Bijlage IV. Bodemsaneringsnormen

Artikel 1. De bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 47, 161, ß2, 3į, en 164 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, zijn aangegeven in de onderstaande tabel.

Vaste deel van de aarde

(mg/kg droge stof)

Grond-

water

(μg/l)

Bestemmingstype

I

II

III

IV

V

I,II,III,IV V,

ZWARE METALEN EN METALLOŌDEN (1)

Arseen

58

58

103

267

267

20

Cadmium

2

2

6

9,5

30

5

Chroom (III) (2)

130

130

240

560

880

50

Koper

120

120

197

500

500

100

Kwik

2,9

2,9

4,8

4,8

11

1

Lood

200

200

560

735

1250

20

Nikkel

93

93

95

530

530

40

Zink

333

333

333

1000

1250

500

MONOCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN (3)

Benzeen

0,5

0,5

0,5

0,5

1

10

Tolueen

4

4

7

80

80

700

Ethylbenzeen

2

2

10

30

77

300

Xyleen

3

3

11

65

165

500

Styreen

0,8

0,8

3

13

20

20

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN (3)

Dichloormethaan

0,13

0,13

0,35

3,5

3,5

20

Tetrachloormethaan

0,1

0,1

0,1

0,85

1

2

Tetrachlooretheen

0,7

0,7

1,4

30

35

40

Trichlooretheen

0,65

0,65

1,4

10

10

70

Monochloorbenzeen

2,5

2,5

8

30

40

300

1,2-dichloorbenzeen (4)

35

35

110

690

690

1000

1,3-dichloorbenzeen (4)

40

40

140

750

1260

1000

1,4-dichloorbenzeen (4)

4

4

15

80

190

300

Trichloorbenzeen (5)

0,5

0,5

2

20

80

20

Tetrachloorbenzeen (5)

0,1

0,1

0,3

6,5

275

9

Pentachloorbenzeen

0,5

0,5

1,3

65

385

2,4

1,1,1-trichloorethaan

10

10

13

230

300

500

1,1,2-trichloorethaan

0,2

0,2

0,6

1

1

12

1,1-dichloorethaan

2

2

5

95

95

330

Cis+trans-1,2-dichlooretheen

0,4

0,4

0,7

18

33

50

CARCINOGENE GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN (6)

1,2-dichloorethaan

0,1

0,1

0,1

7,6

9,6

30

Vinylchloride

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

5

Trichloormethaan

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

200

Hexachloorbenzeen

0,1

0,1

0,1

3,0

66,0

1

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN (7)

Naftaleen

1,5

1,5

5

80

160

60

Benzo(a)pyreen

0,5

0,5

3,6

5

7,2

0,7

Fenantreen

60

60

65

1650

1650

120

Fluoranteen

20

20

30

270

270

4

Benzo(a)antraceen

5

5

10,5

30

30

7

Chryseen

10

10

180

320

320

1,5

Benzo(b)fluoranteen

2

2

7

30

30

1,2

Benzo(k)fluoranteen

1

1

11,5

30

30

0,76

Benzo(ghi)peryleen

160

160

3920

4300

4690

0,26

Indeno(1,2,3-cd)pyreen

1

1

20

30

30

0,1

Antraceen

3

3

70

2380

4690

75

Fluoreen

45

45

3950

4320

4690

120

Dibenz(a,h)antraceen

0,5

0,5

2,9

3,6

3,6

0,5

Acenafteen

9

9

14

210

210

180

Acenaftyleen

1

1

1

20

40

70

Pyreen

125

125

395

3150

3150

90

CYANIDES

Cyanides (8)

70

Vrij cyanide

5

5

5

60

110

Niet-chlooroxideerbare

5

5

12

300

550

cyanides

PESTICIDEN

Aldrin + dieldrin

0,03

Chloordaan (cis + trans)

0,2

DDT + DDE + DDD

2

Hexachloorcyclohexaan (g-

isomeer)

2

Hexachloorcyclohexaan (α -

isomeer)

0,06

Hexachloorcyclohexaan(β-

isomeer)

0,2

Endosulfan (α, β en sulfaat)

1,8

TRIMETHYLBENZENEN (3)

1,2,3-TMB

0,81

0,81

1,2

6,5

14,1

150

1,2,4-TMB

1,3

1,3

1,7

9,7

19,5

150

1,3,5-TMB

0,61

0,61

0,86

5,2

9,7

150

CHLOORFENOLEN (9)

2,4,6-trichloorfenol

0,64

0,64

14

38

310

200

Pentachloorfenol

0,25

0,25

0,54

0,71

9,0

9

2-chloorfenol

3,93

3,93

130

1300

5600

15

2,4-dichloorfenol

0,67

0,67

47

150

150

9

2,4,5-trichloorfenol

24

24

850

1100

2200

300

2,3,4,6-tetrachloorfenol

1,79

1,79

37

41

130

90

OVERIGE ORGANISCHE VERBINDINGEN

Hexaan (3)

1,5

1,5

1,5

6,5

10

180

Heptaan (3)

25

25

25

25

25

3000

Octaan (3)

75

75

90

90

90

600

Minerale olie (3)

1000

1000

1000

1500

1500

500

Methyltertiairbutylether (10)

2

2

9

140

140

300

(1) Om bij het toetsen van de concentraties van zware metalen en metalloÔden in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen rekening te kunnen houden met de kenmerken van de bodem, worden de bodemsaneringsnormen voor bestemmingstype I en II voor arseen, cadmium, koper en zink en voor bestemmingstype III voor koper en zink omgerekend naar de gehaltes aan klei, organisch materiaal en pH-KCl van het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formules:

Voor arseen voor bestemmingstype I en II:

Voor cadmium voor bestemmingstype I en II:

Voor koper voor bestemmingstype I en II:

Voor koper voor bestemmingstype III:

Voor zink voor bestemmingstype I, II en III:

waarbij:

- BSN(x): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan klei van x %, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- BSN(z): bodemsaneringsnorm met een pH-KCl van z, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- BSN(x,y,z): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan klei van x %, gehalte aan organisch materiaal van y % en met pH-KCl van z, uitgedrukt in mg/kg ds en afgerond tot een decimaal;
- x: het gehalte aan klei in het monster in %;
- y: het gehalte aan organisch materiaalin het monster in %;
- z: de pH-KCl van het monster.

De formules mogen alleen worden gehanteerd onder de volgende voorwaarden:

het gehalte aan klei ligt tussen 2 % en 50 %;
het gehalte aan organisch materiaal ligt tussen 1 % en 10 %;
de pH-KCl ligt tussen 4 en 7.

Als het gehalte aan klei lager dan 2 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 2 %. Is het gehalte hoger dan 50 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan klei van 50 %.

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

Als de pH-KCl lager is dan 4, dan wordt gerekend met een veronderstelde pH-KCl van 4. Is de pH-KCl hoger dan 7, dan wordt gerekend met een veronderstelde pHKCl van 7.

Als de bodemsaneringsnorm voor het vaste deel van de aarde voor bestemmingstype I, II of III na omrekening naar het gehalte aan klei, organisch materiaal en pH-KCl in het te toetsen monster hoger is dan de bodemsaneringsnorm voor het vaste deel van de aarde voor bestemmingstype IV wordt de omgerekende bodemsaneringsnorm gelijkgesteld met de bodemsaneringsnorm voor het vaste deel van de aarde voor bestemmingstype IV.

(2) Chroom is genormeerd op basis van drie-waardig chroom. Als er aanwijzingen zijn dat chroom in de vorm van zes-waardig chroom in de bodem aanwezig is, kunnen deze getallen niet meer worden gebruikt en moet een afzonderlijke risicoevaluatie worden uitgevoerd.

(3) Om bij het toetsen van de gemeten concentraties van monocyclische aromatische koolwaterstoffen, gechloreerde koolwaterstoffen, trimethylbenzenen, en de overige organische verbindingen in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar het gehalte aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Met uitzondering van van benzeen in bestemmingstype I, II, III en IV gebeurt dat op basis van de formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel ;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De formule mag alleen worden gehanteerd op voorwaarde dat het gehalte aan organisch materiaal ligt tussen 1 % en 10 %. Als het gehalte aan organisch materiaal lager is dan 1 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

(4) Voor de isomeren van dichloorbenzeen moet aan de volgende aanvullende voorwaarde voldaan zijn:

waarbij 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk 1,3-dichloorbenzeen gelezen moet worden als de gemeten concentratie 1,2-dichloorbenzeen, respectievelijk de gemeten concentratie 1,3-dichloorbenzeen en bodemsaneringsnorm (1,2), respectievelijk bodemsaneringsnorm (1,3) als de bodemsaneringsnorm voor 1,2- dichloorbenzeen respectievelijk 1,3-dichloorbenzeen die behoort bij het relevante bodembestemmingstype.

(5) De bodemsaneringsnormen voor trichloorbenzeen en tetrachloorbenzeen gelden telkens voor de som van de isomeren.

(6) Om bij het toetsen van de concentraties van carcinogene gechloreerde koolwaterstoffen in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar het gemeten gehalte aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %

De coŽfficiŽnten A en B kunnen afgelezen worden uit volgende tabel:

Bestemmingstype

I

II

III

IV

V

A

B

A

B

A

B

A

B

A

B

1,2-dichloorethaan

1

0

1

0

1

0

0,36

0,32

0,36

0,32

Vinylchloride

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Trichloormethaan

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Hexachloorbenzeen

1

0

1

0

1

0

0,54

0,23

1

0

De formule mag alleen worden gehanteerd als het gehalte aan organisch materiaal tussen 1 % en 10 % ligt.

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1 % is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

(7) Om bij het toetsen van de concentraties polyaromatische koolwaterstoffen in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar het gehalte aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De coŽfficiŽnten A en B kunnen afgelezen worden uit de volgende tabel:

Bestemmingstype

I

II

III

IV

V

A

B

A

B

A

B

A

B

A

B

Naftaleen

0,64

0,18

0,64

0,18

0,79

0,1

0,074

0,46

0,02

0,49

Benzo(a)pyreen

1

0

1

0

0,92

0,041

1

0

1

0

Fenantreen

0,26

0,37

0,26

0,37

0,15

0,42

1

0

1

0

Fluoranteen

0,68

0,16

0,68

0,16

0,49

0,25

0,98

0,012

0,98

0,012

Benzo(a)antraceen

0,94

0,029

0,94

0,029

0,86

0,069

1

0

1

0

Chryseen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Benzo(b)fluoranteen

0,96

0,021

0,96

0,021

0,74

0,13

1

0

1

0

Benzo(k)fluoranteen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Benzo(ghi)peryleen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Indeno(1,2,3- cd)pyreen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Antraceen

1

0

1

0

1

0

1

0

1

0

Fluoreen

0,082

0,46

0,082

0,46

1

0

1

0

1

0

Dibenz(a,h)antraceen

1

0

1

0

0,91

0,044

1

0

1

0

Acenafteen

1

0

1

0

0,72

0,14

0,27

0,37

0,27

0,37

Acenaftyleen

0,74

0,13

0,74

0,13

0,63

0,19

0,2

0,4

0,59

0,21

Pyreen

0,44

0,28

0,44

0,28

1

0

1

0

1

0

De formule mag alleen worden gehanteerd als het gehalte aan organisch materiaal tussen 1 % en 10 % ligt.

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1% is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

(8) De bodemsaneringsnorm voor cyanides in grondwater geldt voor de som van de vrije en niet-chlooroxideerbare cyanides.

Onder vrije cyanides wordt begrepen: de anorganisch gebonden cyanides die bestaan uit de som van de gehalten vrije cyanide-ionen en het in enkelvoudige metaalcyanide gebonden cyanides.

Onder niet-chlooroxideerbare cyanides wordt begrepen: de som van de alkalimetaalijzer- cyanides (K4Fe(CN)6) en de metaal-ijzer-cyanides (Fe4(Fe(CN)6).

(9) Om bij het toetsen van de concentraties van chloorfenolen in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar het gehalte aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De coŽfficiŽnten A en B kunnen afgelezen worden uit de volgende tabel:

Bestemmingstype

I

II

III

IV

V

A

B

A

B

A

B

A

B

A

B

2,4,6-trichloorfenol

0

0,5

0

0,5

0,18

0,41

0

0,5

0,38

0,31

Pentachloorfenol

1

0

1

0

0

0,5

0

0,5

0

0,5

2-chloorfenol

0

0,5

0

0,5

0,54

0,23

1

0

0,95

0,025

2,4-dichloorfenol

0

0,5

0

0,5

0,40

0,30

0

0,5

0

0,5

2,4,5-trichloorfenol

0

0,5

0

0,5

0,24

0,38

0

0,5

0

0,5

2,3,4,6-tetrachloorfenol

0

0,5

0

0,5

0

0,5

0

0,5

0

0,5

De formule mag alleen worden gehanteerd op voorwaarde dat het gehalte aan organisch materiaal tussen 1 % en 10 % ligt.

Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1% is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 10 %.

(10) Om bij het toetsen van de concentraties methyltertiairbutylether in het vaste deel van de aarde aan de bodemsaneringsnormen met de kenmerken van de bodem rekening te kunnen houden, worden de bodemsaneringsnormen omgerekend naar de gehaltes aan organisch materiaal in het te toetsen monster. Dat gebeurt op basis van de volgende formule:

waarbij:

- BSN(y): bodemsaneringsnorm bij een gehalte aan organisch materiaal van y %;
- BSN(t): bodemsaneringsnorm, vermeld in de tabel;
- y: gehalte aan organisch materiaal in het monster in %.

De formule mag alleen worden gehanteerd als het gehalte aan organisch materiaal tussen 1 % en 10 % ligt. Als het gehalte aan organisch materiaal lager dan 1% is, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte van 1 %. Is het gehalte hoger dan 10 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan organisch materiaal van 10 %.

Art. 2. De bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 1, zijn verschillend naargelang van de bestemming volgens de vigerende plannen van aanleg of de vigerende ruimtelijke uitvoeringsplannen, of naargelang van de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. Per grond wordt het overeenkomstige bestemmingstype opgezocht. De bodemsaneringsnormen voor die grond worden in artikel 1 weergegeven, in de kolom onder het cijfer van het bestemmingstype in kwestie. De volgende bestemmingstypes worden onderscheiden:

bestemmingstype I:
- bosgebied;
- groengebied;
- valleigebied;
- natuurgebied;
- natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat;
- bosgebied met ecologisch belang;
- bijzonder natuurgebied;
- gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat;
- zone voor natuurontwikkeling;
- ontginningsgebied met nabestemming natuurontwikkeling;
- beschermd duingebied, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen;
- bijzonder groengebied;
- gebied dat behoort tot het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN);
- agrarisch gebied met ecologisch belang of ecologische waarde;
- brongebied;
- agrarisch gebied met bijzondere waarde;
- voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen;
- ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
bestemmingstype II:
- agrarisch gebied;
- landschappelijk waardevol agrarisch gebied;
- landelijk gebied met toeristische waarde;
- parkgebied met semiagrarische functie;
- woongebied met landelijk karakter;
- woongebied met geringe dichtheid;
- landelijk woongebied met culturele, historische of esthetische waarde;
- kleintuingebied;
- abdijgebied;
- ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van die kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
bestemmingstype III:
- woongebied;
- woonuitbreidingsgebied;
- woongebied met grote dichtheid;
- woongebied met middelgrote dichtheid;
- woonpark;
- woongebied met culturele, historische of esthetische waarde;
- woongebied waar bijzondere voorschriften voor de hoogte van de gebouwen gelden;
- pleisterplaats voor nomaden, zigeuners of woonwagenbewoners;
- scholen en kinderspeelterreinen;
- gebied voor serviceresidentie;
- gemengd woon- en industriegebied;
- gemengd woon- en parkgebied;
- bedrijfsgebied met stedelijk karakter;
- zone van handelsvestigingen;
- reservegebied voor woonwijken;
- speelbos of speelweide;
- gebied voor jeugdcamping;
- ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
bestemmingstype IV:
- parkgebied;
- recreatiegebied;
- gebied voor dagrecreatie;
- gebied voor verblijfsrecreatie;
- sportterrein;
- golfterrein;
- gebied voor vissport;
- gebied voor groenvoorziening met recreatieve accommodatie;
- toeristisch recreatiepark;
- gebied voor recreatiepark;
- reservegebied voor recreatie;
- of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;

bestemmingstype V:

- industriegebied;
- industriegebied voor vervuilende industrieŽn;
- industriegebied voor milieubelastende industrieŽn;
-

gebied voor ambachtelijke bedrijven of gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen;

- dienstverleningsgebied;
- industriegebied met bijzondere bestemming;
-

gebied dat hoofdzakelijk bestemd is voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;

-

gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, andere dan scholen en kindertuinen;

- oeverstrook met bijzondere bestemming (1);
- luchtvaartterrein;
- industriestortgebied;
- bezinkingsgebied;
- transportzone;
- gemengd gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied, andere dan scholen en kinderspeelterreinen;
- gebied voor kerninstallatie;
- stortgebied;
- wetenschapspark;
- reservegebied voor ambachtelijke uitbreiding;
- reservegebied voor industriŽle uitbreiding;
- reservegebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen;
- reservegebied voor beperkte industriŽle uitbreiding;
- ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening.

(1) Volgens artikel 6 van de bijzondere voorschriften van het gewestplan Antwerpen is het gebied dat als “een oeverstrook met bijzondere bestemming” is aangeduid, bestemd voor de heraanleg van kaaien. Buurtrecreatie, toeristische activiteiten en havenactiviteiten kunnen er samengaan. Alleen werkzaamheden en handelingen die daarmee verband houden, zijn er toegestaan.

Art. 3. Voor een grond die in een bufferzone gelegen is, wordt de bodemsaneringsnorm bepaald op basis van de bodemsaneringsnormen van de gronden die aan de bufferzone grenzen. Bij de berekening van de bodemsaneringsnormen wordt rekening gehouden met de gehaltes aan klei en aan organisch materiaal en de pH-KCl van de grond in de bufferzone. Na de berekening geldt de strengste bodemsaneringsnorm van de gronden die aan de bufferzone grenzen als bodemsaneringsnorm voor de grond in de bufferzone.

Art. 4. De onderstaande bestemmingen die in overdruk op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen worden weergegeven, worden beoordeeld krachtens deze bijlage op basis van de bestemming, bepaald door de grondkleur:

- landschappelijk waardevol gebied;
- ontginningsgebied;
- uitbreiding van ontginningsgebied;
- opspuitings- en ontginningsgebied;
- reservegebied voor ontginning;
- tijdelijk ontginningsgebied;
- kleiontginningsgebied;
- kleiontginningsreservegebied;
- renovatiegebied;
- overstromingsgebied;
- opspuitingsgebied;
- reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden.

Art. 4/1. In afwijking van artikel 2 en 4 worden de groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, vergund volgens rubriek 60 van bijlage 1 van Vlarem II, die liggen in bestemmingstype I of II volledig in bestemmingstype III ingedeeld, tenzij ze liggen in waterwingebieden en beschermingszones type I, II en III, afgebakend conform het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones.†

Art. 5. Alle gronden die niet onder de eerder genoemde bestemmingen ressorteren, worden beoordeeld op basis van de functies die de bodem er vervult. Op basis van de beoordeling van die functies wordt de grond in kwestie ingedeeld onder een van de bestemmingstypes, vermeld in artikel 2.

Art. 6. De waterwingebieden en beschermingszones type I, II en III, afgebakend conform het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones, worden volledig in bestemmingstype I ingedeeld.

Art. 7. ß1. Gronden die op basis van artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype III, IV of V worden ingedeeld, maar die feitelijk als landbouwgrond worden gebruikt, worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype II ingedeeld zouden zijn.

ß2. Gronden die op basis van artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype IV of V worden ingedeeld, maar die feitelijk voor bewoning worden gebruikt, worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype III ingedeeld zouden zijn.

ß3. Gronden die op basis van de artikel 2, 3 of 4 onder bestemmingstype V worden ingedeeld, maar die feitelijk voor recreatie worden gebruikt, moeten worden beoordeeld alsof ze in bestemmingstype IV ingedeeld zouden zijn.