HOOFDSTUK XIII.
Het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen


Afdeling I.
Definities


Art. 158.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

bouwkundig bodemgebruik : het niet-vormvaste gebruik van bodemmaterialen in een waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk en elk ander niet-vormvast gebruik van bodemmaterialen waarin de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem;
eindgebruiker :
  a) de eigenaar, exploitant of gebruiker van de ontvangende grond die de opdracht heeft gegeven om de bodemmaterialen te gebruiken;
  b) de eigenaar of exploitant van de vergunde inrichting die de bodemmaterialen aanvaardt om ze te gebruiken in een vormvast product;
  c) de waterloopbeheerder voor de oeverdeponie van bagger- en ruimingsspecie langs onbevaarbare waterlopen en grachten, beheerd door polders of wateringen ter uitvoering van de wet van 28 december 1967 op de onbevaarbare waterlopen en het koninklijk besluit van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement van de polders en van de wateringen die stellen dat aangelanden de voorwerpen en stoffen, opgehaald uit de bedding van de waterloop, moeten laten plaatsen op hun grond;
fysisch scheiden : het wegnemen van een deel of het geheel van de steenfractie en andere bodemvreemde materialen dan stenen uit de bodemmaterialen;
initiatiefnemer van de werken :
  a) de bouwheer van de grondwerken op de plaats van de uitgraving;
  b) de waterloopbeheerder op de plaats van het baggeren of ruimen of degene die opdracht heeft gegeven tot het baggeren of het ruimen;
  c) de bouwheer van de grondwerken op de plaats waar het bentonietslib vrijkomt;
  d) de exploitant van de inrichting waar de grondbrij vrijkomt;
kadastrale werkzone : de zone die vastgesteld is in het kader van eenzelfde project en die bestaat uit een geheel van gronden met soortgelijke kenmerken. Het betreft kenmerken die een betekenisvol effect op het milieu hebben of een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden;
ontvangende grond : de grond waarop bodemmaterialen worden gebruikt;
ontvanger : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de bodemmaterialen gebruikt voor rekening van de eindgebruiker of de eindgebruiker zelf;
opmetingstabel : de tabel waarop de volumes en de gebruiksmogelijkheden van de bodemmaterialen vermeld staan;
tussentijdse opslagplaats : de locatie voor een in de tijd beperkte opslag van bodemmaterialen in afwachting van het gebruik ervan;
10° uitvoerder van de werken : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de werken uitvoert in opdracht en voor rekening van de initiatiefnemer van de werken;
11° verdachte grond :
  a) risicogrond;
  b) grond die opgenomen is in het Grondeninformatieregister, als in een bodemonderzoek in het vaste deel van de aarde van die grond concentraties van stoffen zijn aangetroffen die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit voor het vaste deel van de aarde;
  c) openbare weg, oude wegbedding en wegberm;
  d) grond waarvoor aanwijzingen bestaan van de aanwezigheid in het vaste deel van de aarde van stoffen in concentraties die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit van het vaste deel van de aarde, en die is aangewezen door de minister;
  e) waterbodem van een oppervlaktewaterlichaam waarin huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater wordt geloosd, of die hemelwater ontvangt dat afkomstig is van een gewest-, provinciale en snelweg;
12° vormvast product : elk product waarin bodemmaterialen worden gebruikt en dat vormvast is gemaakt door bindmiddelen of thermische processen;
13° zone voor het gebruik ter plaatse : de zone waarin de bodemmaterialen op dezelfde plaats worden teruggelegd;
14° zoneringsplan : het plan van de plaats van de uitgraving, het baggeren of het ruimen waarop de verschillende gebruiksmogelijkheden van de uit te graven of van de uit te baggeren of te ruimen waterbodem grafisch worden voorgesteld, of het plan waarop de indeling van de verschillende gebruiksmogelijkheden van de deelpartijen van een partij opgeslagen bodemmaterialen grafisch worden voorgesteld.

 


Afdeling II.
Toepassingsgebied


Art. 159.

De bepalingen van dit hoofdstuk regelen de traceerbaarheid en het gebruik van bodemmaterialen in de volgende toepassingen :

als bodem;
voor bouwkundig bodemgebruik;
in een vormvast product.

 


Afdeling III.
Voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen


Onderafdeling I.
Algemeen


Art. 160.

Het is verboden om verschillende partijen bodemmaterialen met verschillende milieuhygiënische kwaliteit te mengen met de bedoeling voor de gemengde partij een gebruik in aanmerking te laten komen die voor de niet-gemengde partijen bodemmaterialen niet is toegestaan.
 


Onderafdeling II.
Gebruik van bodemmaterialen als bodem


A.
Algemeen gebruik

Art. 161.

§ 1.

Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen vrij als bodem worden gebruikt.


§ 2.

Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in de voormelde bijlage V, kunnen als bodem worden gebruikt onder de vijf volgende voorwaarden :

het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;
de concentraties van stoffen in de bodemmaterialen lager dan of gelijk aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de concentraties aan zware metalen of metalloïden die van nature aanwezig zijn, kan daarvan afgeweken worden tot de waarde van de natuurlijke concentraties in de bodem;
de gemiddelde concentraties van stoffen in de bodemmaterialen zijn lager dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, die ligt in bestemmingstype I, II of III, kan daarvan afgeweken worden tot 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de groeve, graverij, uitgraving of andere put wordt ingedeeld. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, die ligt in bestemmingstype IV of V, kan daarvan afgeweken worden tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype III;
de bodemmaterialen worden vóór het gebruik als bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als ze concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, voor bestemmingstype III of als ze concentraties van verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, waardoor ze niet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, voor het gebruik als bodem voldoen. Als de bodemmaterialen niet reinigbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden de bodemmaterialen beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, worden verwijderd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het potentieel tot valorisatie van bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt geschikt is, wordt bepaald op basis van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.

 

§ 4.

Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, is voldaan aan de hand van een technisch verslag.


Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, is voldaan aan de hand van een technisch verslag en een studie van de ontvangende grond.


De reinigbaarheid, vermeld in paragraaf 2, 5°, laatste zin, en de valorisatie, vermeld in paragraaf 3, worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.


Art. 162.

Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in artikel 161, kunnen bodemmaterialen alleen als bodem worden gebruikt onder de drie volgende voorwaarden :

het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig zijn, bedraagt maximaal vijf massaprocent;
de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, is niet groter dan vijftig millimeter. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, kunnen, behalve voor de bovenste laag van 150 centimeter, de stenen die niet van nature aanwezig zijn, een afmeting van maximaal tweehonderd millimeter hebben, op voorwaarde dat het gehalte aan die grotere stenen maximaal één massaprocent bedraagt;
het gehalte aan andere bodemvreemde materialen bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.

 


B.
Gebruik binnen een kadastrale werkzone

Art. 163.

Een kadastrale werkzone wordt afgebakend conform een code van goede praktijk die wordt ingevuld op basis van kenmerken die een betekenisvol effect hebben op het milieu, of die een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden. De code van goede praktijk voor de afbakening van een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.
 


Art. 164.

In afwijking van artikel 161, § 2, en artikel 162 is het gebruik van bodemmaterialen als bodem binnen een kadastrale werkzone toegestaan onder de volgende voorwaarden :

bodemmaterialen met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen binnen de kadastrale werkzone vrij worden gebruikt;
bodemmaterialen met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in de voormelde bijlage IV, kunnen binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden onder de volgende voorwaarden :
  a) het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
  b) de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;
  c) de bodemmaterialen worden gebruikt conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van bodemmaterialen binnen een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.

Art. 165.

Met behoud van de toepassing artikel 164 kunnen bodemmaterialen alleen als bodem worden gebruikt binnen een kadastrale werkzone onder de volgende twee voorwaarden :

het gehalte aan stenen en steenachtig materiaal dat niet van nature aanwezig is, bedraagt maximaal vijfentwintig massaprocent;
het gehalte aan andere bodemvreemde materialen dan stenen of steenachtig materiaal bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.

 


C.
Gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse

Art. 166.

Een zone voor gebruik ter plaatse wordt afgebakend conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk om een zone af te bakenen voor gebruik ter plaatse, wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.


Een zone voor gebruik ter plaatse kan worden afgebakend voor :

de aanleg of het herstel van nutsleidingen;
het herstel van oevers en dijkprofielen;
het gebruik van uitgegraven teelaarde in vergunde ontginningen;
het herstel van stranden en duinen na noodweer;
archeologisch onderzoek.

Art. 167.

In afwijking van artikel 161 en 162 kunnen bodemmaterialen binnen een zone voor gebruik ter plaatse gebruikt worden conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van bodemmaterialen binnen een zone voor gebruik ter plaatse wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.


Onderafdeling III.
Gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product


A.
Algemeen gebruik

Art. 168.

§ 1.

Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik
of in een vormvast product.


§ 2.

Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, op voorwaarde dat de concentraties van stoffen in de bodemmaterialen lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd.


Als de bodemmaterialen concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd, worden de bodemmaterialen gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen. Als de bodemmaterialen niet kunnen worden gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, worden ze beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

Als de bodemmaterialen concentraties van een zwaar metaal of een metalloïde bevatten die hoger zijn dan de waarde, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen bodemmaterialen alleen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de aanvullende voorwaarde dat de uitloogbaarheidswaarde van dat zware metaal of dat metalloïde in de uitgegraven bodem lager is dan of gelijk is aan de uitloogbaarheidswaarde, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§ 3.

Bodemmaterialen waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de volgende twee voorwaarden :

het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;

de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op.


Als de bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden de bodemmaterialen gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen. Als de bodemmaterialen niet kunnen worden gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, worden de bodemmaterialen beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.


§ 4.

In afwijking van paragraaf 1 tot en met 3 kan bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, worden verwijderd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het potentieel tot valorisatie van bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt geschikt is, wordt bepaald op basis van de beste beschikbare technieken die
geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.

 

§ 5.

Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3, is voldaan aan de hand van een technisch verslag.


De reinigbaarheid, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, laatste zin, en de valorisatie, vermeld in paragraaf 4, worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.


Art. 169.

Met behoud van de toepassing van artikel 168 kunnen bodemmaterialen alleen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt onder de twee volgende voorwaarden :

het gehalte aan stenen en steenachtige materialen die niet van nature aanwezig zijn, bedraagt maximaal vijfentwintig massaprocent;
het gehalte aan andere bodemvreemde materialen dan stenen of steenachtig materiaal bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.

 


Art. 170.

Bodemmaterialen die concentraties van een zwaar metaal of een metalloïde bevatten die hoger zijn dan de waarde, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, en die niet voldoen aan de aanvullende voorwaarde voor uitloging, vermeld in artikel 168, § 2, derde lid, kunnen toch worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de volgende twee voorwaarden :

het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op.


Aan de hand van een aanvullend onderzoek dat ter beoordeling en goedkeuring aan de OVAM wordt bezorgd, wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Het aanvullende onderzoek wordt opgemaakt conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.


Art. 171.

De minister stelt, op voorstel van de OVAM, een lijst vast van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik waarin de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem.


De minister stelt, op voorstel van de OVAM, een lijst vast van toepassingen van bodemmaterialen in een vormvast product.


Het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product die niet in de lijsten, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn vermeld, kan toch in aanmerking genomen worden op voorwaarde dat de ontvanger aan de hand van een onderzoeksverslag aantoont dat de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem. Het onderzoek wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.


B.
Gebruik binnen een kadastrale werkzone

Art. 172.

In afwijking van artikel 168 kunnen bodemmaterialen die voldoen aan de voorwaarden voor gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone, vermeld in artikel 164 en 165, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt binnen de kadastrale werkzone.


Afdeling IV.
Traceerbaarheid van bodemmaterialen


Onderafdeling I.
Verplichtingen


A.
Algemeen

Art. 173.

Voor het gebruik van bodemmaterialen als bodem en voor het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product wordt een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt, behalve in de volgende gevallen :

de bodemmaterialen zijn afkomstig van een niet-verdachte grond en het volume bodemmaterialen dat uitgegraven, gebaggerd of geruimd wordt of afkomstig is van het triëren en wassen van een oogst uit de vollegrond, bedraagt minder dan 250 m3;
de bodemmaterialen zijn afkomstig van een verdachte grond, het volume bodemmaterialen dat uitgegraven, gebaggerd of geruimd wordt, bedraagt minder dan 250 m3 en de bodemmaterialen worden binnen de kadastrale werkzone gebruikt volgens de code van goede praktijk over het gebruik van bodemmaterialen binnen een kadastrale werkzone;
de bodemmaterialen worden binnen de zone voor het gebruik ter plaatse opnieuw gebruikt volgens de code van goede praktijk over het gebruik van bodemmaterialen binnen een zone voor het gebruik ter plaatse;
de bodemmaterialen worden uitgegraven, gebaggerd of geruimd in het kader van de uitvoering van een bodemsaneringsproject en worden gebruikt volgens de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of het beperkt bodemsaneringsproject.

 

In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, wordt toch een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt als de bodemmaterialen afkomstig zijn van een partij die is samengesteld uit verschillende kleine partijen uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of bentonietslib die van herkomst verschillen, en als het totale volume van de samengestelde partij bodemmaterialen groter is of was dan 250 m3.


Art. 173/1.

§ 1.

Voor de werken waarvoor een technisch verslag moet worden opgemaakt, maar waarbij dat technisch verslag pas na de uitvoering van de werken in een tussentijdse opslagplaats, een grondreinigingscentrum of een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie wordt opgemaakt, wordt het transport van de bodemmaterialen gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie conform de procedure, vermeld in artikel 190, § 2, eerste lid.


Voor de werken waarvoor geen technisch verslag moet worden opgemaakt, wordt het transport van de bodemmaterialen gemeld aan de erkende  odembeheerorganisatie conform de procedure, vermeld in artikel 200. Als de opmaak van een technisch verslag niet verplicht is, beschikt de uitvoerder over de verklaring van de bouwheer dat er geen technisch verslag opgemaakt hoeft te worden.


§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 moet het transport met voertuigen of voertuigcombinaties met een maximaal toegelaten massa van minder dan 3,5 ton niet worden gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie.


§ 3. Voor de georganiseerde regelmatige afvoer naar een vaste vergunde inrichting van bodemmaterialen, afkomstig van werken aan nutsvoorzieningen, kan de melding gedaan worden in de vorm van een onderlinge overeenkomst met de erkende bodembeheerorganisatie.


Voor de georganiseerde regelmatige afvoer van grondbrij kan de melding gedaan worden in de vorm van een onderlinge overeenkomst met de erkende bodembeheerorganisatie.


Art. 174.

De initiatiefnemer van de werken neemt de nodige maatregelen opdat het technisch verslag en de conformverklaring ervan deel uitmaken van de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag of de contractuele documenten.


Art. 174/1.

Voor de uitvoering van de werken, vermeld in artikel 173, en voor het transport van de bodemmaterialen is de uitvoerder van de werken en de vervoerder van bodemmaterialen aangemeld bij een erkende bodembeheerorganisatie.


Voor de opslag en de behandeling van bodemmaterialen is de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie aangemeld bij een erkende bodembeheerorganisatie.


De aanmelding bij een erkende bodembeheerorganisatie wordt gedaan met de volgende administratieve gegevens : naam, straat en nummer, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon, e-mailadres, voor Belgische ondernemingen het ondernemingsnummer en voor buitenlandse ondernemingen het btw-nummer.
 


B.
Opmaak van het technisch verslag

Art. 175.

De verplichting om het technisch verslag op te maken berust bij de initiatiefnemer van de werken.


De verplichting om het technisch verslag op te maken kan door de volgende inrichtingen worden overgenomen :

een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van bijlage 1 van VLAREM II, voor de bodemmaterialen die die inrichting aanvaard heeft met het oog op de verwerking ervan;
een grondreinigingscentrum, vergund conform de bepalingen van de bevoegde overheid, voor de bodemmaterialen die dat centrum aanvaard heeft met het oog op de reiniging ervan;
een tussentijdse opslagplaats, waarbij aan de vergunnings- of meldingsplicht voldaan is, voor bodemmaterialen die die opslagplaats aanvaard heeft;
een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, vergund conform de bepalingen van de bevoegde overheid, voor de bagger- en ruimingsspecie die die inrichting aanvaard heeft.

 


Art. 176.

Het technisch verslag wordt opgemaakt voordat de bodemmaterialen worden gebruikt.


C.
Opmaak van de studie van de ontvangende grond

Art. 177.

Voor het gebruik van bodemmaterialen als bodem conform artikel 161, § 2, wordt een studie van de ontvangende grond opgemaakt.


Art. 178.

De verplichting om de studie van de ontvangende grond op te maken berust bij de eigenaar, de exploitant of de gebruiker van de ontvangende grond, die opdracht heeft gegeven tot het gebruik van de bodemmaterialen op de ontvangende grond.


Art. 179.

De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt voordat de bodemmaterialen op de ontvangende grond gebruikt worden.


Onderafdeling II.
Documenten


A.
Technisch verslag

Art. 180.

Het technisch verslag wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op basis van een representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure voor de opmaak van een technisch verslag die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.

Het technisch verslag bevat al de volgende gegevens :

de identificatie van de grond waar de bodemmaterialen uitgegraven, gebaggerd of geruimd worden;
de identiteit van de eigenaar van de grond of de beheerder van de waterloop waar de bodemmaterialen uitgegraven, gebaggerd of geruimd worden;
het adres van de inrichting en de identiteit van de exploitant van de inrichting waar de grondbrij vrijkwam;
het adres van de inrichting en de identiteit van de exploitant van de inrichting waar de bodemmaterialen in afwachting van het gebruik ervan opgeslagen zijn;
het historische onderzoek van de grond;
een motivering van de verdachte parameters in de bodemmaterialen;
de identiteit van de initiatiefnemer van de werken;
een duidelijke omschrijving van de werken;
de karakterisering van de andere materialen dan de bodemmaterialen die tijdens de uitvoering van de werken vrijkomen;
10° het zoneringsplan en de opmetingstabel, als dat van toepassing is;
11° het verslag van de bemonstering en het verslag van de analyse van representatieve mengmonsters met vermelding van de naam van het laboratorium;
12° de verklaring van de bodemsaneringsdeskundige dat de bodemmaterialen bemonsterd en geanalyseerd zijn overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;
13° de volgende gegevens, als de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden :
  a) de afbakening van de kadastrale werkzone;
  b) de voorwaarden waaronder de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone gebruikt mogen worden, als dat van toepassing is;
  c) de voorwaarden voor de tussentijdse opslag van de bodemmaterialen, als dat van toepassing is;
14° het gehalte aan stenen, steenachtig materiaal en andere bodemvreemde materialen in de bodemmaterialen;
15° de interpretatie en de besluiten op basis van de bemonstering en de analyseresultaten. Om bij de uitvoering van de werken een gesloten volumebalans voor de vrijgekomen bodemmaterialen en andere materialen te kunnen opmaken, wordt het volume van de deelpartijen die niet in aanmerking komen voor gebruik conform de bepalingen voor het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII van dit besluit, mee opgenomen in de besluitvorming van het technisch verslag;
16° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodemmaterialen kunnen worden uitgegraven, gebaggerd of geruimd;
17° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodemmaterialen kunnen worden gebruikt;
18° de inschatting van het potentieel van de uit te graven bodem om als alternatief voor een primaire oppervlaktedelfstof in aanmerking te komen, als het gaat om grondwerken waarbij meer dan 2500 m3 dieper dan 2 m-mv uitgegraven wordt.

 


B.
Studie van de ontvangende grond

Art. 181.

§ 1.

De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige volgens een standaardprocedure die de minister op voorstel van de OVAM vaststelt.


§ 2.

De studie van de ontvangende grond bepaalt op basis van de kenmerken van de ontvangende grond de kenmerken waaraan de aangevoerde bodemmaterialen moeten voldoen opdat het gebruik ervan als bodem geen bijkomende verontreiniging in het grondwater veroorzaakt en mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert op de ontvangende grond.

 

De studie van de ontvangende grond voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, opgemaakt in opdracht van de exploitant of eigenaar, vormt onderdeel van de vergunningsaanvraag voor de inrichting, vermeld in rubriek 60 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. In de studie worden de milieukenmerken van de bodemmaterialen
geëvalueerd afhankelijk van de milieukenmerken van de ontvangende grond.


§ 3.

De studie van de ontvangende grond bevat al de volgende gegevens :

de identificatie van de ontvangende grond;
de identiteit van de eigenaar, de exploitant en de gebruiker van de ontvangende grond;
de voorwaarden waaronder de te aanvaarden bodemmaterialen op de ontvangende grond kunnen worden gebruikt.

 


C.
Grondverzettoelating

Art. 182.

§ 1.

De grondverzettoelating wordt opgemaakt door een erkende bodembeheerorganisatie. De grondverzettoelating kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, telkens voor de bodemmaterialen die de opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting aanvaard heeft.


§ 2.

De grondverzettoelating wordt uitgereikt op basis van een duidelijke beschrijving van het beoogde gebruik van de bodemmaterialen en de verklaringen ter zake, zoals opgelegd in de conformverklaring van het technisch verslag.


Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt de grondverzettoelating bij de procedure kleine hoeveelheden, vermeld in artikel 197 tot en met 199, uitgereikt op basis van een verklaring dat de bodemmaterialen op verschillende bestemmingen geleverd zullen worden.

 

De grondverzettoelating bevestigt het beoogde gebruik en staat toe dat de bodemmaterialen verplaatst worden naar de beoogde plaats van gebruik.

 

§ 3.

De grondverzettoelating bevat al de volgende gegevens :

de identiteit van de uitvoerder van de werken;
de nodige verwijzingen naar het technisch verslag en de conformverklaring van het technisch verslag;
de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
een gedetailleerde beschrijving van het beoogde gebruik van de bodemmaterialen;
de nodige verwijzingen naar de studie van de ontvangende grond, de acceptatievoorwaarden van een groeve of graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, de gebruiksvoorwaarden van het conformiteitsattest van een bodemsaneringsproject, of de gebruiksvoorwaarden voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, als dat van toepassing is;
aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen die afhankelijk zijn van het beoogde gebruik, als dat van toepassing is.

 


D.
Transportdocument

Art. 183.

Het transportdocument wordt opgemaakt door een van de volgende personen :

de vervoerder;
de uitvoerder van de werken;
de tussentijdse opslagplaats;
het grondreinigingscentrum;
de inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie.


Het transportdocument bevat al de volgende gegevens :

de identiteit van de uitvoerder van de werken, als dat van toepassing is;
de identiteit van de vervoerder;
de datum van transport van de bodemmaterialen;
de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
de hoeveelheid bodemmaterialen;
de nodige verwijzingen naar de grondverzettoelating, als dat van toepassing is.

 

De uitvoerder van de werken bewaart het volledig ingevulde transportdocument gedurende minstens vijf jaar.


E.
Bodembeheerrapport

Art. 184.

Een erkende bodembeheerorganisatie maakt het bodembeheerrapport op. Het bodembeheerrapport kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, telkens voor de bodemmaterialen die de opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting aanvaard heeft.


Het bodembeheerrapport attesteert de levering van de bodemmaterialen op de plaats van het beoogde gebruik en bevestigt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in de conformverklaring van het technisch verslag en in de grondverzettoelating.


Het bodembeheerrapport bevat minstens de volgende gegevens :

de verwijzing naar de grondverzettoelating;
de datum van de levering van de bodemmaterialen;
het volume geleverde bodemmaterialen;
de verwijzing naar de ontvangstverklaring.

 


Onderafdeling III.
Procedures


A.
Procedure via een erkende bodembeheerorganisatie

Art. 185.

De initiatiefnemer van de werken of een inrichting als vermeld in artikel 175, tweede lid, bezorgt het technisch verslag aan een erkende bodembeheerorganisatie.


Art. 186.

Binnen dertig werkdagen na de ontvangst van het technisch verslag spreekt de erkende bodembeheerorganisatie zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit en bezorgt ze het conformiteitsattest aan de initiatiefnemer van de werken of de inrichting, vermeld in artikel 175, tweede lid, of legt ze aanvullingen op.

 

De conformiteit van het technisch verslag wordt beoordeeld volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende bodembeheerorganisatie en op basis van de volgende elementen :

de controle op de administratieve volledigheid;
de controle op de representatieve bemonstering volgens de geldende bemonsteringsprocedures en de standaardprocedure van het technisch verslag;
de controle van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel en, als dat van toepassing is, het zoneringsplan;
de controle op de uitvoerbaarheid van het selectief uitgraven, baggeren of ruimen van de verschillende ontgravings-, bagger- of ruimingsvakken, als dat van toepassing is;
de controle op de afbakening van de kadastrale werkzone, als dat van toepassing is.


Als in het technisch verslag de gebruiksmogelijkheden van de bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk, de bijbehorende codes van goede praktijk en de bijbehorende standaardprocedures onvoldoende onderzocht zijn, kan de erkende bodembeheerorganisatie in de conformverklaring van het technisch verslag voorwaarden en uitvoeringsbepalingen opleggen voor het beoogde gebruik van de bodemmaterialen.


Art. 187.

Als de erkende bodembeheerorganisatie aanvullingen op het technisch verslag oplegt, wordt de termijn, vermeld in artikel 186, eerste lid, gestuit.

 

Als de erkende bodembeheerorganisatie het technisch verslag gemotiveerd niet conform verklaart, wordt de procedure hervat vanaf de stap, vermeld in artikel 185, eerste lid.


Art. 188.

Een conformverklaring van het technisch verslag door een erkende bodembeheerorganisatie is tegenstelbaar aan andere erkende bodembeheerorganisaties.


De erkende bodembeheerorganisatie die niet akkoord gaat met de conformverklaring van het technisch verslag door een andere erkende bodembeheerorganisatie, kan binnen dertig dagen nadat de conformverklaring haar is aangeboden, tegen die conformverklaring beroep aantekenen bij de OVAM. Het beroepschrift wordt aangetekend met ontvangstbewijs verzonden. Het beroep is schorsend. De OVAM doet uitspraak binnen negentig dagen na de ontvangst van het beroepschrift.


Art. 189.

Voor de start van de werken meldt de uitvoerder van de werken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie.


Art. 190.

§ 1.

Voordat de bodemmaterialen worden verplaatst, vraagt de uitvoerder van de werken een grondverzettoelating aan bij de erkende bodembeheerorganisatie, waaraan de startdatum van de werken is gemeld.


De erkende bodembeheerorganisatie beoordeelt het beoogde gebruik van de bodemmaterialen volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende bodembeheerorganisaties.

 

Als de bodematerialen voldoen voor het beoogde gebruik, staat de erkende bodembeheerorganisatie toe dat de bodemmaterialen verplaatst worden naar de plaats van gebruik en reikt ze binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de aanvraag een grondverzettoelating uit. In geval van beroep tegen de conformverklaring van het technisch verslag conform artikel 188, tweede lid, wordt de termijn opgeschort.


§ 2.

Voor de werken waarvoor een technisch verslag moet worden opgemaakt, wordt het transport naar een tussentijdse opslagplaats, een grondreinigingscentrum of een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie.

 

De melding bevat al de volgende gegevens :

de identiteit van de uitvoerder van de werken;
de identiteit van de vervoerder;
de verwijzing naar de conformverklaring, als die aanwezig is;
de datum van transport van de bodemmaterialen;
de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
de totale hoeveelheid bodemmaterialen waarop de melding betrekking heeft.

 

De tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting voor de opslag en behandeling van
bagger- en ruimingsspecie meldt de ontvangst van de bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie.

 

§ 3.

Voor het transport van bodemmaterialen naar andere bestemmingen dan de bestemmingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, meldt de uitvoerder van de werken het volume en de kwaliteit van dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie, om een gesloten volumebalans van de bodemmaterialen te kunnen opmaken.


Art. 191.

Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de bodemmaterialen gevoegd.


Art. 191/1.

De bodemmaterialen worden opgeslagen volgens een procedure, goedgekeurd door de OVAM, die de erkende bodembeheerorganisatie in staat stelt de bodemmaterialen te traceren.


Voor het gebruik van de bodemmaterialen waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de niet-erkende tussentijdse opslagplaats, het niet-erkende grondreinigingscentrum of de niet-erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 191.


Voor het gebruik van de bodemmaterialen, waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie de procedure, vermeld in artikel 193 tot en met 196.


Art. 192.

De ontvanger bevestigt de geleverde hoeveelheden met een ontvangstverklaring. De uitvoerder van de werken bezorgt de ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen overeenkomstig de grondverzettoelating zijn geleverd en gebruikt zullen worden overeenkomstig de grondverzettoelating.


Op basis van de ontvangstverklaring levert de erkende bodembeheerorganisatie het bodembeheerrapport af aan de uitvoerder van de werken, de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie.


De uitvoerder van de werken, de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer van de werken en aan de eindgebruiker.
 


B.
Procedure via een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie

Art. 193.

De erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie beschikt over een technisch verslag van de aanvaarde bodemmaterialen en spreekt zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit, of legt aanvullingen op.


De conformiteit van het technisch verslag wordt beoordeeld volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie op basis van de volgende elementen :

de controle op de administratieve volledigheid;
de controle op de representatieve bemonstering volgens de geldende bemonsteringsprocedures en de standaardprocedure van het technisch verslag;
de controle van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel en, als dat van toepassing is, het zoneringsplan.

 


Art. 194.

Voordat de bodemmaterialen worden verhandeld, maakt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie een grondverzettoelating op.


Art. 195.

Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de bodemmaterialen gevoegd.


Art. 196.

De ontvanger bevestigt de geleverde hoeveelheden met een ontvangstverklaring. De uitvoerder van de werken bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen conform de grondverzettoelating zijn geleverd en gebruikt zullen worden conform de grondverzettoelating.


Op basis van de ontvangstverklaring maakt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie het bodembeheerrapport op en bezorgt een kopie ervan aan de eindgebruiker.
 


C.
Procedure voor kleine hoeveelheden

Art. 197.

In afwijking van artikel 192 en 196 kan voor het gebruik van een hoeveelheid bodemmaterialen die kleiner dan 250 m3 is en die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 161, § 1, en artikel 162, of aan de voorwaarden, vermeld in artikel 168 en 169, voor de uitreiking van een bodembeheerrapport de procedure, vermeld in artikel 198 en 199, gevolgd worden.
 


Art. 198.

De uitvoerder van de werken bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie, de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie die de grondverzettoelating heeft uitgereikt. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen op de plaats van bestemming zijn geleverd en gebruikt zullen worden overeenkomstig de grondverzettoelating.


De ontvangstverklaring vormt onderdeel van de procedure die de bodembeheerorganisatie toelaat het beoogde gebruik te controleren.
 


Art. 199.

Op basis van de ontvangstverklaring en een lijst met verschillende bestemmingen reikt de erkende bodembeheerorganisatie, de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie een bodembeheerrapport uit.


De uitvoerder van de werken bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer van de werken.


D.
Meldingsprocedure voor de werken waarvoor geen technisch verslag opgemaakt hoeft te worden

Art. 200.

Voor de start van het transport, vermeld in artikel 173/1, § 2, meldt de uitvoerder van de werken het transport van de bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie. De melding bevat al de volgende gegevens :

de identiteit van de uitvoerder van de werken;
de identiteit van de vervoerder;
de datum van transport van de bodemmaterialen;
de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
de totale hoeveelheid bodemmaterialen waarop de melding betrekking heeft.

 

Na de uitvoering van de werken meldt de uitvoerder van de werken de hoeveelheid geleverde bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie.


E. Procedure voor tijdelijke oeverdeponie voor ontwatering van bagger- of ruimingsspecie.

Art. 201.

§ 1.

Voorafgaand aan de bagger- of ruimingswerken wordt een technisch verslag opgemaakt. De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag aan een erkende bodembeheerorganisatie.


De erkende bodembeheerorganisatie behandelt het technisch verslag volgens de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 188.


§ 2.

Voor de oeverdeponie langs onbevaarbare waterlopen en langs polderwaterlopen bezorgt de initiatiefnemer van de werken het technisch verslag en de conformverklaring ervan uiterlijk dertig dagen voor de start van de werken aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de werken worden uitgevoerd. Op hetzelfde moment deelt hij aan het gemeentebestuur de geplande begindatum mee.
 

De gemeente legt de gegevens ter inzage.

 

§ 3.

De uitvoerder van de werken meldt de start van de werken aan een erkende bodembeheerorganisatie.


§ 4.

De uitvoerder van de werken werkt conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor de tijdelijke oeverdeponie voor ontwatering van bagger- en ruimingsspecie wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.


De code van goede praktijk bepaalt de randvoorwaarden en kwaliteitseisen voor de tijdelijke oeverdeponie van bagger- en ruimingsspecie voor ontwatering van bagger- en ruimingsspecie tijdens de uitvoering van bepaalde onderhoudswerken aan waterlopen.


§ 5.

De ontwaterde bagger- of ruimingspecie wordt uiterlijk 120 dagen na de beëindiging van de bagger- of ruimingswerken afgevoerd of gebruikt conform artikel 190 tot en met 192.


Art. 201/1.

Bagger- en ruimingsspecie met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende oever wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, mag worden uitgespreid op die oever om te ontwateren.


Bagger- en ruimingsspecie die voldoet voor gebruik conform titel III, hoofdstuk XIII van dit besluit, maar met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende oever wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, mag voor de ontwatering ervan en in afwachting van de afvoer ervan op de oevers van de waterloop worden gedeponeerd op voorwaarde dat de nodige maatregelen worden getroffen opdat de bagger- en ruimingsspecie niet vermengd wordt met de onderliggende bodem.
 


F. Procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie.

Art. 201/2.

Bagger- of ruimingsspecie die ontstaat ten gevolge van noodruimingen of noodzakelijke waterbeheersingswerken ter voorkoming of terugdringing van de risico’s op overstromingen die de veiligheid aantasten van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen buiten de  overstromingsgebieden, mag op de vijfmeterstrook langs de waterloop gedeponeerd worden op voorwaarde dat de uitvoerder van de werken conform een code van goede praktijk werkt.


De code van goede praktijk voor de tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.


De code van goede praktijk bepaalt de randvoorwaarden en kwaliteitseisen voor de tijdelijke oeverdeponie van bagger- of ruimingsspecie tijdens de uitvoering van noodruimingen.


Art. 201/3.

§ 1.

Binnen zeven dagen na de uitvoering van de bagger- of ruimingswerken via noodruiming wordt de gebaggerde of geruimde specie bemonsterd voor de opmaak van het technisch verslag. De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag uiterlijk dertig dagen na de bemonstering aan een erkende bodembeheerorganisatie.


De erkende bodembeheerorganisatie behandelt het technisch verslag volgens de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 188.


§ 2.

De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag en de conformverklaring ervan uiterlijk dertig dagen na de behandeling door de erkende bodembeheerorganisatie aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de werken zijn uitgevoerd.


De gemeente legt de gegevens ter inzage.


§ 3.

De ontwaterde bagger- of ruimingspecie wordt uiterlijk zestig dagen na de beëindiging van de noodruiming afgevoerd of gebruikt conform artikel 190 tot en met 192.


Afdeling V.
Bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie : erkenning voor de regeling over het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen


Onderafdeling I.
Voorwaarden voor de erkenning en het gebruik van de erkenning


Art. 202.

Om als bodembeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven, moet de organisatie aan al de volgende voorwaarden voldoen :

opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen;
voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij het gebruik van bodemmaterialen. Een bodembeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties die voldoende representatief zijn voor de sectoren die bij het gebruik van uitgegraven bodem betrokken zijn, een mandaat bekleden;
uitsluitend als statutair doel hebben om de taken die in dit besluit zijn toegewezen, uit te voeren, studiewerk over bodemmaterialen te verrichten en informatie en advies over bodemmaterialen te verstrekken. Voor de uitvoering van haar taken beschikt de bodembeheerorganisatie over een kwaliteitsborgingssysteem dat de OVAM heeft goedgekeurd;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis van bodemkunde of geologie, fysica en scheikunde hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis van dit hoofdstuk hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben met de nodige ervaring in de beoordeling van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en in de beoordeling van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;
voldoen aan een kwaliteitsborgingssysteem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van de uitvoering van steekproefsgewijze werfcontroles en van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen :
  a) een klachtenregister;
  b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie over die technische verslagen. De technische verslagen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  c) een register van de grondverzettoelatingen. De grondverzettoelatingen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  d) een register van conformverklaringen van technische verslagen. De conformverklaringen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  e) een register van bodembeheerrapporten. De bodembeheerrapporten worden gedurende vijf jaar bewaard;
  f) een register waarin onregelmatigheden worden vastgesteld conform de bepalingen van het kwaliteitsborgingssysteem, vermeld in punt 3°;
10° beschikken over een procedure die de organisatie in staat stelt bodemmaterialen te traceren, met inbegrip van het traceren via een niet-erkende tussentijdse opslagplaats, een niet-erkend grondreinigingscentrum of een niet-erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie;
11° beschikken over een procedure die de organisatie in staat stelt om een gesloten volumebalans voor de vrijgekomen bodem- en andere materialen te kunnen opmaken;
12° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
13° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie; 
14° op verzoek van de OVAM al de volgende gegevens ter beschikken stellen :
  a) de informatie over verontreinigde gronden;
  b) de milieuhygiënische kwaliteit en het gebruik van de bodemmaterialen;
  c) het gebruik van bodemmaterialen als alternatief voor primaire oppervlaktedelfstoffen. De organisatie rapporteert daarover conform een code van goede praktijk. Als documenten door een geïnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd.

 

De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt aangetoond met academische diploma’s, diploma’s van het hoger onderwijs van het lange type of daarmee gelijkgestelde diploma’s, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie. 


De ervaring, vermeld in het eerste lid, 5°, 7° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae.


De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 6° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM.


Art. 203.

Om als vergunde tussentijdse opslagplaats, als vergund grondreinigingscentrum of als vergunde inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie erkend te worden en erkend te blijven, moet de opslagplaats, het centrum of de inrichting aan de volgende voorwaarden voldoen :

een rechtspersoon zijn die voldoet aan de volgende kenmerken :
  a) bij een tussentijdse opslagplaats : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of een openbaar bestuur of intergemeentelijk samenwerkingsverband in het Vlaamse Gewest;
  b) bij een grondreinigingscentrum : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest;
  c) bij een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of een openbaar bestuur of intergemeentelijk samenwerkingsverband in het Vlaamse Gewest;
voor handelsvennootschappen : niet in staat van faillissement verkeren, noch het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, noch een gerechtelijk akkoord hebben aangevraagd of verkregen;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis van fysica en scheikunde hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die een grondige kennis van dit hoofdstuk hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring in de beoordeling van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en in de beoordeling van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die samen een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;
voldoen aan een door de OVAM goedgekeurd kwaliteitsreglement dat administratieve en technische bepalingen bevat over de interne organisatie van de verhandeling van bodemmaterialen. Dat kwaliteitsreglement bevat minstens :
  a) een procedure voor het in ontvangst nemen, het opslaan, het fysisch scheiden, het ontwateren, het reinigen en het afleveren van bodemmaterialen;
  b) bepalingen over de opmaak van registers voor de aan- en afvoer van bodemmaterialen;
  c) bepalingen over de opmaak van een dossier per aanvaarde partij bodemmaterialen;
  d) bepalingen over de naleving van de codes van goede praktijk over de aanvaarding, opslag, samenvoeging, reiniging, bemonstering en analyse van bodemmaterialen;
voldoen aan een intern systeem dat de opslagplaats, het centrum of de inrichting in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen :
  a) een klachtenregister;
  b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie over die technische verslagen. De technische verslagen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  c) een register van de grondverzettoelatingen. De grondverzettoelatingen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  d) een register van conformverklaringen van technische verslagen. De conformverklaringen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  e) een register van bodembeheerrapporten. De bodembeheerrapporten worden gedurende vijf jaar bewaard;
10° beschikken over een procedure die de opslagplaats, het centrum of de inrichting in staat stelt de bodemmaterialen die de opslagplaats, het centrum of de inrichting verhandeld heeft, te traceren;
11° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
12° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;
13° op verzoek van de OVAM al de volgende gegevens ter beschikken stellen :
  a) informatie over verontreinigde gronden;
  b) de milieuhygiënische kwaliteit en het gebruik van de bodemmaterialen;
  c) het gebruik van bodemmaterialen als alternatief voor primaire oppervlaktedelfstoffen. De organisatie rapporteert daarover conform een code van goede praktijk. Als documenten door een geïnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd;
14° beschikken over de nodige infrastructuur en installaties voor de exploitatie van de opslagplaats, het centrum of de inrichting;
15° beschikken over de nodige vergunningen overeenkomstig de bepalingen van de geldende wetgeving;
16° beschikken over een keuringsattest waarin een erkende bodembeheerorganisatie attesteert dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 15°, is voldaan. Het keuringsattest is maximaal honderdzestig dagen oud. De keuring voldoet aan de procedure die de OVAM heeft goedgekeurd;
17° voldoen aan de voorwaarden die opgelegd zijn door of krachtens het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet betreffende de omgevingsvergunning.


De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt aangetoond met academische diploma’s, met diploma’s van het hoger onderwijs van het lange type of daarmee gelijkgestelde diploma’s, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.

 

De ervaring, vermeld in het eerste lid, 4°, 6° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae.

 

De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 5° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM.


Onderafdeling II.
Procedure tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie


A.
Ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning

Art. 204.

De aanvraag om erkend te worden als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 202 en 203, wordt met een aangetekende brief gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.


Art. 205.

Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag tot erkenning minstens de volgende gegevens :

de statuten van de rechtspersoon;
de namen van de natuurlijke personen die de rechtspersoon aangesteld heeft als verantwoordelijke personen;
een kopie van de diploma’s, vermeld in artikel 202, tweede lid, respectievelijk artikel 203, tweede lid;
een curriculum vitae van de personen die over de kennis en de ervaring, vermeld in artikel 202, eerste lid, 4° tot en met 8°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 3° tot en met 7°, beschikken, waaruit die kennis en ervaring blijkt;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal sluiten als vermeld in artikel 202, eerste lid, 12°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 11°, en dat hij de OVAM van de gesloten polis op de hoogte zal brengen;
een recent getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de personen, vermeld in artikel 202, eerste lid, 13°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 12°;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen drie maanden na de erkenning de personen, vermeld in artikel 202, eerste lid, 4° tot en met 8°, en artikel 203, eerste lid, 3° tot en met 7°, in dienst zal hebben;
wat de handelsverenigingen en de verenigingen zonder winstgevend oogmerk betreft : een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft;
10° wat de tussentijdse opslagplaatsen, grondreinigingscentra en inrichtingen voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie betreft : een beschrijving van de infrastructuur en de installaties, vermeld in artikel 203, eerste lid, 14°.

B.
Behandeling van, advies en beslissing over de aanvraag tot erkenning

Art. 206.

De aanvragen tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie worden volgens de volgende procedure behandeld :

de OVAM stuurt binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;
de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen. Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn. Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw met een aangetekende brief naar de OVAM gestuurd. De OVAM stuurt binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de
ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag;
de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;
de minister neemt binnen honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;
binnen honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag betekent de OVAM de beslissing over de erkenning met een aangetekende brief aan de aanvrager. De beslissing over de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

 


Onderafdeling III.
Schorsing, opheffing en niet-overdraagbaarheid van de erkenning


A.
Schorsing van de erkenning

Art. 207.

§ 1.

De minister kan op elk moment de erkenning, vermeld in artikel 202 en 203, schorsen voor maximaal zes maanden in de volgende gevallen :

de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit, niet reglementair of niet objectief uit;
de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 202 of 203;
de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;
de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;
bij een erkende bodembeheerorganisatie wordt de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project niet gegarandeerd.


§ 2.

De minister brengt de houder van de erkenning met een aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen.


Binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de brief, vermeld in het eerste lid, kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen, of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.


§ 3.

De OVAM betekent de beslissing tot schorsing met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning.


De beslissing tot schorsing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


§ 4.

De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.


B.
Opheffing van de erkenning

Art. 208.

§ 1.

De minister kan op elk moment de erkenning, vermeld in artikel 202 en 203, opheffen in de volgende gevallen :

als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit, herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;
als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij op grond van artikel 207, § 1, 2°, geschorst is;
als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en van bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;
als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;
als bij een erkende bodembeheerorganisatie de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project bij herhaling niet gegarandeerd wordt.


§ 2.

De minister brengt de houder van de erkenning met een aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen.


Binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.


§ 3.

De OVAM betekent de beslissing tot opheffing met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning. De beslissing tot opheffing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


§ 4.

De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.


C.
Overdraagbaarheid van de erkenning

Art. 209.

Erkenningen zijn niet overdraagbaar.


Onderafdeling IV.
Overname door de OVAM van de taken van een erkende bodembeheerorganisatie


Art. 210.

De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een bodembeheerorganisatie de volgende taken overnemen :

technische verslagen conform verklaren;
grondverzettoelatingen uitreiken;
bodembeheerrapporten uitreiken;
keuringsattesten als vermeld in artikel 203, eerste lid, 16°, uitreiken.