Omzendbrief bermbeheer
Omzendbrief van 4 juni 1987 betreffende bermbeheer door publiekrechtelijke rechtspersonen.

In het Belgisch Staatsblad van 2 oktober 1984 is het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1984 verschenen houdende maatregelen inzake natuurbehoud op de bermen beheerd door publiekrechtelijke rechtspersonen (84-1820: p. 13388-13393/addendum: Belgisch Staatsblad 26 februari 1985, 85-312: p. 2129).

 

Dit besluit, hierna "Bermbesluit" genoemd, is in werking getreden op 1 januari 1985.

 

Deze omzendbrief heeft tot doel bij de aanvang van een nieuw groeiseizoen de aandacht van de publiekrechtelijke rechtspersonen te vestigen op het bermbesluit en nader te informeren over de toepassing.


Art. A.

Doel van het bermbesluit :
Wegbermen zijn niet uitsluitend landschappelijke elementen maar vaak bevatten ze ook een rijke fauna en flora.
Het bermbesluit, getroffen in uitvoering van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, beoogt een natuurvriendelijk bermbeheer te stimuleren via een aangepast maaibeheer met daartoe geschikt materieel en met verbod tot gebruik van biociden. Bij de toepassing van het bermbesluit, dient de verantwoordelijke overheid echter rekening te houden met andere taken, met name het instaan voor verkeersveiligheid, de bestrijding van voor de menselijke economie schadelijke organismen, het beheersen van de grondwaterhuishouding en het voorkomen van wateroverlast.
Bij toepassing van het bermbesluit kan hiermee rekening gehouden worden overeenkomstig het proportionaliteitsprincipe dat in het advies van de Raad van State over het besluit werd omschreven.


Art. B.

Toepassing van het besluit :
Onder voorbehoud van de evolutie van de rechtspraak, leek het voor een eenvormige toepassing wenselijk de draagwijdte van enkele termen nader te omschrijven.

 

a) Omschrijving van het begrip " bermen ".
Het besluit is van toepassing op alle terreinen, die bestaan uit zowel de vlakke als hellende overgangszones tussen de eigenlijke weginfrastructuur en andere gebruiksterreinen en die beheerd worden door een publiekrechtelijk rechtspersoon. Het bermbesluit is eveneens van toepassing op de stroken tussen verschillende rijbanen.
Wat de bermen langs waterlopen betreft wordt de strook bedoeld, waarop plantengroei voorkomt.
Rekening houdend met de wettelijke grondslag van het bermbesluit, dat een uitvoering is van de artikelen 37 en 38 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, is het duidelijk dat het besluit alleen van toepassing is op de bermen gelegen in de landelijke ruimte, met uitsluiting van de gesloten bebouwing.
Dit betekent dan ook dat bermen gelegen in de bebouwde delen van gemeenten als zodanig niet onder de toepassing vallen van het besluit.
Dit wil niet zeggen dat belangrijke bermen (bv. oevers van rivieren) die doorheen een bebouwd gedeelte lopen niet (overeenkomstig het bermbesluit) kunnen beheerd worden. Ook hier kan de landschappelijke en ecologische funktie van de bermen belangrijk zijn.
Het is de taak van de bermbeheerder om, op grond van de ligging in een landelijk of stedelijk gebied, uit te maken welke bermgedeelten in aanmerking kunnen genomen worden in welke niet.

 

b) Omschrijving begrippen " wegen, waterlopen en spoorwegen ".
Tot de wegen worden de rij-, voet- en fietswegen gerekend; tot de waterlopen alle rivieren, kanalen, beken, meren en vijvers, die door een publiekrechtelijk rechtspersoon aan enige vorm van beheer onderworpen zijn; tot de spoorwegen behoren naast de eigenlijke spoorgedeelten met bijzondere schouwpaden, ook alle aanhorigheden, zoals emplacementen, enz.

 

c) Begraasde bermen.
Met begraasde bermen worden de bermen bedoeld die in hoofdzaak begroeid zijn met grassen en kruidachtige vegetaties.
Ook dient het mogelijk misverstand uit de weg geruimd dat onder begraasde bermen enkel de bermen zouden gerekend worden die gebruikt worden door allerlei grasetende dieren.

 

d) Publiekrechtelijke rechtspersonen.
Tot de publiekrechtelijke rechtspersonen worden alle besturen en instellingen gerekend, behorend tot de openbare rechtspersonen (openbare besturen) en tot die organismen waarop de wet van 16 maart 1954 van toepassing is.
Hieronder volgt een lijst van de voornaamste publiekrechtelijke rechtspersonen, waarop het besluit van toepassing is, en die in enige mate kunnen instaan voor het beheer van bermen.
Deze lijst heeft slechts een indicatieve waarde :
- Staat ( ministeries, wegenfonds, schoolfonds, ...) en Gewest;
- provincies;
- gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, O.C.M.W.'s en kerkfabrieken;
- verenigingen van gemeenten;
- Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
- Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen;
- Nationale landmaatschappij;
- Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest;
- Waterzuiveringsmaatschappij van het Kustbekken;
- Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij;
- Universiteiten en instellingen voor universitair onderwijs van het Rijk;
- Koninklijke Schenking;
- P.T.T.;
- B.R.T.;
- Dienst der Scheepvaart;
- N.V. Zeekanaal en Haveninrichting van Brussel;
- Maatschappij der Brugse Zeevaartinrichtingen;
- de autonome havens, ingesteld door bijzondere wetten;
- Nationale Maatschappij der Waterleidingen;
- Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen;
- Gewestelijke Investeringsmaatschappijen;
- de Polders en verenigingen van de Polders;
- de Wateringen en verenigingen van Wateringen;
- ruilverkavelingscomités;
- internationale organisaties, waarvan de Belgische Staat de rechtspersoonlijkheid heeft erkend.
Het is belangrijk op te merken dat het openbaar bestuur of de openbare instelling niet noodzakelijk de bermen in eigendom behoeft te hebben. Ook de bermen, waarvoor wettelijk enige vorm van beheer is opgelegd, vallen onder de toepassing van het besluit, zoals met name de bermen waarop de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen van toepassing is.
Bovendien wordt in toepassing geen onderscheid gemaakt tussen de bermen behorend tot het openbaar of privaat domein van het betrokken openbaar bestuur of instelling.
Ook op de bermen waarvan het beheer op grond van een overeenkomst of akkoord uitgevoerd wordt door derden, blijft het openbaar bestuur verantwoordelijk voor de wijze van uitvoering. Het toezichthoudend bestuur of instelling dient er op toe te zien dat alle bepalingen in de overeenkomsten conform zijn met het bermbesluit en dat ze ook als zodanig worden nageleefd.


Art. C. Verbod van het gebruik van biociden :
Onder biociden worden alle middelen verstaan om levende wezens te vernietigen : herbiciden, insecticiden, fungiciden, bactericiden, enz.
Het verbod tot gebruik van biociden geldt voor alle bermen, ook onbegroeide, voor zover de noodzaak tot gebruik ervan niet kan ingeroepen worden omwille van een ander algemeen belang.
Gelet op de nevenwerking van de biociden heeft een publiekrechtelijke rechtspersoon er dan ook alle belang bij om het gebruik ervan te beperken of zo mogelijk volledig stop te zetten. De laatste jaren is er trouwens een duidelijke vermindering in het gebruik van biociden vastgesteld.
Wat het onderhoud van wegbermen betreft. is het gebruik van biociden veelal niet noodzakelijk.
Zelfs voor het vrijhouden van wegranden, verkeers- en signalisatieborden, vangreels en onverharde parkeerstroken en -terreinen is het aangewezen om zoveel mogelijk op mechanische middelen beroep te doen.
Thans zijn er heel wat toestellen op de markt die toelaten om ook in moeilijke omstandigheden te werken.
Het is wenselijk dat bij de aanleg van nieuwe infrastructuren aandacht wordt besteed aan de vereisten van een in de zin van het bermbesluit natuurvriendelijk onderhoud.
Voor de bestrijding van bepaalde distelsoorten of van andere organismen die schade kunnen toebrengen aan de menselijke aktiviteiten, of voor het onder controle houden van de ontwikkeling van netelvegetatie, kan vaak via een aangepast maaibeheer tot een bevredigende oplossing gekomen worden. Het is beter de oorzaak te bestrijden dan de gevolgen.


Art. D.

a) Maaiperiodes (artikel 3 van het bermbesluit)

Als begindata voor eventuele maaibeurten worden 15 juni en 15 september vooropgesteld. Half juni is een tijdstip dat voor nagenoeg alle bermen, ongeacht de bodem, als richtdatum kan beschouwd worden.

Een laat maaitijdstip laat de in de lente bloeiende planten toe om zaad te vormen. Sommige kennen in het najaar een tweede bloei. In uitzonderlijke gevallen kan, om redenen van natuurbehoud, een afwijking worden verleend wat deze richtdata betreft (artikel 4 van het besluit).

Om deze afwijking te bekomen dient het bestuur een aanvraag te richten tot één van de volgende adressen:

Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu.

Bestuur Landinrichting (Natuurbehoud).

West-Vlaanderen: Werkhuisstraat 9, 8000 Brugge.

Oost-Vlaanderen: Gebr. Van Eyckstraat 4-6, 9000 Gent.

Antwerpen: Weidestraat 60, 2600 Berchem.

Limburg: Helbeekplein 9, 3500 Hasselt.

Vlaams Brabant: H. Hooverplein 6, 3000 Leuven.

Bij de aanvraag moet een plan gevoegd worden (schaal 1/10 000) met aanduiding van de secties waarvoor een aanvraag wordt ingediend. Tevens dient vermeld te worden op welke motivering inzake natuurbehoud een afwijking wordt gevraagd. Het is belangrijk hier nogmaals te vermelden dat het maaien van wegranden voor het vrijhouden van verkeers- en signalisatieborden buiten de vastgestelde data kan gebeuren om rekening te houden met de opdrachten terzake van bepaalde openbare besturen. Dit betekent dat eventueel een vroeger maaltijdstip kan gekozen worden indien de verkeersveiligheid in het gedrang zou komen.

 

b) Afvoeren van maaisel

Het afvoeren van maaisel is een belangrijk onderdeel bij het natuurvriendelijk bermbeheer.

Het maaisel dient binnen de tien dagen verwijderd te worden. Deze afvoer is noodzakelijk om de bermen voedselarm te maken. Dit laatste is een voorwaarde voor het bekomen van een bloemrijke berm, die nog weinig onderhoud nodig heeft. Het is de bermbeheerder die zal moeten uitmaken welke oplossing daaraan dient te worden gegeven. Ook voor de afvoer van het maaisel kan het zg. "proportionaliteitsbeginsel" worden ingeroepen.

 

c) Te gebruiken materieel

Het materieel dat ingezet wordt voor het onderhoud van de bermen is belangrijk evenals de manier waarop gemaaid wordt.

Het maaien, zowel manueel als machinaal, dient op zodanige wijze te gebeuren dat de ondergrondse plantendelen en eventuele voorkomende struiken niet beschadigd worden (artikel 5 van het bermbesluit).

Regelmatige kontrole van deze hoogte bij het maaien zelf is aangewezen. De maaimachine voor het bermonderhoud wordt best niet lager dan 10 cm ingesteld.

De gemeenten en andere publiekrechtelijke rechtspersonen die bermen beheren worden in het Europees Jaar van het Milieu ertoe aangezet om het bermbesluit binnen hun verantwoordelijkheid op korrekte wijze toe te passen.

Aanvullende informatie en advies kan verkregen worden bij de Dienst voor Natuurbehoud van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Belliardstraat 12, te 1040 Brussel.