Titel III.
Bedrijfsinterne milieuzorg


Hoofdstuk I.
Doelstelling en definities.


Art. 3.1.1.

Bedrijfsinterne milieuzorg heeft tot doel duurzame produktiepatronen na te streven en de milieubelasting van een bedrijf in al zijn aspecten te beheersen en te beperken teneinde bij te dragen tot de realisatie van de doelstellingen omschreven in artikel 1.2.1 van dit decreet.


Art. 3.1.2.

In deze titel van het decreet wordt verstaan onder :

inrichtingen en activiteiten: de inrichtingen en activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, en artikel 5.1.1, 1°;
vergunningverlenende overheid: de overheid die de omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan afleveren;
[...]  
[...]  
bedrijfslocatie : elk terrein waarop industriële activiteiten onder controle van een bedrijf op een gegeven plaats worden uitgevoerd, met inbegrip van de daarmee gepaard gaande of daarbij horende opslag van grondstoffen, van bij-, tussen- en eindprodukten en van afval en met inbegrip van de al dan niet vaste infrastructuur en uitrusting die met deze activiteiten gemoeid zijn.

 


Hoofdstuk II.
De milieucoördinator.


Art. 3.2.1.

§ 1

De exploitanten van inrichtingen of activiteiten van eerste klasse dienen een milieucoördinator aan te stellen.

 

De Vlaamse regering kan vrijstelling verlenen voor bepaalde categorieën van inrichtingen of activiteiten.

 

§ 2

De Vlaamse Regering wijst de inrichtingen of activiteiten van de tweede klasse aan waarvoor de exploitant een milieucoördinator moet aanstellen.

 

§ 3

De vergunningverlenende overheid kan exploitanten van niet in § 1 of § 2 bedoelde inrichtingen of activiteiten de verplichting opleggen een milieucoördinator aan te stellen indien de aard van de inrichting of activiteit, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan of de plaats waar ze gelegen is of uitgeoefend wordt, dit verantwoordt.

 

§ 4

De milieucoördinator kan een werknemer zijn van de exploitant of een persoon die geen werknemer is van de exploitant.

 

Wanneer dit geen afbreuk doet aan een goede taakvervulling kan, met instemming van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling, voor twee of meer inrichtingen of activiteiten gezamenlijk een milieucoördinator worden aangesteld of kan een beroep worden gedaan op de diensten van een persoon die geen werknemer is van de exploitant.

 

Dergelijke instemming is evenwel niet vereist wanneer het de aanstelling betreft van een milieucoördinator voor verschillende inrichtingen of activiteiten tegelijk die samen een bedrijfslocatie vormen onder controle van eenzelfde persoon of rechtspersoon. Deze instemming is evenmin vereist indien het de gezamenlijke aanstelling betreft van een persoon die erkend is als milieucoördinator. In dit laatste geval wordt van de gezamenlijke aanstelling van de milieucoördinator door de exploitant onmiddellijk kennis gegeven aan de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.

 

§ 5

Wanneer verschillende inrichtingen of activiteiten samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan zij de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen.

 

Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid vormen.

 

§ 6.

De instemming wordt verleend als voldaan is aan de voorwaarden die door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld en die voorafgaand aan de instemmingsaanvraag zijn bekendgemaakt.

 

§ 7.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de aanvraag, weigering of verlening en bekendmaking van de instemmingen. Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een instemming gehoord door de door de Vlaamse Regering aangewezen overheid. De voormelde overheid kan eveneens de aanvrager horen.

 

§ 8.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat de instemming wordt geacht stilzwijgend te zijn verkregen als door de overheid geen beslissing aan de aanvrager wordt betekend binnen de door haar vastgestelde termijn.

 

De Vlaamse Regering kan daartoe alleen besluiten nadat ze tot de vaststelling is gekomen dat een belangenafweging door de overheid, vermeld in § 4, bij haar beslissingen over aanvragen tot instemming met de meervoudige aanstelling van milieucoördinatoren, niet in alle gevallen noodzakelijk is om dwingende reden van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij.

 

§ 9.

De Vlaamse Regering kan voor het gebruik van de instemmingen gebruikseisen vaststellen.

 

§ 10.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel XVI kan de door de Vlaamse Regering aangewezen overheid de instemming schorsen of opheffen.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen tot schorsing of opheffing kan worden overgegaan. De exploitanten en de milieucoördinator worden gehoord op hun verzoek. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de bij schorsing of opheffing van de instemming te volgen procedure.

 

§ 11.

Een persoon die geen werknemer is van de exploitant en met toepassing van § 4 in twee of meer inrichtingen of activiteiten die samen geen milieutechnische eenheid vormen, als milieucoördinator wil worden aangesteld, moet voorafgaand aan de aanstelling als milieucoördinator zijn erkend.

 

Op de erkenning als milieucoördinator zijn de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6 van toepassing.


Art. 3.2.2.

§ 1

De milieucoördinator heeft onder meer tot taak :

a) bij te dragen tot de ontwikkeling, de invoering, de toepassing en de evaluatie van milieuvriendelijke produktiemethodes en produkten;
b) te waken over de naleving van de milieuwetgeving door meer bepaald op regelmatige tijdstippen controle uit te oefenen op de werkplaatsen, de zuiveringstechnische werken en de materiaalstromen; hij rapporteert de vastgestelde tekortkomingen aan de bedrijfsleiding en doet voorstellen om deze te verhelpen;
c) te waken over of in te staan voor de uitvoering van de voorgeschreven emissie- en immissiemetingen en de registratie van de resultaten ervan;
d) te waken over het bijhouden van het afvalstoffenregister en het materialenregister en de naleving van de meldingsplicht, vermeld in artikel 6, 23 tot en met 25 en 30 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
e) voorstellen te doen en bij te dragen tot de interne en externe communicatie in verband met de gevolgen voor mens en milieu van de inrichting of activiteit, van haar produkten, haar afvalstoffen en de voorzieningen en maatregelen om deze gevolgen te beperken.
f) medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11.

 

§ 2

De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn. Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.

 

§ 3

De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven.


Art. 3.2.3.

§ 1

Als milieucoördinator kan enkel een persoon worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikt om de in artikel 3.2.2 bedoelde taken naar behoren te vervullen.

 

§ 2

De Vlaamse regering kan door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden nadere eisen stellen inzake de opleiding, de beroepservaring en de overige voorwaarden waaraan de milieucoördinator moet voldoen. De Vlaamse regering kan overgangsmaatregelen treffen met betrekking tot deze voorwaarden, indien nodig, voor degenen die de taken van milieucoördinator, in de hoedanigheid van werknemer van de exploitant, al uitoefenen voor het van kracht worden van dit decreet.

 

§ 3

De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling. Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in § 1 en in voorkomend geval aan de in § 2 bedoelde voorwaarden, kan de bevoegde afdeling eisen dat de exploitant binnen een termijn die het bepaalt, een andere persoon aanstelt.


Art. 3.2.4. De exploitant is gehouden het nodige te doen opdat de milieucoördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. Hij stelt hem hulppersoneel, lokalen, materiaal en middelen ter beschikking voor zover vereist.

Art. 3.2.5.

De milieucoördinator die een werknemer is van de exploitant, mag geen nadeel ondervinden omwille van de taak die hij als milieucoördinator vervult.

 

De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in artikel 3.2.3, § 3, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.


Art. 3.2.6.

De Vlaamse Regering bepaalt de informatie die in het kader van de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en van titel V door de vergunningverlenende overheid, de exploitant of de milieucoördinator aan het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan aan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, ter beschikking moet worden gesteld.


De Vlaamse Regering kan nadere regels uitvaardigen met het oog op het overleg over de bedrijfsinterne milieuzorg in de onderneming tussen de exploitant, afgevaardigde of de milieucoördinator enerzijds en het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis daarvan de vakbondsafvaardiging of de werknemers, anderzijds.


Hoofdstuk III.
EMAS en de decretaal verplichte milieuaudit.


Art. 3.3.1.

§ 1

Met het oog op de toepassing in het Vlaamse Gewest van de Verordening (EG) Nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheeren milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, wijst de Vlaamse regering de instantie aan die - wat het Vlaamse Gewest betreft - belast is met de erkenning van onafhankelijke milieuverificateurs en met controle op hun werkzaamheden. Zij stelt de Europese Commissie hiervan in kennis.

 

§ 2

De Vlaamse Regering wijst de bevoegde instantie aan als vermeld in artikel 11 van de Verordening (EG) Nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie.

 

De bevoegde instantie is belast met de uitvoering van de taken die haar krachtens deze verordening worden toegewezen.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan een bijdrage in de registratiekosten van een organisatie, waarvan ze het bedrag bepaalt, ten laste leggen van de aanvrager van de registratie.


Art. 3.3.2.

§ 1

De Vlaamse regering wijst door middel van sectorale milieuvoorwaarden de categorieën van inrichtingen of activiteiten aan die onderworpen worden aan een periodieke dan wel eenmalige decretaal verplichte milieuaudit.

 

De Vlaamse regering kan evenwel inrichtingen of activiteiten die over een bedrijfsintern milieuzorgsysteem beschikken dat gelijkaardige waarborgen biedt onder door haar bepaalde voorwaarden vrijstellen van die verplichting.

 

§ 2

De decretaal verplichte milieuaudit betreft een systematische, gedocumenteerde en objectieve evaluatie van het beheer, de organisatie en de uitrusting van de betrokken inrichting of activiteit op het gebied van de bescherming van het milieu.

 

§ 3

De decretaal verplichte milieuaudit heeft betrekking op :

- de emissies en immissies, evenals de gevolgen ervan voor de milieukwaliteit;
- het energiebeheer;
- het beheer van grondstoffen;
- de preventie en het beheer van afvalstoffen;
- bodembeheer;
- de produktiemethodes en het produktbeheer;
- de externe veiligheid;
- de voorlichting, opleiding en participatie van het personeel in de bedrijfsinterne milieuzorg;
- de externe voorlichting;
- de voorstellen en adviezen van de milieucoördinator zoals bedoeld in artikel 3.2.2, § 3, en de opvolging die hieraan gegeven is.

 

De Vlaamse regering kan nadere eisen stellen betreffende de inhoud van de decretaal verplichte milieuaudit. Ze kan in dat verband ook haar goedkeuring verlenen aan richtlijnen waarvan het gebruik aanbevolen wordt.

 

§ 4

De Vlaamse regering bepaalt welke elementen van de decretaal verplichte milieuaudit moeten medegedeeld worden aan het door de Vlaamse regering aangewezen bestuur.

 

§ 5

Voor de validatie van de decretaal verplichte milieuaudit wordt een beroep gedaan op een milieuverificateur die erkend is met toepassing van titel V, hoofdstuk 6.

 

§ 6

[...]


Art. 3.3.3.

Tenzij anders bepaald wordt, is de milieuaudit op kosten van de exploitant.

De Vlaamse regering kan subsidies verlenen voor het uitvoeren van een decretaal verplichte of vrijwillige milieuaudit binnen de perken van de begrotingskredieten. Zij bepaalt de nadere regels voor het verlenen van subsidiëring.


Hoofdstuk IV.
Meet- en registratieverplichtingen.


Art. 3.4.1.

§ 1

De Vlaamse regering kan door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden aan de exploitant van een inrichting of activiteit waarvan de emissies naar omvang of aard de door de regering bepaalde drempels overschrijden, de verplichting opleggen om de emissie- of immissiewaarden voortdurend of periodiek te meten of te berekenen en te registeren. De vergunningverlenende overheid kan dezelfde verplichting opleggen aan de exploitant van een inrichting of activiteit.

 

In gebieden waar bijzondere milieukwaliteitsnormen gelden als bedoeld in artikel 2.2.3, § 3, van dit decreet, kunnen lagere drempelwaarden worden bepaald of verdergaande verplichtingen worden opgelegd.

 

§ 2

Onverminderd artikel 3.5.1 houdt de exploitant deze gegevens ter beschikking van de toezichthouders. Hij bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.


Art. 3.4.2.

§ 1

De Vlaamse regering kan door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden aan de exploitant van een inrichting of activiteit waaraan risico's voor bodem- of grondwaterverontreiniging zijn verbonden, verplicht worden peilputten aan te leggen. De vergunningverlenende overheid kan dezelfde verplichting opleggen aan de exploitant van een inrichting of activiteit.

 

§ 2

De exploitant van een dergelijke inrichting of activiteit kan verplicht worden de kwaliteit van het grondwater op gezette tijdstippen te meten en te registeren.

 

§ 3

De exploitant houdt deze gegevens ter beschikking van de toezichthouders. Hij bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.


Art. 3.4.3.

§ 1

Met behoud van de toepassing van artikel 23, eerste lid, en artikel 30 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, kan door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden of in de omgevingsvergunning, de exploitant
van een inrichting of activiteit verplicht worden :

a) een register bij te houden van de gevaarlijke stoffen die er aanwezig zijn;
b) energie- en grondstoffenbalansen op te stellen.

 

§ 2

De exploitant houdt deze gegevens ter beschikking van de toezichthouders. Hij bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.


Hoofdstuk V.
Het milieu-jaarverslag.


Art. 3.5.1.

De Vlaamse regering wijst door middel van algemene of sectorale milieuvoorwaarden de categorieën van inrichtingen of activiteiten aan waarvan de exploitanten gehouden zijn jaarlijks aan de daartoe aangewezen overheid een milieu-jaarverslag te sturen. Zij bepaalt welke gegevens over de gemeten of berekende emissies of immissies het milieu-jaarverslag moet bevatten.

 

De Vlaamse Regering kan ook voorschrijven dat de met toepassing van artikel 23, tweede lid, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen te verstrekken gegevens voor de inrichtingen of activiteiten, vermeld in het eerste lid, opgenomen moeten worden in het milieujaarverslag.


Art. 3.5.2.

Wanneer de in artikel 3.5.1 bedoelde gegevens gebaseerd zijn op berekeningen deelt de exploitant de basisgegevens mee op grond waarvan de berekening is uitgevoerd, evenals de toegepaste berekeningsmethode.


Art. 3.5.3.

De Vlaamse regering kan bepalen dat het verstrekken van gegevens, voorgeschreven door de regelgeving inzake leefmilieu, aan de Vlaamse regering of aan rechtspersonen die van het Vlaamse Gewest afhangen, door middel van een integraal milieujaarverslag gebeurt.

 

De Vlaamse regering bepaalt de inhoud van het integraal milieujaarverslag, alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen het wordt medegedeeld. Ze bepaalt aan welke instelling of dienst het integraal milieujaarverslag wordt medegedeeld. Zij kan aan die instelling of dienst opdragen het gehele of gedeeltelijke verslag of de gehele of gedeeltelijke inhoud ervan aan andere instellingen of diensten te bezorgen. Zij kan de verplichting tot het opstellen van een geïntegreerd milieujaarverslag gefaseerd invoeren.


Hoofdstuk VI.
Bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen ervan voor mens en milieu.


Art. 3.6.1. [...]

Art. 3.6.2. [...]

Hoofdstuk VII.
Meldings- en waarschuwingsplicht bij accidentele emissies en storingen.


Art. 3.7.1.

§ 1

De exploitant van een inrichting of activiteit neemt de nodige maatregelen om in geval van accidentele emissies die verontreiniging kunnen veroorzaken :

de bevoegde toezichthouder daarvan onverwijld in kennis te stellen;
- derden die ten gevolge van de emissie schade kunnen lijden onverwijld te waarschuwen met opgave van de maatregelen die zij kunnen treffen om het gevaar af te wenden dan wel te beperken; deze bepaling is evenwel niet van toepassing wanneer de voorschriften, vastgesteld door de federale overheid in het kader van de civiele bescherming, van toepassing zijn;
- de gevolgen voor mens en milieu zoveel mogelijk te beperken.

 

§ 2

Als de emissie gevaar kan opleveren voor beschadiging van een afvalwaterzuiveringsinstallatie, waarschuwt de exploitant bovendien onmiddellijk de beheerder van de betrokken installatie.

 

§ 3

Wanneer de zuiveringstechnische voorzieningen van een inrichting of activiteit wegens storing of enige andere oorzaak uitvallen, of wanneer om enige andere reden de emissie of immissienormen worden overschreden, stelt de exploitant de bevoegde toezichthouder daarvan onverwijld in kennis.


Hoofdstuk VIII.
Toezicht en sancties.


Art. 3.8.1. [...]

Art. 3.8.2. [...]

Art. 3.8.3. [...]