Titel II.
Besluitvorming en inspraak.


Hoofdstuk I.
Milieuplanning.


Afdeling 1.
Inleidende bepalingen.


Art. 2.1.1. Onder milieuplanning wordt het geheel van activiteiten verstaan die erop gericht zijn samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen inzake het milieu.

Art. 2.1.2. De milieuplanning op gewestelijk niveau omvat de plannen en programma’s die in uitvoering van thematische wetgeving worden opgesteld en het tweejaarlijks opstellen van een milieurapport.

Afdeling 2.
Milieuplanning op gewestelijk niveau.


Onderafdeling 1.
Het milieurapport.


Art. 2.1.3.

Het milieurapport omvat :

een beschrijving, analyse en evaluatie van de bestaande toestand van het milieu;
een beschrijving, analyse en evaluatie van het tot dan toe gevoerde milieubeleid voor zover dit relevant is voor de toetsing van de resultaten van het gevoerde milieubeleid aan de in de milieuregelgeving of de milieuplanning vastgestelde beleidsdoelstellingen;
een beschrijving van de verwachte ontwikkeling van het milieu bij ongewijzigd beleid en bij gewijzigd beleid volgens een aantal relevant geachte scenario's.

 


Art. 2.1.4.

Om de twee jaar wordt een milieurapport opgesteld.

 

[...]


Art. 2.1.5.

§ 1

De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met het opstellen van het milieurapport, onder begeleiding van een stuurgroep bestaande uit een voorzitter en acht leden die wetenschappelijk gevormd zijn en die als deskundig worden beschouwd.

 

De voorzitter en de leden van deze stuurgroep, die geen ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij mogen zijn, worden aangewezen door de Vlaamse regering [...]. Twee leden worden aangewezen op voordracht van het college van ambtenaren-generaal, twee op voordracht van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, twee op voordracht van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en twee op voordracht van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. Het secretariaat van de stuurgroep wordt waargenomen door de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

De stuurgroep is belast met de algemene begeleiding van de opstelling van het milieurapport en draagt er tevens de eindverantwoordelijkheid voor.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij kan voor het opstellen van het milieurapport samenwerkingsverbanden aangaan met andere openbare instellingen en wetenschappelijke instituten.

 

§ 2

Het Vlaamse Gewest geeft jaarlijks een dotatie aan de Vlaamse Milieumaatschappij voor de opstelling van het rapport. Deze dotatie is ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuurbehoud.

 

§ 3

De diensten van de Vlaamse overheid, de instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de ondergeschikte besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieu, stellen, hetzij op eenvoudige vraag van de Vlaamse Milieumaatschappij, hetzij uit eigen beweging, alle informatie waarover zij beschikken en die van nut kan zijn voor het opstellen van het milieurapport ter beschikking van de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

§ 4

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor de werking van de stuurgroep bedoeld in § 1 en de voorwaarden bepalen waaronder, overeenkomstig § 3, informatie aan het planningsteam ter beschikking wordt gesteld.


Art. 2.1.6. Het milieurapport wordt ter kennis gebracht van de provincies en gemeenten. Aan het milieurapport wordt ruime bekendheid gegeven, op de wijze bepaald door de Vlaamse regering.

Onderafdeling 2.
Het gewestelijk milieubeleidsplan.


Art. 2.1.7. [...]

Art. 2.1.8. [...]

Art. 2.1.9. [...]

Art. 2.1.10. [...]

Art. 2.1.11. [...]

Art. 2.1.12. [...]

Onderafdeling 3.
Het gewestelijk milieujaarprogramma.


Art. 2.1.13.

Het milieujaarprogramma wordt opgesteld ter uitvoering en operationalisering van het milieubeleidsplan en bevat ten minste :

een verslag van de stand van uitvoering van het geldende milieubeleidsplan;
een verslag van de stand van uitvoering van de Europese milieuwetgeving;
een verslag van de stand van zaken aangaande de goedkeuring van de internationale overeenkomsten door het Vlaamse Gewest;
een opgave van de door het Vlaamse Gewest in het komende jaar te verrichten activiteiten en te nemen maatregelen ter uitvoering van het geldende milieubeleidsplan;
een overzicht van de in het ontwerp van begroting geraamde inkomsten en uitgaven voor de uitvoering van het milieubeleidsplan;
een lijst met alle geplande en lopende onderzoeken en herstelprogramma's.

 


Art. 2.1.14. [...]

Afdeling 3.
Milieuplanning op provinciaal niveau.


Onderafdeling 1.
Het provinciaal milieubeleidsplan.


Art. 2.1.15.

§ 1

De provincieraad kan in de loop van de eerste helft van het jaar dat volgt op de verkiezingen voor de provincieraad een provinciaal milieubeleidsplan vaststellen met het oog op de bescherming en het beheer van het milieu op het grondgebied van de provincie.

 

Het provinciaal milieubeleidsplan geeft op het niveau van de provincie nadere uitwerking aan het gewestelijk milieubeleidsplan. Binnen de perken van de provinciale bevoegdheden kan het provinciaal milieubeleidsplan het gewestelijk milieubeleidsplan ook aanvullen. Het provinciaal milieubeleidsplan moet conform de bindende bepalingen van het gewestelijk milieubeleidsplan zijn.

 

§ 2

Het provinciaal milieubeleidsplan omvat een actieplan als bedoeld in artikel 2.1.7, § 3. De bepalingen van het provinciaal milieubeleidsplan zijn indicatief, behoudens de bepalingen van het actieplan die door de provincieraad als bindend zijn aangeduid. Deze bepalingen zijn bindend voor de provincie en de gemeenten op haar grondgebied en voor de instellingen die eronder ressorteren.

 

§ 3

Bij het van kracht worden van elk nieuw gewestelijk milieubeleidsplan kan het bestaande provinciaal milieubeleidsplan herzien worden. De bepalingen van het bestaande provinciaal milieubeleidsplan die niet conform de bindende bepalingen van het nieuw gewestelijk milieubeleidsplan zijn, verliezen van rechtswege hun geldigheid.


Art. 2.1.16.

§ 1

De [...] deputatie stelt het ontwerpplan op.

 

§ 2

Bij het ontwerpen van het plan betrekt zij de naar haar oordeel meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen en privaatrechtelijke organisaties. Daartoe behoren in elk geval de administraties die vertegenwoordigd zijn in de provinciale omgevingsvergunningscommissie en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de raadpleging en betrokkenheid van de organen, instellingen en organisaties bedoeld in § 2.


Art. 2.1.17.

§ 1

Het ontwerpplan wordt meegedeeld aan de Vlaamse regering, de leden van de provincieraad, de administraties vertegenwoordigd in de provinciale omgevingsvergunningscommissie, de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij, de gemeenten en de door de [...] deputatie aangewezen adviesorganen of organisaties.

 

§ 2

Het ontwerpplan wordt voor een termijn van zestig dagen ter inzage gelegd op de gemeentebesturen. De [...] deputatie brengt dit ter kennis van de bevolking door publikatie in de pers en via mededelingen op radio en televisie.

 

Iedereen kan in deze periode schriftelijke opmerkingen richten aan de bestendige deputatie.

 

Binnen dezelfde termijn brengen de in § 1 bedoelde instellingen, organen of organisaties, met uitzondering van de provincieraad, hun met redenen omkleed advies ter kennis van de [...] deputatie. Wanneer een advies niet is verleend binnen de in het eerste lid bepaalde termijn, dient er geen rekening mee te worden gehouden.

 

§ 3

Binnen zestig dagen na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, onderzoekt de provincieraad de verleende adviezen en stelt hij het plan vast bij een met redenen omkleed besluit waarbij hij in het algemeen vermeldt wat hij omtrent de ingediende opmerkingen en verstrekte adviezen heeft overwogen.

 

§ 4

Het plan wordt ter kennis gebracht van de in § 1 bedoelde instanties. Het ligt ter inzage bij de provincie en de gemeenten.

 

§ 5

De Vlaamse regering kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving bedoeld in § 4 de bepalingen van het plan die strijdig zijn met bindende bepalingen van het gewestelijk milieubeleidsplan bij met redenen omkleed besluit vernietigen.

 

§ 6

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure bepaald in de §§ 1 tot en met 4.


Art. 2.1.17bis.

§ 1

Bij de herziening van het plan met het oog op de afstemming op het gewestelijk milieubeleidsplan, vermeld in artikel 2.1.15, § 3, volstaat de vaststelling door de provincieraad bij een met redenen omkleed besluit. Het herziene plan wordt ter kennis gebracht van de instanties, vermeld in artikel 2.1.17, § 1.

 

§ 2

De Vlaamse Regering kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving, vermeld in § 1, de bepalingen van het plan die niet conform de bindende bepalingen van het gewestelijk milieubeleidsplan zijn door een met redenen omkleed besluit vernietigen.


Art. 2.1.18.

§ 1

De Vlaamse Regering kan aan de provincies een subsidie toekennen voor het uitvoeren van een provinciaal milieubeleidsplan of milieujaarprogramma. Ze bepaalt de voorwaarden en de nadere regels hiervoor.

 

§ 2

De Vlaamse regering kan, na evaluatie van de vrijwillige uitvoering van de bepalingen van deze onderafdeling door de provincies, besluiten dat de provincies verplicht zijn een milieubeleidsplan op te stellen vanaf een datum die ze zelf bepaalt.


Art. 2.1.18bis.

Een milieubeleidsplan als vermeld in artikel 2.1.15 wordt een eerste keer opgesteld in 2007. Op dat ogenblik kan ook gekozen worden voor een bekrachtiging of actualisering van het bestaande provinciale milieubeleidsplan, eventueel gekoppeld aan een verlenging van de planperiode. In dat geval volstaat een herzieningsprocedure als vermeld in artikel 2.1.17bis.


Onderafdeling 2.
Het provinciaal milieujaarprogramma.


Art. 2.1.19.

§ 1

De [...] deputatie kan jaarlijks een milieujaarprogramma vaststellen.

 

§ 2

[...]


Art. 2.1.20. [...]

Afdeling 4.
Milieuplanning op gemeentelijk niveau.


Onderafdeling 1.
Het gemeentelijk milieubeleidsplan.


Art. 2.1.21.

§ 1

De gemeenteraad kan in de loop van de tweede helft van het jaar dat volgt op de verkiezingen voor de gemeenteraad een gemeentelijk milieubeleidsplan vaststellen met het oog op de bescherming en het beheer van het milieu op het grondgebied van de gemeente.

 

Het gemeentelijk milieubeleidsplan geeft op het niveau van de gemeente nadere uitwerking aan het gewestelijk en het provinciaal milieubeleidsplan. Binnen de perken van de gemeentelijke bevoegdheden kan het gemeentelijk milieubeleidsplan het gewestelijk en het provinciaal milieubeleidsplan ook aanvullen. Het gemeentelijk milieubeleidsplan moet conform de bindende bepalingen van het gewestelijk en het provinciaal milieubeleidsplan zijn.

 

§ 2

Het gemeentelijk milieubeleidsplan omvat een actieplan als bedoeld in artikel 2.1.7, § 3. De bepalingen van het gemeentelijk milieubeleidsplan zijn indicatief, behoudens de bepalingen van het actieplan die door de gemeenteraad als bindend zijn aangeduid. Deze bepalingen zijn bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren.

 

§ 3

Bij het van kracht worden van een nieuw provinciaal of gewestelijk milieubeleidsplan kan het bestaande gemeentelijk milieubeleidsplan herzien worden. De bepalingen van het bestaande gemeentelijk milieubeleidsplan die niet conform de bindende bepalingen van een nieuw gewestelijk of provinciaal milieubeleidsplan zijn, verliezen van rechtswege hun geldigheid.


Art. 2.1.22.

§ 1

Het ontwerpplan wordt opgesteld door het college van burgemeester en schepenen.

 

§ 2

Bij het ontwerpen van het plan worden de naar zijn oordeel meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen en privaatrechtelijke organisaties betrokken.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de raadpleging en betrokkenheid van de organen, instellingen en organisaties bedoeld in § 2.


Art. 2.1.23.

§ 1

Het ontwerpplan wordt meegedeeld aan de Vlaamse regering, de gemeenteraadsleden, de administraties vertegenwoordigd in de provinciale omgevingsvergunningscommissie, de [...] deputatie van de provincieraad en de door het college van burgemeester en schepenen aangewezen adviesorganen of organisaties.

 

§ 2

Het ontwerpplan wordt voor een termijn van zestig dagen ter inzage gelegd op het gemeentebestuur. Het college van burgemeester en schepenen brengt dit ter kennis van de bevolking door aanplakking en in minimum twee dag- en/of weekbladen waarvan één met regionaal karakter. Iedereen kan in deze periode schriftelijke opmerkingen richten aan het college van burgemeester en schepenen.

 

§ 3

Binnen dezelfde termijn brengen de in § 1 bedoelde instellingen, organen of organisaties hun met redenen omkleed advies ter kennis van het college van burgemeester en schepenen.

 

De [...] deputatie onderzoekt het ontwerpplan in het bijzonder op zijn verenigbaarheid met het gewestelijk milieubeleidsplan en, voor zover dit bestaat, het provinciaal milieubeleidsplan en waakt over de coördinatie van de gemeentelijke milieubeleidsplannen binnen de provincie.

 

§ 4

Binnen zestig dagen na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, onderzoekt de gemeenteraad de verleende adviezen en de ingediende opmerkingen en stelt het plan vast bij een met redenen omkleed besluit waarbij hij in het algemeen vermeldt wat hij omtrent de ingediende opmerkingen en verstrekte adviezen heeft overwogen.

 

§ 5

Het plan wordt ter kennis gebracht van de in § 1 bedoelde instanties. Het ligt ter inzage bij de gemeente.

 

§ 6

De [...] deputatie kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving bedoeld in § 5 de bepalingen van het plan die strijdig zijn met bindende bepalingen van het gewestelijk of, voor zover dit bestaat, provinciaal milieubeleidsplan bij met redenen omkleed besluit vernietigen.

 

§ 7

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure bepaald in de §§ 1 tot en met 4.


Art. 2.1.23bis.

§ 1

Bij de herziening van het plan met het oog op de afstemming op het provinciaal of gewestelijk milieubeleidsplan, vermeld in artikel 2.1.21, § 3, volstaat de vaststelling door de gemeenteraad bij een met redenen omkleed besluit. Het herziene plan wordt ter kennis gebracht van de instanties vermeld in artikel 2.1.23, § 1.

 

§ 2

De [...] deputatie kan binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving, vermeld in § 1, de bepalingen van het plan die niet conform de bindende bepalingen van het gewestelijk of provinciaal milieubeleidsplan zijn door een met redenen omkleed besluit vernietigen.


Art. 2.1.24.

§ 1

De Vlaamse Regering kan aan de gemeenten een subsidie toekennen voor het uitvoeren van een gemeentelijk milieubeleidsplan of milieujaarprogramma. Ze bepaalt de voorwaarden en de nadere regels hiervoor.

 

§ 2

De Vlaamse regering kan, na evaluatie van de vrijwillige uitvoering van de bepalingen van deze onderafdeling door de gemeenten, besluiten dat de gemeenten verplicht zijn een milieubeleidsplan op te stellen vanaf een datum die ze zelf bepaalt.


Art. 2.1.24bis.

Een gemeentelijk milieubeleidsplan als vermeld in artikel 2.1.21 wordt een eerste keer opgesteld in 2007. Op dat ogenblik kan ook gekozen worden voor een bekrachtiging of actualisering van het bestaande gemeentelijk milieubeleidsplan, eventueel gekoppeld aan een verlenging van de planperiode. In dit geval volstaat een herzieningsprocedure als vermeld in artikel 2.1.23bis.


Onderafdeling 2.
Het gemeentelijk milieujaarprogramma.


Art. 2.1.25.

§ 1

Het college van burgemeester en schepenen kan jaarlijks een milieujaarprogramma vaststellen.

 

§ 2

[...]


Art. 2.1.26. [...]

Hoofdstuk II.
Milieukwaliteitsnormen.


Afdeling 1.
Algemeen.


Art. 2.2.1.

De Vlaamse regering stelt ter bescherming van het milieu milieukwaliteitsnormen vast die bepalen aan welke kwaliteitseisen de onderdelen van het milieu moeten voldoen binnen de termijnen die zij bepaalt.

 

Milieukwaliteitsnormen bepalen de maximaal toelaatbare hoeveelheden verontreinigingsfactoren in de atmosfeer, het water, het sediment of de biota of de bodem. Zij kunnen ook bepalen welke natuurlijke of andere elementen in het milieu aanwezig moeten zijn met het oog op de bescherming van de ecosystemen en de bevordering van de biologische diversiteit.


Art. 2.2.2.

Elk ontwerp van besluit houdende vaststelling of wijziging van milieukwaliteitsnormen wordt door de Vlaamse regering medegedeeld aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengt binnen een vervaltermijn van twee maanden na ontvangst van het ontwerp.

 

In zoverre dit vanwege door internationale verplichtingen opgelegde termijnen noodzakelijk is, kan de Vlaamse regering de in het vorige lid bepaalde adviestermijn inkorten, met inachtname van de minimumtermijn, vermeld in artikel III.103, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.


Art. 2.2.3.

§ 1

Er kan tussen de in artikel 2.2.1 bedoelde normen een onderscheid worden gemaakt tussen basismilieukwaliteitsnormen en bijzondere milieukwaliteitsnormen.

Basismilieukwaliteitsnormen bepalen de kwaliteitseisen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu in heel het Vlaamse Gewest moet voldoen.

Bijzondere milieukwaliteitsnormen bepalen de kwaliteitseisen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu moet voldoen in gebieden die bijzondere bescherming behoeven, hetzij wegens de bestemming die zij hebben, hetzij wegens de functies die zij vervullen of dienen te vervullen.

 

§ 2

Wanneer de Vlaamse regering voornemens is bijzondere milieukwaliteitsnormen vast te stellen voor gebieden die grenzen aan buurstaten of andere Gewesten, pleegt zij vooraf overleg met de bevoegde autoriteiten van deze Staten of Gewesten.

 

§ 3

Wanneer voor een bepaald gebied zowel basismilieukwaliteitsnormen als bijzondere milieukwaliteitsnormen van toepassing zijn, geldt de strengste milieukwaliteitsnorm.

 

§ 4

De Vlaamse regering evalueert en herziet zo nodig op gezette tijden de milieukwaliteitsnormen evenals de gebieden waarvoor bijzondere milieukwaliteitsnormen zijn vastgesteld.


Art. 2.2.4.

De in artikel 2.2.1 bedoelde milieukwaliteitsnormen kunnen worden vastgesteld in de vorm van grenswaarden en richtwaarden.   

Grenswaarden mogen, behoudens in geval van overmacht, niet worden overschreden. Onverminderd de overige bepa-lingen van dit decreet, bepalen de verordeningen die ze vaststellen de maatregelen die door de daartoe aangewezen overheden moeten worden getroffen bij de overschrijding of dreigende overschrijding ervan, teneinde de erdoor beschermde belangen te beveiligen.

Richtwaarden bepalen het milieukwaliteitsniveau dat zoveel mogelijk moet worden bereikt of gehandhaafd.

Grenswaarden en richtwaarden kunnen afzonderlijk of in combinatie worden gehanteerd.


Art. 2.2.5.

§ 1

Wanneer in een bepaald gebied voor een onderdeel van het milieu de werkelijke kwaliteit van dat onderdeel beter is dan vereist door de geldende grens- of richtwaarde, moeten de nodige maatregelen worden getroffen om deze kwaliteit minstens te behouden.

 

§ 2

De werkelijke kwaliteit van een onderdeel van het milieu in een bepaald gebied waarvoor een grens- of richtwaarde geldt, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2.2.6, §§ 1 en 2.


Art. 2.2.6.

§ 1

De Vlaamse regering wijst de instellingen of personen aan die belast zijn met het meten van de kwaliteit van de onderscheiden onderdelen van het milieu waarvoor milieukwaliteitsnormen zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 2.2.1.

 

§ 2

De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast in verband met de plaats en de frequentie van monsterneming, de toe te passen monstername- en analysemethoden of andere meet- of bepalingsmethoden, de toetsing van de verkregen resultaten aan de vastgestelde normen, de wijze waarop en de frequentie waarmee verslag moet worden uitgebracht over deze resultaten.

 

§ 3

Als uit de in § 2 bedoelde resultaten blijkt dat de toepasselijke grens- of richtwaarden niet worden nageleefd, laat de Vlaamse regering onderzoek verrichten naar de oorzaken daarvan.

 

§ 4

Op eenvoudig verzoek kan de bevolking beschikken over de concrete, niet-geïnterpreteerde meetresultaten. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels en duidt de overheid aan bij wie deze gegevens opgevraagd kunnen worden.


Art. 2.2.7.

§ 1

Als uit het in artikel 2.2.6, § 3 bedoelde onderzoek blijkt dat de overschrijding van een grenswaarde niet het gevolg is van toevallige en voorbijgaande omstandigheden of dat blijvende aantasting van het milieu werd veroorzaakt, dan stelt de Vlaamse regering of een door haar aangewezen bestuur of instelling een herstelprogramma op.

 

§ 2

Het herstelprogramma omvat :

  1. een inventaris van alle aanwijsbare bronnen van verontreiniging of verstoring met aanduiding van hun aandeel in de verontreiniging of de verstoring van het betrokken gebied;
  2. de emissiereductie die bij deze bronnen moet plaatsvinden of de andere maatregelen die moeten worden genomen, om te voldoen aan de geldende milieukwaliteitsnormen;
  3. de beleidsinstrumenten die moeten worden aangewend om dit doel te bereiken met aanduiding van de overheden die daartoe bevoegd zijn;
  4. de termijn waarbinnen dit herstel moet plaatsvinden.

 

 

§ 3

Het herstelprogramma wordt voor verder gevolg bezorgd aan de overheden bedoeld in § 2, 3°. Wanneer de oorzaak van de overschrijding van de norm in een buurstaat of in een andere Gewest ligt, pleegt de Vlaamse regering overleg met de bevoegde autoriteiten van deze buurstaat of dit Gewest.

 

§ 4

Op gezette tijden evalueert de Vlaamse regering of een door haar aangewezen bestuur of instelling de stand van uitvoering van het herstelprogramma.

 

§ 5

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op bodemsanering als bedoeld in het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering.


Afdeling 2.
Bijzondere bepalingen


Art. 2.2.8.

§ 1

De Vlaamse regering stelt een bijzondere regeling vast voor tijdelijke situaties van verhoogde luchtverontreiniging tengevolge van bijzondere meteorologische omstandigheden.

 

§ 2

Deze bijzondere regeling omvat grenswaarden voor luchtverontreiniging waarvan de overschrijding naargelang van het geval aanleiding geeft tot het in werking stellen van de waarschuwingsfase of de alarmfase.

 

§ 3

Gedurende de waarschuwingsfase worden de betrokken overheden en de exploitanten van belangrijke bronnen van verontreiniging in kennis gesteld van het feit dat afhankelijk van de verdere evolutie van de toestand in de nabije toekomst de alarmfase kan worden ingesteld.

 

§ 4

Gedurende de alarmfase nemen de exploitanten en de daartoe bevoegde overheden, met betrekking tot de betekenisvolle bronnen van verontreiniging, de veiligheidsmaatregelen zoals die door de Vlaamse regering zijn bepaald met inachtneming van de ernst van de situatie.

 

§ 5

De Vlaamse regering bepaalt tevens de wijze waarop het publiek wordt ingelicht en de maatregelen die ten opzichte van het publiek kunnen worden getroffen door de daartoe bevoegde overheden.