningsaanvraag voor die inrichtingen, met uitzondering van de OVAM.

Art. 84. Als het bodemsaneringsproject stedenbouwkundige handelingen omvat die overeenkomstig artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vergunningsplichtig zijn, legt de OVAM het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan voor advies voor aan de gewestelijke omgevingsambtenaar.

Art. 85. Als het bodemsaneringsproject werken omvat waarvoor een project-MER vereist is, legt de OVAM het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan voor advies voor aan de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage.

Als het bodemsaneringsproject werken omvat waarvoor een omgevingsveiligheidsrapport vereist is, legt de OVAM het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan voor advies voor aan de afdeling, bevoegd voor veiligheidsrapportage.

Art. 86.

In de gevallen, vermeld in artikel 83 tot en met 85, bezorgt de OVAM binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan het bodemsaneringsproject aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de vergunningsplichtige inrichtingen of werken gevestigd zijn of uitgevoerd worden, en waarop werken worden uitgevoerd waarvoor een project-MER of een omgevingsveiligheidsrapport vereist is.

 

Binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan maakt de burgemeester het bodemsaneringsproject gedurende dertig dagen bekend door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn en op de plaatsen die gereserveerd zijn voor de officiėle berichten van bekendmaking. Gedurende diezelfde periode van dertig dagen legt hij het bodemsaneringsproject ter inzage bij de diensten van het gemeentebestuur. Tijdens die periode van bekendmaking kan iedereen schriftelijk bezwaren en opmerkingen richten aan het college van burgemeester en schepenen. Na afloop van de periode van bekendmaking maakt de burgemeester een proces-verbaal op over de ingediende bezwaren en opmerkingen. Uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject wordt het proces-verbaal aan de OVAM bezorgd. Als het bodemsaneringsproject werken omvat waarvoor een project-MER vereist is, kan het bodemsaneringsproject gedurende diezelfde periode van dertig dagen ook digitaal geraadpleegd worden op de website van de OVAM.

 

De adviesverlenende instanties, vermeld in artikel 83, 84 en 85, tweede lid, verlenen hun advies over het bodemsaneringsproject aan de OVAM uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject. Bij gebrek aan advies binnen die termijn wordt aangenomen dat een gunstig advies werd uitgebracht en kan de procedure worden voortgezet.

 

Als het bodemsaneringsproject werken omvat waarvoor een project-MER vereist is, bezorgt de OVAM uiterlijk tachtig dagen na de ontvangst van het bodemsaneringsproject het proces-verbaal, vermeld in het tweede lid, en de adviezen, vermeld in het derde lid, aan de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage. Uiterlijk honderdtwintig dagen na de ontvangst van het bodemsaneringsproject verleent de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, haar advies over het bodemsaneringsproject aan de OVAM. Bij gebrek aan advies binnen die termijn wordt aangenomen dat een gunstig advies is uitgebracht en kan de procedure worden voortgezet.


Onderafdeling VI.
Conformverklaring van het bodemsaneringsproject


Art. 87.

Overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het bodemsaneringsproject met de vereisten van artikel 47 tot en met 48 van het Bodemdecreet, en met de procedure, vastgesteld krachtens artikel 49 van het Bodemdecreet.


Art. 88.

§ 1.

Als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject conform de vereisten van artikel 47 tot en met 48 van het Bodemdecreet werd opgesteld en de procedure, vermeld in artikel 49 van het Bodemdecreet, werd nageleefd, levert ze een conformiteitsattest af voor het bodemsaneringsproject.

 

Met behoud van de mogelijkheid van de OVAM om wijzigingen of aanvullingen op te leggen, kan de OVAM eenzijdig aanvullingen of bijzondere voorwaarden in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject opnemen.

 

§ 2.

De OVAM brengt het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject ter kennis van de volgende personen of instanties :

de saneringsplichtige;
de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject;
de eigenaars en gebruikers van gronden waarop werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren;
het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de bodemsaneringswerken zullen worden uitgevoerd;
de andere overheidsorganen, vermeld in artikel 83 tot en met 85, die advies hebben uitgebracht;
de Vlaamse administratie bevoegd voor milieu-inspectie.


Op bevel van de burgemeester wordt het conformiteitsattest binnen een termijn van tien dagen na de ontvangst ervan bekendgemaakt door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn, alsook op de plaatsen die voorbehouden zijn voor de officiėle berichten van bekendmaking, en gedurende dertig dagen ter inzage gelegd bij de diensten van het gemeentebestuur.


Art. 89.

§ 1.

Als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject niet conform de vereisten van artikel 47 tot en met 48 van het Bodemdecreet werd opgesteld, en de procedure, vermeld in artikel 49 van het Bodemdecreet, niet werd nageleefd, legt ze aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject op.

 

Als de OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen het aangepaste bodemsaneringsproject aan de OVAM moet worden bezorgd. Het aangepast bodemsaneringsproject wordt aan de OVAM bezorgd op dezelfde wijze als vermeld in artikel 77 van dit besluit.

 

§ 2.

De OVAM stelt de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject in kennis van de beslissing over het opleggen van aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject.


Afdeling II.
Beperkt bodemsaneringsproject


Onderafdeling I.
Kennisgeving van het beperkte bodemsaneringsproject aan de OVAM


Art. 90.

Het beperkt bodemsaneringsproject wordt via het e-loket van de OVAM ingediend, zoals bepaald in de standaardprocedure, vermeld in artikel 57 en artikel 47, § 2, van het Bodemdecreet.


Onderafdeling II.
Inhoud van het beperkt bodemsaneringsproject


Art. 91.

Het beperkt bodemsaneringsproject bevat minstens de volgende gegevens :

een niet-technische samenvatting van het beperkt bodemsaneringsproject;

 
de volgende identificatiegegevens :
a) de identificatie van de te saneren gronden waarop het beperkt bodemsaneringsproject betrekking heeft;
b) de identificatie van de gronden waarop werken noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren, inclusief de coördinaten van hun eigenaar en gebruiker en, indien van toepassing, de coördinaten van de vereniging van mede-eigenaars;


 
de volgende specifieke informatie in geval van :
a) een gefaseerd beperkt bodemsaneringsproject : de motivatie waarom een gefaseerd beperkt bodemsaneringsproject wordt opgesteld;
b) aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject : de aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject;
c) een nieuw beperkt bodemsaneringsproject : de motivatie waarom een nieuw beperkt bodemsaneringsproject wordt opgesteld;
het advies van de bevoegde administratie als de uitvoering van de bodemsaneringswerken het exploiteren of veranderen impliceert van een inrichting waarvoor een project-MER of een omgevingsveiligheidsrapport vereist is krachtens de geldende wetgeving;


 
een overzicht van de verontreinigingstoestand en andere randvoorwaarden :
a) de resultaten van de relevante [...] oriėnterende en beschrijvende bodemonderzoeken, beschrijvende bodemonderzoeken of waterbodemonderzoeken die in voorkomend geval geactualiseerd werden;
b) de resultaten van de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van Titel III van het Bodemdecreet, die in voorkomend geval genomen werden, voor zover die een impact hebben op het beperkt bodemsaneringsproject;
c) de resultaten van de pilootproeven die in voorkomend geval werden uitgevoerd;












 
de volgende informatie over de behandeling van de bodemverontreiniging en de eventuele nazorg :
a) wat de technische mogelijkheden betreft om de bodemverontreiniging te behandelen :
1) de verschillende relevante technische mogelijkheden om de bodemverontreiniging te behandelen en de resultaten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken naar de haalbaarheid van die technische mogelijkheden;
2) een raming van de kostprijs van die technische mogelijkheden;
3) een aanduiding van de impact van die technische mogelijkheden op het leefmilieu en van de resultaten waartoe ze zullen leiden, rekening houdend met de bepalingen van artikel 10 of 21 van het Bodemdecreet en met de eventuele beperkingen die ze zullen meebrengen bij het toekomstig gebruik van de verontreinigde gronden;
4) een afweging van de in overweging genomen relevante technische mogelijkheden om de beste beschikbare techniek voor te stellen overeenkomstig artikel 48;
b) de maatregelen die de opsteller van het bodemsaneringsproject voorstelt te nemen overeenkomstig artikel 10 of 21 van het Bodemdecreet en de termijnen waarbinnen die maatregelen zullen worden genomen;
c) de verenigbaarheid van het potentiėle gebruik van de verontreinigde gronden na bodemsanering met de vigerende of voorlopig vastgelegde bestemming;
d) de beperkingen die tijdens of na de uitvoering van de bodemsanering zullen gelden krachtens artikel 72 van het Bodemdecreet;
e) de wijze waarop de tijdelijk of definitief weggenomen verontreinigende stoffen of delen van de bodem of opstallen zullen worden behandeld of verwerkt;
f) de beschrijving van de maatregelen die zullen worden genomen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken;
g) de weerslag van de uitvoering van de bodemsaneringswerken op de naburige gronden;
h) de activiteiten op de naburige gronden voor zover die een impact kunnen hebben op de bodemsanering;

i)

de eventuele nazorg en de termijn waarvoor die van kracht is.

het schriftelijk akkoord, vermeld in artikel 56 van het Bodemdecreet.

 


Onderafdeling III.
Ontvankelijkheid en volledigheid van het beperkt bodemsaneringsproject


Art. 92.

Het beperkt bodemsaneringsproject is onontvankelijk in de volgende gevallen :

de kennisgeving van het beperkt bodemsaneringsproject wordt niet gedaan overeenkomstig artikel 90;
de OVAM is van oordeel dat de voorgestelde bodemsaneringswerken niet binnen een termijn van honderdtachtig dagen kunnen worden uitgevoerd.
de OVAM is van oordeel dat de voorgestelde bodemsaneringswerken meer dan slechts een beperkte impact hebben op mens en milieu.

Het beperkt bodemsaneringsproject is onvolledig als het niet minstens de gegevens, vermeld in artikel 91, bevat.


Art. 93.

De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid en de volledigheid van het beperkt bodemsaneringsproject. Als de OVAM van oordeel is dat het beperkt bodemsaneringsproject onontvankelijk of onvolledig is, deelt ze die beslissing aan de opdrachtgever van het beperkt bodemsaneringsproject mee binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het beperkt bodemsaneringsproject en het schriftelijk akkoord van de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om het beperkt bodemsaneringsproject uit te voeren.


Onderafdeling IV.
Conformverklaring van het beperkt bodemsaneringsproject


Art. 94.

Overeenkomstig artikel 58, § 1, van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het beperkt bodemsaneringsproject met de vereisten, vermeld in artikelen 56 en 57 van het Bodemdecreet uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het beperkt bodemsaneringsproject en het schriftelijk akkoord van de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om het beperkt bodemsaneringsproject uit te voeren.


Art. 95.

§ 1.

Als de OVAM van oordeel is dat het beperkt bodemsaneringsproject conform de vereisten, vermeld in artikelen 56 en 57 van het Bodemdecreet werd opgesteld, reikt ze een conformiteitsattest uit voor het beperkt bodemsaneringsproject.

 

Met behoud van de mogelijkheid van de OVAM om wijzigingen of aanvullingen op te leggen, kan de OVAM eenzijdig aanvullingen of bijzondere voorwaarden in het conformiteitsattest van het beperkt bodemsaneringsproject opnemen.

 

§ 2.

De OVAM brengt het conformiteitsattest van het beperkt bodemsaneringsproject ter kennis van :

 

de opdrachtgever van het beperkt bodemsaneringsproject;
het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de bodemsaneringswerken zullen worden uitgevoerd.

Op bevel van de burgemeester wordt het conformiteitsattest van het beperkt bodemsaneringsproject binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan bekendgemaakt door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn, en op de plaatsen die gereserveerd zijn voor de officiėle berichten van bekendmaking. Het conformiteitsattest van het beperkt bodemsaneringsproject wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd bij de diensten van het gemeentebestuur.


Art. 96.

§ 1.

Als de OVAM van oordeel is dat het beperkt bodemsaneringsproject niet conform de vereisten vermeld in artikelen 56 en 57 van het Bodemdecreet werd opgesteld, legt ze aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject op.

 

§ 2.

De OVAM stelt de opdrachtgever van het beperkt bodemsaneringsproject in kennis van de beslissing over het opleggen van aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject

 

Als de OVAM wijzigingen aan of aanvullingen op het beperkt bodemsaneringsproject oplegt, bepaalt ze de termijn waarbinnen het aangepaste beperkt bodemsaneringsproject aan haar moet worden bezorgd. Het aangepast beperkt bodemsaneringsproject wordt aan de OVAM bezorgd op dezelfde wijze als vermeld in artikel 90.


Afdeling III.
Bodemsaneringswerken


Onderafdeling I.
Wijziging of aanvulling van het conformverklaarde bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken


A.
Kleine wijziging of aanvulling

Art. 97.

De opdrachtgever van het bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken kan tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken een kleine wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject doen, als voldaan is aan de drie volgende voorwaarden :

 

door de aanpassing worden de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject niet gewijzigd;
door de aanpassing worden geen bijkomende gronden in de bodemsanering betrokken;
de aanpassing valt niet onder een van de gevallen, vermeld in artikel 102.

Art. 98.

Een kleine wijziging of aanvulling van het bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige en wordt gemeld aan de OVAM overeenkomstig de standaardprocedure, vermeld in artikel 62 van het Bodemdecreet.


B.
Grote wijziging of aanvulling

Art. 99.

De opdrachtgever van het bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken kan tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken een voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject bij de OVAM indienen, als de voorgestelde aanpassing niet valt onder een van de gevallen, vermeld in artikel 102.


Art. 100.

Een voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige en aan de OVAM bezorgd overeenkomstig de standaardprocedure, vermeld in artikel 62 van het Bodemdecreet.

 

Uiterlijk negentig dagen na ontvangst van het voorstel tot grote wijziging of aanvulling keurt OVAM het voorstel goed of af. Bij de goedkeuring van het voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het bodemsaneringsproject kan de OVAM de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject wijzigen of aanvullen.

 

De OVAM stelt de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken in kennis van haar beslissing over het voorstel van grote wijziging of aanvulling, in voorkomend geval met de aangepaste voorwaarden van het conformiteitsattest.


Onderafdeling II.
Aanvulling of wijziging van het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken


Art. 101.

De bepalingen van artikelen 97 tot en met 100 zijn van overeenkomstige toepassing.


Onderafdeling III.
Nieuw bodemsaneringsproject of nieuw beperkt bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken


Art. 102.

In de volgende gevallen kan de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken geen voorstel tot kleine of grote wijziging of aanvulling bij de OVAM indienen, maar moet hij de voorgestelde aanpassing aanvragen door een nieuw bodemsaneringsproject of een nieuw beperkt bodemsaneringsproject op te stellen :

door de voorgestelde aanpassing worden de maatregelen ter behandeling van de bodemverontreiniging, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, in die mate gewijzigd dat een bijkomende vergunning noodzakelijk is;
door de voorgestelde aanpassing wordt de meldingsplichtige inrichting of de inrichting met verplichte omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, ingedeeld in een hogere klasse krachtens de bepalingen van het decreet betreffende de omgevingsvergunning
door de voorgestelde aanpassing is voor de meldingsplichtige inrichting of de inrichting met verplichte omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, krachtens de geldende regelgeving een milieueffectrapport of een veiligheidsrapport vereist;
de voorgestelde aanpassing heeft betrekking op de lozingswijze of houdt een aanpassing van de emissiegrenswaarden in;
door de voorgestelde aanpassing wordt een duidelijk onderscheidbare bodemverontreinigingskern die niet is opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject in de bodemsanering betrokken;
door de voorgestelde aanpassing wordt een bodemverontreiniging met verontreinigende stoffen met duidelijk andere stofeigenschappen dan de verontreinigende stoffen die in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject zijn opgenomen, in de bodemsanering betrokken;
door de voorgestelde aanpassing worden bijkomende gronden in de bodemsanering betrokken zonder dat het akkoord van de eigenaars en gebruikers van die gronden werd verkregen.

Onderafdeling IV.
Kennisgeving van de bodemsaneringswerken en plaatsbeschrijving


Art. 103.

De opdrachtgever van de bodemsaneringswerken stelt tijdig de volgende personen in kennis van de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken :

de eigenaars en gebruikers van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren;
de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop de uitvoering van de bodemsaneringswerken mogelijk een negatieve weerslag kan hebben.

De kennisgeving vermeldt in het kort de doelstelling van de bodemsaneringswerken en bevat een uitnodiging voor de plaatsbeschrijving.


Art. 104. Ten minste acht dagen voor de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken maakt een beėdigd landmeter, op verzoek van de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken, een plaatsbeschrijving op van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren alsook van de gronden waarop mogelijk een negatieve weerslag kan worden verwacht ten gevolge van de uitvoering van de bodemsaneringswerken. De eigenaars en gebruikers van die gronden kunnen opmerkingen in het proces-verbaal van de plaatsbeschrijving laten opnemen.

HOOFDSTUK VI.
Andere maatregelen


Afdeling I.
Risicobeheer


Onderafdeling I.
Verzoek tot toepassing van risicobeheer


Arikel 105. [...]

Art. 106. [...]

Art. 107. [...]

Onderafdeling II.
Risicobeheersplan


A.
Kennisgeving van het risicobeheersplan

Art. 108. [...]

B.
Inhoud van het risicobeheersplan

Art. 109. [...]

C.
Ontvankelijkheid en volledigheid van het risicobeheersplan

Art. 110. [...]

Art. 111. [...]

D.
Kennisgeving door de OVAM van de indiening van een ontvankelijk en volledig risicobeheersplan

Art. 112. [...]

E.
Openbaar onderzoek en adviesverlening

Art. 113. [...]

F.
Conformverklaring van het risicobeheersplan

Art. 114. [...]

Art. 115. [...]

Onderafdeling III.
Opvolgingsrapporten


Art. 116. [...]

Art. 117. [...]

Onderafdeling IV.
Verhouding tussen risicobeheer en saneringsplicht


Art. 118. [...]

Art. 119. [...]

Art. 120. [...]

Afdeling II.
Bodempreventie- en bodembeheersplicht

[...]


Onderafdeling I.
Individueel bodempreventie- en bodembeheersplan

[...]


Art. 121. [...]

Art. 122. [...]

Art. 123. [...]

Onderafdeling II.
Sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan

[...]


Art. 124. [...]

Art. 125. [...]

HOOFDSTUK VII.
Vrijwillige uitvoering van beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen


Afdeling I.
Bodemsaneringsorganisaties


Onderafdeling I.
Aanduiding van activiteiten waarvoor een bodemsaneringsorganisatie kan worden opgericht


Art. 125/1.

Voor de volgende activiteiten kan een bodemsaneringsorganisatie als vermeld in artikel 95, § 1, van het Bodemdecreet, worden opgericht:

 

de chemische reiniging van textiel, alsook alle industriėle of commerciėle activiteiten waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en de kledingindustrie;
constructie-, herstel- en onderhoudswerkzaamheden die garage-, koetswerk- en aanverwante bedrijven uitvoeren aan motorvoertuigen in de ruimste zin zoals auto’s, moto’s, vrachtwagens, bestelwagens, landbouw- machines, bussen en aanhangwagens.

Onderafdeling I/1.
Erkenning van een bodemsaneringsorganisatie


Art. 126.

Een bodemsaneringsorganisatie kan erkend worden door de Vlaamse Regering als ze voldoet aan de voorwaarden van het Bodemdecreet, en aan de volgende aanvullende erkenningsvoorwaarden :

 

een bodemsaneringsorganisatie is opgericht als vereniging zonder winstgevend doel overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;
een bodemsaneringsorganisatie heeft als statutair doel de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikelen 96 en 97 van het Bodemdecreet;
de bestuurders van de bodemsaneringsorganisatie en de personen die de bodemsaneringsorganisatie kunnen verbinden, hebben hun burgerlijke en politieke rechten.

Art. 127.

§ 1.

De aanvraag tot erkenning wordt ingediend [...] bij de minister. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag minstens de volgende gegevens bevatten :

een kopie van de statuten zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
een financieel plan waarin onder meer de volgende gegevens zijn opgenomen :
  a) de wijze waarop de financieringsmiddelen geļnd worden;
  b) de wijze waarop de opbrengsten worden toegewezen ten voordele van de werking van de bodemsaneringsorganisatie;
  c) een schatting van de uitgaven, inclusief de werkingskosten;
  d) de financieringswijze van eventuele tekorten;
de wijze waarop aan het algemeen bodempreventieplan invulling wordt gegeven;
een model van overeenkomst als vermeld in artikel 97, § 1, van het Bodemdecreet, met de gegevens, vermeld in artikel 132, § 2;
een ondernemingsplan;
de vermelding van de activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie werd opgericht;
het bewijs van de representativiteit van de organisaties, vermeld in artikel 95, § 2, van het Bodemdecreet;
een bewijs van goed zedelijk gedrag van de bestuurders en oprichters van de bodemsaneringsorganisatie en van de personen die de bodemsaneringsorganisatie kunnen verbinden.

 

§ 2.

Op advies van de OVAM stuurt de minister binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager waarbij de minister zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag. De minister verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige wijzigingen of aanvullingen. Als de minister om wijzigingen of aanvullingen verzoekt, wordt de aangepaste aanvraag [...] naar de minister gestuurd. De minister verzendt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aangepaste aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de minister zich op advies van de OVAM ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangepaste aanvraag.

 

§ 3.

De minister heeft het recht aanvullende stukken op te vragen bij de bodemsaneringsorganisatie die een erkenningsaanvraag heeft ingediend.


Art. 128.

Op advies van de OVAM bezorgt de minister een voorstel van beslissing over de erkenning aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de erkenning binnen een termijn van negentig dagen na de verzending van het ontvangstbewijs van de aanvraag waarbij die ook ontvankelijk werd verklaard.

 

Binnen een termijn van tien dagen na het nemen van de beslissing, wordt de beslissing van de Vlaamse Regering over de erkenning bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de aanvrager betekend. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

 

De beslissing over de erkenning als bodemsaneringsorganisatie blijft van rechtswege geschorst tot aan de voorlegging van de verzekeringsovereenkomst, vermeld in artikel 129, 3°.

 

Een bodemsaneringsorganisatie wordt erkend voor een periode van maximaal dertig jaar.

 

[...]


Onderafdeling II.
Voorwaarden voor het gebruik van de erkenning


Art. 129.

Een erkende bodemsaneringsorganisatie is gehouden tot :

het blijven voldoen aan de voorwaarden van de erkenning, vermeld in artikel 126;
het verstrekken van alle relevante informatie op afdoende en tijdige wijze;
het sluiten van een verzekeringscontract tot dekking van de schade die voortvloeit uit de uitoefening van de taken, vermeld in artikel 96 en 97 van het Bodemdecreet, binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing over de erkenning als bodemsaneringsorganisatie;
het beschikken over een algemeen bodempreventieplan en het jaarlijks voor 31 december aan de OVAM voorleggen van een omstandig verslag over de implementatie van het algemeen bodempreventieplan in het afgelopen jaar en de geplande uitvoering ervan in het komende jaar;
jaarlijks voor 31 december en voor het eerst het jaar na de erkenning het opmaken en ter goedkeuring voorleggen aan de OVAM van een saneringsprogramma als vermeld in artikel 97, § 2, van het Bodemdecreet. Het jaarlijks saneringsprogramma moet minstens de volgende documenten bevatten :
  a) een lijst van alle taken waartoe de bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig artikel 97, § 1, van het Bodemdecreet;
  b) een evaluatie van de prioriteit van de tijdens het werkingsjaar uit te voeren taken, gesteund op het risico van de vastgestelde verontreiniging voor mens en milieu, socio-economische overwegingen, en de financiėle draagkracht van de bodemsaneringsorganisatie;
  c) een raming van de globale kostprijs van de tijdens het werkingsjaar uit te voeren taken;
  d) een omstandig verslag betreffende de tenuitvoerlegging van het vorige saneringsprogramma, met inbegrip van een toelichting van de eventuele afwijkingen van dat programma;
  e) een gedetailleerd overzicht van de uitgevoerde werken die voor subsidiėring in aanmerking kwamen;
jaarlijks voor 15 maart en voor het eerst in het jaar dat volgt na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing over de erkenning als bodemsaneringsorganisatie, het indienen bij de OVAM van de volgende documenten :
  a) een financieel jaarverslag, geattesteerd door een bedrijfsrevisor;
  b) een verklaring door een bedrijfsrevisor dat de boekhouding volgens de juiste principes is gehouden;
  c) een verslag van een bedrijfsrevisor over de balansen en resultatenrekeningen van het voorbije jaar;
  d) de begroting voor het volgende jaar;
het jaarlijks indienen bij de OVAM van alle nuttige gegevens en prognoses over de uitvoering en de financiering van de bodemsaneringen in het voorbije en het lopende werkingsjaar. De informatie moet gebundeld worden als bijlage bij het jaarlijkse saneringsprogramma. Eventuele afwijkingen tussen de uitgevoerde taken en wat vooropgesteld was in het saneringsprogramma van het voorgaande jaar, moeten verantwoord worden. Onder nuttige gegevens worden onder andere begrepen :
  a) het aantal uitgevoerde bodemonderzoeken, opgestelde bodemsaneringsprojecten, gestarte bodemsaneringswerken en afgesloten bodemsaneringen, voorzorgsmaatregelen en nazorg;
  b) een statistisch verslag over de resultaten van de bodemonderzoeken;
  c) een statistisch verslag over de kostprijs van de bodemonderzoeken, de bodemsaneringsprojecten en de bodemsaneringswerken, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het vaste deel van de aarde en het grondwater;
  d) een statistisch verslag over de gebruikte bodemsaneringstechnieken en de frequentie waarmee ze gebruikt worden;
  e) een statistisch verslag over de grondbalans per terrein waarop bodemsaneringswerken plaatsvinden of hebben plaatsgevonden met een overzicht van de hoeveelheid uitgegraven bodem, alsook de plaats en wijze van verwerking;
het meedelen aan de minister [...] van elke wijziging van de statuten, samenstelling van de algemene vergadering of raad van bestuur binnen een termijn van vijf werkdagen;
het bijhouden van een klachtenregister dat ter inzage ligt van de OVAM;
10° het bijhouden van alle relevante documenten en gegevens over de uitvoering van de taken, vermeld in artikelen 96 en 97 van het Bodemdecreet, op digitale drager volgens een formaat dat bepaald wordt door de OVAM.

Onderafdeling III.
Wetgeving overheidsopdrachten


Art. 130. Een erkende bodemsaneringsorganisatie moet de reglementering inzake overheidsopdrachten naleven voor alle aannemingen van werken, leveringen en diensten die ze in het kader van haar opdracht gunt met betrekking tot het onderzoek en de sanering van bodemverontreiniging die veroorzaakt is door de activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie is opgericht.

Onderafdeling IV.
Toezicht op een erkende bodemsaneringsorganisatie


Art. 131.

§ 1.

De OVAM kan elk onderzoek uitvoeren dat ze noodzakelijk acht bij de uitoefening van haar bevoegdheden, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit. De OVAM kan daarvoor op elk moment een erkende bodemsaneringsorganisatie vragen om mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van haar taken, vermeld in artikel 96 of 97 van het Bodemdecreet. De OVAM kan alle documenten en gegevens van een erkende bodemsaneringsorganisatie opvragen. De bestuurders en de personeelsleden van een bodemsaneringsorganisatie moeten aan de OVAM alle toelichtingen en elke vorm van informatie verschaffen als ze daarom verzoekt.

 

De OVAM heeft het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te laten voorleggen. De OVAM kan ook een erkende bodemsaneringsorganisatie verzoeken om in haar bijzijn en met haar uitrusting kopieėn te maken in de door de OVAM gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de controle uit te oefenen op de naleving van de verplichtingen, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit.

 

§ 2.

De documenten en informatie, vermeld in § 1, moeten op verzoek van de OVAM binnen een door haar bepaalde termijn worden meegedeeld.

 

§ 3.

De OVAM kan te allen tijde de boekhouding laten nazien door een bedrijfsrevisor die ze aanstelt. Die opdracht wordt dan uitgevoerd op kosten van de erkende bodemsaneringsorganisatie.

 

§ 4.

De OVAM evalueert het jaarlijkse saneringsprogramma dat haar door de erkende bodemsaneringsorganisatie overeenkomstig artikel 129, 5°, wordt voorgelegd, en geeft haar goedkeuring of weigering binnen een termijn van zestig dagen nadat het programma werd voorgelegd. In geval van weigering moet een aangepast saneringsprogramma, dat rekening houdt met de door de OVAM geformuleerde opmerkingen, worden ingediend binnen de termijn die de OVAM bepaalt.

 

§ 5.

De OVAM verifieert hoe de erkende bodemsaneringsorganisatie de haar toevertrouwde taken waarneemt, alsook de informatie die aan haar moet worden meegedeeld krachtens het Bodemdecreet of dit besluit.


Onderafdeling V.
Voorwaarden van de overeenkomsten


Art. 132.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

Het model van overeenkomst, vermeld in artikel 127, § 1, 4°, moet minstens de volgende gegevens vermelden :

de naam van de partijen;
de uitdrukkelijke vermelding ter uitvoering van welke decretale bepaling de overeenkomst wordt gesloten;
de verplichtingen van de bodemsaneringsorganisatie, en minstens :
  a) de omschrijving van de bodemverontreiniging waarvoor de verplichting of het engagement tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering aan de erkende bodemsaneringsorganisatie wordt overgedragen;
  b) de voorwaarden van kennisgeving van de contractant door de bodemsaneringsorganisatie over de uitvoering van de overeenkomst;
  c) de wijze van informatieverlening aan de contractant;
  d) de wijze van betaling door de contractant;
  e) de wijze van zekerheidstelling door de contractant;
  f) het jaarlijks inlichten van de contractant over de verwachte uitvoeringsdatum van de onderzoeken en de bodemsanering;
  g) het feit dat de contractant ingelicht zal worden over de eventuele schorsing of intrekking van de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie en de wijze waarop dat in voorkomend geval zal gebeuren;
de looptijd van de overeenkomst;
[...]
de verplichtingen van de contractant :
  a) de tijdige en correcte betaling van de overeengekomen bedragen volgens de te bepalen voorwaarden;
  b) de uitdrukkelijke aanvaarding van het saneringsprogramma en de saneringswijze, vermeld in het conform verklaarde bodemsaneringsproject;
  c) de meldingsplicht over het bestaan van de overeenkomst door de contractant aan derden-belanghebbenden;
  d) de tijdige schriftelijke mededeling aan de bodemsaneringsorganisatie van alle informatie die van belang kan zijn voor of bij de uitvoering van de overeenkomst;
de sancties bij niet-naleving van de verbintenissen door de partijen, onder andere de terugkeer van de saneringsplicht in geval van tekortkomingen van de contractant;
[...]

 

§ 3.

De contractant, vermeld in § 2, 6°, is degene die een overeenkomst met de erkende bodemsaneringsorganisatie sluit als vermeld in artikel 127, § 1, [...] 4°.

 

§ 4.

De erkende bodemsaneringsorganisatie kan bij de minister altijd een verzoek indienen tot wijziging van het model, vermeld in paragraaf 2. De minister neemt daarover, op voorstel van de OVAM, een beslissing binnen negentig dagen nadat hij het verzoek heeft ontvangen.


Onderafdeling VI.
Schorsing en opheffing van de erkenning van een bodemsaneringsorganisatie


Art. 133.

§ 1.

Als een erkende bodemsaneringsorganisatie een van de verplichtingen, vermeld in het Bodemdecreet of dit besluit, niet of onvoldoende nakomt, kan de minister, op advies van de OVAM, een waarschuwing richten aan de bodemsaneringsorganisatie.

 

§ 2.

Na advies van de OVAM kan de minister aan de Vlaamse Regering voorstellen om de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie te schorsen of op te heffen als daartoe gegronde redenen bestaan, in het bijzonder in de volgende gevallen :

de erkende bodemsaneringsorganisatie voldoet niet of in onvoldoende mate aan de verplichtingen, vermeld in dit besluit, het Bodemdecreet of de aangegane overeenkomsten [...]; 
de erkende bodemsaneringsorganisatie geeft onvoldoende gevolg aan de waarschuwing, vermeld in § 1;
de erkende bodemsaneringsorganisatie handelt niet overeenkomstig de wetten, decreten, besluiten of de eigen statuten;
er wordt afwending van gelden vastgesteld.

 

§ 3.

De minister brengt de erkende bodemsaneringsorganisatie bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs op de hoogte van het voornemen tot schorsing of opheffing van de erkenning met vermelding van de reden. Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van die brief kan de bodemsaneringsorganisatie haar verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. De bodemsaneringsorganisatie kan ook binnen diezelfde periode gehoord worden als ze daarom verzoekt.

 

§ 4.

Binnen een termijn van dertig dagen na verloop van de termijn, vermeld in § 3, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de schorsing of opheffing van de erkenning. In geval de Vlaamse Regering de erkenning schorst of opheft, stelt de minister de erkende bodemsaneringsorganisatie bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in kennis van die beslissing. De beslissing tot schorsing of de opheffing van de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

 

§ 5.

De schorsing van de erkenning wordt pas beėindigd nadat de minister, op advies van de OVAM, de bodemsaneringsorganisatie daarvan bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in kennis heeft gesteld. De beėindiging van de schorsing van de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

 

§ 6.

Bij opheffing van de erkenning heeft de bodemsaneringsorganisatie alleen de mogelijkheid om opnieuw erkend te worden na het doorlopen van een nieuwe procedure tot erkenning als vermeld in artikelen 126 tot en met 128.


Onderafdeling VII.
Subsidiėring van een bodemsaneringsorganisatie


A.
Subsidie in het kader van artikel 98 van het Bodemdecreet

Art. 134.

[...] De subsidie, vermeld in artikel 98 van het Bodemdecreet, is maximaal gelijk aan de som van alle bijdragen die de bodemsaneringsorganisatie ontvangen heeft in het kader van de overeenkomsten die gesloten zijn ter uitvoering van artikel 97 van het Bodemdecreet, met behoud van de toepassing van de bepalingen van het tweede lid.

 

[...]

 

Voor de evaluatie van de door derden gemaakte en door de erkende bodemsaneringsorganisatie aanvaarde kosten, vermeld in artikel 98 van het Bodemdecreet, moet de erkende bodemsaneringsorganisatie een beoordelings- kader aan de OVAM voorleggen. Binnen zestig dagen nadat ze het beoordelingskader ontvangen heeft, keurt de OVAM het goed of legt ze aanvullingen of wijzigingen op. Als de OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, wordt het aangepaste beoordelingskader aan de OVAM bezorgd binnen een termijn die de OVAM bepaalt. Binnen zestig dagen nadat ze het aangepaste beoordelingskader ontvangen heeft, spreekt de OVAM zich erover uit. Op eenvoudig verzoek van de OVAM moet de erkende bodemsaneringsorganisatie het beoordelingskader aanpassen.


Art. 135.

Een erkende bodemsaneringsorganisatie die van de mogelijkheid, vermeld in artikel 98 van het Bodemdecreet, wil gebruikmaken, moet daartoe bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs minstens vijfjaarlijks een voorstel van subsidiėringsprogramma bezorgen aan de Vlaamse Regering, per adres van de minister, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 136 en 137.

 

Als de Vlaamse Regering het voorstel, vermeld in het eerste lid, goedkeurt, moet de bodemsaneringsorganisatie voor de vaststelling en uitkering van de bijdrage jaarlijks bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs een aanvraag tot subsidiėring indienen bij de Vlaamse Regering, per adres van de minister, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 138 en 139. Die aanvraag heeft steeds betrekking op de subsidiėring van de werking van de bodemsaneringsorganisatie in het jaar dat volgt op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidiėring.

 

In afwijking van het tweede lid, kan de bodemsaneringsorganisatie in het jaar dat ze haar erkenning aanvraagt een aanvraag tot startsubsidiėring van haar werking in dat jaar indienen. In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het bedrag van die subsidie hoger zijn dan de bijdragen die de bodemsaneringsorganisatie ontvangt in het jaar dat ze erkend wordt. Het verschil tussen die subsidie en de bijdragen ontvangen in dat jaar, wordt in mindering gebracht van de subsidie in de daaropvolgende drie jaren.


B.
Voorwaarden en procedure voor de toekenning van de subsidie

Art. 136.

Het eerste voorstel van subsidiėringsprogramma, vermeld in artikel 135, eerste lid, kan op zijn vroegst ingediend worden met de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 127. De volgende voorstellen van subsidiėringsprogramma moeten uiterlijk ingediend worden op 28 februari van het vierde subsidiejaar van het lopende subsidiėringsprogramma. Het voorstel van subsidiėringsprogramma moet gebaseerd zijn op de volgende prognoses en rapporten :

de prognose van de som van alle bedragen die de bodemsaneringsorganisatie de volgende vijf jaar meent te zullen ontvangen in het kader van de door haar gesloten of te sluiten overeenkomsten, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet;

een verantwoording van de omvang van de gelden, vermeld in punt 1°, in verhouding tot het financiėle draagvlak van alle natuurlijke personen of rechtspersonen die de activiteit uitoefenen waarvoor de bodemsaneringsorganisatie is opgericht. Dat draagvlak moet bepaald worden op basis van een omstandig rapport over de financiėle impact van de verplichtingen die de toepassing van het Bodemdecreet op die personen heeft, gerelateerd aan een omstandig rapport over de financiėle analyse van de personen met bepaling van hun algemene financiėle draagvlak.


Art. 137.

De minister bezorgt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van een voorstel van subsidiėringsprogramma een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van het voorstel. De minister kan steeds om de nodige wijzigingen of aanvullingen verzoeken.

 

Als de minister om wijzigingen of aanvullingen verzoekt, wordt het aangepaste voorstel van subsidiėringsprogramma opnieuw ingediend overeenkomstig artikel 135, eerste lid. De minister zendt binnen dertig dagen na ontvangst van het aangepaste voorstel een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich opnieuw uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van het voorstel van subsidiėringsprogramma.

 

Op advies van de OVAM bezorgt de minister een voorstel van beslissing over het voorstel van subsidiėringsprogramma aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering spreekt zich uit over het voorstel van subsidiėringsprogramma binnen een termijn van negentig dagen na het versturen van het ontvangstbewijs waarbij het voorstel tot subsidiėringsprogramma ontvankelijk en volledig werd verklaard. Binnen tien dagen nadat de beslissing genomen is, wordt die aan de bodemsaneringsorganisatie betekend.

 

Alle documenten die met de toepassing van dit artikel verstuurd worden, worden verstuurd bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.


Art. 138.

Een jaarlijkse aanvraag tot subsidiėring als vermeld in artikel 135 moet gebaseerd zijn op de volgende prognoses en rapporten :

 

de twee meest recente saneringsprogramma’s, vermeld in artikel 129, 5°;
de prognose van de som van alle bedragen die de bodemsaneringsorganisatie het lopende en het volgende jaar meent te zullen ontvangen in het kader van de door haar gesloten of te sluiten overeenkomsten, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet;
een financieel jaarverslag, geattesteerd door een bedrijfsrevisor, van het voorbije werkingsjaar.

 


Art. 139.

Een aanvraag tot subsidiėring als vermeld in artikel 135, tweede lid, moet voor het eerst ingediend worden uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op de beslissing, vermeld in artikel 137, derde lid. Nadien moet de aanvraag tot subsidiėring jaarlijks ingediend worden, uiterlijk op 31 maart.

 

Een aanvraag tot subsidiėring als vermeld in artikel 135, derde lid, kan ten vroegste ingediend worden samen met de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 127, § 1.

 

De minister bezorgt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van een aanvraag tot subsidiėring een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag. De minister kan steeds om de nodige wijzigingen of aanvullingen verzoeken.

 

Als de minister om wijzigingen of aanvullingen verzoekt, wordt de aangepaste aanvraag tot subsidiėring opnieuw ingediend overeenkomstig artikel 135, tweede lid. De minister zendt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aangepaste aanvraag een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich opnieuw uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aangepaste aanvraag tot subsidiėring.

 

De Vlaamse Regering spreekt zich, uiterlijk op 30 november van het jaar waarin de subsidie werd aangevraagd, uit over de aanvraag tot subsidiėring, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting door het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering houdt bij dat besluit rekening met haar besluit over het voorstel van subsidiėringsprogramma. Ze kan op basis van de intussen verkregen informatie en verslagen, vermeld in artikel 138, verrekenen wat te veel of te weinig werd uitbetaald in de voorgaande jaren.


Art. 140. De subsidie wordt uiterlijk op 31 december van het jaar waarop ze betrekking heeft, overgeschreven op de rekening van de bodemsaneringsorganisatie.

HOOFDSTUK VIII.
Overdrachten


Afdeling I.
Melding van overdracht van een risicogrond


Art. 141. [...]

Art. 142. [...]

Afdeling II.
Procedure tot vrijstelling van de saneringsplicht


Art. 143.

De overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde bezorgt zijn gemotiveerde standpunt tot vrijstelling van de saneringsplicht als vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet bij [...] aan de OVAM.

 

De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of voldaan is aan een van de elementen, vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 105, § 2, of artikel 110, § 2, van het Bodemdecreet, van toepassing is. De OVAM stelt de overdrager of de gemandateerde binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerde standpunt in kennis van haar beslissing.


Art. 144.

De risicogrond kan overgedragen worden als de OVAM haar beslissing heeft meegedeeld dat aan een van de elementen, vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet, voldaan is, en dat de afwijking vermeld in artikel 105, § 2, of artikel 110, § 2, van het Bodemdecreet, niet van toepassing is.


Afdeling III.
Overdracht van de vrijstelling van saneringsplicht


Art. 145.

Als de overdrager van een risicogrond voor een bepaalde bodemverontreiniging krachtens artikel 105, § 1, 2° of 3°, of krachtens artikel 110, § 1,2° of 3°, van het Bodemdecreet vrijstelling van de saneringsplicht heeft verkregen, gaat die vrijstelling op het moment van de overdracht van de grond van rechtswege over op de verwerver of de volgende verwervers als voldaan is aan de drie volgende voorwaarden :

de verwerver of zijn rechtsvoorganger heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;
de verontreiniging is niet tot stand gekomen tijdens een periode dat de verwerver of zijn rechtsvoorganger eigendoms- of gebruiksrechten op de grond had;
de verwerver heeft op het moment dat de overdracht van de grond plaatsvindt, geen eigendomsrechten op de grond.

Art. 146.

De vrijstelling van de saneringsplicht die krachtens artikel 145 op de verwerver of een volgende verwerver is overgegaan, vervalt van rechtswege wanneer de aanwezige bodemverontreiniging die in [...] het oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek of van het beschrijvend bodemonderzoek, of in de eindverklaring werd gekwalificeerd als geen ernstige bodemverontreiniging, opnieuw een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beļnvloeding van mens of milieu door een wijziging van de kenmerken, functies of eigenschappen van de bodem.


Afdeling IV.
Overname van de uitvoering van de verplichtingen


Art. 147.

De verplichtingen die krachtens artikel 102 tot en met 112 van het Bodemdecreet moeten worden vervuld voordat tot overdracht van een risicogrond kan worden overgegaan, kunnen worden overgenomen door de volgende personen :

de verwerver. In dat geval meldt de verwerver, de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde dat ze met onderlinge toestemming gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen;
een persoon die beschikt over een rechtsgeldige titel om de overdracht te doen uitvoeren. Die persoon meldt aan de OVAM dat hij gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen. Hij voegt bij die melding een afschrift van die rechtsgeldige titel;
een derde. In dat geval melden de derde, de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde dat ze met onderlinge toestemming gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen.

 

De financiėle zekerheid in het kader van de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in artikel 115, § 4, 2°, van het Bodemdecreet, kan worden gesteld door de overdrager of een derde. In dat geval melden de verwerver en de overdrager of de derde dat ze met onderlinge toestemming gebruik wensen te maken van die mogelijkheid.


Art. 148.

In geval van openbare verkoop van een risicogrond waarbij de verwerver met toepassing van artikel 147 de uitvoering van de verplichtingen overneemt, kan de overdracht van de risicogrond plaatsvinden voordat de verwerver de verplichtingen, vermeld in artikel 104, § 2, 2° en 3°, van het Bodemdecreet of artikel 109, § 2, 2° en 3° van het Bodemdecreet, heeft vervuld, op voorwaarde dat in de verkoopsvoorwaarden van de openbare verkoop als ontbindende voorwaarde is opgenomen dat de verkoop van de risicogrond wordt ontbonden als de verwerver die verplichtingen niet binnen een termijn van vijfenveertig dagen na datum van de overdracht heeft vervuld. Hetzelfde geldt voor de verplichtingen, vermeld in artikel 115, § 4, van het Bodemdecreet, in geval van openbare verkoop van een risicogrond door de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in artikel 115 van het Bodemdecreet.


HOOFDSTUK IX.
Onteigening van gronden


Art. 149. [...]

Art. 150. [...]

HOOFDSTUK X.
Sluiting van een risico-inrichting


Art. 151.

De melding van sluiting van een risico-inrichting, vermeld in artikel 122, § 3, van het Bodemdecreet, moet bij [...] brief worden gericht aan de OVAM.

 

De melding moet gedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor sluiting. Het model van dat meldingsformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens :

de gegevens van de exploitant;
de gegevens van de persoon die de melding doet;
de identificatie van de grond waar de risico-inrichting gevestigd was;
de verwijzing naar het verslag van het laatst uitgevoerde oriėnterend bodemonderzoek of oriėnterend en beschrijvend bodemonderzoek;
de datum van de sluiting of voorgenomen sluiting van de risico-inrichting;
gegevens op basis waarvan kan worden bepaald of krachtens het Bodemdecreet voor de sluiting van de risico-inrichting geen nieuw oriėnterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd;
het bewijs van lastgeving als de exploitant niet de melding doet.

 

[...]


Art. 152.

De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid van de melding van sluiting van een risico-inrichting.

 

Als de OVAM van oordeel is dat de melding van sluiting onontvankelijk is, stelt ze de exploitant binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding in kennis van die beslissing.

 

[...]


Art. 152/1.

De exploitant betekent zijn gemotiveerde standpunt tot vrijstelling van de saneringsplicht als vermeld in artikel 122, § 5, van het Bodemdecreet met een [...] brief aan de OVAM. Hij doet dat, op straffe van verval, binnen een termijn van negentig dagen na de ontvangst van de aanmaning om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of om over te gaan tot bodemsanering en uitvoering van de eventuele nazorg.


De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 122, § 5, van het Bodemdecreet. De OVAM brengt de exploitant binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het gemotiveerde standpunt op de hoogte van haar beslissing.


HOOFDSTUK XII.
Waterbodems


Afdeling I.
Kennisgeving van het waterbodemonderzoek


Art. 153.

Het verslag van het waterbodemonderzoek dat uitgevoerd is krachtens artikel 124, § 1, van het Bodemdecreet, wordt binnen een termijn van dertig dagen na het afsluiten ervan bij de OVAM ingediend.


Afdeling II.
Conformverklaring van het waterbodemonderzoek


Art. 154.

Overeenkomstig artikel 126 van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verslag van het waterbodemonderzoek uit over de conformiteit van het waterbodemonderzoek met de bepalingen van artikel 125 van het Bodemdecreet.


Art. 155.

Als de OVAM van oordeel is dat het waterbodemonderzoek conform de vereisten, vermeld in artikel 125 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, reikt ze een conformiteitsattest voor het waterbodemonderzoek uit.

 

Als in het verslag van het waterbodemonderzoek gegevens als vermeld in artikel 125, § 4, tweede lid, van het Bodemdecreet opgenomen zijn, kan de OVAM een uitspraak over die gegevens in het conformiteitsattest van het waterbodemonderzoek opnemen.


Art. 156.

Als de OVAM van oordeel is dat het waterbodemonderzoek niet conform de vereisten van artikel 125 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, legt ze aanvullende onderzoeksverrichtingen op. De OVAM bepaalt de termijn waarbinnen de aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM moet worden ingediend. Als de aanvullende onderzoeksverrichtingen niet of in onvoldoende mate werden uitgevoerd, kan de minister de OVAM gelasten ambtshalve de nodige aanvullende onderzoeksverrichtingen uit te voeren.


Art. 157.

De OVAM stelt de opdrachtgever van het waterbodemonderzoek in kennis van de beslissingen, vermeld in artikelen 155 en 156.


HOOFDSTUK XIII.
Het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen


Afdeling I.
Definities


Art. 158.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

bouwkundig bodemgebruik : het niet-vormvaste gebruik van bodemmaterialen in een waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk en elk ander niet-vormvast gebruik van bodemmaterialen waarin de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem;
eindgebruiker :
  a) de eigenaar, exploitant of gebruiker van de ontvangende grond die de opdracht heeft gegeven om de bodemmaterialen te gebruiken;
  b) de eigenaar of exploitant van de vergunde inrichting die de bodemmaterialen aanvaardt om ze te gebruiken in een vormvast product;
  c) de waterloopbeheerder voor de oeverdeponie van bagger- en ruimingsspecie langs onbevaarbare waterlopen en grachten, beheerd door polders of wateringen ter uitvoering van de wet van 28 december 1967 op de onbevaarbare waterlopen en het koninklijk besluit van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement van de polders en van de wateringen die stellen dat aangelanden de voorwerpen en stoffen, opgehaald uit de bedding van de waterloop, moeten laten plaatsen op hun grond;
fysisch scheiden : het wegnemen van een deel of het geheel van de steenfractie en andere bodemvreemde materialen dan stenen uit de bodemmaterialen;
initiatiefnemer van de werken :
  a) de bouwheer van de grondwerken op de plaats van de uitgraving;
  b) de waterloopbeheerder op de plaats van het baggeren of ruimen of degene die opdracht heeft gegeven tot het baggeren of het ruimen;
  c) de bouwheer van de grondwerken op de plaats waar het bentonietslib vrijkomt;
  d) de exploitant van de inrichting waar de grondbrij vrijkomt;
kadastrale werkzone : de zone die vastgesteld is in het kader van eenzelfde project en die bestaat uit een geheel van gronden met soortgelijke kenmerken. Het betreft kenmerken die een betekenisvol effect op het milieu hebben of een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden;
ontvangende grond : de grond waarop bodemmaterialen worden gebruikt;
ontvanger : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de bodemmaterialen gebruikt voor rekening van de eindgebruiker of de eindgebruiker zelf;
opmetingstabel : de tabel waarop de volumes en de gebruiksmogelijkheden van de bodemmaterialen vermeld staan;
tussentijdse opslagplaats : de locatie voor een in de tijd beperkte opslag van bodemmaterialen in afwachting van het gebruik ervan;
10° uitvoerder van de werken : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de werken uitvoert in opdracht en voor rekening van de initiatiefnemer van de werken;
11° verdachte grond :
  a) risicogrond;
  b) grond die opgenomen is in het Grondeninformatieregister, als in een bodemonderzoek in het vaste deel van de aarde van die grond concentraties van stoffen zijn aangetroffen die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit voor het vaste deel van de aarde;
  c) openbare weg, oude wegbedding en wegberm;
  d) grond waarvoor aanwijzingen bestaan van de aanwezigheid in het vaste deel van de aarde van stoffen in concentraties die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit van het vaste deel van de aarde, en die is aangewezen door de minister;
  e) waterbodem van een oppervlaktewaterlichaam waarin huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater wordt geloosd, of die hemelwater ontvangt dat afkomstig is van een gewest-, provinciale en snelweg;
12° vormvast product : elk product waarin bodemmaterialen worden gebruikt en dat vormvast is gemaakt door bindmiddelen of thermische processen;
13° zone voor het gebruik ter plaatse : de zone waarin de bodemmaterialen op dezelfde plaats worden teruggelegd;
14° zoneringsplan : het plan van de plaats van de uitgraving, het baggeren of het ruimen waarop de verschillende gebruiksmogelijkheden van de uit te graven of van de uit te baggeren of te ruimen waterbodem grafisch worden voorgesteld, of het plan waarop de indeling van de verschillende gebruiksmogelijkheden van de deelpartijen van een partij opgeslagen bodemmaterialen grafisch worden voorgesteld.

 


Afdeling II.
Toepassingsgebied


Art. 159.

De bepalingen van dit hoofdstuk regelen de traceerbaarheid en het gebruik van bodemmaterialen in de volgende toepassingen :

als bodem;
voor bouwkundig bodemgebruik;
in een vormvast product.

 


Afdeling III.
Voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen


Onderafdeling I.
Algemeen


Art. 160.

Het is verboden om verschillende partijen bodemmaterialen met verschillende milieuhygiėnische kwaliteit te mengen met de bedoeling voor de gemengde partij een gebruik in aanmerking te laten komen die voor de niet-gemengde partijen bodemmaterialen niet is toegestaan.
 


Onderafdeling II.
Gebruik van bodemmaterialen als bodem


A.
Algemeen gebruik

Art. 161.

§ 1.

Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen vrij als bodem worden gebruikt.


§ 2.

Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in de voormelde bijlage V, kunnen als bodem worden gebruikt onder de vijf volgende voorwaarden :

het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;
de concentraties van stoffen in de bodemmaterialen lager dan of gelijk aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de concentraties aan zware metalen of metalloļden die van nature aanwezig zijn, kan daarvan afgeweken worden tot de waarde van de natuurlijke concentraties in de bodem;
de gemiddelde concentraties van stoffen in de bodemmaterialen zijn lager dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, die ligt in bestemmingstype I, II of III, kan daarvan afgeweken worden tot 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de groeve, graverij, uitgraving of andere put wordt ingedeeld. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, die ligt in bestemmingstype IV of V, kan daarvan afgeweken worden tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype III;
de bodemmaterialen worden vóór het gebruik als bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als ze concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, voor bestemmingstype III of als ze concentraties van verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, waardoor ze niet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, voor het gebruik als bodem voldoen. Als de bodemmaterialen niet reinigbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden de bodemmaterialen beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, worden verwijderd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het potentieel tot valorisatie van bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt geschikt is, wordt bepaald op basis van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.

 

§ 4.

Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, is voldaan aan de hand van een technisch verslag.


Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, is voldaan aan de hand van een technisch verslag en een studie van de ontvangende grond.


De reinigbaarheid, vermeld in paragraaf 2, 5°, laatste zin, en de valorisatie, vermeld in paragraaf 3, worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.


Art. 162.

Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in artikel 161, kunnen bodemmaterialen alleen als bodem worden gebruikt onder de drie volgende voorwaarden :

het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig zijn, bedraagt maximaal vijf massaprocent;
de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, is niet groter dan vijftig millimeter. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, kunnen, behalve voor de bovenste laag van 150 centimeter, de stenen die niet van nature aanwezig zijn, een afmeting van maximaal tweehonderd millimeter hebben, op voorwaarde dat het gehalte aan die grotere stenen maximaal één massaprocent bedraagt;
het gehalte aan andere bodemvreemde materialen bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.

 


B.
Gebruik binnen een kadastrale werkzone

Art. 163.

Een kadastrale werkzone wordt afgebakend conform een code van goede praktijk die wordt ingevuld op basis van kenmerken die een betekenisvol effect hebben op het milieu, of die een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden. De code van goede praktijk voor de afbakening van een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.
 


Art. 164.

In afwijking van artikel 161, § 2, en artikel 162 is het gebruik van bodemmaterialen als bodem binnen een kadastrale werkzone toegestaan onder de volgende voorwaarden :

bodemmaterialen met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen binnen de kadastrale werkzone vrij worden gebruikt;
bodemmaterialen met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in de voormelde bijlage IV, kunnen binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden onder de volgende voorwaarden :
  a) het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
  b) de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;
  c) de bodemmaterialen worden gebruikt conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van bodemmaterialen binnen een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.

Art. 165.

Met behoud van de toepassing artikel 164 kunnen bodemmaterialen alleen als bodem worden gebruikt binnen een kadastrale werkzone onder de volgende twee voorwaarden :

het gehalte aan stenen en steenachtig materiaal dat niet van nature aanwezig is, bedraagt maximaal vijfentwintig massaprocent;
het gehalte aan andere bodemvreemde materialen dan stenen of steenachtig materiaal bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.

 


C.
Gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse

Art. 166.

Een zone voor gebruik ter plaatse wordt afgebakend conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk om een zone af te bakenen voor gebruik ter plaatse, wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.


Een zone voor gebruik ter plaatse kan worden afgebakend voor :

de aanleg of het herstel van nutsleidingen;
het herstel van oevers en dijkprofielen;
het gebruik van uitgegraven teelaarde in vergunde ontginningen;
het herstel van stranden en duinen na noodweer;
archeologisch onderzoek.

Art. 167.

In afwijking van artikel 161 en 162 kunnen bodemmaterialen binnen een zone voor gebruik ter plaatse gebruikt worden conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van bodemmaterialen binnen een zone voor gebruik ter plaatse wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.


Onderafdeling III.
Gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product


A.
Algemeen gebruik

Art. 168.

§ 1.

Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik
of in een vormvast product.


§ 2.

Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, op voorwaarde dat de concentraties van stoffen in de bodemmaterialen lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd.


Als de bodemmaterialen concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd, worden de bodemmaterialen gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen. Als de bodemmaterialen niet kunnen worden gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, worden ze beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

Als de bodemmaterialen concentraties van een zwaar metaal of een metalloļde bevatten die hoger zijn dan de waarde, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen bodemmaterialen alleen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de aanvullende voorwaarde dat de uitloogbaarheidswaarde van dat zware metaal of dat metalloļde in de uitgegraven bodem lager is dan of gelijk is aan de uitloogbaarheidswaarde, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 3.

Bodemmaterialen waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de volgende twee voorwaarden :

het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;

de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op.


Als de bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden de bodemmaterialen gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen. Als de bodemmaterialen niet kunnen worden gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, worden de bodemmaterialen beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.


§ 4.

In afwijking van paragraaf 1 tot en met 3 kan bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, worden verwijderd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het potentieel tot valorisatie van bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt geschikt is, wordt bepaald op basis van de beste beschikbare technieken die
geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.

 

§ 5.

Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3, is voldaan aan de hand van een technisch verslag.


De reinigbaarheid, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, laatste zin, en de valorisatie, vermeld in paragraaf 4, worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.


Art. 169.

Met behoud van de toepassing van artikel 168 kunnen bodemmaterialen alleen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt onder de twee volgende voorwaarden :

het gehalte aan stenen en steenachtige materialen die niet van nature aanwezig zijn, bedraagt maximaal vijfentwintig massaprocent;
het gehalte aan andere bodemvreemde materialen dan stenen of steenachtig materiaal bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.

 


Art. 170.

Bodemmaterialen die concentraties van een zwaar metaal of een metalloļde bevatten die hoger zijn dan de waarde, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, en die niet voldoen aan de aanvullende voorwaarde voor uitloging, vermeld in artikel 168, § 2, derde lid, kunnen toch worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de volgende twee voorwaarden :

het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op.


Aan de hand van een aanvullend onderzoek dat ter beoordeling en goedkeuring aan de OVAM wordt bezorgd, wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Het aanvullende onderzoek wordt opgemaakt conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.


Art. 171.

De minister stelt, op voorstel van de OVAM, een lijst vast van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik waarin de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem.


De minister stelt, op voorstel van de OVAM, een lijst vast van toepassingen van bodemmaterialen in een vormvast product.


Het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product die niet in de lijsten, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn vermeld, kan toch in aanmerking genomen worden op voorwaarde dat de ontvanger aan de hand van een onderzoeksverslag aantoont dat de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem. Het onderzoek wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.


B.
Gebruik binnen een kadastrale werkzone

Art. 172.

In afwijking van artikel 168 kunnen bodemmaterialen die voldoen aan de voorwaarden voor gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone, vermeld in artikel 164 en 165, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt binnen de kadastrale werkzone.


Afdeling IV.
Traceerbaarheid van bodemmaterialen


Onderafdeling I.
Verplichtingen


A.
Algemeen

Art. 173.

Voor het gebruik van bodemmaterialen als bodem en voor het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product wordt een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt, behalve in de volgende gevallen :

de bodemmaterialen zijn afkomstig van een niet-verdachte grond en het volume bodemmaterialen dat uitgegraven, gebaggerd of geruimd wordt of afkomstig is van het triėren en wassen van een oogst uit de vollegrond, bedraagt minder dan 250 m3;
de bodemmaterialen zijn afkomstig van een verdachte grond, het volume bodemmaterialen dat uitgegraven, gebaggerd of geruimd wordt, bedraagt minder dan 250 m3 en de bodemmaterialen worden binnen de kadastrale werkzone gebruikt volgens de code van goede praktijk over het gebruik van bodemmaterialen binnen een kadastrale werkzone;
de bodemmaterialen worden binnen de zone voor het gebruik ter plaatse opnieuw gebruikt volgens de code van goede praktijk over het gebruik van bodemmaterialen binnen een zone voor het gebruik ter plaatse;
de bodemmaterialen worden uitgegraven, gebaggerd of geruimd in het kader van de uitvoering van een bodemsaneringsproject en worden gebruikt volgens de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of het beperkt bodemsaneringsproject.

 

In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, wordt toch een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt als de bodemmaterialen afkomstig zijn van een partij die is samengesteld uit verschillende kleine partijen uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of bentonietslib die van herkomst verschillen, en als het totale volume van de samengestelde partij bodemmaterialen groter is of was dan 250 m3.


Art. 173/1.

§ 1.

Voor de werken waarvoor een technisch verslag moet worden opgemaakt, maar waarbij dat technisch verslag pas na de uitvoering van de werken in een tussentijdse opslagplaats, een grondreinigingscentrum of een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie wordt opgemaakt, wordt het transport van de bodemmaterialen gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie conform de procedure, vermeld in artikel 190, § 2, eerste lid.


Voor de werken waarvoor geen technisch verslag moet worden opgemaakt, wordt het transport van de bodemmaterialen gemeld aan de erkende  odembeheerorganisatie conform de procedure, vermeld in artikel 200. Als de opmaak van een technisch verslag niet verplicht is, beschikt de uitvoerder over de verklaring van de bouwheer dat er geen technisch verslag opgemaakt hoeft te worden.


§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 moet het transport met voertuigen of voertuigcombinaties met een maximaal toegelaten massa van minder dan 3,5 ton niet worden gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie.


§ 3. Voor de georganiseerde regelmatige afvoer naar een vaste vergunde inrichting van bodemmaterialen, afkomstig van werken aan nutsvoorzieningen, kan de melding gedaan worden in de vorm van een onderlinge overeenkomst met de erkende bodembeheerorganisatie.


Voor de georganiseerde regelmatige afvoer van grondbrij kan de melding gedaan worden in de vorm van een onderlinge overeenkomst met de erkende bodembeheerorganisatie.


Art. 174.

De initiatiefnemer van de werken neemt de nodige maatregelen opdat het technisch verslag en de conformverklaring ervan deel uitmaken van de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag of de contractuele documenten.


Art. 174/1.

Voor de uitvoering van de werken, vermeld in artikel 173, en voor het transport van de bodemmaterialen is de uitvoerder van de werken en de vervoerder van bodemmaterialen aangemeld bij een erkende bodembeheerorganisatie.


Voor de opslag en de behandeling van bodemmaterialen is de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie aangemeld bij een erkende bodembeheerorganisatie.


De aanmelding bij een erkende bodembeheerorganisatie wordt gedaan met de volgende administratieve gegevens : naam, straat en nummer, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon, e-mailadres, voor Belgische ondernemingen het ondernemingsnummer en voor buitenlandse ondernemingen het btw-nummer.
 


B.
Opmaak van het technisch verslag

Art. 175.

De verplichting om het technisch verslag op te maken berust bij de initiatiefnemer van de werken.


De verplichting om het technisch verslag op te maken kan door de volgende inrichtingen worden overgenomen :

een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van bijlage 1 van VLAREM II, voor de bodemmaterialen die die inrichting aanvaard heeft met het oog op de verwerking ervan;
een grondreinigingscentrum, vergund conform de bepalingen van de bevoegde overheid, voor de bodemmaterialen die dat centrum aanvaard heeft met het oog op de reiniging ervan;
een tussentijdse opslagplaats, waarbij aan de vergunnings- of meldingsplicht voldaan is, voor bodemmaterialen die die opslagplaats aanvaard heeft;
een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, vergund conform de bepalingen van de bevoegde overheid, voor de bagger- en ruimingsspecie die die inrichting aanvaard heeft.

 


Art. 176.

Het technisch verslag wordt opgemaakt voordat de bodemmaterialen worden gebruikt.


C.
Opmaak van de studie van de ontvangende grond

Art. 177.

Voor het gebruik van bodemmaterialen als bodem conform artikel 161, § 2, wordt een studie van de ontvangende grond opgemaakt.


Art. 178.

De verplichting om de studie van de ontvangende grond op te maken berust bij de eigenaar, de exploitant of de gebruiker van de ontvangende grond, die opdracht heeft gegeven tot het gebruik van de bodemmaterialen op de ontvangende grond.


Art. 179.

De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt voordat de bodemmaterialen op de ontvangende grond gebruikt worden.


Onderafdeling II.
Documenten


A.
Technisch verslag

Art. 180.

Het technisch verslag wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op basis van een representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure voor de opmaak van een technisch verslag die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.

Het technisch verslag bevat al de volgende gegevens :

de identificatie van de grond waar de bodemmaterialen uitgegraven, gebaggerd of geruimd worden;
de identiteit van de eigenaar van de grond of de beheerder van de waterloop waar de bodemmaterialen uitgegraven, gebaggerd of geruimd worden;
het adres van de inrichting en de identiteit van de exploitant van de inrichting waar de grondbrij vrijkwam;
het adres van de inrichting en de identiteit van de exploitant van de inrichting waar de bodemmaterialen in afwachting van het gebruik ervan opgeslagen zijn;
het historische onderzoek van de grond;
een motivering van de verdachte parameters in de bodemmaterialen;
de identiteit van de initiatiefnemer van de werken;
een duidelijke omschrijving van de werken;
de karakterisering van de andere materialen dan de bodemmaterialen die tijdens de uitvoering van de werken vrijkomen;
10° het zoneringsplan en de opmetingstabel, als dat van toepassing is;
11° het verslag van de bemonstering en het verslag van de analyse van representatieve mengmonsters met vermelding van de naam van het laboratorium;
12° de verklaring van de bodemsaneringsdeskundige dat de bodemmaterialen bemonsterd en geanalyseerd zijn overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;
13° de volgende gegevens, als de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden :
  a) de afbakening van de kadastrale werkzone;
  b) de voorwaarden waaronder de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone gebruikt mogen worden, als dat van toepassing is;
  c) de voorwaarden voor de tussentijdse opslag van de bodemmaterialen, als dat van toepassing is;
14° het gehalte aan stenen, steenachtig materiaal en andere bodemvreemde materialen in de bodemmaterialen;
15° de interpretatie en de besluiten op basis van de bemonstering en de analyseresultaten. Om bij de uitvoering van de werken een gesloten volumebalans voor de vrijgekomen bodemmaterialen en andere materialen te kunnen opmaken, wordt het volume van de deelpartijen die niet in aanmerking komen voor gebruik conform de bepalingen voor het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII van dit besluit, mee opgenomen in de besluitvorming van het technisch verslag;
16° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodemmaterialen kunnen worden uitgegraven, gebaggerd of geruimd;
17° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodemmaterialen kunnen worden gebruikt;
18° de inschatting van het potentieel van de uit te graven bodem om als alternatief voor een primaire oppervlaktedelfstof in aanmerking te komen, als het gaat om grondwerken waarbij meer dan 2500 m3 dieper dan 2 m-mv uitgegraven wordt.

 


B.
Studie van de ontvangende grond

Art. 181.

§ 1.

De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige volgens een standaardprocedure die de minister op voorstel van de OVAM vaststelt.


§ 2.

De studie van de ontvangende grond bepaalt op basis van de kenmerken van de ontvangende grond de kenmerken waaraan de aangevoerde bodemmaterialen moeten voldoen opdat het gebruik ervan als bodem geen bijkomende verontreiniging in het grondwater veroorzaakt en mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert op de ontvangende grond.

 

De studie van de ontvangende grond voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, opgemaakt in opdracht van de exploitant of eigenaar, vormt onderdeel van de vergunningsaanvraag voor de inrichting, vermeld in rubriek 60 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. In de studie worden de milieukenmerken van de bodemmaterialen
geėvalueerd afhankelijk van de milieukenmerken van de ontvangende grond.


§ 3.

De studie van de ontvangende grond bevat al de volgende gegevens :

de identificatie van de ontvangende grond;
de identiteit van de eigenaar, de exploitant en de gebruiker van de ontvangende grond;
de voorwaarden waaronder de te aanvaarden bodemmaterialen op de ontvangende grond kunnen worden gebruikt.

 


C.
Grondverzettoelating

Art. 182.

§ 1.

De grondverzettoelating wordt opgemaakt door een erkende bodembeheerorganisatie. De grondverzettoelating kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, telkens voor de bodemmaterialen die de opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting aanvaard heeft.


§ 2.

De grondverzettoelating wordt uitgereikt op basis van een duidelijke beschrijving van het beoogde gebruik van de bodemmaterialen en de verklaringen ter zake, zoals opgelegd in de conformverklaring van het technisch verslag.


Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt de grondverzettoelating bij de procedure kleine hoeveelheden, vermeld in artikel 197 tot en met 199, uitgereikt op basis van een verklaring dat de bodemmaterialen op verschillende bestemmingen geleverd zullen worden.

 

De grondverzettoelating bevestigt het beoogde gebruik en staat toe dat de bodemmaterialen verplaatst worden naar de beoogde plaats van gebruik.

 

§ 3.

De grondverzettoelating bevat al de volgende gegevens :

de identiteit van de uitvoerder van de werken;
de nodige verwijzingen naar het technisch verslag en de conformverklaring van het technisch verslag;
de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
een gedetailleerde beschrijving van het beoogde gebruik van de bodemmaterialen;
de nodige verwijzingen naar de studie van de ontvangende grond, de acceptatievoorwaarden van een groeve of graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, de gebruiksvoorwaarden van het conformiteitsattest van een bodemsaneringsproject, of de gebruiksvoorwaarden voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, als dat van toepassing is;
aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen die afhankelijk zijn van het beoogde gebruik, als dat van toepassing is.

 


D.
Transportdocument

Art. 183.

Het transportdocument wordt opgemaakt door een van de volgende personen :

de vervoerder;
de uitvoerder van de werken;
de tussentijdse opslagplaats;
het grondreinigingscentrum;
de inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie.


Het transportdocument bevat al de volgende gegevens :

de identiteit van de uitvoerder van de werken, als dat van toepassing is;
de identiteit van de vervoerder;
de datum van transport van de bodemmaterialen;
de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
de hoeveelheid bodemmaterialen;
de nodige verwijzingen naar de grondverzettoelating, als dat van toepassing is.

 

De uitvoerder van de werken bewaart het volledig ingevulde transportdocument gedurende minstens vijf jaar.


E.
Bodembeheerrapport

Art. 184.

Een erkende bodembeheerorganisatie maakt het bodembeheerrapport op. Het bodembeheerrapport kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, telkens voor de bodemmaterialen die de opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting aanvaard heeft.


Het bodembeheerrapport attesteert de levering van de bodemmaterialen op de plaats van het beoogde gebruik en bevestigt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in de conformverklaring van het technisch verslag en in de grondverzettoelating.


Het bodembeheerrapport bevat minstens de volgende gegevens :

de verwijzing naar de grondverzettoelating;
de datum van de levering van de bodemmaterialen;
het volume geleverde bodemmaterialen;
de verwijzing naar de ontvangstverklaring.

 


Onderafdeling III.
Procedures


A.
Procedure via een erkende bodembeheerorganisatie

Art. 185.

De initiatiefnemer van de werken of een inrichting als vermeld in artikel 175, tweede lid, bezorgt het technisch verslag aan een erkende bodembeheerorganisatie.


Art. 186.

Binnen dertig werkdagen na de ontvangst van het technisch verslag spreekt de erkende bodembeheerorganisatie zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit en bezorgt ze het conformiteitsattest aan de initiatiefnemer van de werken of de inrichting, vermeld in artikel 175, tweede lid, of legt ze aanvullingen op.

 

De conformiteit van het technisch verslag wordt beoordeeld volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende bodembeheerorganisatie en op basis van de volgende elementen :

de controle op de administratieve volledigheid;
de controle op de representatieve bemonstering volgens de geldende bemonsteringsprocedures en de standaardprocedure van het technisch verslag;
de controle van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel en, als dat van toepassing is, het zoneringsplan;
de controle op de uitvoerbaarheid van het selectief uitgraven, baggeren of ruimen van de verschillende ontgravings-, bagger- of ruimingsvakken, als dat van toepassing is;
de controle op de afbakening van de kadastrale werkzone, als dat van toepassing is.


Als in het technisch verslag de gebruiksmogelijkheden van de bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk, de bijbehorende codes van goede praktijk en de bijbehorende standaardprocedures onvoldoende onderzocht zijn, kan de erkende bodembeheerorganisatie in de conformverklaring van het technisch verslag voorwaarden en uitvoeringsbepalingen opleggen voor het beoogde gebruik van de bodemmaterialen.


Art. 187.

Als de erkende bodembeheerorganisatie aanvullingen op het technisch verslag oplegt, wordt de termijn, vermeld in artikel 186, eerste lid, gestuit.

 

Als de erkende bodembeheerorganisatie het technisch verslag gemotiveerd niet conform verklaart, wordt de procedure hervat vanaf de stap, vermeld in artikel 185, eerste lid.


Art. 188.

Een conformverklaring van het technisch verslag door een erkende bodembeheerorganisatie is tegenstelbaar aan andere erkende bodembeheerorganisaties.


De erkende bodembeheerorganisatie die niet akkoord gaat met de conformverklaring van het technisch verslag door een andere erkende bodembeheerorganisatie, kan binnen dertig dagen nadat de conformverklaring haar is aangeboden, tegen die conformverklaring beroep aantekenen bij de OVAM. Het beroepschrift wordt aangetekend met ontvangstbewijs verzonden. Het beroep is schorsend. De OVAM doet uitspraak binnen negentig dagen na de ontvangst van het beroepschrift.


Art. 189.

Voor de start van de werken meldt de uitvoerder van de werken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie.


Art. 190.

§ 1.

Voordat de bodemmaterialen worden verplaatst, vraagt de uitvoerder van de werken een grondverzettoelating aan bij de erkende bodembeheerorganisatie, waaraan de startdatum van de werken is gemeld.


De erkende bodembeheerorganisatie beoordeelt het beoogde gebruik van de bodemmaterialen volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende bodembeheerorganisaties.

 

Als de bodematerialen voldoen voor het beoogde gebruik, staat de erkende bodembeheerorganisatie toe dat de bodemmaterialen verplaatst worden naar de plaats van gebruik en reikt ze binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de aanvraag een grondverzettoelating uit. In geval van beroep tegen de conformverklaring van het technisch verslag conform artikel 188, tweede lid, wordt de termijn opgeschort.


§ 2.

Voor de werken waarvoor een technisch verslag moet worden opgemaakt, wordt het transport naar een tussentijdse opslagplaats, een grondreinigingscentrum of een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie.

 

De melding bevat al de volgende gegevens :

de identiteit van de uitvoerder van de werken;
de identiteit van de vervoerder;
de verwijzing naar de conformverklaring, als die aanwezig is;
de datum van transport van de bodemmaterialen;
de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
de totale hoeveelheid bodemmaterialen waarop de melding betrekking heeft.

 

De tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting voor de opslag en behandeling van
bagger- en ruimingsspecie meldt de ontvangst van de bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie.

 

§ 3.

Voor het transport van bodemmaterialen naar andere bestemmingen dan de bestemmingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, meldt de uitvoerder van de werken het volume en de kwaliteit van dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie, om een gesloten volumebalans van de bodemmaterialen te kunnen opmaken.


Art. 191.

Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de bodemmaterialen gevoegd.


Art. 191/1.

De bodemmaterialen worden opgeslagen volgens een procedure, goedgekeurd door de OVAM, die de erkende bodembeheerorganisatie in staat stelt de bodemmaterialen te traceren.


Voor het gebruik van de bodemmaterialen waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de niet-erkende tussentijdse opslagplaats, het niet-erkende grondreinigingscentrum of de niet-erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 191.


Voor het gebruik van de bodemmaterialen, waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie de procedure, vermeld in artikel 193 tot en met 196.


Art. 192.

De ontvanger bevestigt de geleverde hoeveelheden met een ontvangstverklaring. De uitvoerder van de werken bezorgt de ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen overeenkomstig de grondverzettoelating zijn geleverd en gebruikt zullen worden overeenkomstig de grondverzettoelating.


Op basis van de ontvangstverklaring levert de erkende bodembeheerorganisatie het bodembeheerrapport af aan de uitvoerder van de werken, de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie.


De uitvoerder van de werken, de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer van de werken en aan de eindgebruiker.
 


B.
Procedure via een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie

Art. 193.

De erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie beschikt over een technisch verslag van de aanvaarde bodemmaterialen en spreekt zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit, of legt aanvullingen op.


De conformiteit van het technisch verslag wordt beoordeeld volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie op basis van de volgende elementen :

de controle op de administratieve volledigheid;
de controle op de representatieve bemonstering volgens de geldende bemonsteringsprocedures en de standaardprocedure van het technisch verslag;
de controle van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel en, als dat van toepassing is, het zoneringsplan.

 


Art. 194.

Voordat de bodemmaterialen worden verhandeld, maakt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie een grondverzettoelating op.


Art. 195.

Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de bodemmaterialen gevoegd.


Art. 196.

De ontvanger bevestigt de geleverde hoeveelheden met een ontvangstverklaring. De uitvoerder van de werken bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen conform de grondverzettoelating zijn geleverd en gebruikt zullen worden conform de grondverzettoelating.


Op basis van de ontvangstverklaring maakt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie het bodembeheerrapport op en bezorgt een kopie ervan aan de eindgebruiker.
 


C.
Procedure voor kleine hoeveelheden

Art. 197.

In afwijking van artikel 192 en 196 kan voor het gebruik van een hoeveelheid bodemmaterialen die kleiner dan 250 m3 is en die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 161, § 1, en artikel 162, of aan de voorwaarden, vermeld in artikel 168 en 169, voor de uitreiking van een bodembeheerrapport de procedure, vermeld in artikel 198 en 199, gevolgd worden.
 


Art. 198.

De uitvoerder van de werken bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie, de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie die de grondverzettoelating heeft uitgereikt. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen op de plaats van bestemming zijn geleverd en gebruikt zullen worden overeenkomstig de grondverzettoelating.


De ontvangstverklaring vormt onderdeel van de procedure die de bodembeheerorganisatie toelaat het beoogde gebruik te controleren.
 


Art. 199.

Op basis van de ontvangstverklaring en een lijst met verschillende bestemmingen reikt de erkende bodembeheerorganisatie, de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie een bodembeheerrapport uit.


De uitvoerder van de werken bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer van de werken.


D.
Meldingsprocedure voor de werken waarvoor geen technisch verslag opgemaakt hoeft te worden

Art. 200.

Voor de start van het transport, vermeld in artikel 173/1, § 2, meldt de uitvoerder van de werken het transport van de bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie. De melding bevat al de volgende gegevens :

de identiteit van de uitvoerder van de werken;
de identiteit van de vervoerder;
de datum van transport van de bodemmaterialen;
de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
de totale hoeveelheid bodemmaterialen waarop de melding betrekking heeft.

 

Na de uitvoering van de werken meldt de uitvoerder van de werken de hoeveelheid geleverde bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie.


E. Procedure voor tijdelijke oeverdeponie voor ontwatering van bagger- of ruimingsspecie.

Art. 201.

§ 1.

Voorafgaand aan de bagger- of ruimingswerken wordt een technisch verslag opgemaakt. De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag aan een erkende bodembeheerorganisatie.


De erkende bodembeheerorganisatie behandelt het technisch verslag volgens de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 188.


§ 2.

Voor de oeverdeponie langs onbevaarbare waterlopen en langs polderwaterlopen bezorgt de initiatiefnemer van de werken het technisch verslag en de conformverklaring ervan uiterlijk dertig dagen voor de start van de werken aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de werken worden uitgevoerd. Op hetzelfde moment deelt hij aan het gemeentebestuur de geplande begindatum mee.
 

De gemeente legt de gegevens ter inzage.

 

§ 3.

De uitvoerder van de werken meldt de start van de werken aan een erkende bodembeheerorganisatie.


§ 4.

De uitvoerder van de werken werkt conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor de tijdelijke oeverdeponie voor ontwatering van bagger- en ruimingsspecie wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.


De code van goede praktijk bepaalt de randvoorwaarden en kwaliteitseisen voor de tijdelijke oeverdeponie van bagger- en ruimingsspecie voor ontwatering van bagger- en ruimingsspecie tijdens de uitvoering van bepaalde onderhoudswerken aan waterlopen.


§ 5.

De ontwaterde bagger- of ruimingspecie wordt uiterlijk 120 dagen na de beėindiging van de bagger- of ruimingswerken afgevoerd of gebruikt conform artikel 190 tot en met 192.


Art. 201/1.

Bagger- en ruimingsspecie met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende oever wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, mag worden uitgespreid op die oever om te ontwateren.


Bagger- en ruimingsspecie die voldoet voor gebruik conform titel III, hoofdstuk XIII van dit besluit, maar met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende oever wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, mag voor de ontwatering ervan en in afwachting van de afvoer ervan op de oevers van de waterloop worden gedeponeerd op voorwaarde dat de nodige maatregelen worden getroffen opdat de bagger- en ruimingsspecie niet vermengd wordt met de onderliggende bodem.
 


F. Procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie.

Art. 201/2.

Bagger- of ruimingsspecie die ontstaat ten gevolge van noodruimingen of noodzakelijke waterbeheersingswerken ter voorkoming of terugdringing van de risico’s op overstromingen die de veiligheid aantasten van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen buiten de  overstromingsgebieden, mag op de vijfmeterstrook langs de waterloop gedeponeerd worden op voorwaarde dat de uitvoerder van de werken conform een code van goede praktijk werkt.


De code van goede praktijk voor de tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.


De code van goede praktijk bepaalt de randvoorwaarden en kwaliteitseisen voor de tijdelijke oeverdeponie van bagger- of ruimingsspecie tijdens de uitvoering van noodruimingen.


Art. 201/3.

§ 1.

Binnen zeven dagen na de uitvoering van de bagger- of ruimingswerken via noodruiming wordt de gebaggerde of geruimde specie bemonsterd voor de opmaak van het technisch verslag. De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag uiterlijk dertig dagen na de bemonstering aan een erkende bodembeheerorganisatie.


De erkende bodembeheerorganisatie behandelt het technisch verslag volgens de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 188.


§ 2.

De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag en de conformverklaring ervan uiterlijk dertig dagen na de behandeling door de erkende bodembeheerorganisatie aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de werken zijn uitgevoerd.


De gemeente legt de gegevens ter inzage.


§ 3.

De ontwaterde bagger- of ruimingspecie wordt uiterlijk zestig dagen na de beėindiging van de noodruiming afgevoerd of gebruikt conform artikel 190 tot en met 192.


Afdeling V.
Bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie : erkenning voor de regeling over het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen


Onderafdeling I.
Voorwaarden voor de erkenning en het gebruik van de erkenning


Art. 202.

Om als bodembeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven, moet de organisatie aan al de volgende voorwaarden voldoen :

opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen;
voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij het gebruik van bodemmaterialen. Een bodembeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties die voldoende representatief zijn voor de sectoren die bij het gebruik van uitgegraven bodem betrokken zijn, een mandaat bekleden;
uitsluitend als statutair doel hebben om de taken die in dit besluit zijn toegewezen, uit te voeren, studiewerk over bodemmaterialen te verrichten en informatie en advies over bodemmaterialen te verstrekken. Voor de uitvoering van haar taken beschikt de bodembeheerorganisatie over een kwaliteitsborgingssysteem dat de OVAM heeft goedgekeurd;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis van bodemkunde of geologie, fysica en scheikunde hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis van dit hoofdstuk hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben met de nodige ervaring in de beoordeling van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en in de beoordeling van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;
voldoen aan een kwaliteitsborgingssysteem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van de uitvoering van steekproefsgewijze werfcontroles en van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen :
  a) een klachtenregister;
  b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie over die technische verslagen. De technische verslagen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  c) een register van de grondverzettoelatingen. De grondverzettoelatingen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  d) een register van conformverklaringen van technische verslagen. De conformverklaringen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  e) een register van bodembeheerrapporten. De bodembeheerrapporten worden gedurende vijf jaar bewaard;
  f) een register waarin onregelmatigheden worden vastgesteld conform de bepalingen van het kwaliteitsborgingssysteem, vermeld in punt 3°;
10° beschikken over een procedure die de organisatie in staat stelt bodemmaterialen te traceren, met inbegrip van het traceren via een niet-erkende tussentijdse opslagplaats, een niet-erkend grondreinigingscentrum of een niet-erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie;
11° beschikken over een procedure die de organisatie in staat stelt om een gesloten volumebalans voor de vrijgekomen bodem- en andere materialen te kunnen opmaken;
12° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
13° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie; 
14° op verzoek van de OVAM al de volgende gegevens ter beschikken stellen :
  a) de informatie over verontreinigde gronden;
  b) de milieuhygiėnische kwaliteit en het gebruik van de bodemmaterialen;
  c) het gebruik van bodemmaterialen als alternatief voor primaire oppervlaktedelfstoffen. De organisatie rapporteert daarover conform een code van goede praktijk. Als documenten door een geļnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd.

 

De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt aangetoond met academische diploma’s, diploma’s van het hoger onderwijs van het lange type of daarmee gelijkgestelde diploma’s, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie. 


De ervaring, vermeld in het eerste lid, 5°, 7° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae.


De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 6° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM.


Art. 203.

Om als vergunde tussentijdse opslagplaats, als vergund grondreinigingscentrum of als vergunde inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie erkend te worden en erkend te blijven, moet de opslagplaats, het centrum of de inrichting aan de volgende voorwaarden voldoen :

een rechtspersoon zijn die voldoet aan de volgende kenmerken :
  a) bij een tussentijdse opslagplaats : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of een openbaar bestuur of intergemeentelijk samenwerkingsverband in het Vlaamse Gewest;
  b) bij een grondreinigingscentrum : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest;
  c) bij een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of een openbaar bestuur of intergemeentelijk samenwerkingsverband in het Vlaamse Gewest;
voor handelsvennootschappen : niet in staat van faillissement verkeren, noch het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, noch een gerechtelijk akkoord hebben aangevraagd of verkregen;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis van fysica en scheikunde hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die een grondige kennis van dit hoofdstuk hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring in de beoordeling van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en in de beoordeling van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die samen een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;
voldoen aan een door de OVAM goedgekeurd kwaliteitsreglement dat administratieve en technische bepalingen bevat over de interne organisatie van de verhandeling van bodemmaterialen. Dat kwaliteitsreglement bevat minstens :
  a) een procedure voor het in ontvangst nemen, het opslaan, het fysisch scheiden, het ontwateren, het reinigen en het afleveren van bodemmaterialen;
  b) bepalingen over de opmaak van registers voor de aan- en afvoer van bodemmaterialen;
  c) bepalingen over de opmaak van een dossier per aanvaarde partij bodemmaterialen;
  d) bepalingen over de naleving van de codes van goede praktijk over de aanvaarding, opslag, samenvoeging, reiniging, bemonstering en analyse van bodemmaterialen;
voldoen aan een intern systeem dat de opslagplaats, het centrum of de inrichting in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen :
  a) een klachtenregister;
  b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie over die technische verslagen. De technische verslagen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  c) een register van de grondverzettoelatingen. De grondverzettoelatingen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  d) een register van conformverklaringen van technische verslagen. De conformverklaringen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  e) een register van bodembeheerrapporten. De bodembeheerrapporten worden gedurende vijf jaar bewaard;
10° beschikken over een procedure die de opslagplaats, het centrum of de inrichting in staat stelt de bodemmaterialen die de opslagplaats, het centrum of de inrichting verhandeld heeft, te traceren;
11° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
12° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;
13° op verzoek van de OVAM al de volgende gegevens ter beschikken stellen :
  a) informatie over verontreinigde gronden;
  b) de milieuhygiėnische kwaliteit en het gebruik van de bodemmaterialen;
  c) het gebruik van bodemmaterialen als alternatief voor primaire oppervlaktedelfstoffen. De organisatie rapporteert daarover conform een code van goede praktijk. Als documenten door een geļnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd;
14° beschikken over de nodige infrastructuur en installaties voor de exploitatie van de opslagplaats, het centrum of de inrichting;
15° beschikken over de nodige vergunningen overeenkomstig de bepalingen van de geldende wetgeving;
16° beschikken over een keuringsattest waarin een erkende bodembeheerorganisatie attesteert dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 15°, is voldaan. Het keuringsattest is maximaal honderdzestig dagen oud. De keuring voldoet aan de procedure die de OVAM heeft goedgekeurd;
17° voldoen aan de voorwaarden die opgelegd zijn door of krachtens het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet betreffende de omgevingsvergunning.


De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt aangetoond met academische diploma’s, met diploma’s van het hoger onderwijs van het lange type of daarmee gelijkgestelde diploma’s, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.

 

De ervaring, vermeld in het eerste lid, 4°, 6° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae.

 

De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 5° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM.


Onderafdeling II.
Procedure tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie


A.
Ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning

Art. 204.

De aanvraag om erkend te worden als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 202 en 203, wordt met een aangetekende brief gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.


Art. 205.

Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag tot erkenning minstens de volgende gegevens :

de statuten van de rechtspersoon;
de namen van de natuurlijke personen die de rechtspersoon aangesteld heeft als verantwoordelijke personen;
een kopie van de diploma’s, vermeld in artikel 202, tweede lid, respectievelijk artikel 203, tweede lid;
een curriculum vitae van de personen die over de kennis en de ervaring, vermeld in artikel 202, eerste lid, 4° tot en met 8°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 3° tot en met 7°, beschikken, waaruit die kennis en ervaring blijkt;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal sluiten als vermeld in artikel 202, eerste lid, 12°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 11°, en dat hij de OVAM van de gesloten polis op de hoogte zal brengen;
een recent getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de personen, vermeld in artikel 202, eerste lid, 13°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 12°;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen drie maanden na de erkenning de personen, vermeld in artikel 202, eerste lid, 4° tot en met 8°, en artikel 203, eerste lid, 3° tot en met 7°, in dienst zal hebben;
wat de handelsverenigingen en de verenigingen zonder winstgevend oogmerk betreft : een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft;
10° wat de tussentijdse opslagplaatsen, grondreinigingscentra en inrichtingen voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie betreft : een beschrijving van de infrastructuur en de installaties, vermeld in artikel 203, eerste lid, 14°.

B.
Behandeling van, advies en beslissing over de aanvraag tot erkenning

Art. 206.

De aanvragen tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie worden volgens de volgende procedure behandeld :

de OVAM stuurt binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;
de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen. Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn. Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw met een aangetekende brief naar de OVAM gestuurd. De OVAM stuurt binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de
ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag;
de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;
de minister neemt binnen honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;
binnen honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag betekent de OVAM de beslissing over de erkenning met een aangetekende brief aan de aanvrager. De beslissing over de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

 


Onderafdeling III.
Schorsing, opheffing en niet-overdraagbaarheid van de erkenning


A.
Schorsing van de erkenning

Art. 207.

§ 1.

De minister kan op elk moment de erkenning, vermeld in artikel 202 en 203, schorsen voor maximaal zes maanden in de volgende gevallen :

de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit, niet reglementair of niet objectief uit;
de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 202 of 203;
de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;
de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;
bij een erkende bodembeheerorganisatie wordt de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project niet gegarandeerd.


§ 2.

De minister brengt de houder van de erkenning met een aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen.


Binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de brief, vermeld in het eerste lid, kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen, of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.


§ 3.

De OVAM betekent de beslissing tot schorsing met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning.


De beslissing tot schorsing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


§ 4.

De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.


B.
Opheffing van de erkenning

Art. 208.

§ 1.

De minister kan op elk moment de erkenning, vermeld in artikel 202 en 203, opheffen in de volgende gevallen :

als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit, herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;
als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij op grond van artikel 207, § 1, 2°, geschorst is;
als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en van bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;
als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;
als bij een erkende bodembeheerorganisatie de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project bij herhaling niet gegarandeerd wordt.


§ 2.

De minister brengt de houder van de erkenning met een aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen.


Binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.


§ 3.

De OVAM betekent de beslissing tot opheffing met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning. De beslissing tot opheffing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


§ 4.

De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.


C.
Overdraagbaarheid van de erkenning

Art. 209.

Erkenningen zijn niet overdraagbaar.


Onderafdeling IV.
Overname door de OVAM van de taken van een erkende bodembeheerorganisatie


Art. 210.

De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een bodembeheerorganisatie de volgende taken overnemen :

technische verslagen conform verklaren;
grondverzettoelatingen uitreiken;
bodembeheerrapporten uitreiken;
keuringsattesten als vermeld in artikel 203, eerste lid, 16°, uitreiken.

 


HOOFDSTUK XV.
Administratief beroep


Afdeling I.
Ontvankelijkheid van het beroep


Art. 211.

Het beroep, vermeld in artikel 146 en 153 van het Bodemdecreet, wordt bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs betekend of tegen ontvangstbewijs afgegeven aan de Vlaamse Regering, per adres van de juridische dienst.

 

Bij het beroep, vermeld in artikel 153 van het Bodemdecreet, wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd.


Art. 212.

De juridische dienst onderzoekt de ontvankelijkheid van het beroep.

 

Als de juridische dienst van oordeel is dat het beroep onontvankelijk is, deelt het hoofd van de juridische dienst die beslissing bij aangetekende brief mee aan de indiener van het beroep en de OVAM.

 

Als de juridische dienst van oordeel is dat het beroep ontvankelijk is, deelt ze die beslissing bij aangetekende brief mee aan de indiener van het beroep, de OVAM en de volgende personen :

als het gaat om een beroep als vermeld in artikel 146 van het Bodemdecreet, dat schorsend is : de personen, vermeld in artikel 88, § 2, van dit besluit;
in de andere gevallen :
  a) de plichtige, vermeld in artikel 11 of 22 van het Bodemdecreet;
  b) de opdrachtgever van het beschrijvend bodemonderzoek, het oriėnterende en beschrijvend bodemonderzoek, het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject, het risicobeheer of het waterbodemonderzoek waarop het beroep betrekking heeft.

Afdeling II.
Nota met opmerkingen en stavingsstukken


Art. 213.

Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van ontvankelijkheid van het beroep kunnen de personen, vermeld in artikel 212, met uitzondering van de indiener van het beroep, bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs een nota met opmerkingen en stavingstukken indienen bij de Vlaamse Regering, per adres van de juridische dienst.


HOOFDSTUK XVIII.
Retributies


Afdeling I.
Toegang tot het Grondeninformatieregister


Onderafdeling I.
Algemene bepaling


Art. 214. De toegankelijkheid van het Grondeninformatieregister is afhankelijk van de betaling van een retributie.

Onderafdeling II.
Bodemattest


Art. 215.

§ 1.

Het bedrag van de retributie voor de uitreiking van een bodemattest op aanvraag krachtens artikel 5, § 2, tweede lid, en artikel 101, § 1, van het Bodemdecreet is vastgesteld als volgt :

voor een grond die een of meer kadastrale percelen omvat, bedraagt de retributie 50 euro per kadastraal perceel;
voor een grond zonder kadastraal perceelnummer :
  a) als er in het Grondeninformatieregister geen gegevens met betrekking tot delen van die grond beschikbaar zijn, bedraagt de retributie 50 euro per sectie, of bij gebrek aan indeling per sectie, 50 euro per afdeling;
  b) als er in het Grondeninformatieregister gegevens met betrekking tot delen van die grond beschikbaar zijn, bedraagt de retributie 50 euro per deel van die grond waarvoor gegevens beschikbaar zijn;
voor een grond die een of meer delen van een kadastraal perceel omvat, bedraagt de retributie 200 euro per deel van een kadastraal perceel.

 

§ 2.

Voor de vaststelling van het bedrag van de retributie voor de uitreiking van een bodemattest op aanvraag krachtens artikel 119 van het Bodemdecreet zijn de bepalingen van § 1, 2°, a) en b), van overeenkomstige toepassing.


Art. 216.

De aanvrager moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft.

 

In geval van een onontvankelijke aanvraag wordt de retributie niet teruggestort, tenzij de aanvrager hierom schriftelijk verzoekt binnen een termijn van zestig dagen na datum van ontvangst van de beslissing van de OVAM waarbij de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. In ieder geval wordt een retributie van 50 euro per aanvraag ingehouden.


Art. 217.

Het bedrag van de retributie wordt tweejaarlijks aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex en wel als volgt : het bedrag van de retributie wordt vermenigvuldigd met een factor met in de teller de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het bedrag wordt gewijzigd, en met in de noemer de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan de vaststelling van het vigerende bedrag; het zo verkregen getal wordt afgerond tot het gehele getal.

 

Uiterlijk op 1 januari wordt het aangepaste bedrag van de retributie door de minister bekendgemaakt.


Art. 217/1. Van de ontvangsten van de retributie voor het bodemattest wordt 32 % toegewezen aan het Bodembeschermingsfonds, vermeld in artikel 17 van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004.

Onderafdeling III.
Specifieke informatie


Art. 218.

§ 1.

Het bedrag van de retributie voor specifieke informatie als vermeld in artikel 20 is gelijk aan de kosten voor het verstrekken van de gevraagde informatie en wordt bepaald door de OVAM na de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vraag tot maatwerk.

 

§ 2.

Voor de berekening van de kosten doet de OVAM een zo realistisch mogelijke inschatting van het aantal werkuren die verricht zullen moeten worden om de gevraagde informatie aan te leveren, en vermenigvuldigt ze die met het uurtarief van de in te zetten personeelsleden. Dit uurtarief is enkel afhankelijk van het niveau van de ingezette personeelsleden.

 

Per niveau is dit uurtarief gelijk aan de gemiddelde kost van een werkuur van de diverse personeelsleden van de OVAM binnen dit niveau, met inbegrip van de overheadkosten. De OVAM maakt deze uurtarieven bekend op haar website en bezorgt ze op eerste verzoek aan iedereen die er om vraagt.


Onderafdeling IV.
Digitale informatie via het e-loket van de OVAM


Art. 219.

Het bedrag van de retributie voor het verstrekken van digitale informatie uit het Grondeninformatieregister via het e-loket van de OVAM met toepassing van artikel 20 bedraagt 50 euro per rapport.

 

Het bedrag van de retributie wordt betaald via een lopende rekening bij de OVAM.

 

[...]


Afdeling II.
Ambtshalve optreden van de OVAM ten laste van een in gebreke blijvende plichtige


Art. 220.

De retributie, vermeld in artikel 162, § 8, van het Bodemdecreet, bedraagt 10 % van de kosten van het ambtshalve uitgevoerde oriėnterend bodemonderzoek, het siteonderzoek, het beschrijvend bodemonderzoek, de bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van het Bodemdecreet.


Art. 221.

De in gebreke blijvende plichtige of aansprakelijke persoon moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop het ambtshalve optreden van de OVAM betrekking heeft.


Afdeling III.
De in gebreke blijvende moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM


Art. 222.

De beoordeling van een aanvraag tot het toestaan van een afwijking door de Vlaamse Regering krachtens artikel 164 of 165 van het Bodemdecreet is afhankelijk van de betaling van een retributie.

 

De persoon die een aanvraag als vermeld in het eerste lid wenst in te dienen, contacteert voorafgaandelijk de OVAM met het verzoek het bedrag van de retributie vast te stellen. Het bedrag van de retributie is gelijk aan de kosten voor het behandelen van de aanvraag en wordt door de OVAM binnen tien dagen na hogervermeld verzoek meegedeeld aan deze persoon. De bepalingen van artikel 218, § 2, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

De aanvrager moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft.


HOOFDSTUK XVIII.
Bevoegdheden van de Vlaamse Regering


Art. 223.

Het verzoek tot toepassing van de bevoegdheden, vermeld in artikelen 164 en 165 van het Bodemdecreet, wordt bij [...] brief bij de Vlaamse Regering ingediend, per adres van de OVAM.

 

In verband met de toepassing van artikel 160 van het Bodemdecreet kan de minister beslissen om af te zien van kostenverhaal.


Titel V.
Toezicht


Art. 224. [...]

Titel VI.
Slotbepalingen


HOOFDSTUK I.
Opheffingsbepalingen


Art. 225.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 1998, 9 februari 1999, 12 oktober 2001, 7 december 2001, 14 juni 2002, 28 november 2003, 5 december 2003, 9 januari 2004, 23 april 2004, 22 september 2006, 15 december 2006 en 7 september 2007, wordt opgeheven.


HOOFDSTUK II.
Overgangsbepalingen


Art. 226.

Artikel 45, eerste lid, is alleen van toepassing op bodemsaneringsdeskundigen die krachtens dit besluit werden erkend.

 

Bodemsaneringsdeskundigen die krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering werden erkend, moeten binnen het jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de volgende erkenningsvoorwaarden :

voor een bodemsaneringsdeskundige van type 1 :
  a) natuurlijk persoon : de voorwaarden, vermeld in artikel 30, § 1, 1° tot en met 3°, en 5°;
  b) rechtspersoon : de voorwaarden, vermeld in artikel 30, § 2, 3° tot en met 5° en 7°;
voor een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de voorwaarden, vermeld in artikel 31, § 1, 3°, 5° tot en met 9°.

Art. 227.

De formaliteit, vermeld in artikel 19, § 3, van het Bodemdecreet, hoeft niet te worden vervuld voor de gronden die krachtens artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering door de Vlaamse Regering of bij delegatie door de minister werden aangewezen als gronden met historische bodemverontreiniging waar bodemsanering moet plaatsvinden en waarop bij de inwerkingtreding van het Bodemdecreet bodemsanering of nazorg in uitvoering was voor die historische bodemverontreiniging.


Art. 228.

Voor de bodemverontreiniging die in het kader van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering door de OVAM werd gekwalificeerd als een niet te onderscheiden gemengde bodemverontreiniging, blijven uitsluitend de bepalingen voor nieuwe bodemverontreiniging gelden tot wanneer de OVAM, op initiatief van de saneringsplichtige op basis van een gemotiveerd voorstel van een bodemsaneringsdeskundige in een verslag van bodemonderzoek, een uitspraak heeft gedaan over een verdeling als vermeld in artikel 27, § 1, van het Bodemdecreet.


Art. 229. Bodemonderzoeken, bodemsaneringsprojecten en eindevaluatieonderzoeken die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend en die na de inwerkingtreding ervan door de OVAM worden beoordeeld, worden getoetst aan de decretale bepalingen en aan de standaardprocedures of codes van goede praktijk die golden op het ogenblik dat het bodemonderzoek, bodemsaneringsproject of eindevaluatieonderzoek werd ingediend.

Art. 230. De meldingen van de overdracht van een risicogrond, van de onteigening van een grond en van de sluiting van een risico-inrichting die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend, worden door de OVAM beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de melding werd ingediend.

Art. 231. De technische verslagen die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij een erkende bodembeheerorganisatie of bij een tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum voor uitgegraven bodem werden ingediend, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de procedures en normen die van toepassing waren op het ogenblik dat het technisch verslag werd ingediend, voor zover de uitgegraven bodem wordt gebruikt binnen hondertachtig dagen na de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 232. De ontvankelijkheid van de administratieve beroepen die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit werden ingediend, wordt beoordeeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat het administratief beroep werd ingediend.

Art. 233. De aanvragen voor een bodemattest die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de aanvraag voor een bodemattest werd ingediend.

Art. 234.

Met behoud van de toepassing van artikelen 61 en 62 zijn de exploitanten die hun periodieke onderzoeksplicht als bepaald in artikel 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering nog niet zijn nagekomen voor de inwerkingtreding van dit besluit, ertoe gehouden om die verplichting alsnog uit te voeren binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.


Art. 235. De aanvragen tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige, als bodembeheerorganisatie, als tussentijdse opslagplaats, als grondreinigingscentrum of als bodemsaneringsorganisatie die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit werden ingediend en waarover nog geen beslissing genomen werd, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend.

HOOFDSTUK III.
Inwerkingstredingsbepalingen


Art. 236. Het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, met uitzondering van artikel 176, § 2, en dit besluit treden in werking op 1 juni 2008.

HOOFDSTUK III.
Uitvoeringsbepaling


Art. 237. De Minister, bevoegd voor het Leefmilieu en het Waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlages.


Bijlage I. Lijst van risico-inrichtingen waarvan de exploitatie is aangevat voor 1 juni 2015

Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming wordt de lijst van risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 1 juni 2015 is aangevat, in de onderstaande tabel vastgesteld.  

 

Verklaring van de symbolen aangegeven in de kolom 'categorie'

 

O= Inrichting waarvoor conform het Bodemdecreet en dit besluit een oriėnterend bodemonderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en faillissement.

 

A= Inrichting waarvoor conform het Bodemdecreet en dit besluit een oriėnterend bodemonderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en faillissement, en om de twintig jaar.

 

B= Inrichting waarvoor conform het Bodemdecreet en dit besluit een oriėnterend onderzoek verplicht is bij overdracht, sluiting en faillissement, en om de tien jaar.


Rubriek1. Aardolie of aardolieproducten
1.1. Raffinage, distillatie, kraken, vergassen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

 1.1. Niet in rubriek 20.1.2. begrepen inrichtingen voor de raffinage, voor de distillatie, het kraken, het vergassen of enige andere wijze van verwerking van aardolie of aardolieproducten (Voor het raffineren van ruwe aardolie: zie rubriek 20.1.2.)

 B

1.2. Opslag voor aardpek, teer, asfalt, pek

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

 1.2. Opslagplaats voor aardpek, teer, asfalt, pek en dergelijke stoffen van meer dan 5.000 kg

A. 

1.3. Commerciėle winning van aardolie

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

 1.3. Commerciėle winning van aardolie wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag bedraagt

B. 

1.4. Opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

 1.4. Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een opslagcapaciteit van 100.000 ton of meer

B

1.5. Winning vloeibare koolwaterstoffen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

 1.5. Winning van andere dan in 1.3 genoemde vloeibare koolwaterstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 2, 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond

Rubriek2. Afvalstoffen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

 2.

Afvalstoffen

inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen overeenkomstig het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten.

 

2.1. Opslag en overslag van afvalstoffen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

2.1. Opslag en overslag van afvalstoffen 

 

2.1.1. Opslag van afvalstoffen niet aan een verwerking van de afvalstoffen verbonden

A

2.1.2.   Opslag en overslag van afvalstoffen die niet aan verwerking verbonden zijn, met een opslagcapaciteit van:

 

b) meer dan 1 ton voor afvalstoffen die ook asbestafval als bedoeld sub c) kunnen omvatten

A

c) meer dan 1 ton voor asbestafval bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is

A

2.1.3.   Tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die niet voldoet aan een toepassing als vermeld in het Bodemdecreet en het Vlarebo.

 

met een capaciteit van maximaal 10.000 m3

O

met een capaciteit van meer dan 10.000 m3

A

2.2. Opslag en nuttige toepassing van afvalstoffen

Rubriek (1)

 Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

2.2. Opslag en nuttige toepassing van afvalstoffen

 

2.2.1.            Opslag en sortering van:

 

a) interte afvalstoffen

A

b)

selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, met inbegrip van gevaarlijk afval (containerpark).

Het is een inrichting van een exploitant die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen

A

c) niet gevaarlijke afvalstoffen bestaande uit papier en karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber, bouw en sloopafval, met een opslagcapaciteit van

 

  maximaal 100 ton

A

  meer dan 100 ton

B

d) andere niet gevaarlijke afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van :

 

  maximaal 100 ton

A

  meer dan 100 ton

A

e) gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd de in subrubriek 2.2.1, b) ingedeelde inrichtingen, met een opslagcapaciteit van:

 

  meer dan 1 ton voor afvalstoffen andere dan asbestafval bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is

B

  meer dan 1 ton voor asbestafval bestaande uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is

B

2.2.2.                     Opslag en mechanische behandeling van:

 

a) inerte afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van:

 

  maximaal 1.000 m³

A

  meer dan 1.000 m³

A

b) niet gevaarlijke afvalstoffen uit 2.2.1.c., met een opslagcapaciteit van:

 

  maximaal 100 ton

A

  meer dan 100 ton

B

c) niet gevaarlijk schroot, met een opslagcapaciteit van:

 

  maximaal 10 ton

  meer dan 10 ton tot en met 100 ton

A

  meer dan 100 ton

B

d) Voertuigwrakken of afgedankte voertuigen, met een opslagcapaciteit van:

 

 

maximaal 25 ton of 25 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevatten (deze afgedankte voertuigen zijn enkel afkomstig van erkende centra voor depollutie, demontage en vernietiging van afgedankte voertuigen),

en/of

maximaal 5 ton of 5 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die wel nog vloeistoffen en/of andere gevaarlijke onderdelen bevatten,

 

meer dan 25 ton of 25 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen tot maximaal 100 ton of 100 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevatten (deze afgedankte voertuigen zijn enkel afkomstig van erkende centra voor depollutie, demontage en vernietiging van afgedankte voertuigen),

en/of

meer dan 5 ton of 5 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen tot maximaal 100 ton of 100 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die wel nog vloeistoffen en/of andere gevaarlijke onderdelen bevatten,

A

  meer dan 100 ton of 100 voertuigwrakken of afgedankte voertuigen die al dan niet vloeistoffen of andere gevaarlijke onderdelen bevatten (afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevatten zijn enkel afkomstig van erkende centra voor depollutie, demontage en vernietiging van afgedankte voertuigen)

B

e) scheepssloperijen en sloperijen andere dan bedoeld onder c) en d)

f) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van:

 

  maximaal 100 ton

A

  meer dan 100 ton

A

g) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van:

 

  meer dan 1 ton

B

2.2.3. 

Opslag en biologische behandeling van:

nuttige toepassing op de plaats van productie, inclusief thuiscompostering, alsook boerderijcompostering wanneer er gewerkt wordt met uitsluitend bedrijfseigen uitgangsmateriaal en de compost uitsluitend bestemd is voor de eigen percelen, wordt niet als een opslag of behandeling van afvalstoffen beschouwd; 

 

g) biologische behandeling van gevaarlijke afvalstoffen  

A

2.2.4.       Dierlijke bijproducten niet bestemd voor menselijke consumptie die worden beschouwd als afvalstoffen zoals bedoeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.   

 

a) Opslagbedrijf

A

b) Intermediair categorie 3-bedrijf

A

c) Intermediair categorie 1- of categorie 2-bedrijf

A

d) Verwerkingsbedrijf van categorie 3-materiaal

A

e) Verwerkingsbedrijf van categorie 2-materiaal

A

f) Verwerkingsbedrijf van categorie 1-materiaal

A

 2.2.5.                 Opslag en fysisch-chemische behandeling al of niet in combinatie met een mechanische behandeling, van:   

 

a) niet gevaarlijke slibs, met een opslagcapaciteit van:

 

  tot en met 1 ton

O

  meer dan 1 ton

B

b) gevaarlijke slibs, met een opslagcapaciteit van:

 

  tot en met 1 ton

A

  meer dan 1 ton

B

c) afgewerkte olie, met een opslagcapaciteit van: 

 

  tot en met 1 ton

A

   meer dan 1 ton

B

d) organische oplosmiddelen, met een opslagcapaciteit van:  

 

  tot en met 1 ton

A

  meer dan 1 ton 

B

e) andere niet gevaarlijke afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van:  

 

  meer dan 1 ton

B

f) andere gevaarlijke afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van:

 

  meer dan 1 ton

B

2.2.6.     Opslag en reiniging van recipiėnten (verpakkingen en containers) door inwendig wassen van:

 

a) recipiėnten die stoffen hebben bevat die als afvalstoffen bij de inerte afvalstoffen zijn gerangschikt

A

b) recipiėnten die biologische stoffen hebben bevat die als afvalstoffen bij de niet-gevaarlijke biologische afvalstoffen zijn gerangschikt  

A

c) recipiėnten die stoffen hebben bevat die als afvalstoffen bij de andere niet-gevaarlijke afvalstoffen zijn gerangschikt

B

d) recipiėnten die stoffen hebben bevat die als afvalstoffen bij de gevaarlijke afvalstoffen zijn gerangschikt

B

2.2.8.   Opslag en behandeling van baggerspecie afkomstig van het ruimen, verdiepen en/of verbreden van bevaarbare en onbevaarbare waterlopen behorende tot het openbaar hydrografisch net en/of van de aanleg van nieuwe waterinfrastructuur:   

 

a) opslag in afwachting van behandeling

A

b) mechanische, fysisch-chemisch en/of biologische behandeling

A

 

2.3. Opslag en verwijdering van afvalstoffen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

2.3. Opslag en verwijdering van afvalstoffen  
2.3.1. Opslag en mechanische behandeling, andere dan deze bedoeld in rubriek 2.3.7., van:  
  a) niet-gevaarlijke afvalstoffen

A

  b) gevaarlijke afvalstoffen

B

2.3.2. Opslag en fysisch-chemische behandeling, al of niet in combinatie met mechanische behandeling, andere dan deze bedoeld in rubriek 2.3.7., van:  
  a) niet-gevaarlijke slibs A
  b) gevaarlijke slibs A
  c) afgewerkte olie A
  d) organische oplosmiddelen B
  e) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen

A

  g) andere gevaarlijke afvalstoffen

B

2.3.3. Opslag en biologische behandeling, andere dan deze bedoeld in rubriek 2.3.7., van :  
  c) andere gevaarlijke afvalstoffen

B

2.3.4. Opslag en verbranding of meeverbranding, al dan niet als experiment, met of zonder energiewinning en met of zonder terugwinning van stoffen van :  
2.3.4.1 Opslag en verbranding van:

 

  b) verontreinigd behandeld houtafval

A

  c) afgewerkte olie

A

  e) niet-gevaarlijke huishoudelijke afvalstoffen

A

  f) niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen die vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen

A

  h) risicohoudend medisch afval en vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval

A

  j) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen

A

  k) andere gevaarlijke afvalstoffen

A

  l) dierlijk afval met uitzondering van krengen in dierencrematoria

A

  m) waterzuiveringsslib

A

2.3.4.2 Opslag en medeverbranding van:  
  b) verontreinigd behandeld houtafval A
  c) afgewerkte olie A
  d) andere niet-gevaarlijke afvalstoffen A
  e) andere gevaarlijke afvalstoffen A
  f) dierlijk afval met uitzondering van krengen in dierencrematoria A
  g) waterzuiveringsslib A
2.3.5. Opslag en reiniging van metalen recipiėnten door uitbranden B
2.3.6. Stortplaatsen, andere dan die vermeld in rubriek 2.3.7, van:Het rechtstreeks terugstorten op de plaats van ontginning, van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voorzover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiare of het kwartaire tijdperk behoren (zand-, klei-, leem, mergel en grindafzettingen) is geen stortactiviteit0  
  a) Categorie 3: stortplaats voor inerte afvalstoffen

 

    1) stortplaats voor inerte afvalstoffen A, I
    2) monostortplaats voor inerte afvalstoffen A, I
  b) Categorie 2: stortplaats voor niet gevaarlijke afvalstoffen  
    1) stortplaats voor gemengde niet-gevaarlijke huishoudelijke vaste afvalstoffen met hoog gehalte aan organisch/bioafbreekbaar en anorganisch afval B, I
    2) stortplaats voor voornamelijk organisch niet-gevaarlijke afvalstoffen B, I
    3) stortplaats voor anorganische niet-gevaarlijke afvalstoffen met laag organisch/bioafbreekbaar gehalte B, I
    4) monostortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, andere dan inerte afvalstoffen B, I
    5) stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen van iedere andere oorsprong die voldoen aan de criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen voor niet gevaarlijk afval (criteria: zie afdeling 5.2.4 van titel II van het VLAREM) B, I
    6) stortplaats voor stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen (bij voorbeeld verharde of verglaasde afvalstoffen) met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van de onder 5° vermelde niet gevaarlijke afvalstoffen, en die voldoen aan de relevante aanvaardingscriteria (criteria: zie afdeling 5.2.4 van titel II van het VLAREM); die gevaarlijke afvalstoffen worden niet gestort in cellen die voor biologisch afbreekbare niet gevaarlijke afvalstoffen bestemd zijn B, I
  c) Categorie 1: stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen

 

    1) stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen die voldoen aan de criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen (criteria: zie afdeling 5.2.4 van titel II van het VLAREM) B, I
    2) monostortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen B, I
    3) monostortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen die bestaan uit asbestcement of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is B, I
    4) Ondergrondse opslagplaats voor gevaarlijke afvalstoffen B, I
2.3.7. Opslag, behandeling en verwijdering van baggerspecie met uitzondering van het ter plaatse uitspreiden van niet-verontreinigde ruimingsspecie  
  a) monostortplaatsen voor baggerspecie en/of ruimingsspecie afkomstig van het ruimen, verdiepen en/of verbreden van bevaarbare en onbevaarbare waterlopen behorende tot het openbaar hydrografisch net en/of van de aanleg van nieuwe waterinfrastructuur

A, I

  c) opslag van sub a) bedoelde baggerspecie en/of ruimingsspecie in afwachting van behandeling

A, I

  d) mechanische, fysisch-chemische en/of biologische behandeling van sub a) bedoelde baggerspecie en/of ruimingsspecie

A, I

2.3.9. Installaties voor de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag, met uitzondering van de installaties, vermeld in 2.4.3, a), i en ii.

A

2.3.11. Het verzamelen of storten van winningsafval op een terrein, ongeacht of dat afval zich in vaste vorm, in een oplossing, in een suspensie, of in vloeibare toestand bevindt, gedurende de volgende termijnen:

 

  a) geen termijn voor afvalvoorzieningen van categorie A en voorzieningen voor in het afvalbeheersplan als gevaarlijk gekarakteriseerd afval;

 A, I

  b) een termijn van meer dan zes maanden voor voorzieningen voor gevaarlijk afval dat onverwacht wordt gegenereerd;

 A, I

 

2.4. Afvalbeheer in het kader van industriėle emissies

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

2.4. Afvalbeheer in het kader van industriėle emissies  
2.4.1.

De verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten: 

B
  a) biologische behandeling; 

 

  b) fysisch-chemische behandeling; 

 

  c) mengen of vermengen voorafgaand aan een van de onder rubriek 2.4.1 en 2.4.2 vermelde behandelingen;   
  d) herverpakking voorafgaand aan een van de onder rubriek 2.4.1 en 2.4.2 vermelde behandelingen;   
  e) terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen;  
  f) recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of metaalverbindingen;   
  g) regeneratie van zuren of basen;   
  h) terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;  
  i) terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren;   
  j) herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;   
  k) opslag in waterbekkens.   
2.4.2. De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:  
  a) niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur; A
  b) gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag. B
 2.4.3. a) de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten, vermeld in rubriek 3.6.4: 

 

    biologische behandeling; A
    fysisch-chemische behandeling;  A
    voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;  A
    behandeling van slakken en as; B
    behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.  B
  b)

nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten, vermeld in rubriek 3.6.4:

(Als de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaėrobe vergisting, bedraagt de capaciteitsdrempelwaarde voor die activiteit 100 ton per dag.)

 

    biologische behandeling; A
    voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; A
    behandeling van slakken en as; B
    behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan.  B
2.4.4. Stortplaatsen die meer dan 10 ton per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25.000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen. 
2.4.5. Tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen die niet onder rubriek 2.4.4. vallen, in afwachting van de behandelingen, vermeld onder rubriek 2.4.1, 2.4.2, 2.4.4 en 2.4.6 , met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag op de plaats van productie die aan inzameling voorafgaat. B
2.4.6. Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 ton.  B
2.4.7. De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.  A
Rubriek3. Afvalwater en koelwater
3.6. Afvalwaterzuiveringsinstallaties

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

3.6. Afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie:  
  3. voor de behandeling van bedrijfsafvalwater dat al of niet één of meer van de in bijlage 2C bij titel I van het VLAREM bedoelde gevaarlijke stoffen bevat in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem, met uitzondering van de in rubriek 3.6.5 ingedeelde inrichtingen, met een effluent:  
    van meer dan 5 m3/h tot en met 50 m3/h

A

    van meer dan 50 m3/h

B

  4. voor de behandeling van afvalwater aangevoerd via openbare riolen en/of collectoren met een zuiveringscapaciteit :  
    met een capaciteit van 500 tot 100.000 inwonerequivalenten

O

    met een capaciteit van 100.000 inwonerequivalenten of meer

A

  6. onafhankelijk geėxploiteerde installaties voor de behandeling van industrieel afvalwater ten dienste van een of meer activiteiten, aangeduid met een “R” in de zevende kolom van deze lijst, met een capaciteit van 10.000 m3 per dag of meer

A

  7. Een zelfstandige geėxploiteerde behandeling, met uitzondering van de behandelingen inzake stedelijk afvalwater, van afvalwater ten dienste van een of meer activiteiten, aangeduid met een “X” in de vierde kolom van de indelingslijst van Vlarem I, bijlage I dd 20/09/2013

A

 

 

Rubriek4. Bedekkingsmiddelen (verven, vernissen, inkten, e-mails, metaalpoeders en analoge producten, afbijt- en beitsmiddelen, oppervlaktebehandeling)
4.1. Productie

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

4.1. Inrichtingen voor de productie van lak, verf, drukinkten en/of pigmenten alsmede voor het bereiden van bedekkingsmiddelen, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
  meer dan 10 kW tot en met 200 kW B, I
  meer dan 200 kW B, I

 

4.2. Aanbrengen door indompeling

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

4.2. Inrichtingen voor het aanbrengen van bedekkingsmiddelen door indompeling  B

 

4.3. Mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

4.3. Inrichtingen voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen  
  a) Inrichtingen voorzien van een filterinstallatie met gebruik van actieve kool voor de adsorptie van de afvalgassen of een gelijkwaardige installatie, alsmede inrichtingen waar uitsluitend bedekkingsmiddelen met minder dan 150 g VOS/l worden aangebracht, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    i) 5 kW tot en met 60 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      ii) 5 kW tot en met 25 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan het sub i) vermelde industriegebied A
    i) meer dan 60 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      ii) meer dan 25 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan het sub i) vermelde industriegebied A
    meer dan 200 kW A
  b) Inrichtingen waarin bedekkingsmiddelen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG bepaald in bijlage 2A en 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    1) i) 5 kW tot en met 60 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      ii) 5 kW tot en met 25 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan het sub i) vermelde industriegebied A
    2) i) meer dan 60 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      ii) meer dan 25 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan het sub i) vermelde industriegebied A
    3) meer dan 200 kW A
  c) Inrichtingen voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen, andere dan onder sub a) en sub b) bedoelde inrichtingen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    1) i) 5 kW tot en met 25 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      ii) 5 kW tot en met 10 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan het sub i) vermelde industriegebied A
    2) i) meer dan 25 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      ii) meer dan 10 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan het sub i) vermelde industriegebied A
    3) meer dan 200 kW A
4.4. Thermisch behandelen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

4.4. Inrichtingen voor het thermisch behandelen (bij een temperatuur van 100 °C of meer) van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen, wanneer het inwendig volume van de ovens groter is dan 0,25 m3  A
4.5. Opslagplaatsen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

4.5. Opslagplaatsen voor meer dan 10 ton bedekkingsmiddelen met uitzondering van deze bedoeld in rubrieken 17 en 48. A
4.6. Oppervlaktebehandeling

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

4.6. De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur, of meer dan 200 ton per jaar. B
Rubriek5. Pesticiden (biociden en gewasbeschermingsmiddelen)
5.1. Bereiden of formuleren van pesticiden

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

5.1. Inrichtingen voor het bereiden of het formuleren van pesticiden, andere dan die, vermeld in rubriek 5.4 B
5.2. Verpakken van pesticiden

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

5.2. Inrichtingen voor het verpakken van pesticiden B
5.3. Opslagplaatsen van pesticiden

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

5.3. Opslagplaatsen, met uitzondering van die, vermeld in rubrieken 17 en 48, voor pesticiden van:  
  b) meer dan 1 ton tot en met 2 ton A
  meer dan 2 ton A
5.4. Productie van pesticiden

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

5.4. Productie van pesticiden met een jaarcapaciteit:  
  tot en met 30.000 ton B
  meer dan 30.000 ton B
5.5. Fabricage van basisproducten

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

5.5. Fabricage van pesticiden B
Rubriek6. Brandstoffen
6.1. Mechanisch behandelen en verwerken

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

6.1. Inrichtingen voor het mechanisch behandelen en verwerken van vaste brandstoffen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
  Inrichtingen voorzien van een filterinstallatie met gebruik van actieve kool voor de adsorptie van de afvalgassen of een gelijkwaardige installatie, alsmede inrichtingen waar uitsluitend bedekkingsmiddelen met minder dan 150 g VOS/l worden aangebracht, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
   1° a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
     b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
   2° a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
     b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
   3° a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
     b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
6.2. Opslagplaatsen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

6.2. Opslagplaatsen voor vaste brandstoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48:  
  in woon- en woonuitbreidingsgebieden, opslagplaatsen met een capaciteit van meer dan 5 ton en met een oppervlakte van:  
    a) maximaal 2,5 ha O
     b) meer dan 2,5 ha A
  in andere gebieden, opslagplaatsen met een capaciteit van meer dan 20 ton en met een oppervlakte van:  
    a) maximaal 10 ha O
    b) meer dan 10 ha A
6.3. Bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen met een oppervlakte van 25 ha of meer

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

6.3. Bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen met een oppervlakte van 25 ha of meer.  B

 

Rubriek7. Chemicaliėn (zie ook rubrieken 17 en 20.4)
7.1. Niet elders ingedeelde inrichtingen

Rubriek (1)

 Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

7.1.

Niet elders ingedeelde inrichtingen, voor de productie of behandeling van organische of anorganische chemicaliėn waarbij, gebruik gemaakt wordt van:

 

  • alkylering
  • aminering met ammoniak
  • carbonylering
  • condensatie
  • dehydrogenering
  • verestering
  • halogenering en fabricage van halogenen
  • hydrogenering
  • hydrolyse
  • oxidatie
  • polymerisatie
  • ontzwaveling, synthese en omzetting van zwavelhoudende verbindingen
  • nitrering en synthese van stikstofhoudende verbindingen
  • synthese van forforhoudende verbindingen
  • distillatie
  • extractie
  • solvatie
  • menging

met een jaarcapaciteit:  

 
 

tot en met 1.000 ton

B
 

van meer dan 1.000 ton tot en met 10.000 ton

B
 

van meer dan 10.000 ton

B
7.2. Geļntegreerde chemische installaties

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

Categorie

7.2.

Geļntegreerde chemische installaties, d.w.z. installaties voor de fabricage op industriėle schaal van stoffen door chemische omzetting waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:

1. 

organische basischemicaliėn;

2.

anorganische basischemicaliėn;

3.

fosfaat, stikstof of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen); 

4.

basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;

5. 

farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procédé;

6. 

explosieven

  

 B
7.3. Kraken of vergassen van nafta, gasolie, L.P.G. of andere aardoliefracties

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.3. Petrochemische installaties of vervolgfabrieken ten behoeve van het kraken of vergassen van nafta, gasolie, L.P.G. of andere aardoliefracties alsmede daarvan afgeleide organische chemie die niet elders is ingedeeld met een verwerkingscapaciteit van:  
  1°  tot 500.000 ton per jaar B, I
  500.000 ton per jaar of meer B, I

 

7.4. Inrichtingen voor het bereiden één van de volgende producten

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.4. Inrichtingen voor het bereiden van één van de volgende producten:  
  a) fenolen, koolstofdisulfiden en mercaptanen met een jaarcapaciteit:  
    tot en met 10 ton B
    van meer dan 20 ton B
  b) aminen en gehalogeneerde organische verbindingen met een jaarcapaciteit:aminen en gehalogeneerde organische verbindingen met een jaarcapaciteit:  
    tot en met 10 ton B
    van meer dan 10 ton B
7.5. Productie van chloor

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.5. Productie van chloor door elektrolyse en/of door het kwik- of het diafragmaprocédé met een jaarcapaciteit:  
  tot en met 10 ton                       B
  van meer dan 10 ton B
7.6. Productie van organische en anorganische peroxiden,

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.6. Productie van organische en anorganische peroxiden, met een jaarcapaciteit  
  tot en met 10 ton B
  van meer dan 10 ton B
7.7. Productie van chloorwaterstoffen en derivaten, alsmede polymeren ervan

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.7. Productie van chloorwaterstoffen en derivaten alsmede polymeren ervan, andere dan deze bedoeld in rubriek 5 met een jaarcapaciteit:  
  tot en met 10 ton B
  van meer dan 10 ton B
7.8. Productie van natriumpentachloorfenolaat door elektrolyse van hexachloorbenzeen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.8. Productie van natriumpentachloorfenolaat door elektrolyse van hexacloorbenzeen, met een jaarcapaciteit:  
  tot en met 10 ton B
  van meer dan 10 ton B
7.9. Productie van soda als eindproduct of van calcium- en natriumchloride als bijproduct

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.9. Productie van soda (natriumcarbonaat) als eindproduct en/of van calcium- en natriumchloride als bijproduct, met een jaarcapaciteit aan eindproduct, respectievelijk bijproductie:  
  tot en met 10 ton B
  van meer dan 10 ton B
7.10. Productie van methylcellulose

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.10. Productie van methylcellulose door inwerking van methylchloride op cellulose, met een jaarcapaciteit:  
  tot en met 10 ton B
  van meer dan 10 ton B
7.11. De fabricage van

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.11. De fabricage van:  
  organisch-chemische producten, zoals:  
    a) eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische)

B

    b) zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters en mengsels van esters, acetaten, ethers, peroxiden, epoxyharsen

B

    c) zwavelhoudende koolwaterstoffen

B

    d) stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten

B

    e) fosforhoudende koolwaterstoffen 

B

    f) halogeenhoudende koolwaterstoffen 

B

    g) organometaalverbindingen 

B

    h) kunststofmaterialen (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels) 

B

    i) synthetische rubber 

B

    j) kleurstoffen en pigmenten 

B

    k) tensioactieve stoffen en tensiden 

B

  anorganisch-chemische producten, zoals:   
    a) van gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonylchloride

B

    b) van zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur 

B

    c) van basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide 

B

    d) van zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat 

B

    e) van niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide, titaandioxide 

B

  fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen)

B

  farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten

B

  explosieven

B

 

7.12. Chemische industrie

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.12. Chemische industrie:  
  Chemische industrie voor de behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliėn:  
    a) Chemische installatie voor de productie van organische chemicaliėn met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer

B

    b) Chemische installatie voor de productie van kunstmeststoffen met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer

B

    c) Chemische installatie voor de productie van anorganische chemicaliėn met een productiecapaciteit van 250.000 ton per jaar of meer

B

  Chemische industrie voor de productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden:  
    a) Inrichtingen voor de productie van bestrijdingsmiddelen met een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer

B

    b) Inrichtingen voor de productie van farmaceutische stoffen met een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer

B

    c) Inrichtingen voor de productie van elastomeren, verven, vernissen of peroxiden met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer

B

 

7.13. Productie

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.13. De productie van:  
  salpeterzuur, adipinezuur, glyoxal of glyoxylzuur B
  ammoniak, natriumcarbonaat of natriumbicarbonaat B
  organische bulkchemicaliėn door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatieve of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dag B
  waterstof en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit van meer dan 25 ton per dag B
7.14. Productie van roet

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

7.14. De productie van roet waarbij organische stoffen zoals olie, teer en kraak- en destillatieresiduen worden verkoold, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt B
Rubriek11. Drukkerijen en grafische industrie(drukken op papier, weefsel, metaal, kunststoffen enz., fotografische bewerkingen, boekbinden)
11.1 Drukken

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

11.1.

Inrichtingen voor het drukken in de ruimste zin, inzonderheid hoogdruk, vlakdruk, diepdruk, flexodruk, zeefdruk, uitvlokken, fotokopie, microfilm, planafdruk, aanmaken van gedrukte schakelingen, elektronische druk, dit op papier, metaal, glas (behalve de versiering van hol glas), plastiek, weefsel en alle andere metalen.

Met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:
 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

A

  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

A

 

11.2. Zetten, voorbereiden of afwerken

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

11.2.

Zetten, voorbereidingen en afwerkingen van de grafische industrie zoals het grafisch ontwerpen, het zetten en opmaken, de fotoreprografie, de clicherie, het graveren van platen en stempels, het binden, het afwerken en de veredeling, met inbegrip van labo's voor foto-ontwikkeling:

met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:
 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

A

  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

A

 

Rubriek12. Elektriciteit
12.1. Elektriciteitsproductie

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

12.1.

Electriciteitsproductie

niet in rubrieken 20.1.5, 20.1.6 en 43.2 bedoelde inrichtingen voor elektriciteitsproductie, uitgezonderd de aspecten die betrekking hebben op de kernbrandstofcyclus, met een geļnstalleerd totaal elektrisch vermogen van:

 
  meer dan 300 kW tot en met 10.000 kW

A

  meer dan 10.000 kW

B

 

12.4. Vervaardigen van elektrische en elektronische toestellen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

12.4. Inrichtingen voor het vervaardigen van elektrische en elektronische toestellen, gedrukte schakelingen, chips, zonnecellen en geleiders met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

A

  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

A

 

Rubriek13. Farmaceutische stoffen
13.1. Industrieel bereiden of formuleren

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

13.1. Inrichtingen voor het industrieel bereiden of het formuleren van farmaceutische stoffen A
Rubriek14. Fotografische producten

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

14.

Fotografische producten (lichtgevoelige films, platen papier, enz.).

Inrichtingen voor het vervaardigen van fotografische producten met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:
 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

O

    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

O

  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

A

  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

B

    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

B

 

Rubriek15. Garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen
15.2. Werkplaatsen voor nazicht, herstellen en onderhoud van motorvoertuigen, andere dan rubriek 15.3. en 15.5.

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

15.2. Werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden), andere dan deze bedoeld in rubriek 15.3 en 15.5 A

 

15.3. Werkplaatsen voor nazicht, herstellen en onderhouden van motorvoertuigen, andere dan rubriek 15.5.

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

15.3. Werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden), andere dan deze bedoeld in rubriek 15.5, met gebruik van meer dan:  
  10 schouwputten of hefbruggen, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

  4 schouwputten of hefbruggen, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan het sub 1° vermelde industriegebied

A

 

15.5. Standaardgarages en standaardcarrosseriebedrijven

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

15.5. Standaardgarages en - carosseriebedrijven A

 

15.6. Stallen van geaccidenteerde voertuigen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

15.6. Het al dan niet overdekt stallen van geaccidenteerde voertuigen van:  
  maximaal 25 geaccidenteerde voertuigen

A

  meer dan 25 geaccidenteerde voertuigen

B

 

Rubriek16. Gassen
16.1. Productie of omzetting van gassen, cokesgas uitgezonderd

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

16.1. De productie (met inbegrip van de gasraffinage) of omzetting van gassen, cokesgas uitgezonderd:  
  b) Overige (dan gasrafinaderijen), met een productiecapaciteit van:

 

    meer dan 100 Nm³/h B, I

 

Rubriek17. Gevaarlijke producten
17.2. Industriėle activiteiten en opslagplaatsen met risico's van zware ongevallen

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

17.2. Industriėle activiteiten en opslagplaatsen met risico's van zware ongevallen (EU-richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken) :  
  17.2.1. inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden gelijk aan of groter dan de in bijlage 6, delen 1 en 2, kolom 2, gevoegd bij titel I van het VLAREM vermelde hoeveelheid aanwezig zijn [...]

B

  17.2.2. VR-plichtige inrichting waar gevaarlijke producten in hoeveelheden gelijk aan of groter dan de in bijlage 6, delen 1 en 2, kolom 3, gevoegd bij titel I van het VLAREM vermelde hoeveelheid aanwezig zijn [...]

B

 

17.3. Niet onder 17.2. en 17.4. vallende inrichtingen op opslagplaatsen voor gevaarlijke producten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

17.3.

Niet onder 17.2 en 17.4 vallende inrichtingen op opslagplaatsen voor gevaarlijke producten.

Voor de toepassing van deze rubriek worden als "gevaarlijke producten" beschouwd, de stoffen bedoeld in bijlage 7 bij titel I van het VLAREM
 
  17.3.1. Inrichtingen voor de industriėle productie van zeer giftige, giftige, zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontplofbare of milieugevaarlijke stoffen met een jaarcapaciteit:

 

     1° tot en met 10 ton

A

     2° van meer dan 10 ton

B

  17.3.2. Inrichtingen voor de opslag voor zeer giftige, giftige en ontplofbare stoffen met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een opslagcapaciteit van:

 

     2° meer dan 100 kg tot en met 1 ton A
     3° meer dan 1 ton B
  17.3.3. Opslagplaatsen voor oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van:  
    a) meer dan 10.000 kg tot en met 50.000 kg wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 1.000 kg tot en met 50.000 kg, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    meer dan 50.000 kg B
 

17.3.4.

Opslagplaatsen voor zeer licht ontvlambare en licht ontvlambare vloeistoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van:  
    a)  bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag  
        1) meer dan 1 000 l tot en met 30 000 l wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
        2) meer dan 500 l tot en met 30 000 l, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
        3) meer dan 30 000 l B
      b) bij uitsluitend bovengrondse opslag  
        1) meer dan 1 000 l tot en met 30 000 l wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied
        2) meer dan 500 l tot en met 30 000 l, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
        3) meer dan 30 000 l A
  17.3.5. Opslagplaatsen voor ontvlambare vloeistoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van:  
     2° a) meer dan 5 000 l tot en met 100 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag
      b) meer dan 5 000 l tot en met 100 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag O
    a) meer dan 100 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag B
        meer dan 100 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag A
  17.3.6. Opslagplaatsen voor vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 55°C, maar dat 100°C niet overtreft, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van:  
    a) meer dan 20 000 l tot en met 500 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag A
      b)  meer dan 20 000 l tot en met 500 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag
    a) meer dan 500 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag B
      b) meer dan 500 000 l bij uitsluitend bovengrondse opsla A
  17.3.7. Opslagplaatsen voor vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 100° C, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een totaal inhoudsvermogen van:   
    a) meer dan 50 000 l tot en met 5 000 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag
      b) meer dan 50 000 l tot en met 5 000 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag O
    a) meer dan 5 000 000 l bij uitsluitend ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag B
      b) meer dan 5 000 000 l bij uitsluitend bovengrondse opslag A
  17.3.8. Opslagplaatsen voor milieugevaarlijke stoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, met een opslagcapaciteit van:  
    meer dan 1 ton tot en met 100 ton A
    meer dan 100 ton

B

  17.3.9. Brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, zijnde installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen bestemd voor de voeding van de erop geļnstalleerde motor(en) :  
    Inrichtingen die niet ingedeeld zijn in rubriek 17.3.9.1° en 2°

 

Rubriek19. Hout
19.1. Fineer-, triplex-, houtvezel- en spaander plaatfabrieken, van hout andere dan 19.2

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

19.1. Fineer-, triplex-, houtvezel- en spaanderplaatfabrieken, van hout e.d., andere dan deze bedoeld in rubriek 19.2, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

O

    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O

 

19.2. Vervaardiging van houtvezelplaten volgens nat procedé

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

19.2. Vervaardiging van houtvezelplaten en andere platen hoofdzakelijk samengesteld van hout e.d. gefabriceerd volgens een nat procédé met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

O

    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O

 

19.4. Chemisch behandelen van hout en soortgelijke producten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

19.4. Inrichtingen voor het chemisch behandelen van hout en soortgelijke producten, andere dan deze bedoeld in rubriek 19.8:  
 

installaties voor houtverduurzaming met een jaarlijks oplosmiddelenverbruik van maximum 25 ton met:

producten met minder dan 150 g VOS/l op emulsie- of dispersiebasis door instrijken/indompeling of drenking in een bad toegepast in een houtverduurzamingsstation waaraan de technische goedkeuring ATG van de Belgische Unie voor de technische goedkeuring in de bouw (BUtgb) is toegekend

O

  andere installaties voor houtverduurzaming A
  Industriėle installaties voor de conservering van hout en houtproducten met chemicaliėn met een productiecapaciteit van 50 m3 per dag of meer.

A
  de conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m³ per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken B

 

Rubriek20. Industriėle inrichtingen die behoren tot bijzondere categorieėn
20.1. Energie-industrie

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

20.1.

Energie-industrie (zie ook rubriek 6)

 
  20.1.1. De productie van cokes

B, I

  20.1.2. Het raffineren van ruwe aardolie
(Zie ook rubriek 1.1.)

B

  20.1.3. Het vergassen of vloeibaar maken van:  
    a) steenkool B, I
    b) andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer  B, I
 

20.1.4.

Installaties voor het produceren van vaste brandstoffen:  
    20.1.4.1. industrieel briketteren van steenkool en bruinkool met een jaarcapaciteit van:  
       1° 1.000 ton tot en met 10.000 ton A
       2° meer dan 10.000 ton B
    20.1.4.2. steenkoolwalserijen met een capaciteit van 1 ton per uur of meer; B
    20.1.4.3. installaties voor de fabricage van steenkoolproducten en vaste rookvrije brandstof. B

 

20.2. Productie en omzetting van metalen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

20.2.

Productie en omzetting van metalen

 
  20.2.2. De productie van ruw ijzer of staal (primaire of secundaire smelting) met inbegrip van continugieten met een capaciteit van:

 

    500 kg tot 2,5 ton per uur

O

    meer dan 2,5 ton per uur A
  20.2.3. Het smelten van ferrometalen met een productiecapaciteit per dag van:

 

    1 ton tot en met 5 ton O
    meer dan 5 ton tot en met 20 ton  O
    meer dan 20 ton A
 

20.2.4.

Het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, inclusief terugwinningsproducten en het gieten van non-ferrometalen met een smeltcapaciteit per dag van:  
    a) voor lood en cadmium  
      20 kg tot en met 1 ton A, I
      meer dan 1 ton tot en met 4 ton B, I
      meer dan 4 ton B, I
    b) voor andere metalen:  
      meer dan 0,5 ton tot en met 20 ton A
      meer dan 20 ton A
  20.2.5. De productie van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procedés B, I
  20.2.6. Installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten, met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer. B, I
  20.2.7. Installaties voor het smelten (met inbegrip van het legeren), het (vorm)gieten, walsen (koud- en warmwalsen), het trekken van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen - inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten, enz.) - met een productiecapaciteit van 50.000 ton per jaar of meer. B, I
  20.2.8. Productie van aluminium  
    productie van primair aluminium B, I
    productie van secundair aluminium waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt B, I
  20.2.9. Productie of bewerking van ferrometalen, inclusief ferrolegeringen, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt. De bewerking bevat onder meer walserijen, herverhitters, gloeiovens, smederijen, gieterijen, coating en beitsen. B, I
  20.2.10. Productie of bewerking van non-ferrometalen, met inbegrip van de productie van legeringen, raffinage, gieterijen enzovoort, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (met inbegrip van brandstoffen die als reductoren worden ingezet) van meer dan 20 MW worden gebruikt. B, I

 

20.3. Industrieėn op het gebied van niet-metaalachtige minerale producten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

20.3.

Industrieėn op het gebied van niet-metaalachtige minerale producten

 
  20.3.1. Installaties voor de productie van cement:

 

    Inrichtingen voor de productie van cement en kalk door middel van draaiovens met een geļnstalleerde totale drijfkracht:

 

      b) 1) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
        2) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
      c) 1) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
        2) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    Installaties voor de vervaardiging van cement met een productiecapaciteit van 150.000 ton per jaar of meer O
  20.3.2. Inrichtingen voor productie en omzetting van asbestproducten (zie ook rubriek 30.6)

 

    a) industriėle activiteiten waarbij asbest wordt gebruikt, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
      tot en met 200 kW A
      meer dan 200 kW B
    b) Fabricage van asbestcement niet begrepen in sub d) hierna B
    c) Productie van asbestpapier of asbestkarton niet begrepen in sub d) hierna B
    d) De winning van asbest of de fabricage van asbestproducten B
    e) Installaties voor de behandeling en de verwerking van asbest en asbesthoudende producten :  
      voor producten van asbestcement, met een jaarproductie van:  
        a) minder dan 10.000 ton eindproducten O
        b) 10.000 ton eindproducten en meer A
      voor remvoeringen, met een jaarproductie van:  
        a) minder dan 25 ton eindproducten O
        b) 25 ton eindproducten en meer A
      alsmede- voor andere toepassingsmogelijkheden van asbest- met een gebruik van:  
        a) minder dan 100 ton per jaar O
        b) 100 ton per jaar en meer A
 

20.3.4.

De fabricage van glas:  
    de fabricage van glas, met inbegrip van installaties voor de fabricage van glasvezels,  
      met een smeltcapaciteit per dag van:  
      a) 4 ton tot en met 20 ton O
      b) meer dan 20 ton A
    installaties voor het vervaardigen en behandelen van glas (met inbegrip van glasvezels) met een productie-capaciteit van 30.000 ton per jaar of meer. A
  20.3.5. Het fabriceren van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein met:  
    a) een totaal geļnstalleerde drijfkracht van:  
      a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt A
        b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt A
      a) meer dan 1.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt A
        b) meer dan 500 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt A
    b) een productiecapaciteit in gewicht van meer dan 75 ton per dag A
    c) een ovencapaciteit van meer dan 4 m³ en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m³ A
  20.3.8. Het drogen of calcineren van gips of het produceren van gipsplaten en andere gipsproducten waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt A

 

20.4. Chemische industrie

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

20.4.

Chemische industrie (zie ook rubriek 7)

 
  20.4.1. Chemische inrichtingen voor de productie van alkenen, alkeenderivaten, monomeren en polymeren, niet begrepen in rubriek 7.3):

 

    met een productiecapaciteit van minder dan 10 ton per jaar A, I
    met een productiecapaciteit van 10 ton per jaar of meer B, I
 

20.4.2.

Chemische inrichtingen voor de fabricage van organische tussenproducten, niet begrepen in rubriek 7:  
    met een productiecapaciteit van minder dan 10 ton per jaar B, I
    met een productiecapaciteit van 10 ton per jaar of meer B, I
  20.4.3. Inrichtingen voor de fabricage van anorganische chemische basisproducten, niet begrepen in rubriek 7:  
    met een productiecapaciteit van minder dan 10 ton per jaar B, I
    met een productiecapaciteit van 10 ton per jaar of meer B, I

 

20.5. Chemische fabricage van papierpap

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

20.5.

Diverse industrieėn: Inrichtingen voor de chemische fabricage van papierpap met een productiecapaciteit van:

 
  1.000 ton tot en met 25.000 ton per jaar B
  meer dan 25.000 ton per jaar B
Rubriek21. Kleurstoffen en pigmenten
21.1. Vervaardigen van natuurlijke kleurstoffen en pigmenten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

21.1.

Inrichtingen voor het vervaardigen van natuurlijke kleurstoffen en pigmenten, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
21.2. Vervaardigen van kunstmatige kleurstoffen en pigmenten

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

21.2.

Inrichtingen voor het vervaardigen van kunstmatige kleurstoffen en pigmenten, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O, I
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O, I
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A, I
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A, I
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B, I
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B, I

 

Rubriek22. Kosmetische stoffen (parfums, crčmes, poeders en analoge producten)
22.1. Bereiden of conditioneren

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

22.1.

Inrichtingen voor het bereiden of conditioneren van cosmetische stoffen met een geļnstalleerde drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
Rubriek23. Kunststoffen (macromoleculaire synthetische stoffen)
23.1. Inrichtingen vervaardigen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

23.1.

Inrichtingen voor het vervaardigen van kunststoffen en van kunstmatige vezels:

 
  Inrichtingen voor het vervaardigen van kunststoffen en van kunstmatige vezels met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    b) meer dan 10 kW tot en met 200 kW A
    c) meer dan 200 kW B
  Installaties voor het vervaardigen van kunstmatige minerale vezels met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer. B
23.2. Inrichtingen voor het behandelen van kunststoffen en het vervaardigen van voorwerpen uit kunststoffen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

23.2.

Inrichtingen voor het behandelen van kunststoffen en het vervaardigen van voorwerpen uit kunststoffen, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 41, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
Rubriek24. Laboratoria (al dan niet geļntegreerd in een elders ingedeelde inrichting)
24.1. Gevaarlijke stoffen lozen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

24.1.

Laboratoria die enige biologische of scheikundige, minerale of organische bedrijvigheid uitoefenen met het oog op opzoekingen, proeven, analyses, toepassing of ontwikkeling van producten, kwaliteitscontrole op producten, of met een didactisch doel, die door hun afvalwater een hoeveelheid gevaarlijke stoffen lozen per maand en per stof die opgenomen is in lijst I van bijlage 2C:

 
  meer dan 1 kg  O
Rubriek25. Leder (huiden, leder, pelsen, haren, veren, dons)
25.1. Leer- en witlooierijen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

25.1.

Leer- en witlooierijen

 
  25.1.1. Het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindproducten per dag B, I
  25.1.2. Overige leer- en witlooierijen B, I
  25.1.3.

Installaties voor het looien van huiden met een productiecapaciteit van 1.000 ton per jaar of meer

Er kan overlapping zijn met deelrubriek 25.1.1.
B, I

 

25.2. Andere inrichtingen voor het behandelen, vilthoed- en textielhaarfabrieken

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

25.2.

Andere inrichtingen voor het behandelen van huiden, leder, pelsen, haren, veren en dons zoals pelterij- en bontwerkfabrieken (bereiden, verven en reinigen inbegrepen), vilthoed- en textielhaarfabrieken met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
Rubriek26. Lijmen en niet voor consumptie bestemde gelatine
26.1. Bereiden van lijmen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

26.1.

Inrichtingen voor het bereiden van lijmen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
26.2. Opslagplaatsen voor lijmen en niet voor consumptie bestemde gelatine

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

26.2.

Opslagplaatsen voor lijmen en niet voor consumptie bestemde gelatine, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, van meer dan 10 ton

 A
26.3. Productie van gelatine en osseļne

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

26.3.

Inrichtingen voor de productie van gelatine en osseļne met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
Rubriek27. Lucifers, toortsen of analoge producten
27.1. Vervaardigen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

27.1.

Inrichtingen voor het vervaardigen van lucifers, toortsen en analoge producten

 O
Rubriek28. Mest of meststoffen
28.1. Kunstmest

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

28.1.

Kunstmest, waaronder verstaan elke speciaal vervaardigde één of meer mineralen bevattende stof die wordt aangebracht ter bevordering van de gewasgroei, andere dan dierlijke mest

 
  a) Productie van fosfaatmeststoffen, superfosfaten, fosforzuren en technische fosfaten met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    5 kW tot en met 200 kW A
    meer dan 200 kW B
  b) Productie van stikstofmeststoffen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    5 kW tot en met 200 kW A
    meer dan 200 kW B
  c) Productie van samengestelde meststoffen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    5 kW tot en met 200 kW A
    meer dan 200 kW B
  d) Productie verbonden aan of aanverwant met deze van de subrubrieken a), b) of c) die wegens hun speciaal of afwijkend karakter er niet mee kunnen gelijkgesteld worden met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    5 kW tot en met 200 kW A
    meer dan 200 kW B
28.3. Dierlijke mestverwerking of -bewerking

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

28.3.

Inrichtingen waar dierlijke mest bewerkt of verwerkt wordt, met uitzondering van de installaties voor de bewerking en/of verwerking van dierlijke mest zoals bedoeld in de rubrieken 9.3 tot en met 9.8, met een bewerkings- of verwerkingscapaciteit op jaarbasis van:

 
  b) 1.000 ton tot en met 25.000 ton mest B
  c) meer dan 25.000 ton mest B
Rubriek29. Metalen (zie ook rubriek 20.2)
29.1. Ertsen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

29.1.

Ertsen:

 
  29.1.1. Niet in rubriek 20.2.1 begrepen inrichtingen voor het behandelen van ertsen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A, I
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A, I
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B, I
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B, I
  29.1.2. Inrichtingen voor de opslag of overslag van ertsen, met uitzondering van die, vermeld in rubriek 48, met een oppervlakte van:  
    1 tot en met 10 ha A
    meer dan 10 ha A

 

29.2. De verwerking van ferro-metalen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

29.2.

De verwerking van ferro-metalen:

 
  29.2.1. Walserijen  
    warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 ton ruwstaal per uur B
    overige walserijen B
  29.2.2 Staaldraadtrekkerijen B
29.3. Non-ferrometalen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

29.3.

Non-ferrometalen:

 
  29.3.1. Walserijen of trekkerijen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
29.4. Metaalgieterijen en metaalpoeders

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

29.4.

Metaalgieterijen en metaalpoeders:

 
  29.4.1.

Gieterijen

Met gebruik van smeltkroezen, met een totaal inhoudsvermogen van:
 
    a) 1 dm3 tot en met 1 m3 A
    b) meer dan 1 m3 B
  29.4.2. Metaalpoeders (inrichtingen voor het vervaardigen van) B, I
  29.4.3. Inrichtingen voor het vervaardigen van metaaloxiden B, I

 

29.5. Metalen of voorwerpen uit metaal (bewerking of behandeling van)

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

29.5.

Metalen of voorwerpen uit metaal (bewerking of behandeling van)

 
  29.5.2. Smederijen, andere dan deze bedoeld in rubriek 29.5.1, en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  29.5.3. Inrichtingen voor het thermisch behandelen van metalen of voorwerpen uit metaal met een thermisch vermogen van:   
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
  29.5.4. Inrichtingen voor het fysisch behandelen van metalen of voorwerpen uit metaal of stralen met zand of andere producten (uitgezonderd het stralen van een gebouw of enige andere vaste constructie) met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
  29.5.5. Oppervlaktebehandeling, met inbegrip van ontvetting van metalen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, als de gezamenlijke inhoud van de gebruikte behandelingsbaden en spoelbaden of van de opvangrecipiėnten voor de opvang van de gebruikte chemicaliėn, als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, uit de volgende volumes bestaat:  
    a) meer dan 1.000 liter tot en met 5.000 liter als de inrichting volledig in een industriegebied ligt;  A
      b) meer dan 300 liter tot en met 5.000 liter, als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt;  A
    meer dan 5.000 liter, voor een andere installatie dan die vermeld in punt 4; B
    meer dan 30.000 liter inhoud van alleen de behandelingsbaden (exclusief spoelbaden). B
  29.5.6. Aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal  
    a) met een verwerkingscapaciteit van meer dan 2 ton ruwstaal per uur B
    b) door indompeling, in baden met een vloeibaar metaal (verzinken, vertinnen, enz.) en met een gezamenlijk inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden :  
      meer dan 300 l tot en met 5.000 l B
      meer dan 5.000 l B
  29.5.7. Ontvetten van metalen of voorwerpen van metaal door middel van:  
    gehalogeneerde oplosmiddelen of oplosmiddelen met een ontvlammingspunt tot en met 55° C met een totaal inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden of van de opvangrecipiėnten voor de opvang van de gebruikte chemicaliėn als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, van:  
      a) 1) 10 l tot en met 1.000 l, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
        2) 10 l tot en met 300 l, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
      b) 1) meer dan 1.000 l tot en met 5.000 l wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
        2) meer dan 300 l tot en met 5.000 l, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
      c) meer dan 5.000 l B
    andere organische oplosmiddelen met een totaal inhoudsvermogen van de baden en de spoelbaden of van de opvangrecipiėnten voor de opvang van de gebruikte chemicaliėn als niet gebruikgemaakt wordt van behandelingsbaden en spoelbaden, van:  
      b) 1) meer dan 1.000 l tot en met 5.000 l wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
        2) meer dan 300 l tot en met 5.000 l, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
      c) meer dan 5.000 l B
  29.5.8. Inrichting voor het uitstampen van metalen door middel van springstoffen O
  29.5.9.

Installaties voor de verwerking van ferrometalen door:

- warmwalsen;

- koudwalsen van vlakke platen;

- smeden met hamers;

- het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal;

met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.

B
  29.5.10.

Thermisch reinigen van metalen voorwerpen met het oog op onderhoud of reiniging voor gebruik in de oorspronkelijke functie door middel van pyrolyseovens, wervelbed of gelijkaardige installaties voor het verwijderen van bedekkingsmiddelen en voedingsresten, met een totaal thermisch vermogen van: 

 
   

Overige:  
      a) tot en met 0,2 MW, waarbij wel een of meer van de in 29.5.10.2.1° vermelde verwijderingsactiviteiten plaatsvinden; O
      b) meer dan 0,2 MW. A
Rubriek30. Minerale industrie (Niet-metaalachtige producten, bouwmaterialen en soortgelijke materialen) zie ook rubriek 20.3
30.2. Productie

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

30.2. De productie van:  
  voorwerpen uit klei, gips, asse, enz. of ceramiek, gebakken aarde, beton en andere dergelijke materialen, met uitzondering van deze bedoeld in rubriek 20.3.5, 30.2.2° en 30.9, met een totaal geļnstalleerde drijfkracht van :  
    b) meer dan 10 kW tot en met 200 kW O
    c) meer dan 200 kW O
  cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag O
  kalk of het calcineren van dolomiet of magnesiet, in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag O
  magnesiumoxide in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag  O
30.4. Asfaltbetoncentrales

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

30.4.

Asfaltcentrales

 A
30.5. Verwerken van vrij asbest

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

30.5.

Inrichtingen voor het verwerken van vrij asbest

 B
30.6. Mechanisch bewerken van voorwerpen die asbest bevatten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

30.6.

Inrichtingen voor het mechanisch bewerken van voorwerpen die asbest bevatten met een totale drijfkracht van:

 
  2. meer dan 10 kW tot en met 200 kW A
  3. meer dan 200 kW B
30.9. Steenbakkerijen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

30.9.

Steenbakkerijen

 O
Rubriek32. Ontspanningsinrichtingen en schietstanden
32.7. Schietstanden

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

32.7.

Schietstanden

 
 

voor kleiduifschieten met vuurwapens O
 

voor vuurwapens, uitgezonderd paintball shooting en kleiduifschieten O
Rubriek33. Papier (papierdeeg, papier, karton en soortgelijke materialen)
33.1. Fabricage van papierpulp

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

33.1.

De fabricage, in industriėle installaties, van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen

O
33.2. Papier- en kartonfabrieken

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

33.2.

Papier- en kartonfabrieken:

 
  a) Vervaardigen van papier met minder dan 15 % as van kraft-liner en edele verpakkingen en/of van tissues met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  b) Vervaardigen van papier met 15% en meer as, van papier met meer dan 25 % houtslijp en/of gestreken papier, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  c) Vervaardigen van papier op basis van oud papier (meer dan 60 %) met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  d) Vervaardigen van speciaal papier en karton, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
    a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
      b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
    a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  e) de fabricage, in industriėle installaties, van papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag O
Rubriek34. Reinigingsmiddelen (zepen, detergenten of soortgelijke producten) en poetsmiddelen
34.2. Bereiden en verpakken

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

34.2.

Inrichtingen voor het bereiden en verpakken van reinigingsmiddelen en poetsmiddelen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
34.3. Opslagplaatsen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

34.3.

Opslagplaatsen voor reinigingsmiddelen en poetsmiddelen met een capaciteit van meer dan 10 ton, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 17 en 48.

 O
Rubriek36. Rubber (rubber en andere elastomeren)
36.1. Vervaardigen van synthetische rubbers

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

36.1.

Inrichtingen voor het vervaardigen van synthetische rubber

 B, I

 

36.2. Bandenfabriek

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

36.2.

Bandenfabrieken

 A
36.3. Vervaardigen en behandelen van producten op basis van elastomeren

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

36.3.

Inrichtingen voor het vervaardigen en behandelen van producten op basis van elastomeren:

 
  met een geļnstalleerde totale drijfkracht:  
    b) 1) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      2) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
    c) 1) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
      2) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  met een verwerkingscapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer A
Rubriek38. Springstoffen
38.1. Bereiding, behandeling of verwerking

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

38.1.

Inrichtingen voor de bereiding, behandeling of verwerking van springstof, met inbegrip van de installaties voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen, met uitzondering van de werkplaatsen voor het laden van jachtpatronen bij wapensmeden en andere kleinhandelaars

 B, I

 

Rubriek40. Tabak
40.1. Behandelen van tabak of het vervaardigen van tabakswaren

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

40.1.

Inrichtingen voor het behandelen van tabak of het vervaardigen van tabakswaren met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O

 

Rubriek41. Textiel (vezels, garen, wol, weefsels, breiwerk, vlechtwerk, textielwaren, kunststoffen en soortgelijke producten)
41.3. Wolontvettingsfabrieken, wolwasserijen, kammen en/of carboniseren

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

41.3.

Wolontvettingsfabrieken, wolwasserijen, alsmede het kammen en/of carboniseren van wol met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

O

 

  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied

A

 

    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied

A

 

  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
41.4. Chemisch reinigen, behandelen, textielveredeling

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

41.4.

Inrichtingen voor het chemisch reinigen, voorbehandelen en behandelen van textiel, alsmede textielveredeling (uitgezonderd de inrichtingen bedoeld in rubriek 41.9 en 46) met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied
41.6. Vervaardigen van tapijten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

41.6.

Inrichtingen voor het vervaardigen van tapijten met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
41.7. Aanbrengen van een kunststofonderlaag bij tapijten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

41.7.

Inrichtingen voor het aanbrengen van een kunststofonderlaag bij tapijten met uitzondering van de precoat voor de poolverankering en de secundaire backing van textiel

O
41.9. Productie van viscose

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

41.9.

Productie van viscose (cellulosenatriumxanthogenaat) voor vezels, filamentgaren, film, sponsen, kunstdarmen, enzovoort, alsook installaties voor het produceren en bewerken van celstof met een geļnstalleerde totale drijfkracht van :

 
  a) 5 kW tot en met 200 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) 5 kW tot en met 100 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied B
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied B
41.10. Voorbehandeling of het verven van vezels of textiel

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

41.10.

De voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van textielvezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag

B
41.11. Produceren en bewerken van celstof

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

41.11.

Installaties voor het produceren en bewerken van celstof met een productiecapaciteit van 100 ton per dag en meer.

B
Rubriek42. Transportmiddelenfabriek
42.1. Automobielfabrieken en assemblagebedrijven

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

42.1.

Automobielfabrieken en assemblagebedrijven en fabrieken van automobielmotoren (transportmiddelen, zoals auto's, autobussen, tractoren, opleggers)

A
42.2. Scheepswerven

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

42.2.

Scheepswerven

 
  42.2.1. Scheepswerven A
  42.2.2.

Installaties voor het bouwen van, en het verven of de verwijdering van verf van schepen met een capaciteit voor schepen van 100 m lang of langer.

Er kan een overlapping zijn met subrubriek 42.2.1.
A
42.3. Bouw en reparatie van luchtvaartuigen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

42.3. Installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen A
42.4. Vervaardigen en assembleren van rijwielen en motorrijwielen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

42.4.

Inrichtingen voor het vervaardigen en assembleren van rijwielen en motorrijwielen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
42.5. Spoorwegmaterieelfabrieken

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

42.5. Spoorwegmaterieelfabrieken A
Rubriek43 Verbrandingsinrichtingen
43.1. Het stoken in installaties, met uitzondering van stationaire motoren en gasturbines

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

43.1.

Het stoken in installaties, met uitzondering van stationaire motoren en gasturbines, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van:

 
 

meer dan 5.000 kW A
43.3. Het stoken in installaties, inclusief stationaire motoren en gasturbines

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

43.3.

Het stoken in installaties, inclusief stationaire motoren en gasturbines, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer

A
43.4. Installaties voor het verbranden van brandstof

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

43.4.

Installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval.

A
Rubriek44. Vetten, wassen, oliėn, paraffine, glycerine, stearine, harsen en andere, niet voor voeding bestemde soortgelijke producten (zie ook rubriek 2.1.1.)
44.1. Vetsmelterijen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

44.1.

Vetsmelterijen met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  meer dan 200 kW A
44.2. Plantaardige of dierlijke oliėn en vetten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

44.2.

Inrichtingen voor het vervaardigen of behandelen van plantaardige en/of dierlijke oliėn en vetten, wassen, of andere niet-eetbare vetstoffen, andere dan deze bedoeld in rubriek 44.1, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
Rubriek45. Voedings- en genotmiddelenindustrie (opslag, bewerking of verwerking van dierlijke en plantaardige producten)
45.1. Slachthuizen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

45.1.

De exploitatie van slachthuizen:

 
  a) voor slachtdieren andere dan deze bedoeld in b)  
    met een productiecapaciteit van meer dan 5 ton tot en met 50 ton per dag geslachte dieren O
  b) voor pluimvee en konijnen:  
    meer dan 1.000 dieren per dag O
  d) Met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag geslachte dieren O
45.2. Smelterijen van voedingsvetten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

45.2.

Smelterijen van voedingsvetten met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
45.3. Bereiden van voedingsvetten van plantaardige of dierlijke oorsprong

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

45.3.

Inrichtingen voor het bereiden van voedingsvetten van plantaardige of dierlijke oorsprong: oliėn, vetten, margarines, gelatine, enz., met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied A
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied A
45.7. Zetmeel- en zetmeelderivatenfabrieken

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

45.7.

Zetmeel- en zetmeelderivatenfabrieken

O
45.9. Vervaardigen en raffineren van suiker- en bietenrasperijen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

45.9.

Inrichtingen voor het vervaardigen en raffineren van suiker- en bietenrasperijen, met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
45.15. Azijn

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

45.15.

Inrichtingen voor het bereiden van azijn met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:

 
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
45.17. Volgende Inrichtingen uit voedings- en genotmiddelenindustrie

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

45.17.

Volgende inrichtingen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie:

 
 

Inrichtingen voor het vervaardigen van plantaardige of dierlijke oliėn en vetten met een productiecapaciteit van 60.000 ton of meer per jaar  O
 

Inrichtingen voor het conserveren van dierlijke en/of plantaardige producten met een productiecapaciteit van 100.000 ton of meer per jaar  O
  Zuivelfabrieken met een productiecapaciteit van 100.000 ton of meer per jaar  O
  Suikerwarenfabrieken met een productiecapaciteit van 90.000 ton of meer per jaar  O
  Siroop- of frisdrankenfabrieken met een productiecapaciteit van 75 miljoen liter of meer per jaar  O
  Vismeel- en visoliefabrieken met een productiecapaciteit van 10.000 ton of meer per jaar  O
  Suikerfabrieken met een productiecapaciteit van 500 ton of meer per dag  O
Rubriek46. Wasserijen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

46. Met een geļnstalleerde totale drijfkracht van:  
  a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
  a) meer dan 1.000 kW, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied O
    b) meer dan 500 kW, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied ander dan industriegebied O
Rubriek48. Zeehavengebieden en havens
48.1.1. Doorvoeropslagplaatsen gelegen in zeehavengebieden,

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

48.1.

Doorvoeropslagplaatsen gelegen in zeehavengebieden, met uitsluiting van de doorvoeropslagplaatsen op de voorkaaien die uitsluitend worden benut voor kortstondige opslag in afwachting van de verscheping of van de uiteindelijke bestemming na lossing:

 
  48.1.1. IMDG (International Maritime Dangerous Goods Code)-goederen  
    Opslagplaatsen voor IMDG-goederen, waaronder gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 6 (delen I en II) bij titel I van het VLAREM, in minimale hoeveelheden:  
      a) zoals vermeld in kolom 2 van deze bijlage 6 (opslagplaatsen waarop artikel 7, § 1 van titel I van het VLAREM van toepassing is) A
      b) zoals vermeld in kolom 3 van deze bijlage 6 (VR-plichtige opslagplaats overeenkomstig artikel 7, § 3 van titel I van het VLAREM) A
    Overige opslagplaatsen voor IMDG-goederen A
Rubriek50. Zout (strooizout)

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

50. Opslagplaatsen van strooizout, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48, van meer dan 20 ton A
Rubriek52. Lozingen in grondwater
52.1. Binnen de waterwingebieden en beschermingszones
52.1.1. Indirecte lozing van gevaarlijke stoffen in bijlage 2B bij titel I van Vlarem

 

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

52.1.1. Indirecte lozing in grondwater van de gevaarlijke stoffen bedoeld in de bijlage 2B bij titel I van het VLAREM:  
  indirecte lozing van bedrijfsafvalwater in grondwater O
  niet-elders ingedeelde handeling waarbij de voormelde gevaarlijke stoffen worden gebruikt, uitgestrooid of verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg zou kunnen hebben A
52.1.2. Binnen de beschermingszones type III

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

52.1.2. Binnen de beschermingszones type III: niet-elders ingedeelde handelingen die krachtens artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones verboden zijn binnen de beschermingszones type II A
52.2. Buiten de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II of III

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

52.2.

Handelingen buiten de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II of III:

Indirecte lozing in grondwater van de gevaarlijke stoffen bedoeld in de bijlage 2B bij titel I van het VLAREM, met uitzondering van de uitspreiding van meststoffen en andere stoffen voor gebruik in land- en tuinbouw mits de opgelegde normen of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaanwijzingen worden nageleefd:

 
 

indirecte lozing van bedrijfsafvalwater in grondwater O
 

niet-elders ingedeelde handeling waarbij de voormelde gevaarlijke stoffen worden gebruikt, uitgestrooid of verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg zou kunnen hebben A
Rubriek57. Vliegvelden
57.1. Vliegvelden

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

57.1.

Terreinen voor vliegvelden met een start- en landingsbaan:

Voor de toepassing van deze rubriek wordt onder vliegvelden verstaan de vliegvelden die beantwoorden aan de definitie van het Verdrag van Chicago van 1944 tot oprichting van de Internationale burgerlucht-vaartorganisatie (bijlage 14 begrip “aerodrome”)

 
 

minder dan 800 meter A
 

ten minste 800 meter A
Rubriek59. Activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen
59.1. Drukken

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.1.

Drukken

 
  59.1.1 Installaties voor heatsetrotatie-offset: een rotatiedrukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager waarop de drukkende delen en de niet-drukkende delen in hetzelfde vlak liggen, waarbij rotatie inhoudt dat het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine wordt gevoerd. Het niet-drukkende deel wordt zo behandeld dat het water aantrekt en derhalve de inkt afstoot. Het drukkende deel wordt zo behandeld dat het inkt opneemt en overbrengt op het te bedrukken oppervlak. De verdamping vindt plaats in een oven, waar het bedrukte materiaal met warme lucht wordt verwarmd  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton tot en met 25 ton A
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
  59.1.2. Installaties voor illustratiediepdruk: rotatiediepdrukactiviteit waarbij papier voor tijdschriften, brochures, catalogi of soortgelijke producten met inkt op basis van tolueen wordt bedrukt  B
  59.1.3.1. Installaties voor flexografie: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager van rubber of elastische fotopolymeren, waarop de drukkende delen zich boven de niet-drukkende delen bevinden, en van vloeibare inkt die door verdamping droogt  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton tot en met 25 ton A
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
  59.1.3.2. Installaties voor lamineren samenhangend met een drukproces: de samenhechting van twee of meer flexibele materialen tot een laminaat  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton tot en met 25 ton A
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
  59.1.3.3. Installaties voor rotatiediepdruk: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een cilindrische beelddrager, waarop de drukkende delen lager liggen dan de niet-drukkende delen, en vloeibare inkt die door verdamping droogt. De napjes worden met inkt gevuld en het overschot wordt van de nietdrukkende delen verwijderd voordat het te bedrukken oppervlak contact met de cilinder maakt en de inkt uit de napjes trekt. Andere installaties dan die vermeld worden in subrubriek 59.1.2  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton tot en met 25 ton A
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
  59.1.3.4. Installaties voor rotatiezeefdruk: een rotatiedrukactiviteit waarbij de inkt door een poreuze beelddrager wordt geperst, waarbij de drukkende delen open zijn en het niet-drukkende deel wordt afgedekt, en zo op het te bedrukken oppervlak wordt gebracht en waarbij gebruik wordt gemaakt van vloeibare inkt die uitsluitend door verdamping droogt. Bij een rotatief drukproces wordt het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine gebracht  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton tot en met 25 ton A
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
  59.1.3.5. Installaties voor rotatiezeefdruk zoals in rubriek 59.1.3.4 met als beelddrager textiel of karton.  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 30 ton B
  59.1.3.6. Installaties voor lakken: een proces waarbij een lak of een kleefstof om later het verpakkingsmateriaal af te sluiten op een flexibel materiaal wordt aangebracht  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton tot en met 25 ton A
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
59.2. Oppervlaktereiniging

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.2.

Oppervlaktereiniging

 
  59.2.1 Oppervlaktereiniging die gebruikmaakt van de in artikel 5.59.2.2, § 1 en § 3, van titel II van het VLAREM vermelde stoffen  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 1 ton tot en met 5 ton B
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 5 ton B
  59.2.2. Oppervlaktereiniging die geen gebruikmaakt van de in artikel 5.59.2.2, § 1 en § 3, van titel II van het VLAREM vermelde stoffen  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 2 ton tot en met 10 ton B
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 10 ton B
59.3. Overspuiten van voertuigen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.3.

Overspuiten van voertuigen

Alle industriėle of commerciėle activiteiten en daarmee verband houdende ontvettingsactiviteiten

A
59.4. Bandlakken

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.4.

Bandlakken

 
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton A
59.5. Coatingwerkzaamheden

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.5.

Coatingwerkzaamheden

 
  59.5.1. Coating van voertuigen  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton of minder A
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 15 ton A
  59.5.2. Coating van andere producten  
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 5 ton tot en met 15 ton B
    met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 15 ton B
59.6. Coating van wikkeldraad

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.6.

Coating van wikkeldraad

 
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 5 ton B
59.7. Coating van houten oppervlakken

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.7.

Coating van houten oppervlakken

 
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton tot en met 25 ton B
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
59.8. Chemisch reinigen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.8.

Chemisch reinigen

alle industriėle of commerciėle activiteiten waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en de kledingindustrie

 A
59.9. Impregneren van houten oppervlakten

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.9.

Impregneren van houten oppervlakken

elke activiteit waarbij een houtverduurzamingsmiddel in het hout wordt gebracht

 
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
59.10. Coating van leder

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.10.

Coating van leder

 
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 10 ton tot en met 25 ton B
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton B
59.11. Fabricage van schoeisel

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.11. Fabricage van schoeisel  
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 5 ton B
59.12. Lamineren van hout en kunststof

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.12. Lamineren van hout en kunststof:  
 

met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 5 ton.

B
59.13. Aanbrengen van lijmlagen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.13. Aanbrengen van lijmlagen  
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 5 ton tot en met 15 ton B
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 15 ton B
59.14. Vervaardigen van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.14. Vervaardiging van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen  
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 100 ton tot en met 1000 ton B
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 1000 ton B
59.15. Bewerking van natuurlijke of synthetische rubber

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.15. Bewerking van natuurlijk of synthetisch rubber  
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 15 ton B
59.16. Extractie van plantaardige oliėn en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliėn

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.16. Extractie van plantaardige oliėn en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliėn  
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 10 ton A
59.17. Vervaardigen van geneesmiddelen

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

59.17. Vervaardiging van geneesmiddelen  
  met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 50 ton B
Rubriek60. Geheel of gedeeltelijk opvullen met niet- verontreinigde uitgegraven bodem en niet-verontreinigde bagger- en ruimingsspecie van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers

 

Rubriek (1)

Omschrijving en Subrubrieken (2) (3) (4)

 

Categorie

60. Geheel of gedeeltelijk opvullen met niet-verontreinigde uitgegraven bodem en niet verontreinigde bagger- en ruimingspecie van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers  
  met een capaciteit van meer dan 10.000 m² O
61.2. Tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die voldoet aan een toepassing als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglementbetreffende de bodemsanering en de bodemsanering

Rubriek (1)

Risico- inrichtingen

Categorie (2)

61.2

Tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die voldoet aan een toepassing overeenkomstig het VLAREBO

 

met een capaciteit van meer dan 10.000 m3 O

 

 

Toelichting
(1)

In deze lijst worden de inrichtingen voorafgegaan door een nummer dat overeenstemt met de indelingsrubriek uit de indelingslijst in bijlage 1 van VLAREM I zoals die van kracht was op 31 mei 2015. Deze nummervermelding is echter louter indicatief, wat inhoudt dat een eventuele wijziging van voormelde indelingslijst geen invloed heeft op de verplichtingen voor de exploitant en overdrager die voortvloeien uit het Bodemdecreet of het VLAREBO.

(2) Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, is de wetgeving waar in de omschrijving van een rubriek of subrubriek in bovenstaande tabel naar verwezen wordt de wetgeving zoals die van kracht was op 31 mei 2015. De betreffende wetgeving kan geraadpleegd worden op de website van de OVAM (www.ovam.be).
(3)

De verwijzing naar een rubriek of subrubriek in de omschrijving in bovenstaande tabel heeft betrekking op de betreffende rubriek of subrubriek zoals vermeld in de indelingslijst in bijlage 1 van VLAREM I zoals die van kracht was op 31 mei 2015. De betreffende indelingslijst kan geraadpleegd worden op de website van de OVAM (www.ovam.be).

(4) De toelichtingen, opmerkingen en uitzonderingen die worden vermeld in de omschrijving van de rubrieken en subrubrieken in de indelingslijst in bijlage 1 van VLAREM I zoals die van kracht was op 31 mei 2015 zijn van overeenkomstige toepassing op de overeenstemmende rubrieken en subrubrieken, vermeld in bovenstaande tabel.

Bijlage II. Richtwaarden voor de bodemkwaliteit

De richtwaarden voor de bodemkwaliteit, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

 

 

Vaste deel van
de aarde

(mg/kg droge stof)

Grondwater
(μg/l)

ZWARE METALEN EN METALLOĻDEN (1)

arseen

35

12

cadmium

1,2

3

chroom (2)

91

30

koper

72

60

kwik

1,7

0,6

lood

120

12

nikkel

48

24

zink

200

300

MONOCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

benzeen

0,3

2

tolueen

1,6

20

ethylbenzeen

0,8

20

xyleen

1,2

20

styreen

0,32

10

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN

dichloormethaan

0,05

5

tetrachloormethaan

0,04

1,2

tetrachlooretheen

0,28

5

trichlooretheen

0,26

5

monochloorbenzeen

1

5

1,2-dichloorbenzeen (3)

14

5

1,3-dichloorbenzeen (3)

16

5

1,4-dichloorbenzeen (3)

1,6

5

trichloorbenzeen (4)

0,2

5

tetrachloorbenzeen (5)

0,04

5

pentachloorbenzeen

0,2

1,4

1,1,1-trichloorethaan

4

5

1,1,2-trichloorethaan

0,08

5

1,1-dichloorethaan

0,08

5

Cis + trans-1,2-dichlooretheen

0,16

5

CARCINOGENE GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN

1,2-dichloorethaan

0,06

5

vinylchloride

0,06

2

trichloormethaan (Chloroform)

0,06

5

hexachloorbenzeen

0,06

0,6

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

naftaleen

0,3

20

benzo(a)pyreen

0,3

0,4

fenantreen

15

20

fluoranteen

2,0

2

benzo(a)antraceen

3,9

2

chryseen

2,5

0,9

benzo(b)fluoranteen

1,1

0,7

benzo(k)fluoranteen

0,6

0,4

benzo(ghi)peryleen

0,3

0,1

indeno(1,2,3-cd)pyreen

0,7

0,06

antraceen

2,4

20

fluoreen

9,5

20

dibenz(a,h)antraceen

0,3

0,3

acenafteen

3,1

20

acenaftyleen

0,6

20

pyreen

21

20

CYANIDES (6)

vrij cyanide

3

 

niet-chlooroxideerbaar cyanide

3

 

som cynides

 

40

PESTICIDEN

aldrin + dieldrin

 

0,02

chloordaan (cis + trans)

 

0,12

DDT + DDE + DDD

 

1,2

hexachloorcyclohexaan (γ-isomeer)

 

1,2

hexachloorcyclohexaan (α -isomeer)

 

0,03

hexachloorcyclohexaan(β -isomeer)

 

0,12

endosulfan (α, β en sulfaat)

 

1

OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN

hexaan

0,6

20

heptaan

10

50

octaan

30

50

minerale olie

300

300

methyltertiairbutylether

1

20

polychloorbifenylen (7 Congeneren) (7)

0,033

 

 

(1) Om bij het toetsen van de concentraties aan arseen, cadmium, koper en zink in het vaste deel van de aarde aan de maximale concentraties met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de maximale concentraties omgerekend naar de gehaltes aan klei, aan organisch materiaal of de pH-KCl in het te toetsen monster. Als de bodem een behandeling ondergaan heeft waarbij het gehalte aan klei en aan organisch materiaal gereduceerd wordt, gebeurt de toetsing op de behandelde bodem.

 

Dat gebeurt op basis van de volgende formules:

 

Voor arseen: RW (x) = 11,96 + 23,04*log(x)

Voor cadmuim: RW(z) = 1,2*10(-0,17*(5-z))

Voor koper: RW(x,y,z) = 0,52696 * ((38,8 + 3,5*z)* x + (22,1 + 23,5*z)* y)0,73

Voor zink: RW (x,y,z) = 0,098924* ((38,8 + 3,5*z) * x + (22,1 + 23,5* z)* y)1,13

 

waarbij:

- RW(x): waarde voor vrij gebruik van uitgegraven bodem bij een gehalte aan klei van x %, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- RW(z): waarde voor vrij gebruik van uitgegraven bodem met een pH-KCl van z, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- RW(x,y,z): waarde voor vrij gebruik van uitgegraven bodem bij een gehalte aan klei van x %, gehalte aan organisch materiaal van y % en met pH-KCl van z, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- x: het gehalte aan klei in het monster in %;
- y: het gehalte aan organisch materiaal in het monster in %;
- z: de pH-KCl van het monster.

De formule mag alleen worden gehanteerd onder de volgende voorwaarden:

het gehalte aan klei ligt tussen 2 % en 50 %;
het gehalte aan organisch materiaal ligt tussen 1 % en 10 %;
de pH-KCl ligt tussen 4 en 7.

Als het gehalte aan klei lager dan 2 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 2 %. Is het gehalte hoger dan 50 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan klei van 50 %.
Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %. Als de pH-KCl lager is dan 4, dan wordt gerekend met een veronderstelde pH-KCl van 4. Is de pH-KCl hoger dan 7, dan wordt gerekend met een veronderstelde pHKCl van 7.

 

(2) Chroom is genormeerd op basis van 3-waardig chroom. Als er aanwijzingen zijn dat chroom in de vorm van 6-waardig chroom in de grond aanwezig is, kunnen de hier voorgestelde getallen niet meer worden gebruikt en moet een separate risicoevaluatie worden uitgevoerd.

 

(3) Voor de isomeren van dichloorbenzeen moet aan de volgende aanvullende voorwaarde voldaan zijn:

1,2-dichloorbenzeen/maximum (1,2) + 1,3-dichloorbenzeen/maximum (1,3) ≤1

 

waarbij 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk 1,3-dichloorbenzeen, gelezen moet worden als de concentratie 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk de concentratie 1,3-dichloorbenzeen en maximum (1,2), respectievelijk maximum (1,3) als de maximaal toegelaten concentraties voor 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk 1,3- dichloorbenzeen.

 

(4) De maximale concentraties voor trichloorbenzeen gelden telkens als maximale concentraties voor elke isomeer afzonderlijk.

 

(5) De maximale concentraties voor tetrachloorbenzeen gelden telkens als maximale concentraties voor elke isomeer afzonderlijk.

 

(6) De richtwaarde voor cyanides in grondwater geldt voor de som van de vrije en niet-chlooroxideerbare cyanides. Onder vrije cyanides moet worden begrepen: de anorganisch gebonden cyanides die bestaan uit de som van de gehalten vrije cyanide-ionen en de in enkelvoudige metaalcyanide gebonden cyanides. Onder niet-chlooroxideerbare cyanides moet worden begrepen: de som van de alkalimetaal-ijzer-cyanides (K4Fe(CN)6) en de metaal-ijzer-cyanides (Fe4(Fe(CN)6).

 

(7) De zeven indicator-PCB’s (congeneren) zijn PCB28, PCB52, PCB101, PCB118, PCB138, PCB153 en PCB180.

 


Bijlage III. Streefwaarden voor de bodemkwaliteit

De streefwaarden voor de bodemkwaliteit, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en bodembescherming, zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

 

 

 

Vaste deel van de aarde
(mg/kg droge stof)

Grondwater
(μg/l)

ZWARE METALEN EN METALLOĻDEN (1)

Arseen

16

5

Cadmium

0,7

1

Chroom (III)

62

10

Koper

20

20

Kwik

0,1

0,05

Lood

31

5

Nikkel

16

10

Zink

77

60

MONOCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

Benzeen

0,1 (d)

0,5 (d)

Tolueen

0,1 (d)

0,5 (d)

Ethylbenzeen

0,1 (d)

0,5 (d)

Xyleen

0,1 (d)

0,5 (d)

Styreen

0,1 (d)

0,5 (d)

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN

Dichloormethaan

0,02 (d)

0,5 (d)

Tetrachloormethaan

0,02 (d)

0,5 (d)

Tetrachlooretheen

0,02 (d)

0,5 (d)

Trichlooretheen

0,02 (d)

0,5 (d)

Monochloorbenzeen

0,02 (d)

0,5 (d)

Dichloorbenzeen (2)

0,02 (d)

0,5 (d)

Trichloorbenzeen (2)

0,02 (d)

0,5 (d)

Tetrachloorbenzeen (2)

0,02 (d)

0,1 (d)

Pentachloorbenzeen

0,02 (d)

0,1 (d)

1,1,1-trichloorethaan

0,02 (d)

1 (d)

1,1,2-trichloorethaan

0,02 (d)

1 (d)

1,1-dichloorethaan

0,02 (d)

1 (d)

Cis + trans-1,2-dichlooretheen

0,02 (d)

1 (d)

CARCINOGENE GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN

1,2-dichloorethaan

0,02(d)

0,5(d)

Vinylchloride

0,02(d)

0,5(d)

Trichloormethaan

0,02(d)

0,5(d)

Hexachloorbenzeen

0,02(d)

0,1(d)

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

Naftaleen

0,1

0,02 (d)

Benzo(a)pyreen

0,1

0,02 (d)

Fenantreen

0,08

0,02 (d)

Fluoranteen

0,2

0,02 (d)

Benzo(a)antraceen

0,06

0,02 (d)

Chryseen

0,15

0,02 (d)

Benzo(b)fluoranteen

0,2

0,02 (d)

Benzo(k)fluoranteen

0,2

0,02 (d)

Benzo(ghi)peryleen

0,1

0,02 (d)

Indeno(1,2,3-cd)pyreen

0,1

0,02 (d)

Antraceen

0,1

0,02 (d)

Fluoreen

0,1

0,02 (d)

Dibenz(a,h)antraceen

0,1

0,02 (d)

Acenafteen

0,2

0,02 (d)

Acenaftyleen

0,2

0,02 (d)

Pyreen

0,1

0,02 (d)

CYANIDE (3)

Totaal cyanide

1 (d)

5 (d)

PESTICIDEN

Aldrin + dieldrin

 

0,01 (d)

Chloordaan (cis + trans)

 

0,02 (d)

DDT + DDE + DDD

 

0,01 (d)

Hexachloorcyclohexaan (g-isomeer)

 

0,005 (d)

Hexachloorcyclohexaan (α-isomeer)

 

0,005 (d)

Hexachloorcyclohexaan(β-isomeer)

 

0,005 (d)

Endosulfan (α, β en sulfaat)

 

0,005 (d)

TRIMETHYLBENZENEN

1,2,3-TMB

0,05(d)

1(d)

1,2,4-TMB

0,05(d)

1(d)

1,3,5-TMB

0,05(d)

1(d)

CHLOORFENOLEN

2,4,6-trichloorfenol

0,005(d)

0,005(d)

Pentachloorfenol

0,05(d)

0,05(d)

2-chloorfenol

0,005(d)

0,005(d)

2,4-dichloorfenol

0,005(d)

0,005(d)

2,4,5-trichloorfenol

0,005(d)

0,005(d)

2,3,4,6-tetrachloorfenol

0,05(d)

0,05(d)

OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN

Hexaan

0,5 (d)

1 (d)

Heptaan

0,5 (d)

1 (d)

Octaan

0,5 (d)

1 (d)

Minerale olie

50 (d)

100 (d)

Methyltertiairbutylether

0,02 (d)

1 (d)

Polychloorbifenylen (4)

0,011 (d)

 

 

(1) Om bij het toetsen van de concentraties van zware metalen en metalloļden in het vaste deel van de aarde aan de streefwaarden voor de bodemkwaliteit met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden, behalve voor cadmium en kwik, de streefwaarden voor de bodemkwaliteit omgerekend naar de gemeten gehaltes aan klei en aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formules:

 

Voor arseen:

Voor chroom:

Voor koper:

Voor lood:

Voor nikkel:

Voor zink:

waarbij:

- SW(x): streefwaarde voor de bodemkwaliteit bij een gehalte aan klei van x %, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- SW(x,y): streefwaarde voor de bodemkwaliteit bij een gehalte aan klei van x % en een gehalte aan organisch materiaal van y %, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- x: gehalte aan klei in het monster in %;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De formules mogen alleen worden gehanteerd onder de volgende voorwaarden:

het gemeten gehalte aan klei ligt tussen 2 % en 50 %;
het gemeten gehalte aan organisch materiaal ligt tussen 1 % en 10 %.

Als het gemeten gehalte aan klei lager dan 2 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 2 %. Is het gehalte hoger dan 50 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan klei van 50 %. Als het gemeten gehalte aan organisch materiaal lager dan 1 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

 

(2) De streefwaarden voor de bodemkwaliteit voor dichloorbenzeen, trichloorbenzeen en tetrachloorbenzeen gelden telkens als streefwaarde voor elke isomeer afzonderlijk.

 

(3) Onder totaal cyanide wordt begrepen: het gehalte aan anorganisch gebonden cyanide dat bestaat uit de som van de gehalten aan het vrije cyanide-ion; aan het complexgebonden en aan het in enkelvoudige metaalcyaniden gebonden cyanide met uitzondering van het in kobaltcomplexen gebonden cyanide en thiocyanaationen.

 

(4) De zeven indicator-PCB’s (congeneren) zijn PCB28, PCB52, PCB101, PCB118, PCB138, PCB153 en PCB180.

 

(d) De streefwaarde voor de bodemkwaliteit houdt rekening met de detectielimiet.


Bijlage IV. Bodemsaneringsnormen

Artikel 1. De bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 47, 161, §2, 3°, en 164 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

 

 

Vaste deel van de aarde

(mg/kg droge stof)

Grond-

water

(μg/l)

Bestemmingstype

I

II

III

IV

V

I,II,III,IV V,

ZWARE METALEN EN METALLOĻDEN (1)

Arseen

58

58

103

267

267

20

Cadmium

2

2

6

9,5

30

5

Chroom (III) (2)

130

130

240

560

880

50

Koper

120

120

197

500

500

100

Kwik

2,9

2,9

4,8

4,8

11

1

Lood

200

200

560

735

1250

20

Nikkel

93

93

95

530

530

40

Zink

333

333

333

1000

1250

500

MONOCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN (3)

Benzeen

0,5

0,5

0,5

0,5

1

10

Tolueen

4

4

7

80

80

700

Ethylbenzeen

2

2

10

30

77

300

Xyleen

3

3

11

65

165

500

Styreen

0,8

0,8

3

13

20

20

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN (3)

Dichloormethaan

0,13

0,13

0,35

3,5

3,5

20

Tetrachloormethaan

0,1

0,1

0,1

0,85

1

2

Tetrachlooretheen

0,7

0,7

1,4

30

35

40

Trichlooretheen

0,65

0,65

1,4

10

10

70

Monochloorbenzeen

2,5

2,5

8

30

40

300

1,2-dichloorbenzeen (4)

35

35

110

690

690

1000

1,3-dichloorbenzeen (4)

40

40

140

750

1260

1000

1,4-dichloorbenzeen (4)

4

4

15

80

190

300

Trichloorbenzeen (5)

0,5

0,5

2

20

80

20

Tetrachloorbenzeen (5)

0,1

0,1

0,3

6,5

275

9

Pentachloorbenzeen

0,5

0,5

1,3

65

385

2,4

1,1,1-trichloorethaan

10

10

13

230

300

500

1,1,2-trichloorethaan

0,2

0,2

0,6

1

1

12

1,1-dichloorethaan

2

2

5

95

95

330

Cis+trans-1,2-dichlooretheen

0,4

0,4

0,7

18

33

50

CARCINOGENE GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN (6)

1,2-dichloorethaan

0,1

0,1

0,1

7,6

9,6

30

Vinylchloride

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

5

Trichloormethaan

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

200

Hexachloorbenzeen

0,1

0,1

0,1

3,0

66,0

1

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN (7)

Naftaleen

1,5

1,5

5

80

160

60

Benzo(a)pyreen

0,5

0,5

3,6

5

7,2

0,7

Fenantreen

60

60

65

1650

1650

120

Fluoranteen

20

20

30

270

270

4

Benzo(a)antraceen

5

5

10,5

30

30

7

Chryseen

10

10

180

320

320

1,5

Benzo(b)fluoranteen

2

2

7

30

30

1,2

Benzo(k)fluoranteen

1

1

11,5

30

30

0,76

Benzo(ghi)peryleen

160

160

3920

4300

4690

0,26

Indeno(1,2,3-cd)pyreen

1

1

20

30

30

0,1

Antraceen

3

3

70

2380

4690

75

Fluoreen

45

45

3950

4320

4690

120

Dibenz(a,h)antraceen

0,5

0,5

2,9

3,6

3,6

0,5

Acenafteen

9

9

14

210

210

180

Acenaftyleen

1

1

1

20

40

70

Pyreen

125

125

395

3150

3150

90

CYANIDES

Cyanides (8)

 

 

 

 

 

70

Vrij cyanide

5

5

5

60

110

 

Niet-chlooroxideerbare

5

5

12

300

550

 

cyanides

 

 

 

 

 

 

PESTICIDEN

Aldrin + dieldrin

 

 

 

 

 

0,03

Chloordaan (cis + trans)

 

 

 

 

 

0,2

DDT + DDE + DDD

 

 

 

 

 

2

Hexachloorcyclohexaan (g-

isomeer)

 

 

 

 

 

2

Hexachloorcyclohexaan (α -

isomeer)

 

 

 

 

 

0,06

Hexachloorcyclohexaan(β-

isomeer)

 

 

 

 

 

0,2

Endosulfan (α, β en sulfaat)

 

 

 

 

 

1,8

TRIMETHYLBENZENEN (3)

1,2,3-TMB

0,81

0,81

1,2

6,5

14,1

150

1,2,4-TMB

1,3

1,3

1,7

9,7

19,5

150

1,3,5-TMB

0,61

0,61

0,86

5,2

9,7

150

CHLOORFENOLEN (9)

2,4,6-trichloorfenol

0,64

0,64

14

38

310

200

Pentachloorfenol

0,25

0,25

0,54

0,71

9,0

9

2-chloorfenol

3,93

3,93

130

1300

5600

15

2,4-dichloorfenol

0,67

0,67

47

150

150

9

2,4,5-trichloorfenol

24

24

850

1100

2200

300

2,3,4,6-tetrachloorfenol

1,79

1,79

37

41

130

90

OVERIGE ORGANISCHE VERBINDINGEN

Hexaan (3)

1,5

1,5

1,5

6,5

10

180

Heptaan (3)

25

25

25

25

25

3000

Octaan (3)

75

75

90

90

90

600

Minerale olie (3)

1000

1000

1000

1500

1500

500

Methyltertiairbutylether (10)

2

2

9

140

140

300

 

(1) Om bij het toetsen van de concentraties van zware metalen en metalloļden in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen rekening te kunnen houden met de kenmerken van de bodem, worden de bodemsaneringsnormen voor bestemmingstype I en II voor arseen, cadmium, koper en zink en voor bestemmingstype III voor koper en zink omgerekend naar de gehaltes aan klei, organisch materiaal en pH-KCl van het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formules:

 

Voor arseen voor bestemmingstype I en II:

Voor cadmium voor bestemmingstype I en II:

Voor koper voor bestemmingstype I en II:

Voor koper voor bestemmingstype III:

Voor zink voor bestemmingstype I, II en III:

waarbij:

- BSN(x): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan klei van x %, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- BSN(z): bodemsaneringsnorm met een pH-KCl van z, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- BSN(x,y,z): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan klei van x %, gehalte aan organisch materiaal van y % en met pH-KCl van z, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- x: het gehalte aan klei in het monster in %;
- y: het gehalte aan organisch materiaalin het monster in %;
- z: de pH-KCl van het monster.

De formules mogen alleen worden gehanteerd onder de volgende voorwaarden:

het gehalte aan klei ligt tussen 2 % en 50 %;
het gehalte aan organisch materiaal ligt tussen 1 % en 10 %;
de pH-KCl ligt tussen 4 en 7.

Als het gehalte aan klei lager dan 2 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 2 %. Is het gehalte hoger dan 50 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan klei van 50 %.

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

Als de pH-KCl lager is dan 4, dan wordt gerekend met een veronderstelde pH-KCl van 4. Is de pH-KCl hoger dan 7, dan wordt gerekend met een veronderstelde pHKCl van 7.

 

Als de bodemsaneringsnorm voor het vaste deel van de aarde voor bestemmingstype I, II of III na omrekening naar het gehalte aan klei, organisch materiaal en pH-KCl in het te toetsen monster hoger is dan de bodemsaneringsnorm voor het vaste deel van de aarde voor bestemmingstype IV wordt de omgerekende bodemsaneringsnorm gelijkgesteld met de bodemsaneringsnorm voor het vaste deel van de aarde voor bestemmingstype IV.

 

(2) Chroom is genormeerd op basis van drie-waardig chroom. Als er aanwijzingen zijn dat chroom in de vorm van zes-waardig chroom in de bodem aanwezig is, kunnen deze getallen niet meer worden gebruikt en moet een afzonderlijke risicoevaluatie worden uitgevoerd.

 

(3) Om bij het toetsen van de gemeten concentraties van monocyclische aromatische koolwaterstoffen, gechloreerde koolwaterstoffen, trimethylbenzenen, en de overige organische verbindingen in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar het gehalte aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Met uitzondering van van benzeen in bestemmingstype I, II, III en IV gebeurt dat op basis van de formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel ;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De formule mag alleen worden gehanteerd op voorwaarde dat het gehalte aan organisch materiaal ligt tussen 1 % en 10 %. Als het gehalte aan organisch materiaal lager is dan 1 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

 

(4) Voor de isomeren van dichloorbenzeen moet aan de volgende aanvullende voorwaarde voldaan zijn:

waarbij 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk 1,3-dichloorbenzeen gelezen moet worden als de gemeten concentratie 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk de gemeten concentratie 1,3-dichloorbenzeen en bodemsaneringsnorm (1,2), respectievelijk bodemsaneringsnorm (1,3) als de bodemsaneringsnorm voor 1,2- dichloorbenzeen respectievelijk 1,3-dichloorbenzeen die behoort bij het relevante bodembestemmingstype.

 

(5) De bodemsaneringsnormen voor trichloorbenzeen en tetrachloorbenzeen gelden telkens voor de som van de isomeren.

 

(6) Om bij het toetsen van de concentraties van carcinogene gechloreerde koolwaterstoffen in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar het gemeten gehalte aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de formule:

 

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %

De coėfficiėnten A en B kunnen afgelezen worden uit volgende tabel:

 

Bestemmingstype

I

II

III

IV

V

A

B

A

B

A

B

A

B

A

B

1,2-dichloorethaan

1

0

1

0

1

0

0,36

0,32

0,36

0,32

Vinylchloride

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Trichloormethaan

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Hexachloorbenzeen

1

0

1

0

1

0

0,54

0,23

1

0

 

De formule mag alleen worden gehanteerd als het gehalte aan organisch materiaal tussen 1 % en 10 % ligt.

 

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

 

(7) Om bij het toetsen van de concentraties polyaromatische koolwaterstoffen in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar het gehalte aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De coėfficiėnten A en B kunnen afgelezen worden uit de volgende tabel:

 

Bestemmingstype

I

II

III

IV

V

A

B

A

B

A

B

A

B

A

B

Naftaleen

0,64

0,18

0,64

0,18

0,79

0,1

0,074

0,46

0,02

0,49

Benzo(a)pyreen

1

0

1

0

0,92

0,041

1

0

1

0

Fenantreen

0,26

0,37

0,26

0,37

0,15

0,42

1

0

1

0

Fluoranteen

0,68

0,16

0,68

0,16

0,49

0,25

0,98

0,012

0,98

0,012

Benzo(a)antraceen

0,94

0,029

0,94

0,029

0,86

0,069

1

0

1

0

Chryseen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Benzo(b)fluoranteen

0,96

0,021

0,96

0,021

0,74

0,13

1

0

1

0

Benzo(k)fluoranteen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Benzo(ghi)peryleen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Indeno(1,2,3- cd)pyreen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Antraceen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Fluoreen

0,082

0,46

0,082

0,46

1

0

1

0

1

0

Dibenz(a,h)antraceen

1

0

1

0

0,91

0,044

1

0

1

0

Acenafteen

1

0

1

0

0,72

0,14

0,27

0,37

0,27

0,37

Acenaftyleen

0,74

0,13

0,74

0,13

0,63

0,19

0,2

0,4

0,59

0,21

Pyreen

0,44

0,28

0,44

0,28

1

0

1

0

1

0

 

De formule mag alleen worden gehanteerd als het gehalte aan organisch materiaal tussen 1 % en 10 % ligt.

 

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1% is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

 

(8) De bodemsaneringsnorm voor cyanides in grondwater geldt voor de som van de vrije en niet-chlooroxideerbare cyanides.

Onder vrije cyanides wordt begrepen: de anorganisch gebonden cyanides die bestaan uit de som van de gehalten vrije cyanide-ionen en het in enkelvoudige metaalcyanide gebonden cyanides.

Onder niet-chlooroxideerbare cyanides wordt begrepen: de som van de alkalimetaalijzer- cyanides (K4Fe(CN)6) en de metaal-ijzer-cyanides (Fe4(Fe(CN)6).

 

(9) Om bij het toetsen van de concentraties van chloorfenolen in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar het gehalte aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De coėfficiėnten A en B kunnen afgelezen worden uit de volgende tabel:

 

Bestemmingstype

I

II

III

IV

V

A

B

A

B

A

B

A

B

A

B

2,4,6-trichloorfenol

0

0,5

0

0,5

0,18

0,41

0

0,5

0,38

0,31

Pentachloorfenol

1

0

1

0

0

0,5

0

0,5

0

0,5

2-chloorfenol

0

0,5

0

0,5

0,54

0,23

1

0

0,95

0,025

2,4-dichloorfenol

0

0,5

0

0,5

0,40

0,30

0

0,5

0

0,5

2,4,5-trichloorfenol

0

0,5

0

0,5

0,24

0,38

0

0,5

0

0,5

2,3,4,6-tetrachloorfenol

0

0,5

0

0,5

0

0,5

0

0,5

0

0,5

 

De formule mag alleen worden gehanteerd op voorwaarde dat het gehalte aan organisch materiaal tussen 1 % en 10 % ligt.

 

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1% is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 10 %.

 

(10) Om bij het toetsen van de concentraties methyltertiairbutylether in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar de gehaltes aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De formule mag alleen worden gehanteerd als het gehalte aan organisch materiaal tussen 1 % en 10 % ligt. Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1% is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

 

Art. 2. De bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 1, zijn verschillend naargelang van de bestemming volgens de vigerende plannen van aanleg of de vigerende ruimtelijke uitvoeringsplannen, of naargelang van de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. Per grond wordt het overeenkomstige bestemmingstype opgezocht. De bodemsaneringsnormen voor die grond worden in artikel 1 weergegeven, in de kolom onder het cijfer van het bestemmingstype in kwestie. De volgende bestemmingstypes worden onderscheiden:

bestemmingstype I:
- bosgebied;
- groengebied;
- valleigebied;
- natuurgebied;
- natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat;
- bosgebied met ecologisch belang;
- bijzonder natuurgebied;
- gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat;
- zone voor natuurontwikkeling;
- ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling;
- beschermd duingebied, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen;
- bijzonder groengebied;
- gebied dat behoort tot het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN);
- agrarisch gebied met ecologisch belang of ecologische waarde;
- brongebied;
- agrarisch gebied met bijzondere waarde;
- voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen;
- ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
bestemmingstype II:
- agrarisch gebied;
- landschappelijk waardevol agrarisch gebied;
- landelijk gebied met toeristische waarde;
- parkgebied met semiagrarische functie;
- woongebied met landelijk karakter;
- woongebied met geringe dichtheid;
- landelijk woongebied met culturele, historische of esthetische waarde;
- kleintuingebied;
- abdijgebied;
- ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van die kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
bestemmingstype III:
- woongebied;
- woonuitbreidingsgebied;
- woongebied met grote dichtheid;
- woongebied met middelgrote dichtheid;
- woonpark;
- woongebied met culturele, historische of esthetische waarde;
- woongebied waar bijzondere voorschriften voor de hoogte van de gebouwen gelden;
- pleisterplaats voor nomaden, zigeuners of woonwagenbewoners;
- scholen en kinderspeelterreinen;
- gebied voor serviceresidentie;
- gemengd woon- en industriegebied;
- gemengd woon- en parkgebied;
- bedrijfsgebied met stedelijk karakter;
- zone van handelsvestigingen;
- reservegebied voor woonwijken;
- speelbos of speelweide;
- gebied voor jeugdcamping;
- ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
bestemmingstype IV:
- parkgebied;
- recreatiegebied;
- gebied voor dagrecreatie;
- gebied voor verblijfsrecreatie;
- sportterrein;
- golfterrein;
- gebied voor vissport;
- gebied voor groenvoorziening met recreatieve accommodatie;
- toeristisch recreatiepark;
- gebied voor recreatiepark;
- reservegebied voor recreatie;
- of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;

bestemmingstype V:

- industriegebied;
- industriegebied voor vervuilende industrieėn;
- industriegebied voor milieubelastende industrieėn;
-

gebied voor ambachtelijke bedrijven of gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen;

- dienstverleningsgebied;
- industriegebied met bijzondere bestemming;
-

gebied dat hoofdzakelijk bestemd is voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;

-

gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, andere dan scholen en kindertuinen;

- oeverstrook met bijzondere bestemming (1);
- luchtvaartterrein;
- industriestortgebied;
- bezinkingsgebied;
- transportzone;
- gemengd gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied, andere dan scholen en kinderspeelterreinen;
- gebied voor kerninstallatie;
- stortgebied;
- wetenschapspark;
- reservegebied voor ambachtelijke uitbreiding;
- reservegebied voor industriėle uitbreiding;
- reservegebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen;
- reservegebied voor beperkte industriėle uitbreiding;
- ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening.

(1) Volgens artikel 6 van de bijzondere voorschriften van het gewestplan Antwerpen is het gebied dat als “een oeverstrook met bijzondere bestemming” is aangeduid, bestemd voor de heraanleg van kaaien. Buurtrecreatie, toeristische activiteiten en havenactiviteiten kunnen er samengaan. Alleen werkzaamheden en handelingen die daarmee verband houden, zijn er toegestaan.

 

Art. 3. Voor een grond die in een bufferzone gelegen is, wordt de bodemsaneringsnorm bepaald op basis van de bodemsaneringsnormen van de gronden die aan de bufferzone grenzen. Bij de berekening van de bodemsaneringsnormen wordt rekening gehouden met de gehaltes aan klei en aan organisch materiaal en de pH-KCl van de grond in de bufferzone. Na de berekening geldt de strengste bodemsaneringsnorm van de gronden die aan de bufferzone grenzen als bodemsaneringsnorm voor de grond in de bufferzone.

 

Art. 4. De onderstaande bestemmingen die in overdruk op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen worden weergegeven, worden beoordeeld krachtens deze bijlage op basis van de bestemming, bepaald door de grondkleur:

- landschappelijk waardevol gebied;
- ontginningsgebied;
- uitbreiding van ontginningsgebied;
- opspuitings- en ontginningsgebied;
- reservegebied voor ontginning;
- tijdelijk ontginningsgebied;
- kleiontginningsgebied;
- kleiontginningsreservegebied;
- renovatiegebied;
- overstromingsgebied;
- opspuitingsgebied;
- reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden.

 

Art. 4/1. In afwijking van artikel 2 en 4 worden de groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, vergund volgens rubriek 60 van bijlage 1 van Vlarem II, die liggen in bestemmingstype I of II volledig in bestemmingstype III ingedeeld, tenzij ze liggen in waterwingebieden en beschermingszones type I, II en III, afgebakend conform het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones. 

 

Art. 5. Alle gronden die niet onder de eerder genoemde bestemmingen ressorteren, worden beoordeeld op basis van de functies die de bodem er vervult. Op basis van de beoordeling van die functies wordt de grond in kwestie ingedeeld onder een van de bestemmingstypes, vermeld in artikel 2.

 

Art. 6. De waterwingebieden en beschermingszones type I, II en III, afgebakend conform het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, worden volledig in bestemmingstype I ingedeeld.

 

Art. 7. §1. Gronden die op basis van artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype III, IV of V worden ingedeeld, maar die feitelijk als landbouwgrond worden gebruikt, worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype II ingedeeld zouden zijn.

 

§2. Gronden die op basis van artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype IV of V worden ingedeeld, maar die feitelijk voor bewoning worden gebruikt, worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype III ingedeeld zouden zijn.

 

§3. Gronden die op basis van de artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype V worden ingedeeld, maar die feitelijk voor recreatie worden gebruikt, moeten worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype IV ingedeeld zouden zijn.

 


Bijlage V. Waarden voor vrij gebruik van bodemmaterialen

De waarden voor vrij gebruik van bodemmaterialen , vermeld in artikel 161, §1, en artikel 168, §1, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

 

 

vast deel van de aarde

(mg/kg droge stof)

ZWARE METALEN EN METALLOĻDEN (1)

arseen

35

cadmium

1,2

chroom (2)

91

koper

72

kwik

1,7

lood

120

nikkel

48

zink

200

MONOCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

benzeen      

0,3

tolueen       

1,6

ethylbenzeen

0,8

xyleen

1,2

styreen

0,32

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN

dichloormethaan

0,05

tetrachloormethaan

0,04

tetrachlooretheen

0,28

trichlooretheen

0,26

monochloorbenzeen

1

1,2-dichloorbenzeen (3)

14

1,3-dichloorbenzeen (3)

16

1,4-dichloorbenzeen (3)

1,6

trichloorbenzeen (4)

0,2

tetrachloorbenzeen (4)

0,04

pentachloorbenzeen

0,2

1,1,1-trichloorethaan

4

1,1,2-trichloorethaan

0,08

1,1-dichloorethaan

0,08

cis + trans-1,2-dichlooretheen

0,16

CARCINOGENE GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN

1,2-dichloorethaan

0,06

vinylchloride

0,06

trichloormethaan (chloroform)

0,06

hexachloorbenzeen

0,06

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

naftaleen

0,3

benzo(a)pyreen

0,3

fenantreen

15

fluoranteen

2,0

benzo(a)antraceen

3,9

chryseen

2,5

benzo(b)fluoranteen

1,1

benzo(k)fluoranteen

0,6

benzo(ghi)peryleen

0,3

indeno(1,2,3-cd)pyreen

0,7

antraceen

2,4

fluoreen

9,5

dibenz(a,h)antraceen

0,3

acenafteen

3,1

Acenaftyleen

0,6

pyreen

21

CYANIDES (5)

vrij cyanide

3

niet-chlooroxideerbaar cyanide

3

OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN

hexaan

0,6

heptaan

10

octaan

30

minerale olie

300

methyltertiairbutylether

1

polychloorbifenylen (7 congeneren) (6)

0,033

PESTICIDEN (7)

alfa-HCH

0,05

gamma-HCH

0,05

bčta-HCH

0,05

o,p'-DDE

0,05

p,p'-DDE

0,05

o,p'-DDD

0,05

o,p'-DDT

0,05

p,p'-DDD

0,05

p,p'-DDT

0,05

gamma-chloordaan

0,05

alfa-chloordaan

0,05

alfa-endosulfan

0,25

beta-endosulfan

0,25

endosulfansulfaat

0,05

dieldrin

0,05

aldrin

0,1

ASBEST

asbest (8)

100

 

Vaste deel van de aarde

ZUURTEGRAAD (9)

pH-KCl

3 ≤ pH-KCl ≤ 9

(1) Om bij de toetsing van de concentraties aan arseen, cadmium, koper en zink in het vaste deel van de aarde aan de waarden voor vrij gebruik van uitgegraven bodem rekening te kunnen houden met de kenmerken van de bodem, worden de waarden voor het vrije gebruik van uitgegraven bodem omgerekend naar de gehaltes aan klei en aan organisch materiaal en de pH-KCl van het te toetsen monster. Als de uitgegraven bodem een behandeling ondergaan heeft waarbij het gehalte aan klei en aan organisch materiaal gereduceerd is, wordt de toetsing op de behandelde uitgegraven bodem uitgevoerd. Dat gebeurt op basis van de volgende formules:

voor arseen: WVG(x) = 11,96 + 23,04 * log(x)

voor cadmium: WVG(z) = 1,2 * 10(-0,17*(5-z))

voor koper: WVG(x,y,z) = 0,52696 * ((38,8 + 3,5 * z) * x + (22,1 + 23,5 * z) * y)0,73

voor zink: WVG(x,y,z) = 0,098924 * ((38,8 + 3,5 * z) * x + (22,1 + 23,5 * z) * y)1,13

waarbij:

- WVG(x): de waarde voor vrij gebruik van uitgegraven bodem bij een gehalte aan klei van x%, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- WVG(z): de waarde voor vrij gebruik van uitgegraven bodem met een pH-KCl van z, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- WVG(x,y,z): de waarde voor vrij gebruik van uitgegraven bodem bij een gehalte aan klei van x%, gehalte aan organisch materiaal van y% en met pH-KCl van z, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- x: het gehalte aan klei in het monster in %;
- y: het gehalte aan organisch materiaal in het monster in %;
- z: de pH-KCl van het monster.

De formule mag alleen worden gehanteerd onder de volgende voorwaarden:

het gehalte aan klei ligt tussen 2 % en 50 %;
het gehalte aan organisch materiaal ligt tussen 1 % en 10 %;
de pH-KCl ligt tussen 4 en 7.

Als het gehalte aan klei lager dan 2% is, wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 2%. Als het gehalte hoger dan 50% is, wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan klei van 50%.

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1% is, wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1%. Als het gehalte hoger dan 10% is, wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10%.

Als de pH-KCl lager dan 4 is, wordt gerekend met een veronderstelde pH-KCl van 4. Als de pH-KCl hoger dan 7 is, wordt gerekend met een veronderstelde pH-KCl van 7.

Als de waarde voor vrij gebruik van uitgegraven bodem na omrekening naar de gehaltes aan klei, organisch materiaal en de pH-KCl van het te toetsen monster hoger is dan de bodemsaneringsnorm voor het vaste deel van de aarde voor bestemmingstype IV, wordt de omgerekende waarde voor vrij gebruik gelijkgesteld met 80% van de bodemsaneringsnorm voor het vaste deel van de aarde voor bestemmingstype IV.

 

(2) Chroom is genormeerd op basis van driewaardig chroom. Als er aanwijzingen zijn dat chroom in de vorm van zeswaardig chroom in de bodem aanwezig is, kunnen die waarden niet meer worden gebruikt en moet een afzonderlijke risico-evaluatie worden uitgevoerd.


Als de streefwaarde voor het vaste deel van de aarde na omrekening naar het gehalte aan klei, organisch materiaal en pH-KCl in het te toetsen monster hoger is dan de waarde vrij gebruik voor het vaste deel van de aarde, wordt de waarde vrij gebruik gelijkgesteld aan de streefwaarde voor het vaste deel van de aarde.

 

(3) Voor de isomeren van dichloorbenzeen moet aan de volgende bijkomende voorwaarde zijn voldaan:

 

waarbij 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk 1,3-dichloorbenzeen gelezen moet worden als de concentratie 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk de concentratie 1,3-dichloorbenzeen en maximum (1,2), respectievelijk maximum (1,3) als de waarde voor vrij gebruik voor 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk 1,3-dichloorbenzeen.

(4) De maximale concentraties voor trichloorbenzeen en tetrachloorbenzeen gelden telkens als de maximale concentraties voor elke isomeer afzonderlijk.

(5) Onder totaal cyanide wordt begrepen: het gehalte aan anorganisch gebonden cyanide dat bestaat uit de som van de gehalten aan het vrije cyanide-ion, aan het complexgebonden en aan het in enkelvoudige metaalcyaniden gebonden cyanide met uitzondering van het in kobaltcomplexen gebonden cyanide en thiocyanaat-ionen.

(6) De zeven indicator-PCB’s (congeneren) zijn PCB28, PCB52, PCB101, PCB118, PCB138, PCB153 en PCB180.

 

(7) de bepalingsgrenzen, vermeld in het eerste lid, zijn opgenomen in het Compendium voor monsterneming en analyse.

 

(8) Het asbestgehalte wordt afgetoetst aan een gewogen norm, waarbij de asbestconcentratie wordt berekend als de som van hechtgebonden asbestconcentratie, vermeerderd met tien keer de niet-hechtgebonden asbestconcentratie

 

(9) ten gevolge van behandeling met toeslagstoffen. Van nature verhoogde pH kan naar boven afwijken.

 


Bijlage VI. Waarden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product

De waarden voor het gebruik van uitgegraven bodem als bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product, vermeld in artikel 168, §2,1°, van het besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

 

 

Vaste deel van de aarde
(mg/kg droge stof)

ZWARE METALEN EN METALLOĻDEN
arseen 267
cadmium 30
chroom 880
koper 500
kwik 11
lood 1250
nikkel 530
zink 1250
MONOCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN
benzeen 0,5
yolueen 15
ethylbenzeen 5
xyleen 15
styreen 10
POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN
naftaleen 6
benzo(a)pyreen 7,2
fenantreen 30
fluoranteen 30
benzo(a)antraceen 30
chryseen 20
benzo(b)fluoranteen 4,4
benzo(k)fluoranteen 10
benzo(ghi)peryleen 10
indeno(1,2,3-cd)pyreen 15
OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN
hexaan 1,2
heptaan 20
octaan 60
minerale olie 1000
polychloorbifenylen (1) 0,5
CYANIDES (2)
vrije cyanide 5
niet-chlooroxideerbare cyanides 12
ASBEST (3)
asbest 100

 

(1) De zeven indicator-PCB’s (congeneren) zijn PCB28, PCB52, PCB101, PCB118, PCB138, PCB153 en PCB180.

(2) Onder vrije cyanides wordt begrepen: de anorganisch gebonden cyanides die bestaan uit de som van de gehalten vrije cyanide-ionen en de in enkelvoudige metaalcyanide gebonden cyanides. Onder niet-chlooroxideerbare cyanides wordt begrepen: de som van de alkalimetaal-cyanides (K4Fe(CN)6) en de metaal-ijzer-cyanides (Fe4(Fe(CN)6).


Bijlage VII. Uitloogbaarheidswaarden voor het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product

De uitloogbaarheidswaarden voor het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in vormvast product, vermeld in artikel 168, §2, 2°, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

 

 

Vaste deel van de aarde (1)
(mg/kg droge stof)

ZWARE METALEN EN METALLOĻDEN
Arseen 0,3
Cadmium 0,02
Chroom 0,1
Koper 0,6
Kwik 0,003
Lood 0,3
Nikkel 0,2
Zink 1,0

 

(1) De uitloogbaarheid wordt bepaald met de schudtest, methode CMA 2/II/A.19.