Hoofdstuk VIII.
De bosbescherming


Art. 90.
[...]
[...] Openbare onroerende goederen, die onder de toepassing van het decreet vallen, kunnen niet vervreemd worden zonder machtiging van de Vlaamse regering.
In alle bossen kunnen werkzaamheden, die wijzigingen van de fysische toestand voor gevolg hebben, slechts worden uitgevoerd na machtiging van het [Agentschap] [of indien ze voorzien zijn in het goedgekeurd beheersplan].
[De Vlaamse Regering kan in een algemeen besluit de samenstelling van het aanvraagdossier, de behandelingstermijn, de procedure en de mogelijk op te leggen voorwaarden regelen.]
De Vlaamse regering kan in een algemeen besluit de uitvoering van deze werkzaamheden, handelingen of wijzigingen van de fysische toestand regelen alsook de wijzigingen van de fysische toestand bepalen die door hun geringe omvang vrijgesteld worden van een machtiging.
Beroep tegen de beslissingen van het [Agentschap] kan worden ingesteld overeenkomstig artikel 43.
[...]

Art. 90bis.

[§ 1

[Ontbossing is verboden tenzij mits het bekomen van [een omgevingsvergunning] in toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening. [Een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden] voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen kan niet worden verleend tenzij in de hierna vermelde gevallen:
ontbossing met het oog op [handelingen van algemeen belang zoals bepaald in [artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,] van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening];
ontbossing of verkaveling in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
ontbossing of verkaveling in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling;
ontbossing in functie van vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen [...][, op voorwaarde dat die ontbossing opgenomen is in een beheerplan dat is goedgekeurd op grond van artikel 25, 43, § 1, 43, § 2, of 43, § 3, van dit decreet[, van artikel 34, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of opgenomen is in een natuurbeheerplan dat is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet].]
De [omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden] voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen wordt verleend na voorafgaand advies van het [Agentschap]. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn.
Voor andere ontbossingen of voor andere verkavelingen in geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een verkavelingsvergunning, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een [omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden] voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het [Agentschap]. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod.]
[Het is voor eenieder, met behoud van de toepassing van artikel 91, § 1 en § 2, van dit decreet, verboden om een onwettige ontbossing in stand te houden in ruimtelijk kwetsbare gebieden als vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.]

§ 2

Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal,
wordt door de houder van de [omgevingsvergunning voor ontbossing] compensatie gegeven voor de in § 1, [eerste lid, 1° tot en met 4°, of het derde lid] bedoelde ontbossing;
wordt door de houder van de verkavelingsvergunning compensatie gegeven voor de beboste delen van de verkaveling waarvoor de verkavelingsvergunning wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van [het decreet van 17 juli 2000 houdende wijziging van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990].

§ 3

Voor de in § 2, 2°, bedoelde verkaveling wordt compensatie gegeven voor de gezamenlijke oppervlakte, voorzover die bebost is, van de kavels en van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde werken, met uitzondering van de oppervlakte van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde groene ruimten. [Het behoud van deze als bos te behouden groene ruimten wordt door de vergunningverlenende instantie expliciet in de verkavelingsvoorschriften opgenomen.] De aanvrager van de verkavelingsvergunning kan zowel openbare als niet-openbare beboste groene ruimten aanduiden.
De verkaveling wordt vergund na voorafgaand advies van het [Agentschap], dat wordt verleend volgens de bepalingen van § 1, tweede lid.
[[De vergunning tot ontbossing] van een grond in een in § 2,2°, bedoelde verkaveling is niet onderworpen aan het in § 1, tweede lid, bedoelde advies en aan de compensatie. Bijkomende ontbossing van de in het eerste lid bedoelde groene ruimten kan enkel vergund worden na aanpassing van de verkavelingsvoorschriften via een verkavelingswijziging en na compensatie door de aanvrager van de verkavelingswijziging.]

§ 4

De compensatie wordt gegeven op één van de volgende wijzen:
in natura;
[door storting van een bosbehoudsbijdrage;]
door een combinatie van 1° en 2°.
[Voor ontbossingen groter dan drie hectare is steeds een volledige compensatie in natura vereist.]
[De integrale compensatie in natura betreft ten minste een gelijke oppervlakte. Voor bossen die een bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, als vermeld in artikel 2, punt 65°, van het decreet Natuurbehoud, bedraagt de compensatie een drievoud van de ontboste oppervlakte. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake de wijze en de omvang van de compensatie waarbij differentiatie mogelijk is, bepaalt de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura en stelt een lijst vast van bostypes die een bijdrage leveren aan de realisatie van de vermelde instandhoudingsdoelstellingen.
]

§ 5

De aanvrager van [de vergunning tot ontbossing] of van de in § 2, 2°, bedoelde verkavelingsvergunning stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het in § 4, [derde lid], bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het [Agentschap].
Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in § 4, [derde lid], bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het [Agentschap] het voorstel aan aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft, aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is.
[Het Agentschap stelt de aanvrager schriftelijk in kennis van de aanpassing, met vermelding van de redenen. Een kopie van deze kennisgeving wordt aan de vergunningverlenende overheid bezorgd. De aanvrager kan binnen de 14 dagen na ontvangst bezwaren tegen deze aanpassing of een alternatief compensatievoorstel aan het Agentschap overmaken. De [adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,] wordt gedurende de periode vanaf de kennisgeving van de aanpassing voor maximaal 14 dagen opgeschort. Na ontvangst van de bezwaren of het alternatief compensatievoorstel of, indien de aanvrager niet reageert op de kennisgeving van de aanpassing, na 14 dagen vanaf deze kennisgeving, neemt het Agentschap een definitieve beslissing met betrekking tot het compensatievoorstel.]
Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in § 2, 1° of 2°, bedoelde vergunning.
De in § 2, 2°, bedoelde verkavelingsvergunning laat slechts vervreemding van een kavel toe nadat volledige compensatie werd gegeven.

§ 6

De vergunningverlenende overheid bezorgt een afschrift van haar beslissing inzake de aanvraag tot de in § 2, 1° en 2°, bedoelde vergunning aan het [Agentschap].

§ 7

De in § 2 bedoelde compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan bebost zijn na het in werking treden van dit decreet, voorzover deze spontane bebossing de leeftijd van tweeëntwintig jaar niet heeft bereikt.
Om sociale redenen worden uitzonderingen op de in § 2 bedoelde compensatieplicht toegestaan in functie van de woningbouw in zones met de bestemming woongebied in de ruime zin of in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemming woongebied. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze uitzonderingen wordt verleend.
[...]]]

Art. 90ter.

§ 1

De Vlaamse Regering is belast met het opmaken van een kaart op perceelsniveau van de meest kwetsbare waardevolle bossen, niet gelegen in een zone sorterend binnen de categorie van gebiedsaanduiding “bos”, “parkgebied” of “reservaat en natuur”, zoals aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen.
De meest kwetsbare waardevolle bossen worden geïdentificeerd aan de hand van een multicriteria-analyse op basis van de volgende criteria:
oppervlakte;
biologische waarde;
historiek van het bos;
ligging ten opzichte van ruimtelijke structuren inzake bos en natuur;
weging ten opzichte van de basiskaart van de inventaris van potentieel waardevolle bossen in Vlaanderen, uitgevoerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.
Bossen waarvoor de gehele of gedeeltelijke ontbossing reeds beleidsmatig werd beslist door middel van definitief van kracht zijnde en niet vervallen beslissingen, genomen voor 18 december 2015, worden niet opgenomen op de kaart van de meest kwetsbare waardevolle bossen.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de technische invulling van de criteria en de multicriteria-analyse vermeld in het tweede lid.

§ 2

De Vlaamse Regering stelt de ontwerpkaart van meest kwetsbare waardevolle bossen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voorlopig vast en onderwerpt de ontwerpkaart aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het gewest worden verspreid.
Deze aankondiging vermeldt minstens:
de gemeenten waarop de ontwerpkaart betrekking heeft;
de wijze waarop de ontwerpkaart kan worden ingekeken;
de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
het adres waar de opmerkingen, vermeld in paragraaf 4, dienen toe te komen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen rond de organisatie van het openbaar onderzoek.

§ 3

Na de aankondiging wordt de ontwerpkaart gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.

§ 4

De opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan de Vlaamse Regering toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. De opmerkingen kunnen enkel betrekking hebben op het feit of een voorlopig aangeduid kwetsbaar waardevol bos al dan niet voldoet aan de criteria zoals vermeld in paragraaf 1.

§ 5

De Vlaamse Regering stelt na het openbaar onderzoek de kaart van de meest kwetsbare waardevolle bossen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, definitief vast. Bij de definitieve vaststelling kunnen ten opzichte van de voorlopig vastgestelde ontwerpkaart slechts wijzigingen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde opmerkingen.
Het besluit houdende definitieve vaststelling wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt.

§ 6

In afwijking van artikel 90bis is ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen die voorlopig of definitief zijn vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2 of 5 verboden.

§ 7

In afwijking van paragraaf 6 kan een vergunning voor de gehele of gedeeltelijke ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen, zoals aangeduid op de kaart bedoeld in paragraaf 2 of 5, enkel verleend worden na voorafgaand besluit van de Vlaamse Regering, ongeacht de bestemming op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Indien een in het eerste lid vermeld besluit wordt genomen, dan zijn wat betreft het bos of bosgedeelte waarvoor het verbod niet langer van toepassing is de bepalingen van artikel 90bis, § 1, tweede lid, en § 2 tot en met § 7, van overeenkomstige toepassing.
Diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning voor de gehele of gedeeltelijke ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen, zoals aangeduid op de kaart, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, dient hiertoe een gemotiveerd verzoek in bij de Vlaamse Regering. Het verzoek tot afwijking dient een compensatievoorstel te bevatten zoals bedoeld in artikel 90bis, § 5.
De Vlaamse Regering beslist na advies van het Agentschap en een integrale en geïntegreerde afweging om af te wijken van het verbod op ontbossing. De Vlaamse Regering houdt hierbij minstens rekening met de volgende elementen:
de doelstellingen vermeld in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
de ecologische en de ruimtelijk-maatschappelijke context.
Het verbod als vermeld in paragraaf 6 wordt van rechtswege opgeheven door een besluit tot definitieve vaststelling van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat betrekking heeft op bossen opgenomen op de kaart zoals vermeld in paragrafen 1 tot en met 5.
Indien de Vlaamse Regering besluit dat geen afwijking kan toegestaan worden van het verbod tot ontbossing, is de Vlaamse Regering ertoe verplicht om binnen twee jaar, te rekenen vanaf dat besluit, een ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast te stellen voor het betrokken boscomplex.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere formele en procedurele regels voor de toepassing van deze paragraaf.

Art. 91.

[§ 1

Bij een overdracht of vestiging van een zakelijk recht op een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, of bij een verdeling van dergelijk goed, gaan de rechten en de plichten die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten over op de verwerver, in de mate dat hij daarbij geheel of gedeeltelijk het beheer van het bos verkrijgt.
In de mate dat het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overgedragen wordt op enige andere wijze dan bepaald in het vorige lid, en dit voor een duur van meer dan negen jaar, gaan de rechten en de plichten die krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten rusten op het onroerend goed over op de nieuwe bosbeheerder.

§ 2

Bij een overdracht of verdeling van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Deze verplichting rust eveneens op degene die het eigendomsrecht van dergelijke onroerende goederen belast met zakelijke rechten in de mate dat daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, en op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overdraagt voor meer dan negen jaar.

§ 3

De instrumenterende ambtenaar die een akte verlijdt van overdrachten of verdelingen bedoeld in § 1 neemt in de akte in een aparte rubriek “Bosdecreet” de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, bedoeld in § 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen.
Het voorhanden zijn van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan worden in de akte vermeld.

§ 4

Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het [Agentschap] met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen.

§ 5

De partij die haar informatieplicht niet nakomt blijft gehouden tot haar verplichtingen die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Deze niet-tegenstelbaarheid kan niet worden ingeroepen indien voor het verlijden van de akte van overdrachten of verdelingen, bedoeld in § 1, de verwerver op de hoogte is gebracht van de verplichtingen die op het goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.]

Art. 92.
Voor de toepassing van dit decreet kan de Vlaamse regering onroerende goederen onteigenen voor het verwerven van enclaves, voor het realiseren van aaneengesloten boscomplexen en voor het verwerven van bossen die in hun voortbestaan worden bedreigd, voor bosreservaten en voor bossen met een [milieubeschermende functie], zoals bepaald in artikel 16.

Art. 93.
De uitvoering van de kaalslag is alleen toegelaten wanneer deze werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan of werd toegestaan met toepassing van artikel 50 wat het openbaar bos betreft en van de artikelen 44, § 2 en 81 wat het privé-bos betreft [...].

Art. 94.
Als kaalslag wordt niet beschouwd elke noodgedwongen kapping tot opruiming voortvloeiend uit gehele of gedeeltelijke bestandsvernietiging ingevolge bosbrand, ziekte, storm of andere externe factoren die door het [Agentschap] worden vastgesteld.

Art. 95.
Onrechtmatige toeëigening van openbare bossen of gedeelten ervan [en het uitvoeren van en opdracht geven tot onrechtmatige kappingen] is verboden [...].
[...]

Art. 96.
[Behoudens machtiging van het [Agentschap] of in de gevallen en onder de voorwaarden voorzien in een goedgekeurd beheersplan, zijn ingrijpende wijzigingen en beschadigingen van de bodem, de strooisel-, kruid-, of boomlaag verboden [...]]

Art. 97.

§ 1

Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten en reglementen] is het, zonder toestemming van de eigenaar en machtiging van het [Agentschap], [of zonder dat het bepaald is in het goedgekeurd beheersplan], in alle openbare bossen en voor wat de bosreservaten betreft, de commissie gehoord, verboden:
1.
het strooisel te verwijderen;
2.
het dode hout, op de grond liggend of nog aan de stam bevestigd, te verwijderen tenzij het behoort tot een partij verkochte bomen;
3.
knoppen, scheuten, twijgen, bloeiwijzen, kegels, vruchten, zaden te verzamelen en te verwijderen;
4.
bomen op te snoeien, behoudens wanneer deze maatregel werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan;
5.
keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden op te richten, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn;
6.
reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;
7.
de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;
8.
resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten buiten de daartoe ter beschikking gestelde verzamelplaatsen, met uitzondering van houtafval en boomschors die achterblijven na een toegestane exploitatie;
9.
[dieren te houden binnen omheiningen;]
10.
bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden;
11.
onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;
12.
prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan.

§ 2

Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten en reglementen] is het, zonder toestemming van de [bosbeheerder] en machtiging van het [Agentschap] [of zonder dat het voorzien is in het goedgekeurd beheersplan] in alle privé-bossen verboden:
1.
keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden op te richten, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn;
2.
reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;
3.
de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;
4.
resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten buiten de daartoe ter beschikking gestelde verzamelplaatsen, met uitzondering van houtafval en boomschors die achterblijven na een toegestane exploitatie;
5.
bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden, tenzij als beheersmaatregel;
6.
onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;
7.
prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan;
8.
[het strooisel te verwijderen;
9.
dieren te houden binnen omheiningen [...]. Omvorming van bestaande bossen tot graasweide, wordt gelijkgesteld met ontbossing.]

§ 3 [

Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in de paragrafen 1 en 2, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.
]

§ 4

[...]

§ 5

[...]

Art. 98.
[...]

Art. 99.
[...] In alle bossen en binnen een afstand van [vijfentwintig] meter tot de bossen [is het] verboden [vuur te maken in de open lucht], om welk motief dan ook, behoudens [in uitvoering van een goedgekeurd beheersplan[, behoudens ter uitvoering van een goedgekeurde toegankelijkheidsregeling als overeenkomstig artikel 12,] of behoudens een] machtiging door het [Agentschap] [en] met uitzondering van wettelijk verplichte verbrandingen. [De Vlaamse Regering kan desgewenst nadere voorwaarden bepalen.]

Art. 100.
Elke [bosbeheerder] dient maatregelen te treffen om bosbranden te voorkomen en om uitbreiding ervan te beperken. Deze maatregelen moeten in het beheersplan vermeld worden.

Art. 101.
Alle bosgebruikers en bosbezoekers dienen hulp te verlenen in geval van bosbrand.

Art. 102.
Bij bosbrand of bij acute dreiging van bosbrand in het privé-bos mag de [bosbeheerder], op eigen verantwoordelijkheid, een tegenvuur aanleggen maar uitsluitend op zijn eigendom.
Bij bosbrand of bij acute dreiging van bosbrand in het openbaar bos mag een tegenvuur alleen aangelegd worden mits machtiging van de [aangewezen ambtenaar] of zijn afgevaardigde en dit uitsluitend op het terrein van het openbaar bos, waarvoor de machtiging wordt gevraagd.
Aanleg van tegenvuur onder de wettelijke voorwaarden en de opruiming die er naderhand op kan volgen, worden niet beschouwd als kaalslag en evenmin als een onrechtmatige afwijking van de bepalingen van het goedgekeurd beheersplan.

Art. 103.
Elke kapping die moet uitgevoerd worden om te voldoen aan de bescherming van de bossen tegen brand wordt beschouwd als een noodgedwongen kapping tot opruiming en kan in geen geval aangezien worden als een ongeoorloofde kaalslag, een afwijking van het goedgekeurd beheersplan of een afwijking van het vastgestelde kapquantum.

Art. 104.
Alle brandwegen dienen regelmatig en tenminste om de twee jaar te worden vrijgemaakt van bedekking met afgestorven vegetatie en dode plantenresten, [...].
Wanneer zulks niet is gebeurd kan het [Agentschap] de [bosbeheerder] aanmanen om binnen een periode van een maand, te rekenen vanaf de datum van de waarschuwing, tot de zuiveringswerkzaamheden over te gaan, zonder dat de voorgeschreven termijn aanleiding kan geven tot ontslag van aansprakelijkheid in het geval van brand.
Wanneer na verloop van deze periode van een maand de boseigenaar nog steeds in gebreke is gebleven, kunnen de nodige werkzaamheden te zijnen laste uitgevoerd worden door tussenkomst van het [Agentschap]. [Het niet laten uitvoeren van deze werken door tussenkomst van het [Agentschap] ontslaat de bosbeheerder niet van aansprakelijkheid in geval van brand.] Deze kosten worden verhaald door eenvoudige toezending van de kostenstaat.

Art. 105.
Het [Agentschap] kan de gebieden aanwijzen die bijzonder door brand worden bedreigd, alsmede de periode gedurende welke in deze gebieden met direct brandgevaar rekening gehouden moet worden.
De Vlaamse regering kan tevens bepalen welke maatregelen moeten worden getroffen om de bewaking en de bescherming van de bedreigde bossen te waarborgen en op welke manier de uitgaven, hiertoe vereist, tussen de betrokken [bosbeheerders] zullen worden verdeeld.
Het [Agentschap] kan de [bosbeheerders] de verplichting opleggen het publiek in kennis te stellen van het brandgevaar en de wijze waarop deze voorlichting dient te geschieden.

Art. 106.
Alle bossen, gelegen in een gebied dat als bedreigd wordt beschouwd, overeenkomstig de bepalingen van artikel 105, kunnen voor de duur van de gevaarperiode, onmiddellijk ontoegankelijk worden verklaard door de [bosbeheerder] of het [Agentschap], zelfs wanneer hierdoor de rechten van gebruikers, exploitanten, bezoekers en huurders tijdelijk worden opgeschort en zonder dat zulks mag worden beschouwd als een eenzijdige verbreking van een overeenkomst, waarvoor schadevergoeding kan worden geëist.

Art. 107.
De Vlaamse regering kan, indien zij het, in uitzonderlijke omstandigheden en voor een bepaalde periode, noodzakelijk acht, alle maatregelen uitvaardigen, die de bescherming van het bos, van de bomen, van de [organismen van het natuurlijk milieu], tegen biotische en abiotische bedreiging tot doel hebben.