VLAREOP
Besluit van de Vlaamse regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet

Titel I.
Definities


Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

decreet : decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen;

minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de Natuurlijke Rijkdommen;

departement: het Departement Omgeving;

Titel II van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

VLAREL: het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;

certificaat van herkomst : document dat aan de vergunninghouder, de afnemer en de overheid een garantie biedt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de primaire oppervlaktedelfstoffen;

onderzoeksareaal : het perceel, een groep van percelen of delen van percelen, waarvoor een certificaat van herkomst wordt aangevraagd;

sporenelementen : chemische elementen welke in diverse stoffen, zowel vaste, vloeibare als gasvormige, in zeer lage gehalten voorkomen;

monster : elke relatief kleine hoeveelheid materiaal welke uit een grotere hoeveelheid materiaal genomen wordt en daarvoor als representatief kan worden aanzien, dit met het oog op verdere proeven en karakteriseringen;

10° achtergrondgehalte : gehalte aan sporenelementen dat men in de aardkorst, bestaande uit gesteenten in natuurlijke staat en vrij van menselijke beïnvloeding, aantreft;

11° achtergronddrempel : het hoogste gehalte aan sporenelementen in gesteenten met een frequent voorkomende chemische samenstelling, dat nog als behorende tot de natuurlijke achtergrond kan gerekend worden;

12° lokaal verhoogde achtergrond : de verzameling achtergrondgehalten van een specifieke geologische laag met een natuurlijke chemische samenstelling die eerder uitzonderlijk voorkomt. Deze gehalten zijn groter dan de berekende achtergronddrempels en zijn door hun uitzonderlijk karakter niet bij de berekening daarvan betrokken geweest.

[...]

14° zones : afgebakende oppervlakte-eenheden die de totaal vergunde oppervlakte samenstellen;

15° fasen : volgorde waarin de zones dienen ontgonnen te worden.

[...]

[...]

[...]

[...]

 

20° beveiligde zending

20° beveiligde zending: een van de onderstaande betekeningswijzen:

a) een analoge zending: een aangetekende zending of een afgifte tegen ontvangstbewijs;
b) een digitale zending: een zending via een uitwisselingsplatform van het departement.

Titel II.
HET ALGEMEEN OPPERVLAKTEDELFSTOFFENPLAN EN DE OPPERVLAKTEDELFSTOFFENNOTA'S


Hoofdstuk I.
DE TOTSTANDKOMING VAN HET ALGEMEEN OPPERVLAKTEDELFSTOFFENPLAN EN DE OPPERVLAKTEDELFSTOFFENNOTA'S


Afdeling 1.
HET ALGEMEEN OPPERVLAKTEDELFSTOFFENPLAN


Art. 2.

§ 1

Het departement vraagt bij de administraties, de instellingen en de organisaties, vermeld in artikel 4, § 2, tweede lid, van het decreet, de informatie op die nuttig kan zijn voor de opmaak van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan. De voormelde administraties, instellingen en organisaties bezorgen die informatie binnen een redelijke termijn die het departement bepaalt.

 

§ 2

De minister maakt, na vooroverleg met de ontginningssector, een ontwerp van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan op en maakt het voor advies over aan de Vlaamse ministers bevoegd voor de economie, het leefmilieu en het waterbeleid, de openbare werken en het vervoer, het landbouwbeleid, de ruimtelijke ordening en het onroerend erfgoed.

Als de informatie, vermeld in paragraaf 1, niet of onvolledig ter beschikking werd gesteld, kan de adviesvraag ook de verplichting inhouden die informatie alsnog te verschaffen.

De Vlaamse ministers, vermeld in het eerste lid, bepalen zelf welke administraties, instellingen en organisaties uit hun bevoegdheidsdomein een advies moeten uitbrengen. De Vlaamse ministers, vermeld in het eerste lid, verlenen een vanuit hun bevoegdheidsdomein of -domeinen gecoördineerd advies.

De gecoördineerde adviezen, in voorkomend geval met inbegrip van de alsnog verschafte informatie, worden binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van het ontwerp aan de minister toegezonden. Als binnen die termijn geen advies wordt verleend, wordt het als gunstig beschouwd.

 

De gecoördineerde adviezen, in voorkomend geval met inbegrip van de alsnog verschafte informatie, worden verwerkt door het departement en kunnen aanleiding geven tot een aanpassing van het ontwerp van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.

 

§ 3

De minister legt het ontwerp samen met de uitgebrachte adviezen voor aan de Vlaamse Regering met het oog op de principiële vastlegging van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.

 

§ 4

Het principieel vastgelegde ontwerp kan worden geraadpleegd op de website van het departement, en kan ook bij het departement worden opgevraagd.

 

Binnen een termijn van zestig dagen vanaf het begin van de raadpleging kunnen met een brief of met een e-mail opmerkingen over het principieel vastgelegde ontwerp worden bezorgd aan het departement. Het adres daarvan wordt vermeld in de aankondiging van de raadpleging. De opmerkingen bevatten een duidelijke vermelding van de auteur en zijn adres en een verwijzing naar de specifieke titel of passage uit het principieel vastgelegde ontwerp waarop ze betrekking hebben.

 

§ 5

Samen met de raadpleging van de bevolking wordt het principieel vastgelegde ontwerp van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan ter advies voorgelegd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen. De opmerkingen ingevolge de raadpleging van de bevolking en de adviezen van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen worden verwerkt door het departement, en kunnen aanleiding geven tot een aanpassing van het ontwerp van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan. De minister legt het ontwerp samen met de opmerkingen en de uitgebrachte adviezen voor aan de Vlaamse Regering met het oog op de definitieve vastlegging van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.

 

§ 6

 Het definitief algemeen oppervlaktedelfstoffenplan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het kan in integrale vorm worden geraadpleegd op de website van het departement.


Afdeling 2.
DE OPPERVLAKTEDELFSTOFFENNOTA'S


Art. 2bis.

Met toepassing van artikel 4.2.4 van het MER-decreet bepaalt dit besluit op welke wijze de opmaakprocedure van het plan-MER in de opmaakprocedure van de bijzondere oppervlaktedelfstoffenplannen wordt geïntegreerd. Het integratiespoor voor de milieueffectrapportage houdt in dat de milieueffectrapportage plaatsvindt tijdens het voorbereidende proces voor de opmaak van het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan. De milieueffectrapportage levert gegevens aan over de mogelijke milieueffecten van het voorgenomen bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan. Die gegevens worden verwerkt in het kader van het voorbereidende planningsproces voor het voorgenomen bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan.


Art. 2ter. Voor elk voorgenomen bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan gaat de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, na of een plan-MER moet worden opgemaakt. Op verzoek van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, biedt de ondersteunende MER-cel daarbij begeleiding.

Art. 2quater.

Voor elk bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan waarvoor een plan-MER moet worden opgemaakt, maakt het plan-MER integraal deel uit van het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan. Het wordt op transparante wijze geïntegreerd in het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan, waarbij de onderdelen van het plan-MER herkenbaar zijn.

 

Voor elk bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan waarvoor een plan-MER moet worden opgemaakt, moet het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan voldoen aan de vereisten, vermeld in artikel 4.2.4, § 1, van het MER-decreet.

 

Het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan, met inbegrip van het plan-MER, wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.


Art. 2quinquies.

§ 1.

Voor elke vijfjaarlijkse cyclus van de oppervlaktedelfstoffenplanning maakt de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, een voorstel van kennisgeving. Op verzoek van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, biedt de ondersteunende MER-cel daarbij begeleiding.

 

Het voorstel van kennisgeving bevat ten minste de volgende gegevens :

alle informatie die vereist is volgens artikel 4.2.8, § 1, van het MER-decreet;
een beschrijving en verduidelijking van de inhoud van de bijzondere oppervlaktedelfstoffenplannen, eventueel aan de hand van voorbeelden van locatievoorstellen; 
een toelichting van de te volgen besluitvormingsprocedure voor een bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan en het plan-MER dat er deel van uitmaakt. Daarin wordt aangegeven welke actoren betrokken zijn bij het planningsproces;
de reden voor de opmaak van de kennisgeving en de mogelijkheid die geboden wordt om tijdens de periode van publieke consultatie, vermeld in § 4, opmerkingen te maken of suggesties te doen over het voorstel van reikwijdte, detailleringsniveau en inhoudelijke aanpak van een plan-MER dat bij een bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan hoort

 

 

§ 2.

De dienst MER neemt binnen twintig kalenderdagen na de ontvangst van het voorstel van kennisgeving een beslissing over de volledigheid ervan. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, bezorgt aan de dienst MER 310 exemplaren van de volledig verklaarde kennisgeving.

 

§ 3.

De dienst MER zorgt ervoor dat de volledig verklaarde kennisgeving door het publiek kan worden geraadpleegd. Via een bericht in ten minste drie dagbladen die in het gehele Vlaamse Gewest worden verspreid én door aanplakking op de aanplakplaatsen van de gemeenten wordt gemeld dat de volledig verklaarde kennisgeving tegelijkertijd via de volgende kanalen kan worden geraadpleegd :

Op de website van de dienst MER;
Op de website van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen;
Via terinzagelegging op het gemeentehuis van elke gemeente; de dienst MER bezorgt hiertoe aan elke gemeente een exemplaar van de volledig verklaarde kennisgeving.

 

De administraties, instellingen en organisaties die werden aangewezen, zoals bepaald in artikel 3, § 1, worden door de dienst MER met een aangetekende brief of per e-mail met ontvangstbevestiging op de hoogte gebracht van die publicatie op de websites. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, bezorgt de dienst MER een lijst met alle noodzakelijke coördinaten van die administraties, instellingen en organisaties. De dienst MER kan ook andere instanties raadplegen, waarvan hij het advies nuttig acht.

 

 

§ 4.

Bij de bekendmaking, vermeld in § 3, wordt duidelijk aangegeven dat de administraties, instellingen, organisaties en het publiek binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van de bekendmaking eventuele opmerkingen kunnen bezorgen aan de dienst MER op de wijze, vermeld bij de bekendmaking.

 

Als bijzondere oppervlaktedelfstoffenplannen aanzienlijke effecten kunnen hebben op mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in andere gewesten, of als bevoegde autoriteiten van die lidstaten of gewesten daarom verzoeken, wordt door de dienst MER met een aangetekende brief of per e-mail met ontvangstbevestiging een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving ter beschikking gesteld van die autoriteiten. Bij het overmaken van het afschrift wordt duidelijk aangegeven dat die autoriteiten eventuele opmerkingen over het plan-MER binnen een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van het afschrift aan de dienst MER moeten bezorgen.

 

§ 5.

Na beëindiging van de termijnen, vermeld in § 4, beschikt de dienst MER over een termijn van twintig kalenderdagen om een beslissing te nemen over de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van een plan-MER voor een bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan, en over de bijzondere en aanvullende richtlijnen die de dienst MER naast de algemene richtlijnen kan opleggen. De beslissing wordt gepubliceerd op dezelfde websites als vermeld in § 3.


Art. 2sexies.

Voor elk bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan waarvoor een plan-MER moet worden opgemaakt, wordt het plan-MER opgemaakt, rekening houdend met de beslissing, vermeld in artikel 2quinquies, § 5.


Art. 2septies.

§ 1.

De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, bezorgt het plan-MER ter goedkeuring aan de dienst MER na het advies van de ambtelijke stuurgroep over het voorontwerp van bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan, uitgebracht overeenkomstig artikel 3, § 4.

 

De dienst MER beslist uiterlijk binnen vijftig kalenderdagen na de ontvangst van het plan-MER over de goedkeuring of afkeuring van het plan-MER.

 

§ 2.

Voor de beslissingen van de dienst MER op grond van § 1 is artikel 4.6.4 van het MER-decreet over de procedure van heroverweging van de beslissing van de dienst MER van toepassing.

 

§ 3.

Het voorontwerp van bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan wordt ter inzage gelegd na de goedkeuring van het plan-MER.


Art. 2octies.

Het plan-MER maakt met toepassing van het oppervlaktedelfstoffendecreet integraal deel uit van het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan en volgt dezelfde procedure als het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan.

 

Als het bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan aanzienlijke effecten kan hebben op mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in andere gewesten, of als bevoegde autoriteiten van die lidstaten of gewesten daarom verzoeken, wordt door de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, met een aangetekende brief of per e-mail met ontvangstbevestiging een afschrift van het voorontwerp van bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan ter beschikking gesteld van die autoriteiten. Bij het overmaken van het afschrift wordt duidelijk aangegeven dat die autoriteiten eventuele opmerkingen over het voorontwerp binnen een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van het afschrift aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, moeten bezorgen.


Art. 3.

§ 1

Het departement, maakt per samenhangend oppervlaktedelfstoffengebied een voorontwerp van een oppervlaktedelfstoffennota op en pleegt over elk voorontwerp overleg met de ontginningssector en de relevante administraties, instellingen en organisaties uit de beleidsvelden Economie, Ruimtelijke Ordening, Leefmilieu, Openbare Werken, Landbouw en Onroerend Erfgoed.

 

§ 2

Het departement, legt het voorontwerp ter advies voor aan de Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening. Tegelijkertijd maakt ze het voorontwerp ter informatie over aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.

De Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening maakt zijn advies over aan het departement, binnen een door die afdeling gestelde redelijke termijn.
 

Het departement, verwerkt het advies van de Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening en maakt vervolgens een ontwerp van oppervlaktedelfstoffennota op.

 

§ 3

Het departement, legt het ontwerp van oppervlaktedelfstoffennota, met inbegrip van het advies van de Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening en de wijze waarop dit advies is verwerkt, voor aan de minister met het oog op de vastlegging ervan.

 

§ 4

Elke door de minister vastgelegde oppervlaktedelfstoffennota kan worden geraadpleegd op de website van het departement, en kan bij dat departement ook worden opgevraagd.

 

§ 4bis

Na verwerking van het advies van de ambtelijke stuurgroep wordt het voorontwerp toegankelijk gemaakt via het internet en wordt het door de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen gedurende zestig kalenderdagen ter inzage gelegd. In het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het gehele Vlaamse Gewest worden verspreid, wordt bekendgemaakt waar en wanneer de terinzagelegging wordt georganiseerd. Het voorontwerp wordt voorafgaand aan de terinzagelegging naar iedere gemeente en provincie gestuurd waarin zich ten minste één locatievoorstel bevindt. Tevens wordt het voorontwerp op dat moment ter informatie overgemaakt aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en aan de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed.


Eventuele opmerkingen op het voorontwerp dienen ten laatste zestig kalenderdagen na het begin van de terinzagelegging op de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen toe te komen, hetzij per brief, hetzij per e-mail. De opmerkingen moeten een duidelijke vermelding bevatten van de auteur en zijn adres en een verwijzing naar de specifieke titel of passage uit het voorontwerp waarop ze betrekking hebben.


de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen coördineert en verwerkt de opmerkingen, en stelt vervolgens een ontwerp van bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan op.

 

§ 5

De minister legt het aldus bekomen ontwerp van bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan, inclusief het advies van de ambtelijke stuurgroep en de wijze waarop de opmerkingen naar aanleiding van de terinzagelegging verwerkt zijn, voor aan de Vlaamse Regering met het oog op de definitieve vaststelling ervan.

 

§ 6.

Elk definitief vastgesteld bijzonder oppervlaktedelfstoffenplan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


Afdeling 3.
GEWESTELIJK RUIMTELIJKE UITVOERINGSPLANNEN OP BASIS VAN EEN OF MEER OPPERVLAKTEDELFSTOFFENNOTA'S


Art. 4.

De minister kan overeenkomstig artikel 7, § 1, van het decreet door middel van een agenderingsnota een vraag tot opname van zoekzones, vermeld in een of meer vastgelegde oppervlaktedelfstoffennota's, ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse Regering met het oog op een startbeslissing voor de bestemming als ontginningsgebied via een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

De agenderingsnota, vermeld in het eerste lid, bevat minstens de volgende elementen:

een motivering voor de agendering op basis van de vastgelegde oppervlaktedelfstoffennota of -nota's;
een situering van de plangebieden waarvoor een vraag tot opname wordt gesteld;
een beschrijving van de planningsprocessen en beleidsbeslissingen waaraan het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft, met, als de vraag tot opname betrekking heeft op een gebiedsgericht ruimtelijk planningsproces, de nadruk op de afbakeningsprocessen voor de natuurlijke en agrarische structuur;
een beschrijving van de relatie met andere planningsprocessen en beleidsbeslissingen, zowel op Vlaams als op provinciaal als op gemeentelijk niveau;
het kaderen van de bestemming van de plangebieden na ontginning binnen de geldende beleidskaders voor dit gebied;
een beschrijving van de aandachtspunten en de te onderzoeken elementen die de basis moeten vormen van het voortraject en het plan-MER bij het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;
een beschrijving van het reeds gepleegde overleg en van de wijze van overleg en besluitvorming in het verdere planproces.

 


Hoofdstuk II.
PERIODIEKE EVALUATIE VAN HET ALGEMEEN DE OPPERVLAKTEDELFSTOFFENPLAN EN DE OPPERVLAKTEDELFSTOFFENNOTA'S


Art. 5. De minister evalueert het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan en de oppervlaktedelfstoffennota's vijfjaarlijks. Die evaluatie kan aanleiding geven tot een herziening van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan en van de oppervlaktedelfstoffennota's.

De regels voor de totstandkoming van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan en de oppervlaktedelfstoffennota's zijn ook van toepassing op de herziening ervan.

Hoofdstuk III.
VRAAGGESTUURDE ONTGINNINGSPROJECTEN


AFDELING 1.
GEWESTELIJK RUIMTELIJKE UITVOERINGSPLANNEN OP BASIS VAN VRAAGGESTUURDE ONTGINNINGSPROJECTEN


Art. 6.

Naast de informatie, vermeld in artikel 8, § 1, tweede lid, van het decreet, bevat het verzoek tot het starten van een vraaggestuurd ontginningsproject minstens ook de volgende schriftelijke informatie:

de administratieve gegevens van de indiener van het verzoek;
een beschrijving van het juridische en het beleidskader dat geldt in het projectgebied, met in het bijzonder een weergave van de planologische en andere gebiedscategorieën waaronder het projectgebied valt;
een lijst van de eigenaars van de onroerende goederen in het projectgebied en hun adres, op basis van kadastrale en andere beschikbare gegevens;
een inschatting van de ontginbare hoeveelheden oppervlaktedelfstoffen in het projectgebied en van de technische kwaliteit ervan;
in voorkomend geval, een beschrijving van de eventuele relatie met goedgekeurde oppervlaktedelfstoffennota's;
een beschrijving van de planningsprocessen en beleidsbeslissingen waaraan het project uitvoering geeft, met, als de vraag tot opname betrekking heeft op een gebiedsgericht ruimtelijk planningsproces, de nadruk op de afbakeningsprocessen voor de natuurlijke en agrarische structuur;
een beschrijving van de relatie met andere planningsprocessen en beleidsbeslissingen, zowel op Vlaams als op provinciaal als op gemeentelijk niveau;
het kaderen van de bestemming van het projectgebied na ontginning binnen de geldende beleidskaders voor dit gebied, met desgevallend een voorstel van nabestemming en van eigendoms- en beheersituatie in het projectgebied;
een beschrijving van de aandachtspunten, de te onderzoeken elementen en de op strategisch niveau te onderzoeken alternatieven die de basis moeten vormen van het voortraject en het plan-MER bij het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;
10° een beschrijving van het overleg dat al met de betrokken actoren in het projectgebied is gepleegd.

 


Art. 6bis.

§ 1. Als artikel 8, § 1, vijfde lid, van het decreet niet van toepassing is, beslist de minister binnen een termijn van negentig dagen vanaf de datum van de ontvangst van een volledig bevonden verzoek, of het verzoek in overeenstemming is met het oppervlaktedelfstoffenbeleid. De minister deelt aan de indiener van het verzoek zijn beslissing schriftelijk mee.

Als de minister beslist dat het verzoek in overeenstemming is met het oppervlaktedelfstoffenbeleid, bepaalt hij tegelijkertijd welke administraties, instellingen en organisaties deel zullen uitmaken van de projectbegeleidingsgroep, vermeld in paragraaf 2.

§ 2. Binnen een termijn van zestig dagen na de schriftelijke mededeling van de minister dat het verzoek in overeenstemming is met het oppervlaktedelfstoffenbeleid, roept het departement, een projectbegeleidingsgroep samen, aangevuld met de betrokken lokale besturen en de indiener van het verzoek, met het oog op het vastleggen van de projectspecifieke richtlijnen voor het indienen van een eindvoorstel van een vraaggestuurd ontginningsproject.

Rekening houdend met de richtlijnen en de opmerkingen van de projectbegeleidingsgroep, kan de indiener van het verzoek een eindvoorstel van een vraaggestuurd ontginningsproject indienen bij de minister.

§ 3. De minister kan het eindvoorstel van een vraaggestuurd ontginningsproject voorleggen aan de Vlaamse Regering met het oog op het nemen van de startbeslissing, vermeld in artikel 8, § 1, derde lid, van het decreet.


AFDELING 2.
EVALUATIE EN HERZIENING VAN OPPERVLAKTEDELFSTOFFENNOTA'S NAAR AANLEIDING VAN VRAAGGESTUURDE ONTGINNINGSPROJECTEN


Art. 6ter.

Als een ontginningsproject betrekking heeft op een samenhangend oppervlaktedelfstoffengebied waarvoor al een of meer oppervlaktedelfstoffennota's zijn goedgekeurd, evalueert de minister de betrokken oppervlaktedelfstoffennota's, hetzij in relatie tot het eindvoorstel van een vraaggestuurd ontginningsproject, hetzij in relatie tot het strategische of complexe project waarvan het ontginningsproject deel uitmaakt, voor hij het ontginningsproject voorlegt aan de Vlaamse Regering met het oog op het nemen van de startbeslissing, vermeld in artikel 8, § 1, van het decreet.

Als de evaluatie, vermeld in het eerste lid, aanleiding geeft tot een herziening van de betrokken oppervlaktedelfstoffennota's, herziet de minister die oppervlaktedelfstoffennota's nadat de Vlaamse Regering de startbeslissing heeft goedgekeurd. In voorkomend geval is artikel 3 hierop van toepassing.


HOOFDSTUK IV.
OVERGANGSBEPALING


Art. 6quater. De startbeslissingen die de Vlaamse Regering voor de inwerkingtreding van dit artikel heeft genomen met betrekking tot de opmaak van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor het aanduiden van ontginningsgebieden in functie van de bevoorradingsverzekering van oppervlaktedelfstoffen, blijven hun geldigheid behouden.

Titel III.
De natuurlijke samenstelling van de oppervlaktedelfstoffen en het certificaat van herkomst


Hoofdstuk I.
Natuurlijke samenstelling van oppervlaktedelfstoffen


Art. 7.

§ 1

Oppervlaktedelfstoffen die aan de natuurlijke samenstelling voldoen worden als niet verontreinigd bestempeld.

 

§ 2

Een oppervlaktedelfstof voldoet aan de natuurlijke samenstelling wanneer de gehalten van de zware metalen en metalloïden gelijk zijn aan of kleiner zijn dan één van de in § 3 berekende achtergronddrempels of behoren tot een vastgestelde lokaal verhoogde achtergrond.

 

§ 3

De achtergronddrempels voor Ni, Cr, Cu, Zn, Pb en As worden berekend aan de hand van de gemeten gehalten aan aluminium en ijzer, die in de tweede en derde kolom van onderstaande tabel worden ingevuld. De achtergronddrempels voor Cd en Hg zijn invariabel.

 

Achtergronddrempel berekend met Al-gehalte (ppm)

Achtergronddrempel berekend met Fe-gehalte (ppm)

Invariabele Achtergronddrempel (ppm)

Ni

0,00058 Al + 25,8

0,00074 Fe + 32,0

 

Cr

0,00113 Al + 101,0

0,00138 Fe + 80,4

 

Cu

0,00026 Al + 11,1

 

 

Zn

0,00105 Al + 58,0

0,00119 Fe + 66,0

 

Pb

0,00015 Al + 19,3

 

 

As

 

0,00021 Fe + 22,7

 

Cd

 

 

0,8

Hg

 

 

2



Hoofdstuk II.
Certificaat van herkomst


Afdeling I.
Algemeen


Art. 8.

Het certificaat van herkomst heeft uitsluitend betrekking op losse gesteenten en fracties fijner dan 4 mm.

 

[...]


Art. 9. De lijst van toegekende certificaten van herkomst worden door het departement geregistreerd in een databank. Deze gegevens zijn opvraagbaar.

Afdeling II.
Aanvraag van een certificaat van herkomst


Art. 10.

De aanvraag voor het bekomen van een certificaat van herkomst wordt aan het departement gericht. Het certificaat van herkomst kan worden aangevraagd vooraleer de benodigde vergunningen werden bekomen.


Het aanvraagdossier dient te worden opgesteld door een opdrachtnemer die hiertoe werd aangesteld door de aanvrager van het certificaat van herkomst. Deze opdrachtnemer dient ofwel te beschikken over de nodige erkenningen voor een bodemsaneringsdeskundige, zoals bedoeld in het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, ofwel dient hij overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling erkend te zijn in de discipline bodem, deeldomein geologie.


Art. 10bis.

Als de vergunninghouder van oordeel is dat voor een bepaald onderzoeksareaal geen certificaat van herkomst moet worden aangevraagd omdat de desbetreffende oppervlaktedelfstoffen onder de toepassing vallen van artikel 27, § 1, tweede lid, van het decreet, moet hij bij het departement, aantonen dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

 

De vergunninghouder bezorgt de volgende gegevens aan het departement :

de naam van het bedrijf, het ondernemingsnummer, het adres van de maatschappelijke zetel, het adres van de ontginningsplaats, de nummers van de kadastrale percelen in kwestie en de identiteit van de contactpersoon;
in voorkomend geval, een beschrijving van de behandelingen die de oppervlaktedelfstoffen ondergaan na hun ontginning;
in voorkomend geval, de methode van transport van de oppervlaktedelfstoffen van de plaats van ontginning naar de plaats van het productieproces, en een lijst van de transporteurs;
de plaats van het productieproces waarbij de oppervlaktedelfstoffen als grondstof ingezet worden, en een beschrijving van het productieproces.

Afdeling III.
Het aanvraagdossier


Art. 11.

§ 1

Het aanvraagdossier zal minstens de volgende informatie bevatten :

  1. gegevens betreffende de aanvrager : naam van het bedrijf, adres van de maatschappelijke zetel, het adres van de ontginningsplaats, de nummers van de betrokken kadastrale percelen en de identiteit van de contactpersoon;
  2. situering van het onderzoeksareaal op een topografische achtergrond met schaal 1 : 25 000, in het A4-formaat;
  3. situering van het onderzoeksareaal op een uittreksel in A4-formaat van een geologische kaart, op schaal 1 : 50 000; naargelang van het geval mag deze geologische kaart ofwel van het quartairgeologisch ofwel van het tertiairgeologisch type zijn, of allebei;
  4. situering van het onderzoeksareaal op een extract van het Grootschalig Referentiebestand (GRB) of op een kadasterkaart als het GRB-extract niet beschikbaar is, beide met een minimumstraal van 100 meter rond het desbetreffende onderzoeksareaal, met aanduiding van de percelen, hun nummering en de coördinaten van de uitgevoerde boringen, zoals vermeld in artikel 12, in Lambert BD72/TAW;
  5. een evaluatie van de uitvoering van de bepalingen van artikel 12 van dit besluit;
  6. geologische informatie op het vlak van lithostratigrafie, met beschrijving van de boringen en met de nodige profielen doorheen het onderzoeksareaal. De profielen zullen tevens de horizontale en verticale afmetingen van de geplande ontginning tonen;
  7. geochemische informatie bekomen uit de chemische analyses, bedoeld in artikel 13 van dit besluit. Deze geochemische informatie bestaat uit achtergrondgehalten, verworven uit de monsters, en achtergronddrempels, bepaald volgens de tabel van artikel 7 § 3, met besprekingen en interpretaties. De achtergrondgehalten dienen ook digitaal aan het departement te worden meegedeeld.
  8. een algemene conclusie inzake de toetsing van de bekomen resultaten van de chemische analyses aan de bepalingen van artikel 7, § 2.

 

§ 2

De minister kan bijkomende gegevens vastleggen die in het in § 1 bedoelde aanvraagdossier moeten worden opgegeven.


Art. 12.

§ 1

Het aanvraagdossier is gebaseerd op binnen het onderzoeksareaal uitgevoerde boringen. Deze boringen zijn van het type droogboorsysteem (spiraal- en/of pulsmethode met verbuizing) of van een type dat door het departement gelijkwaardig wordt bevonden.

 

De boringen worden uitgevoerd door een conform het VLAREL erkend boorbedrijf.

 

§ 2

Het aantal boringen wordt aan de hand van onderstaande formules berekend waarbij S staat voor de totale oppervlakte van het onderzoeksareaal, in ha. De resultaten worden vanaf vijftienden naar boven afgerond tot op de eenheden, voor minder dan vijf tienden wordt naar beneden afgerond.

  • Voor oppervlaktes kleiner dan of gelijk aan 20 ha : 2 + S/4
  • Voor oppervlaktes groter dan 20 ha, tot 50 ha : 7 + (S - 20)/6
  • Voor oppervlaktes groter dan 50 ha : 12 + (S - 50)/8

De boringen dienen op regelmatige afstanden van elkaar over het gehele oppervlak van het onderzoeksareaal verspreid te worden, zodanig dat zij zo symmetrisch mogelijke posities innemen.

 

In het geval van natte winningen, waarbij een waterplas uitgediept wordt, wordt het aantal boringen op identieke wijze in functie van de oppervlakte berekend. De boringen zullen evenwel op regelmatige afstanden van elkaar langsheen de periferie van de waterplas ingeplant worden of van op een ponton op de waterplas geplaatst worden..

 

Een onderzoeksareaal kan worden opgedeeld in delen van gelijke ontginningsdiepte. De boringen zijn minstens even diep als de vastgelegde ontginningsdiepte in het deel van het onderzoeksareaal waarin ze worden uitgevoerd. Als de onderste geologische lagen van het onderzoeksareaal of van een deel ervan bestaan uit oppervlaktedelfstoffen waarvoor met toepassing van artikel 27, § 1, tweede lid, van het decreet geen certificaat van herkomst vereist is, mag de boordiepte in het onderzoeksareaal of in dat deel ervan beperkt worden tot de basis van de geologische lagen waarvoor wel een certificaat van herkomst vereist is.

 

Uit de boringen zal om de twee meter een monster genomen worden voor chemische analyse. De monsters worden zodanig genomen dat ze representatief zijn voor de oppervlaktedelfstof die men wilt ontginnen.

 

De aangestelde deskundige inzake bodem en ondergrond dient controle uit te oefenen op de correcte plaatsing en het vereiste aantal boringen.

 

 

 


Art. 13.

§ 1.

De uit het onderzoeksareaal afkomstige monsters worden onderzocht door een chemisch laboratorium dat daartoe over de nodige erkenning beschikt voor analyse van de bodem, zoals bedoeld in het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen.

 

De volgende chemische analyses dienen te worden uitgevoerd :

  1. bepalen van de gehalten aan chemische elementen, uit te voeren op alle monsters, inzake :
    1. aluminium, ijzer [...];
    2. de zware metalen en metalloïden, zoals vermeld in artikel 7, § 3;

 

§ 2

Overeenkomstig de officieel erkende normen van goede praktijk, dienen voor de chemische analyse van elementen de monsters met koningswater (HCl + HNO3) in oplossing te worden gebracht.

 

§ 3

De in § 1 vermelde chemische analyses dienen uitsluitend te worden uitgevoerd op fracties fijner dan 4 mm.

 

De deskundige inzake bodem en ondergrond zal in het onderzoeksareaal voorkomende fracties grover dan 4 mm, concreties en verharde steenbanken beschrijven middels een kwalitatieve mineralogische en petrografische analyse.

 

§ 4

Alle chemische analyses, uit te voeren naar aanleiding van het indienen van het aanvraagdossier, conform artikel 11, moeten door hetzelfde laboratorium worden uitgevoerd.


Afdeling IV.
Evaluatie van de aanvragen van een certificaat van herkomst


Art. 14.

§ 1

Het departement zal het certificaat van herkomst toekennen indien alle vereiste achtergrondgehalten van de monsters als conform met de natuurlijke samenstelling van de oppervlaktedelfstoffen kunnen worden beschouwd, zoals bepaald in artikel 7. Het departement deelt binnen 3 maanden na het voorleggen van de aanvraag een beslissing aan de aanvrager mee.


Indien het departement het nodig acht, kan zij bijkomende informatie en gegevens opvragen die nodig zijn voor de evaluatie van de aanvraag. Het departement kan de aanvrager verzoeken een uitgebreider onderzoek inzake boringen, bemonsteringen en analyses uit te voeren. De goedkeuringstermijn voor de aanvraag wordt in dat geval opgeschort tot de gevraagde informatie werd ontvangen.

 

§ 2

Bij de overdracht van vergunningen voor de ontginning van een onderzoeksareaal is ook het certificaat van herkomst overdraagbaar naar de nieuwe vergunninghouder. De nieuwe vergunninghouder stelt het departement hiervan per beveiligde zending in kennis. Indien slechts een gedeelte van het onderzoeksareaal voorwerp is van de vergunningsoverdracht, verkrijgt de nieuwe vergunninghouder het certificaat van herkomst voor dat gedeelte van het onderzoeksareaal.


Afdeling V.
Gebruik van het certificaat van herkomst


Art. 15.

§ 1

Het certificaat van herkomst garandeert aan de afnemer van de vergunninghouder de natuurlijke samenstelling van elke levering of onderdeel van een levering van oppervlaktedelfstoffen. Op vraag van de afnemer moet de vergunninghouder aantonen dat hij over het certificaat van herkomst beschikt.

 

§ 2

De vergunninghouder mag op het terrein van het onderzoeksareaal geen andere voorraden van oppervlaktedelfstoffen, of fracties ervan, toelaten dan deze waarvan de herkomst met een certificaat gegarandeerd wordt.

 

Hierop gelden slechts twee uitzonderingen :

  1. de op deze site in het kader van de milieuwetgeving vergunde en/of toegelaten activiteiten die aanleiding geven tot de opstapeling van andere materialen dan primaire oppervlaktedelfstoffen;
  2. de opslag van in het Vlaamse Gewest ingevoerde oppervlaktedelfstoffen.

 

§ 3

Indien de vergunninghouder een tijdelijke opslag van de uit zijn onderzoeksareaal gewonnen oppervlaktedelfstoffen voorziet op een perceel dat geen deel uitmaakt van de aanvraag, dient hij het departement daarvan schriftelijk en voorafgaandelijk op de hoogte te brengen, met opgave van de referenties van dit perceel. Dit geldt zowel voor percelen gelegen binnen als buiten het ontginningsgebied.


Het certificaat van herkomst zal daarvan dan melding maken, zodat het eveneens op deze tijdelijk opgeslagen voorraden toepasselijk is.

 

§ 4

Het certificaat van herkomst geldt eveneens voor de in afzonderlijke fracties opgesplitste gecertificeerde oppervlaktedelfstoffen.


Afdeling VI.
Controle


Art. 16. [...]

Art. 17. [...]

Art. 18. [...]

Afdeling VII.
Geldigheidsbeperkingen van het certificaat van herkomst


Art. 19. [...]

Art. 20.

Het departement, kan in de volgende gevallen tot gedeeltelijke of gehele schorsing of intrekking van het certificaat van herkomst overgaan :

als blijkt dat de oppervlaktedelfstoffen niet of niet meer voldoen aan de natuurlijke samenstelling;
als blijkt dat de aanvrager verkeerde inlichtingen heeft verstrekt in het aanvraagdossier;
 als er onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van het certificaat van herkomst.

Art. 21. Op vraag van de vergunninghouder kan het departement beslissen tot het beëindigen van de schorsing na een bijkomende controle waaruit blijkt dat de correctieve handelingen werden uitgevoerd. Deze bijkomende controle kan de uitvoering van nieuwe chemische analyses met zich meebrengen. De kosten verbonden aan deze nieuwe chemische analyses zijn ten laste van de vergunninghouder.

Art. 22. De schorsing wordt formeel beëindigd door het reactiveren van het certificaat van herkomst, met een nieuwe datum van inwerkingtreding. De beëindiging van de opschorting wordt de vergunninghouder gemeld, uiterlijk tien werkdagen na de datum van de bijkomende controle, of desgevallend tien werkdagen na ontvangst van het verslag van het chemisch laboratorium.

Titel IV.
Optimale ontginning


Art. 23.

De vergunningverlenende overheden dienen volgende aspecten, door de vergunningaanvrager op te nemen in de vergunningsaanvraag, mee in overweging te nemen om de optimale ontginning, conform artikel 9 van het decreet, te realiseren :

  1. De aard en hoeveelheden van de oppervlaktedelfstoffen die door de vergunninghouder zelf worden ontgonnen en verwerkt en van de oppervlaktedelfstoffen die de vergunninghouder in onderaanneming wenst te laten ontginnen en/of commercialiseren. In dit laatste geval dienen de stappen die de vergunninghouder zich voorneemt voor de commercialisering van de oppervlaktedelfstoffen waarin hij zelf niet is geïnteresseerd, vermeld te worden.
  2. Een beschrijving van de mechanische behandelingen die worden uitgevoerd bij de eventuele winning van de ontgonnen delfstoffen, teneinde ze een meerwaarde en opwaardering te geven met het oog op de meest hoogwaardige toepassing.
  3. Een raming van de hoeveelheden teelaarde en niet-commercialiseerbare dekgronden en tussenlagen die zullen vrijkomen bij de ontginning. De plaats van de aan te leggen depots en hun inhoud. Het gebruik van teelaarde en dekgronden in het kader van de eventuele eind- of tussenbestemming van deze gronden. Een raming van de benodigde hoeveelheden teelaarde en dekgronden in het kader van de realisatie van de eindafwerking of de nabestemming.
  4. Gebeurlijk de aanvoer van niet-verontreinigde grond van externe oorsprong ter verwezenlijking van de afwerking van het ontginningsgebied.

Art. 24.

Uiterlijk op 31 maart na elk volledig kalenderjaar vanaf de start van de vergunningstermijn bezorgt de vergunninghouder aan het departement een voortgangsrapport over de exploitatie en de eindafwerking in het voorbije kalenderjaar, in de vorm van een digitale zending in een geschikt uitwisselingsformaat, vastgesteld door het departement. Bij wijze van uitzondering heeft het eerste basisvoortgangsrapport betrekking op de periode vanaf de aanvang van de ontginning tot en met het einde van het eerste volledige kalenderjaar dat binnen de vergunningstermijn valt. De verplichting om jaarlijks een voortgangsrapport te bezorgen aan het departement, eindigt met een laatste basisvoortgangsrapport wanneer de eindafwerking volledig gerealiseerd is.

 

Na een eerste basisvoortgangsrapport kunnen de daaropvolgende jaarlijkse voortgangsrapporten zich beperken tot het aanleveren van de gegevens die wijzigingen inhouden ten opzichte van de vorige voortgangsrapporten. Ook ingeval er in het voorbije kalenderjaar geen enkele wijziging is opgetreden, wordt dit aan het departement gemeld. In elk geval wordt om de vijf jaar een geactualiseerd basisvoortgangsrapport aan het departement bezorgd.

 

Het basisvoortgangsrapport bevat minstens de volgende gegevens:

de stand van zaken betreffende de ontginning die bestaat uit een situeringsplan en een opgave van de ontgonnen hoeveelheden, eventueel opgesplitst in de verschillende soorten delfstoffen, en de gerealiseerde dieptes; 
een digitaal grafisch opmetingsbestand, gerefereerd in het Lambert BD72-stelsel en de Tweede Algemene Waterpassing (TAW). Daarin zijn de volgende gegevens opgenomen:
  a) kadastrale gegevens;
  b) grens van de vergunning;
  c) situering van alle gebouwen;
  d) situering van de toegangswegen en uitbatingswegen;
  e) aanduiding van grachten, beken en andere waterlopen;
  f) aanduiding van de ontginningsfronten;
  g) voldoende hoogtepeilen van het maaiveld; 
  h) voldoende hoogtepeilen van het oorspronkelijke reliëf binnen de vergunning, voor het gedeelte van de vergunning waar de ontginning aangevat wordt na 1 januari 2018; 
  i) in geval van droge ontginning: voldoende hoogtepeilen langs taluds en ontginningsfronten; 
  j) in geval van natte ontginning: voldoende peilpunten van de baggerzones; 
  k) voldoende hoogtepeilen of voldoende peilpunten van de gerealiseerde opvullingen en de definitieve eindafwerking; 
  l) aanduiding van waterplassen, slibbekkens en andere bekkens;
  m) aanduiding, met behulp van inkleuring of arcering, van de delen die niet in ontginning zijn of die onaangeroerd zijn, de delen die in ontginning, inclusief afgedekt, zijn, en de delen die hun eindafwerking gekregen hebben;
  n) aanduiding van de referentiepunten voor de opeenvolgende metingen; 
een tabel met een bondige beschrijving van de referentiepunten, onder meer piket, grenspaal, merkteken en hoek van het gebouw, samen met de respectieve coördinaten in Lambert BD72/TAW;  
de grondbalans met de geraamde hoeveelheden teelaarde en overige dekgronden, de werkelijk gerealiseerde depots, de hergebruikte teelaarde, dekgronden en tussenlagen in het kader van de eindafwerking of de nabestemming en de nog te reserveren teelaarde, dekgronden en tussenlagen;  
een plan met de zonering en fasering van de ontginning en met vermelding van de oppervlakten van de verschillende zones;  

de stand van zaken betreffende de realisatie van de eindafwerking, met opgave van de percelen of delen van percelen waarvan de eindafwerking is gerealiseerd.  

Titel V.
Financiële zekerheden


Hoofdstuk I.
Algemeen


Art. 25. [...]

Art. 26. [...]

Hoofdstuk II.
Vaststelling van de financiële zekerheden


Art. 27. [...]

Art. 28. [...]

Art. 29. [...]

Art. 30. [...]

Hoofdstuk III.
Afbouwen van de financiële zekerheden


Art. 31. [...]

Art. 32. [...]

Art. 33. [...]

Hoofdstuk IV.
Actualisering van de financiële zekerheden


Art. 34. [...]

Hoofdstuk V.
Wijze van ingebrekestelling en aanwending van de financiële zekerheden


Art. 35. [...]

Art. 36. [...]

Titel VI.
Slotbepalingen


Hoofdstuk I.
Algemeen


Art. 37. De stand van zaken van elk aanvraagdossier waarvoor binnen een vastgestelde termijn een goedkeuring van het departement of de minister noodzakelijk is, wordt door het departement geregistreerd in een databank. Deze gegevens zijn opvraagbaar overeenkomstig het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Art. 38.

Alle correspondentie in uitvoering van titel III [...] van dit besluit tussen vergunninghouders en het departement of de minister gebeurt bij beveiligde zending.


De vermelde termijnen gaan in op de dag na de datum van het versturen van de aangetekende zending of de beveiligde digitale zending of van de afgifte tegen ontvangstbewijs.


Hoofdstuk II.
Overgangs- en wijzigingsbepalingen


Art. 39. De vergunninghouders dienen voor elk onderzoeksareaal waarvoor het bezit van een certificaat van herkomst van dit besluit verplicht is, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit over een certificaat van herkomst te beschikken.

Art. 40.

§ 1.

In titel II van het VLAREM wordt artikel 5.18.1.2., § 3 vervangen door wat volgt :

 

« § 3. De vergunninghouder is ertoe gehouden een voortgangsrapport op te stellen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet. »

 

§ 2.

In titel II van het VLAREM wordt aan artikel 5.18.1.2., § 1 toegevoegd :

 

5° de beschrijving van de getroffen maatregelen om de hinder voor de omgeving te voorkomen en/of te beperken.

6° de beschrijving van de getroffen maatregelen om de reglementaire voorschriften andere dan deze bedoeld in sub 5° na te leven.


Art. 41. [...]

Art. 41bis. [...]

Hoofdstuk III.
Inwerkingtreding


Art. 42. Het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 43. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Natuurlijke Rijkdommen, is belast met de uitvoering van dit besluit.