Art. 63.
De koper moet alle te sparen bomen kunnen aanwijzen en is verplicht alle voorbehouden bomen, op welke manier ook aangewezen, onaangeroerd te laten [...].
Onverminderd de bepalingen van artikel 184 van het Strafwetboek mogen de kopers geen merken aanbrengen op voorbehouden bomen.
Wederrechtelijk gekapte bomen kunnen door de koper niet gecompenseerd worden door voor kapping gemerkte bomen te laten staan.
De waarde van de wederrechtelijk gekapte bomen dient vergoed te worden, alsmede de eventuele schade die hierdoor is ontstaan.
Wanneer te sparen bomen gebroken of omgeworpen zijn, moet de koper ze ter plaatse laten liggen en onmiddellijk de [aangestelde] waarschuwen [...].
Het merkteken van de hamer op de stam of op de stronk aangebracht is het enige middel waarmee de koper de exploitatie van de bomen kan rechtvaardigen.