VLAREM II
Besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne

De Vlaamse regering,

 

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, van 22 december 1993 en van 21 december 1994;

 

Gelet op de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van luchtverontreiniging, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967;

 

Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging zoals gewijzigd bij wet van 22 mei 1979 en bij de decreten van 23 december 1980, 2 juli 1981, 5 april 1984, 28 juni 1985, 13 juli 1988, 20 december 1989, 12 december 1990, 21 december 1990, 25 juni 1992, 1 juli 1992, 18 december 1992, 22 december 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994;

 

Gelet op de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder;

 

Gelet op de wet van 24 mei 1983 betreffende de algemene normen die de kwaliteitsobjectieven bepalen van oppervlaktewater bestemd voor welbepaalde doeleinden;

 

Gelet op de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen;

 

Gelet op het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer zoals gewijzigd bij de decreten van 12 december 1990 en 23 januari 1991;

 

Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, gewijzigd bij decreet van 19 april 1995;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 75/439/EEG van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, gewijzigd bij de Akte betreffende de toetreding van Spanje en Portugal van 12 juni 1985 en bij de Richtlijn van de Raad 87/101/EEG van 22 december 1986;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 75/440/EEG van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten alsmede de Richtlijn 79/869/EEG van 9 oktober 1979 inzake de meetmethodes;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 76/160/EEG van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 76/464/EEG van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd alsmede de in uitvoering hiervan getroffen Richtlijnen 82/176/EEG van 22 maart 1982, 83/513/EEG van 26 september 1983, 84/156/EEG van 8 maart 1984, 84/491/EEG van 9 oktober 1984, 86/280/EEG van 12 juni 1986;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 76/403/EEG van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 78/659/EEG van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat de bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 78/176/EEG van 20 februari 1979 en op de richtlijn 92/112/EEG van 15 december 1992 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 79/923/EEG van 30 oktober 1979 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 80/68/EEG van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen;

 

Gelet op de beschikking van de Raad van de Europese Unie 80/372/EEG van 26 maart 1980 betreffende chloorfluorkoolstofverbindingen in het milieu;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 80/779/EEG van 15 juli 1980 betreffende grenswaarden en richtwaarden van de luchtkwaliteit voor zwaveldioxyde en zwevende deeltjes, gewijzigd bij Richtlijnen 89/427/EEG en 81/857/EEG;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 82/501/EEG van 24 juni 1982 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten, gewijzigd bij de richtlijn 87/216/EEG van 19 maart 1987 en van 88/610/EEG van 24 november 1988;

 

Gelet op de beschikking van de Raad van de Europese Unie 82/795/EEG van 15 november 1982 betreffende de versterking van de voorzorgsmaatregelen inzake chloorfluorkoolstofverbindingen in het milieu;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 82/884/EEG van 3 december 1982 betreffende een grenswaarde van de luchtkwaliteit voor lood;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 84/360/EEG van 28 juni 1984 betreffende bestrijding van door industrile inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 85/203/EEG van 7 maart 1985 inzake luchtkwaliteitsnormen voor stikstofoxyde, gewijzigd bij Richtlijn 85/580/EEG;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 86/280/EEG van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen, gewijzigd bij Richtlijn 88/347/EEG van 16 juni 1988 en bij Richtlijn 90/415/EEG van 27 juli 1990;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 87/217/EEG van 19 maart 1987 inzake voorkoming en vermindering van verontreiniging van het milieu door asbest;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 88/609/EEG van 24 november 1988 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 89/369/EEG van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 89/429/EEG van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 90/219/EEG van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 90/313/EEG van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 90/667/EEG van 27 november 1990 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van richtlijn 90/425/EEG;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 91/271/EEG van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 91/676/EEG van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 91/689/EEG van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 91/692/EEG tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied, wijzigend de richtlijnen 75/439, 75/440, 75/442, 76/160, 76/403, 78/659, 79/923, 80/68, 80/779, 87/216, 82/884, 84/360 en 85/203;

 

Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie 92/72/EEG van 21 september 1992 betreffende de verontreiniging van de lucht door ozon;

 

Gelet op de beschikking van de Raad van de Europese Unie 88/540/EEG van 14 oktober 1988 betreffende het besluit van de conventie van Wenen inzake de bescherming van de ozonlaag en het protocol van Montréal inzake stoffen die de ozonlaag aantasten;

 

Gelet op de verordening van de Raad van de Europese Unie nr. 3322/88 van 14 oktober 1988 betreffende bepaalde chloorfluorkoolwaterstoffen en halonen die de ozonlaag aantasten;

 

Gelet op het overleg met de federale minister bevoegd voor landbouw, overeenkomstig artikel 6, § 3 bis, 5° van de bijzondere wet van 8 augustsus 1980 tot hervorming der instellingen;

 

Gelet op de aanvraag tot advies van 14 november 1994 aan de Hoger Gezondheidsraad, die onbeantwoord is gebleven;

 

Gelet op het advies van de Raad van State;

 

Op de voordracht van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting,

 

Na beraadslaging,

 

BESLUIT:


Deel 1.
ALGEMENE BEPALINGEN


Hoofdstuk 1.1.
RECHTSGROND EN DEFINITIES


Rechtsgrond.


Art. 1.1.1.

Behoudens andersluidende bepaling, is dit uitvoeringsbesluit uitgevaardigd in uitvoering van art. 20 van het decreet betreffende de milieuvergunning of artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Definities.


Art. 1.1.2.

Tenzij het in dit besluit andersluidend is bepaald, zijn de definities, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ook van toepassing in dit besluit.

Voor de toepassing van dit besluit gelden bijkomend de hierna opgenomen definities. Deze zijn thematisch gerangschikt in functie van de betrokken tekstonderdelen, maar zijn - behoudens afwijkende bepaling - eveneens van toepassing op dezelfde termen en begrippen in andere tekstonderdelen.


DEFINITIES ALGEMEEN

- decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

[...]

[...]

[...]

[...]

- "verontreinigingsfactoren": vaste stoffen, vloeistoffen, gassen, micro-organismen, energievormen zoals warmte, stralingen, licht, geluid en andere trillingen;

[...]

[...]

[...]

[...]

- "immissie": de wijziging van de aanwezigheid van verontreinigingsfactoren in atmosfeer, bodem of water rond één of meer bronnen van verontreiniging ten gevolge van emissie uit deze bron of bronnen;

[...]

[...]

- "waterwingebied" en "beschermingszone type I, II en III": het als dusdanig in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer afgebakende gebied, respectievelijk zone;

[...]

[...]

- "code van goede praktijk": geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de bouw, het transport, het plaatsen, het uitbaten, het onderhouden en het eventueel ontmantelen van een inrichting of een onderdeel ervan, met inbegrip van de toepasselijke productnormen en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap.

Worden in elk geval beschouwd als code van goede praktijk

  1. de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten,
  2. de Belgische normen,
  3. de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (C.E.N.),
  4. de normen uitgegeven door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO),
  5. de normen uitgegeven door de International Organisation for Standardisation (I.S.O.),
  6. de regels uitgegeven door de erkende controle-instellingen of de milieudeskundigen, erkend in de toepasselijke disciplines,
  7. de regels uitgegeven door de constructeurs of verdelers van installaties of onderdelen ervan;

in geval van onderlinge tegenstrijdigheden is bovenvermelde volgorde bepalend;

- "Milieu-technische eenheid": verschillende ingedeelde inrichtingen, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee zij verbonden zijn, die als een geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens of milieu.

Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen ten opzichte van andere inrichtingen.

Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid kunnen vormen.

[...]

- "bestaande ingedeelde inrichting": tenzij anders in de bepalingen (met inbegrip van de andere definities) van dit besluit vermeld, de ingedeelde inrichtingen of onderdelen van ingedeelde inrichtingen:
 

- waarvoor de exploitatie op 1 januari 1993 was vergund, of waarvoor vóór 1 september 1991 een vergunningsaanvraag is ingediend;
- of, die op 1 januari 1993 in bedrijf zijn gesteld, vóór 1 september 1991 niet vergunningsplichtig waren, en waarvoor voor 1 maart 1993 een vergunningsaanvraag is ingediend;
- of, wanneer het in de derde klasse ingedeelde inrichtingen betreft, die op 1 januari 1993 in bedrijf zijn gesteld en waarvoor de melding gebeurde voor 1 maart 1993;
- of, die op 1 januari 1993 niet ingedeeld waren, en het tengevolge een wijziging van of aanvulling op de indelingslijst nadien wel werden of worden, en die op dat ogenblik reeds in uitbating of gebruik waren of zijn.

- "nieuwe ingedeelde inrichting":

§ 1. ingedeelde inrichtingen die niet beantwoorden aan de criteria terzake "bestaande inrichtingen",

§ 2. worden eveneens als nieuwe inrichtingen beschouwd, en dit voor wat de subrubriek 3.4. en 3.6.3. van de indelingslijst betreft, de hierna aangegeven ingedeelde inrichtingen die niet in werking waren op de erbij vermelde data, of waarvan de verwerkingscapaciteit sinds die data voor de desbetreffende stoffen met meer dan 100 % is vergroot:

-

op 27 maart 1982, voor lozingen van kwik, zoals bedoeld in Richtlijn 82/176/EEG;

- op 24 oktober 1983, voor lozingen van cadmium, zoals bedoeld in Richtlijn 83/513/EEG;
- op 17 maart 1984, voor lozingen van kwik, zoals bedoeld in Richtlijn 84/156/EEG;
- op 17 oktober 1984, voor lozingen van hexachloorcyclohexaan (HCH), zoals bedoeld in Richtlijn 84/491/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van tetrachloorkoolstof, zoals bedoeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van DDT, zoals bedoeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van 2,3,4,5,6-pentachloorfenol-l-hydroxy-benzeen en haar zouten (PCP), zoals bedoeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin, zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van hexachloorbenzeen (HCB), zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van hexachloorbutadieen (HCBD), zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van chloroform, zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;


[...]

- "aanzienlijke verandering": de vergroting met meer dan 100 % van de capaciteit, de drijfkracht of de perceelsoppervlakte, ten aanzien van de vóór 1 januari 1993 vergunde situatie.

- "constructie-eisen": technische voorschriften met betrekking tot de wijze waarop een inrichting of onderdeel ervan moet worden gebouwd, geplaatst of uitgerust, andere dan inplantingsregels

- "inplantingsregels": inplantingsregels omvatten verbodsbepalingen en afstandsbepalingen. Verbodsbepalingen betreffen de onverenigbaarheid tussen, enerzijds, bepaalde inrichtingen of onderdelen ervan en, anderzijds, bepaalde activiteiten, zones of gebieden. Afstandsbepalingen betreffen de na te leven minimumafstanden van inrichtingen of onderdelen ervan ten opzichte van bepaalde activiteiten, zones of gebieden.

- "dioxinen en furanen": alle meervoudig gechloreerde dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen die in de hierna volgende tabel worden opgesomd; bij de bepaling van de totale concentratie (TE) van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de volgende dioxinen en dibenzofuranen vóór het optellen met de volgende equivalentiefactoren vermenigvuldigd :

 

Dioxinen en furanen Toxiciteitsequivalentie-factor
2, 3, 7, 8-Tetrachloordibenzodioxine (TCCD) 1
1, 2, 3, 7, 8-Pentachloordibenzodioxine (PeCDD) 0,5
1, 2, 3, 4, 7, 8-Hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1, 2, 3, 7, 8, 9-Hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1, 2, 3, 6, 7, 8-Hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1, 2, 3, 4, 6, 7, 8-Heptachloordibenzodioxine (HpCDD) 0,01
Octachloordibenzodioxine (OCDD) 0,001
2, 3, 7, 8-Tetrachloordibenzofuraan (TCDF) 0,1
2, 3, 4, 7, 8-Pentachloordibenzofuraan (PeCDF) 0,5
1, 2, 3, 7, 8-Pentachloordibenzofuraan (PeCDF) 0,05
1, 2, 3, 4, 7, 8-Hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
1, 2, 3, 7, 8, 9-Hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
1, 2, 3, 6, 7, 8-Hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
2, 3, 4, 6, 7, 8-Hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
1, 2, 3, 4, 6, 7, 8-Heptachloordibenzofuraan (HpCDF) 0,01
1, 2, 3, 4, 7, 8, 9-Heptachloordibenzofuraan (HpCDF) 0,01
Octachloordibenzofuraan (OCDF) 0,001

- "de afdeling, bevoegd voor geluidshinder" : de subentiteit van het departement, bevoegd voor geluidshinder;

- "de afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid" : de subentiteit van het departement, bevoegd voor het internationaal beleid;

- de Vlaamse minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;

- de afdeling, bevoegd voor erkenningen: de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: de afdeling binnen het Departement LNE van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;

- gebied: tenzij het anders is gepreciseerd in de indelingslijst of de desbetreffende hoofdstukken, afdelingen of subafdelingen, een van de volgende gebieden of categorieën van gebiedsaanduidingen:

a) een gebied, bepaald in de gewestplannen, met bestemmingsvoorschriften als vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, en de ermee vergelijkbare gebieden;  
b) een gebied, bepaald in de algemene of bijzondere plannen van aanleg;  
c) als er een categorie van gebiedsaanduiding voor een gebied is aangegeven in de gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een van de volgende categorieën van gebiedsaanduiding:  
1)  wonen; 
2)  bedrijvigheid; 
3)  recreatie; 
4)  landbouw; 
5)  bos;
6)  reservaat en natuur; 
7)  overig groen; 
8)  lijninfrastructuur; 
9)  gemeenschapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen; 
10) ontginning en waterwinning; 
d) een gebied in behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkavelingsvergunningen;  
e) als er geen categorie van gebiedsaanduiding is aangegeven door de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gebied, bepaald in het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, met een met de bestemmingsvoorschriften, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, vergelijkbare hoofdbestemming.  

 

Voor de toepassing van dit besluit worden de categorieën van gebiedsaanduiding, vermeld in punt sub b), c) en d), gelijkgesteld met de overeenkomstige gebieden, vermeld in punt a);

- bijzonder beschermd gebied: een gebied dat behoort tot een of meer van de volgende gebieden:

a) de speciale beschermingszones, de definitief vastgestelde gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone, en de waterrijke gebieden van internationale betekenis overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
b) een beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
c) groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
d) bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, overstromingsgebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
e) een definitief beschermd cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht, monument of archeologische zone;
f) de waterwingebieden en de bijbehorende beschermingszones type I en II, vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
g) het Vlaams Ecologisch Netwerk overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
h) een volgens een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld erfgoedlandschap;

- emissiegrenswaarde: de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mogen worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld, namelijk voor de stoffen, vermeld in bijlage 1.1.2. bij dit besluit. De emissiegrenswaarden voor de emissies van stoffen gelden op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning. Voor indirecte lozingen van verontreinigende stoffen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de betrokken installatie rekening worden gehouden met het effect van een waterzuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat dit niet leidt tot een hogere belasting van het milieu;

- milieukwaliteitsnorm: alle eisen waaraan op een gegeven ogenblik in een bepaald milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan conform deel 2 van dit besluit;

- stof: een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen en micro-organismen;

- toezichthouder: de persoon die krachtens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid als toezichthouder is aangesteld;

- voertuig: een gemotoriseerd transportmiddel, met uitzondering van vaartuigen.

DEFINITIES AQUACULTUUR (Hoofdstuk 5.62)

aquacultuur: de kweek of teelt van aquatische organismen, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu. De organismen blijven in de hele fase van de kweek of de teelt, tot en met de oogst, eigendom van een natuurlijke persoon of rechtspersoon;

gesloten aquacultuurvoorziening: een op het land gelegen voorziening waar:

a) aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem met waterrecirculatie;
b) de lozingen pas na zeving en filtering of percolatie en behandeling in contact komen met open water om te voorkomen dat vaste afvalstoffen in de aquatische omgeving terechtkomen en dat gekweekte soorten en niet-doelsoorten die kans maken op overleving en reproductie, uit de voorziening ontsnappen;
c) verliezen van gekweekte exemplaren of niet-doelsoorten en ander biologisch materiaal, met inbegrip van pathogenen, als gevolg van factoren zoals roofdieren en overstroming worden voorkomen; zo moet de voorziening zich overeenkomstig een adequate beoordeling door de bevoegde autoriteiten op een veilige afstand van open water bevinden;
d) verliezen van gekweekte exemplaren of niet-doelsoorten en ander biologisch materiaal, met inbegrip van pathogenen, als gevolg van diefstal en vandalisme binnen de grenzen van de redelijkheid worden voorkomen;
e) de adequate verwijdering van dode organismen wordt gegarandeerd;

open aquacultuurvoorziening: een voorziening waar aquacultuur wordt bedreven in een aquatisch systeem dat niet van het natuurlijke watermilieu is gescheiden door barrières die de ontsnapping voorkomen van gekweekte exemplaren die kans maken op overleving en reproductie of van biologisch materiaal dat kans maakt op overleving en reproductie;

verordening aquacultuur: verordening nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur.

DEFINITIES BEDRIJFSINTERNE MILIEUZORG (Artikelen 4.1.9.1. tot en met 4.1.9.3.1. van hoofdstuk 4.1.)

- "milieubeleid": de algemene doeleinden en beginselen voor het handelen van het bedrijf op milieugebied, met inbegrip van de naleving van alle relevante wettelijke milieuvoorschriften;

- "milieuanalyse": een voorafgaand alomvattend onderzoek naar de milieuproblemen en -effecten en naar de met milieubewust handelen behaalde resultaten, die verband houden met de op een locatie plaatsvindende activiteiten;

- "milieuprogramma": een beschrijving van de specifieke doelstellingen en activiteiten van een bedrijf met het oog op de verbetering van de milieubescherming op een bepaalde locatie, met inbegrip van een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen of die worden overwogen om die doelstellingen te verwezenlijken en in voorkomend geval de voor de uitvoering van die maatregelen vastgestelde streefdata te bereiken;

- "milieudoelstellingen": de door een bedrijf voor zichzelf vastgestelde gedetailleerde doelstellingen ten aanzien van de met milieubewust handelen te behalen resultaten;

- "milieubeheersysteem": dat gedeelte van het algemene beheersysteem dat de organisatiestructuur, de verantwoordelijkheden, praktijken, procedures, processen en hulpbronnen omvat die voor het vaststellen en uitvoering van het milieubeleid nodig zijn;

- "milieuaudit": een beheersinstrument dat een systematische, gedocumenteerde, periodieke en objectieve evaluatie omvat van de wijze van functioneren van de organisatie, van het beheersysteem en van de werkwijzen die voor de milieubescherming bedoeld zijn, ten einde:

i) de beheerscontrole op de activiteiten die van invloed kunnen zijn op het milieu te vergemakkelijken;
ii) erop toe te zien dat het milieubeleid van het bedrijf wordt nageleefd;

- "auditcyclus": de termijn waarbinnen alle activiteiten op een bepaalde locatie, overeenkomstig de voorschriften van afdeling 4.1.9. aan een audit worden onderworpen wat alle relevante milieuaspecten betreft;

- "milieuverklaring": de verklaring die door het bedrijf overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4.1.9. wordt opgesteld;

- "industriële activiteit": elke activiteit die in de secties C en D van de Statistische Nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschappen (NACE, REV 1) als vastgesteld bij de EU-verordening 3037/90, is vermeld, alsmede de elektriciteits-, gas-, stoom- en warmwaterproductie, en de recycling, behandeling, vernietiging of verwijdering van afval in vaste of vloeibare vorm;

- "bedrijf": elke organisatie die een algemene beheerscontrole over de activiteiten op een bepaalde locatie uitoefent;

- "locatie": elk terrein waarop industriële activiteiten onder controle van een bedrijf op een gegeven plaats worden uitgevoerd met inbegrip van de daarmee gepaard gaande of daarbij behorende opslag van grondstoffen, van bij-, tussen- en eindproducten en van afval en met inbegrip van de al dan niet vaste infrastructuur en uitrusting die met deze activiteiten gemoeid zijn;

- "auditor": een persoon of een team van personen, al dan niet behorend tot het bedrijfspersoneel, handelend in opdracht van het hoogste niveau van de bedrijfsleiding, die individueel respectievelijk dat gezamenlijk beschikt over de in afdeling 4.1.9. genoemde capaciteiten en een voldoende mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de te onderzoeken activiteiten bezit om een objectief oordeel te kunnen vellen;

- "erkend milieuverificateur": elke persoon of organisatie die niet betrokken is bij het te controleren bedrijf en die een erkenning heeft verkregen overeenkomstig de in afdeling 4.1.9. bedoelde voorwaarden en procedures;

- "erkenningssysteem": een systeem voor erkenning van en toezicht op milieuverificateurs, dat wordt toegepast door de daartoe in de afdeling 4.1.9. aangewezen onpartijdige instelling die over voldoende middelen, technische kennis en de nodige procedures beschikt om de in afdeling 4.1.9. voor dit systeem vastgestelde taken te verrichten;

- "bevoegde instantie": het Departement Omgeving.

DEFINITIES BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN

BBT-conclusies: een document dat bestaat uit de delen van een BREF met de conclusies over BBT, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden consumptieniveaus en, in voorkomend geval, de toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen;

BBT-referentiedocument, afgekort BREF: een document dat het resultaat is van de overeenkomstig artikel 13 van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) georganiseerde uitwisseling van informatie, dat opgesteld is voor welomschreven activiteiten en dat met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van BBT, alsook BBT-conclusies en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 bij dit besluit;

beste beschikbare technieken, afgekort BBT: het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen, is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of als dat niet mogelijk blijkt, algemeen te beperken;

a) technieken: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
b) beschikbare: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten die in aanmerking worden genomen, economisch en technisch haalbaar in de industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van het Vlaamse Gewest worden toegepast of geproduceerd, mits ze voor de exploitant onder redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;
c) beste: het meest doeltreffend om een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken;

met BBT geassocieerde emissieniveaus, afgekort BBT-GEN: de bandbreedte van emissieniveaus, verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van BBT als omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden;

techniek in opkomst: een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als ze commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu, hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande BBT.

Definities risicobeheersing (afdeling 4.1.12)

- « voorval » : gebeurtenis zoals brand, explosie of accidentele emissie, die wordt veroorzaakt door ongecontroleerde ontwikkelingen tijdens de exploitatie van een inrichting, die hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd gevolgen kan hebben voor de mens of voor het leefmilieu;

- « gevolg » : verontreiniging of aantasting van de gezondheid van de mens.

DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (Hoofdstuk 5.2.)
ALGEMEEN

- "werkplan": het geheel van plannen, maatregelen en richtlijnen noodzakelijk voor de organisatie van de uitbating;

- "register": boek met genummerde bladzijden of de dagelijkse uitprint van een geïnformatiseerd systeem met de gegevens die de exploitant moet noteren overeenkomstig de bepalingen van dit reglement;

- "zwerfvuil": vaste afvalstoffen die ingevolge het verwaaien of een andere ongewilde verspreiding worden aangetroffen op een niet daarvoor bestemde, willekeurige plaats;

[...]

[...]

[...]

[...]

afvalstoffen: de afvalstoffen, vermeld in artikel 3, 1°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De definities, vermeld in het voormelde decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gelden ook voor de toepassing van dit besluit;

- collectief begraven van krengen van gezelschapsdieren: alle andere begravingen van krengen van gezelschapsdieren dan de individuele begraving in de eigen tuin door de eigenaar van het kreng;

- dierenbegraafplaats: een plaats waar collectief krengen van gezelschapsdieren worden begraven;

- ondergrondse opslag van afvalstoffen: een permanente afvalopslagvoorziening in een diepe onderaardse ruimte zoals een zout- of kaliummijn;

- voertuigwrak: een voertuig dat een afvalstof is.

VERBRANDINGSINRICHTINGEN VOOR AFVALSTOFFEN

- "verbrandingsinrichting": elke technische inrichting die voor de verbranding van afvalstoffen door oxidatie wordt gebruikt, met inbegrip van voorbehandeling, pyrolyse of andere thermische behandelingsprocessen, (bijvoorbeeld het plasmaproces), voor zover de produkten daarvan vervolgens worden verbrand, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte.
Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie met de verbrandingsoven, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de voorzieningen voor afgas- en afvalwaterbehandeling alsook de apparatuur en systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor het continu registreren en bewaken van de verbrandingsomstandigheden.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

- "as": de as van de verbranding van afvalstoffen, o.m. opgevangen als bodemas, roosteras, met uitzondering van vliegas;

- "vliegas": de fijne as van de verbranding van de afvalstoffen die wordt opgevangen bij de ontstoffing of een andere behandeling van de afgassen;

VERBRANDINGS-EN MEEVERBRANDINGSINSTALLATIES VOOR AFVALSTOFFEN

- "verbrandingsinstallatie": een vaste of mobiele technische eenheid of inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte. Dit bevat onder meer de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, voorzover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand.

 

[...]

- "meeverbrandingsinstallatie": een vaste of mobiele installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of waarin afval thermisch wordt behandeld voor verwijdering door de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand. [...]

- "experimentele verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie": een installatie die voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving ter verbetering van het verbrandings- of meeverbrandingsproces van afvalstoffen wordt gebruikt. Het kan zowel een installatie betreffen die uitsluitend geëxploiteerd wordt voor experimenten, als een bestaande verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die gebruikt wordt voor één of meer experimenten;

- "bestaande verbrandings-of meeverbrandingsinstallatie": een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die vóór 28 december 2002 over een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beschikt en vóór 28 december 2002 in werking werd gesteld voor de verbranding of meeverbranding van afvalstoffen;

- "nieuwe verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie": een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die op of na 28 december 2002 in werking wordt gesteld en over een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beschikt voor de verbranding of meeverbranding van afvalstoffen;

- "nominale capaciteit": de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit de installatie bestaat, zoals berekend door de fabrikant en bevestigd door de exploitant, met inachtneming van in het bijzonder de calorische waarde van de afvalstoffen, uitgedrukt als de hoeveelheid afvalstoffen die per uur kan worden verbrand of meeverbrand;

- "totale capaciteit": de nominale capaciteit per jaar berekend, rekening houdend met de calorische waarde van de afvalstoffen en de gemiddelde beschikbaarheid van de installatie. Deze totale capaciteit wordt bij voorkeur afgeleid uit het stookdiagram;

[...]

[...]

- "residu": een vloeibaar of vast materiaal (met inbegrip van bodemas, slakken, vliegas en ketelas, vaste reactieproducten die ontstaan bij de gasreiniging, zuiveringsslib van de zuivering van afvalwater, afgewerkte katalysatoren en afgewerkte actieve kool) dat valt onder de omschrijving van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en dat wordt geproduceerd bij het verbrandings- of meeverbrandingsproces, de zuivering van afgassen of afvalwater of andere processen in de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie;

VERBRANDINGSINRICHTINGEN VOOR HOUTAFVAL [...]
VERBRANDINGS- EN MEEVERBRANDINGSINSTALLATIES VOOR BIOMASSA-AFVAL

— "bestaande verbrandings-of meeverbrandingsinstallatie voor biomassa-afval": een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die vóór 28 december 2002 over een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beschikt en in werking werd gesteld voor de verbranding of meeverbranding van biomassa-afval;

— "nieuwe verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie voor biomassa-afval": een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die op of na 28 december 2002 in werking wordt gesteld en over een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit beschikt voor de verbranding of meeverbranding van biomassa-afval;

— "nominaal thermisch vermogen": de warmte-inhoud van de nominale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie, uitgedrukt in MW, en die is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor de installatie in kwestie;

— « biomassa » : producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten alsook biomassa-afval; »

- « biomassa-afval » : de volgende afvalstoffen :

a) plantaardig afval van land- en bosbouw;
b) plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, als de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
c) vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, als het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
d) kurkafval;
e) onbehandeld of louter mechanisch behandeld houtafval;
f) niet-verontreinigd behandeld houtafval, dus uitgezonderd houtmateriaal dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen of zware metalen kan bevatten. Dat is in het bijzonder het geval voor houtafval, afkomstig van bouw- en sloopafval;

-“verontreinigd behandeld houtafval”: houtafval dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen of zware metalen kan bevatten. Dat is in het bijzonder het geval voor houtafval, afkomstig van bouw- en sloopafval;

- «directe spaandroger» : droger waarin rechtstreeks warme gassen (meestal afkomstig van een verbrandingsinstallatie) worden doorgevoerd met de bedoeling spanen te drogen;

— «Indirecte spaandroger» : droger waarin de spanen gedroogd worden met warmte via een warmtewisselaar;

— «Hybride droger» : indirecte droger, waarbij een beperkt deel warme gassen van de verbrandingsinstallatie rechtstreeks over de spanen gevoerd wordt teneinde de waterdamp af te voeren;

— «Type-droger» : ofwel direct, ofwel indirect ofwel hybride droger;

— «Nieuwe droger» : de individuele drooginstallatie die op of na 28 december 2002 is vergund en waarbij de individuele capaciteit bepalend is voor de capaciteitscategorie;

— «Bestaande droger» : de som van alle type-drogers van de inrichting die vóór 28 december 2002 zijn vergund en waarbij de som van de individuele capaciteiten bepalend is voor de capaciteitscategorie;

DIERLIJK AFVAL [...]
STORTPLAATSEN

- "stortplaats":

een afvalverwijderingsterrein voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem, met inbegrip van:

- interne afvalstortplaatsen (d.w.z. waar een afvalproducent zijn eigen afval op de plaats van de productie verwijdert), en
- een terrein dat permanent (d.w.z. meer dan een jaar lang) wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van afval,
maar met uitsluiting van:
- voorzieningen waar afvalstoffen worden uitgeladen ter voorbereiding van verder transport voor terugwinning, behandeling of verwijdering elders, en
- van opslag van afval voorafgaand aan terugwinning of behandeling voor een periode van in de regel minder dan drie jaar, of
- van opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering, voor een periode van minder dan een jaar;

- "monostortplaats": elke stortplaats waar een bepaalde afvalstof die in grote hoeveelheden ontstaat afzonderlijk wordt gestort;

- "stortvak": genummerd onderdeel van het totale beschikbare stortvolume;

- "stortzone": zone van de stortplaats waar de stort- en verdichtingsactiviteiten geschieden en waar de afvalstoffen in de loop van de werkdag niet hoeven afgedekt te worden;

- "stortfront": breedte van de stortzone waar de aflaadactiviteiten van afvalstoffen geschieden;

- "afsluitlaag": laag op bodem en wanden van de stortplaats die het doorsijpelen van percolaat naar bodem en grondwater moet verhinderen;

- "afdichtlaag": laag aangebracht op een stortvak waar de stortactiviteiten definitief beëindigd zijn en die het binnendringen van water in de gestorte afvalstoffen moet beletten;

- "eindafdek": laag aangebracht op een stortvak boven op de afdichtlaag bij de definitieve beëindiging van de stortactiviteiten;

- "percolaat": iedere vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit de stortplaats of zich daarin bevindt;

- "steekvast" (inzake slibvormige afvalstoffen): voldoende ontwaterd zodat de betreedbaarheid en de stabiliteit van de stortplaats nooit in het gedrang komen;

- "solidificatie": fysico-chemische behandeling waarbij de in de afvalstof aanwezige gevaarlijke stoffen worden geïmmobiliseerd via chemische of fysico-chemische omlegging;

- "openbare stortplaats": iedere stortplaats die krachtens het Afvalstoffenplan een openbare functie heeft;

- "stortdijken": dijken die de stortplaats begrenzen;
"dijkbelopen": schuine gedeelten (taluds) van de dijken;

binnenbeloop: talud aan de zijde waar gestort wordt;

buitenbeloop: talud aan de zijde van de omliggende percelen;

"dijkkruin": bovenste horizontale gedeelte van de dijk tussen binnen- en buitenbeloop;

 

- "exploitatiefase": periode gedurende de welke de stortplaats wordt uitgebaat met inbegrip van de definitieve afwerking van de stortplaats;

- "nazorgfase": periode volgend op de exploitatiefase;

- "inerte afvalstoffen": afvalstoffen die geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaan. Inerte afvalstoffen lossen niet op, verbranden niet en vertonen ook geen andere fysische of chemische reacties, worden niet biologisch afgebroken en hebben geen zodanige negatieve effecten op andere stoffen waarmee zij in contact komen dat milieuverontreiniging of schade aan de volksgezondheid dreigt te ontstaan. De totale uitloogbaarheid en het gehalte aan verontreinigende componenten van de afvalstoffen, en de ecotoxiciteit van het percolaat mogen niet significant zijn en met name de kwaliteit van het oppervlaktewater en/of grondwater niet in gevaar brengen.

- "stortplaatsgas": alle gassen die door de gestorte afvalstoffen worden gevormd;

- "eluaat": de oplossing die wordt verkregen door een doorsijpelingstest in het laboratorium;

Decontaminatie van infectieus afval (subafdeling 5.2.2.13)

1° “decontaminatie” : het proces waarbij de belading met micro-organismen op infectieuze afvalstoffen wordt teruggebracht tot een niveau waar de kans op besmetting voldoende klein wordt geacht. In het kader van decontaminatie van infectieuze afvalstoffen gaat het om de behandeling van dat afval met verzadigde vochtige hitte;

2° “vochtige hitte” : opwarming van afval met behulp van verzadigde stoom, een agens dat zijn warmte op een efficiëntere wijze afgeeft aan de afvalstoffen dan droge lucht;

3° “shredder” : toestel dat afvalstoffen verkleint tot ze een gewenste grootte hebben bereikt;

4° “verkleining” : proces waarbij afvalstoffen mechanisch worden verkleind;

5° “decontaminatieproces” : geheel van alle stappen die nodig zijn om afvalstoffen te decontamineren, vanaf de
belading van het toestel tot en met de ontlading van het toestel, met inbegrip van de mechanische verkleining van de
afvalstoffen;

6° “decontaminatiefase” : de fase van het decontaminatieproces waarin met behulp van verzadigde stoom de procestemperatuur minstens gelijk aan de doeltemperatuur wordt gehouden;

7° “decontaminatieprogramma” : set van procesparameters en vooropgestelde tijdsduur die de afvalstoffen moeten doorbrengen in de decontaminatiefase;

8° “decontaminatiecyclus” : één enkele uitvoering van het decontaminatieproces;

9° “decontaminatie-installatie” : het volledige toestel dat instaat voor het decontaminatieproces, inclusief toebehoren dat noodzakelijk is om risico’s voor mens en milieu toe te beperken, zoals shredders, filters, en dergelijke.

10° infectieus: de stoffen en preparaten die levensvatbare micro-organismen of hun toxinen bevatten, waarvan bekend is of waarvan sterk wordt vermoed dat ze ziekten bij de mens of bij andere levende organismen veroorzaken.

DEFINITIES ASBESTBEHEERSING (Hoofdstukken 2.6., 4.7. en 6.4.)

- "asbest": de vezelachtige silicaten actinoliet, amosiet (bruin asbest), anthofylliet, chrysotiel (wit asbest), crocidoliet (blauw asbest) en tremoliet;

- "ruw asbest": het produkt verkregen bij een eerste verbrijzeling van asbesthoudend gesteente;

- «Hechtgebonden asbest» : asbestcement, asbesthoudende vloertegels en vloerbekledingen, asbesthoudende bitumen en roofingproducten en asbesthoudende pakkingen en dichtingen waarvan het bindmiddel bestaat uit cement, bitumen, kunststof of lijm;

— «Niet hechtgebonden asbest» : alle andere asbesthoudende materialen;

- "gebruik van asbest": werkzaamheden waarbij per jaar een hoeveelheid van meer dan 100 kg ruwe asbest wordt behandeld en die betrekking hebben op:

a) de produktie van ruw asbest uit asbest-houdend gesteente met uitzondering van alle procédé's die rechtstreeks verbonden zijn met het winnen van het gesteente; en/of
b) de vervaardiging en industriële afwerking van produkten die ruwe asbest bevatten, zoals asbestfrictiemateriaal, asbestfilters, asbestweefsels, asbestpapier en -karton, koppelings-, dichtings-, verpakkings- en verstevigingsmateriaal van asbest, vloerbedekkingen van asbest en asbesthoudende vulmiddelen;

- "werken met asbesthoudende produkten": andere werkzaamheden dan gebruik van asbest, ten gevolge waarvan asbest in het milieu terecht kan komen;

DEFINITIES BEDEKKINGSMIDDELEN (Hoofdstuk 5.4.)

- "verf of lak": bereidingen met inbegrip van alle componenten nodig voor het aanbrengen ervan, die in een continue laag op een voorwerp worden aangebracht om daaraan een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te verlenen;

- "organische oplosmiddelen": iedere organische stof die bij een temperatuur van 293,15 EK een dampdruk heeft van 0,133 kPa of hoger, of die onder de specifieke gebruiksomstandigheden een overeenkomstige vluchtigheid heeft, en die:

-ofwel afzonderlijk of in combinatie met andere agentia gebruikt wordt om grondstoffen, produkten, of afvalstoffen op te lossen;
-ofwel als een reinigingsprodukt gebruikt wordt om verontreinigende stoffen op te lossen of als een oplossend produkt of als een dispersiemedium of als een viscositeitsregelend produkt, of als een weekmaker of als een bewaarmiddel;

- "voorbehandeling": het verwijderen van vuil, olie en vet, hamerslag, gloei-, wals- of lashuid, roest of andere corrosieprodukten, oude laklagen, enz. van voorwerpen die moeten worden geverfd, gelakt of vernist;

- "mechanische voorbehandeling": voorbehandeling op mechanische wijze zoals bikken, borstelen, schuren en (pneumatisch, werp- of nat)stralen;

- "thermische voorbehandeling": voorbehandeling door het afbranden of het vlamstralen;

- "chemische voorbehandeling":

a)het chemisch reinigen met:
-een alkalisch ontvettingsmiddel in ontvettingsbaden, in sproeitunnels of met een stoomstraal;
-organische oplosmiddelen in dompelbakken, sproeitunnels, met de hand of in dampontvettingstoestellen;
-emulsies of met produkten die tijdens het reinigen emulsies vormen;
b)het beitsen om oxyden of een walshuid te verwijderen;
c)het aanbrengen van anorganische conversielagen gevormd door inwerking van chemische stoffen waarbij het metaal zelf aan de deklaag meewerkt;

- "pneumatisch spuiten": het verstuiven van verf door een snelle luchtstroom;

- "warm spuiten": het spuiten van verf waarvan de viscositeit van de verf is verlaagd door het verhogen van de temperatuur van de verf;

- "airless spuiten": het verstuiven van de verf zonder luchtstroom door deze onder zeer hoge druk van circa 4.000 tot circa 20.000 kPa door een nauwe hardmetalen sproeier te spuiten;

- "elektrostatisch spuiten": het verstuiven van verf door middel van een elektrische hoogspanning van circa 90 tot circa 175 kV;

- "elektroforetisch lakken": het aanbrengen van lak door middel van een dompeltank waarin zich de met water verdunbare lak bevindt en waarbij tussen het voorwerp en de wand van de tank een elektrische gelijkspanning wordt aangelegd.

- "emailleren": het op voorwerpen tot smelten brengen van een glasachtige massa die vervolgens in een emailleeroven op hoge temperatuur (circa 800 tot circa 900E C) wordt gebrand met email als resultaat;

- "moffelen": het versneld laten drogen en doorharden van laklagen op voorwerpen door toepassing van objecttemperaturen boven 100 EC.

DEFINITIES BODEM

bodem: de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak. De bodem bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen;

ondergrond: het gedeelte van de aardkorst dat onder de bodem ligt.

Definities pesticiden (hoofdstuk 5.5.)

1° « pesticide » :

a) een gewasbeschermingsmiddel : een gewasbeschermingsmiddel als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
b) een biocide : een biocide als vermeld in artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;

2° « restvloeistoffen » : met gewasbeschermingsmiddelen gecontamineerde vloeistoffen, namelijk :

a) de sterk verdunde tankmengsels die overblijven, na doeltreffende reiniging op het veld, van de apparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;
b) vloeistoffen van het morsen tijdens het vullen van de apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;
c) vloeistoffen, afkomstig van een inrichting voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van handen rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, horende bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen;
d) vloeistoffen afkomstig van de reiniging van een inrichting voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, die horen bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen.
DEFINITIE BRANDSTOFFEN (VASTE) (Hoofdstuk 5.6.)

[...]

DEFINITIES DIEREN/OPSLAG MEST (Hoofdstukken 5.9. en 5.28.):

- "vee": alle voor gebruiks- of winstdoeleinden gehouden dieren;

- "gevogelte": gevogelte zoals leg- en mestkippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, fazanten, kwartels, met uitzondering van geringde duiven voor wedstrijddoeleinden, ouder dan één week;

- "varkens": zeugen, beren en/of gebruiksvarkens ouder dan 10 weken;

- "zeug": een vrouwelijk varken dat na de eerste worp in produktie wordt gehouden;

- gedekte jonge zeug: een gedekt vrouwelijk varken, ongeacht de leeftijd, tot het moment van de eerste worp;

- "grote zoogdieren": dieren zoals paarden, koeien, runderen, die gespeend zijn;

- "kleine herkauwers": dieren zoals geiten, schapen, damherten, edelherten, reeën, die gespeend zijn;

- "[...] kleine zoogdieren": dieren zoals konijnen, knaagdieren, katten, die gespeend zijn;

- "pelsdieren": dieren zoals vossen, marterachtigen, beverachtigen, chincilla's, die gespeend zijn;

- "honden": inheemse en uitheemse honden vanaf een leeftijd van 6 maanden

- «meststof» : elke één of meer stikstof- of fosforverbindingen bevattende stof die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei, met inbegrip van dierlijke mest, afval van visteeltbedrijven en zuiveringsslib;

- « dierlijke mest » : excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook producten daarvan, met inbegrip van champost en van afval van visteeltbedrijven;

- "mengmest": dierlijke mest in vloeibare vorm, met een gehalte aan droge stof lager dan 20 %;

- "vaste dierlijke mest": dierlijke mest andere dan mengmest;

- "opslagplaats voor vaste dierlijke mest": permanente stapelplaats voor vaste dierlijke mest;

- "opslagplaats voor mengmest": boven- of ondergronds reservoir voor de opslag van mengmest;

- "foliebassin": opslagplaats voor mengmest, uitgevoerd als een met folie beklede grondput;

- "mestzak": opslagplaats voor mengmest, geheel of gedeeltelijk gelegen boven het maaiveld, voornamelijk gebouwd uit kunststoffolies waarvan de bodemafdichting en afdichting één geheel vormen;

- "mestkelder": opslagplaats voor mengmest, geheel of gedeeltelijk gelegen onder het maaiveld en voorzien van een afdekking die als vloer moet kunnen fungeren;

- "mestsilo": opslagplaats voor mengmest, niet zijnde foliebassin, mestzak of mestkelder

- "mestdicht": met een zodanig kleine doorlatendheid ten opzichte van dierlijke mest dat verontreiniging van bodem, grond- en oppervlaktewater is uitgesloten;

[...]

[...]

- "kwetsbare zones": geografisch afgebakende zones die vanuit milieu-oogpunt als uiterst bijzonder kwetsbaar, zeer bijzonder kwetsbaar of bijzonder kwetsbaar dienen beschouwd ten aanzien van verontreiniging uit organische bronnen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

- "ammoniakemissiearme stal": een stal wordt als ammoniakemissiearm beschouwd indien hij is gebouwd volgens één van de technieken zoals beschreven in de lijst vast te stellen bij besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu.

«stalmest » : mengsel van stro en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen of varkens, met een drogestofgehalte van het mengsel van minimum 20 procent, en waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro. Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest, ongeacht het drogestofgehalte of de ontstaanswijze;

- « pluimvee » : kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten en patrijzen, die in gevangenschap worden opgefokt of gehouden voor de fokkerij, voor de productie van vlees of van consumptie-eieren of om in het wild te worden uitgezet;

- gezelschapsdieren: alle dieren van soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden, maar die niet gegeten worden, en die niet voor veeteelt gehouden worden.

Definities dierlijke bijproducten (hoofdstuk 5.2, afdeling 5.2.1 en hoofdstuk 5.43)

dierlijke bijproducten: de niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten, vermeld in de verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en haar uitvoerende verordening (EU) nr.142/2011;

verordening Dierlijke Bijproducten (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr.1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;

verordening (EG) nr. 142/2011: verordening (EG) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.

verordening (EU) nr. 592/2014: verordening (EU) nr. 592/2014 van de Commissie van 3 juni 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 voor wat betreft het gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als brandstof in stookinstallaties.

DEFINITIES EMISSIEJAARVERSLAG (Hoofdstuk 4.1[...])

- ”geleide emissie”: een emissie afkomstig van een schoorsteen waarvoor bepaalde fysische kenmerken bestaan (ligging, afmetingen) en waarvan het debiet kan worden bepaald;

- "niet geleide emissie": elke emissie, andere dan de geleide emissie.

- "totale emissie": de som van de geleide en de niet geleide emissies

definities behandelen van gassen (hoofdstuk 5.16)

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

"LPG-station": publiek toegankelijke verdeelinstallatie voor de bevoorrading van motorvoertuigen met vloeibaar gemaakte petroleumgassen (LPG);

- "kwetsbare locatie": een gebied met kwetsbare locatie is een terrein waarop zich een school, een ziekenhuis of een rust- of verzorgingsinstelling bevindt. Met scholen worden de basisscholen (kleuter- en lager onderwijs) en de secundaire scholen bedoeld.

- "potentiële woning" : een woning die volgens de regelgeving inzake ruimtelijke ordening op een onbebouwd bouwperceel kan worden gebouwd.;

[...]

-“lpg-reservoir”: vaste houder voor de opslag van onder druk vloeibaar gemaakte petroleumgassen, zijnde gassen of mengsels van gassen die rechtstreeks kunnen gevormd worden uit de raffinage van ruwe olie.

 

AARDGASAFLEVERINSTALLATIES (Hoofdstuk 5.16)

aardgasopslag: de vaste drukhouders die dienst doen als buffer voor de opslag van aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, alsook de vaste drukhouders die dienst doen als aflaatreservoirs voor het aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas bij aardgasafleverinstallaties;

aardgasaflevereenheden (homecompressors): de traagvullende inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, zonder aardgasopslag, bestaande uit één compressor en een of meer afleverslangen;

3° aardgasafleverinstallaties: de inrichtingen voor de bevoorrading van andere motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas dan aardgasaflevereenheden, bestaande uit een of meer compressoren, een eventuele aardgasopslag, en eenn of meer aflevertoestellen.

OZONLAAGAFBREKENDE STOFFEN EN GEFLUOREERDE BROEIKASGASSEN

- "ozonlaagafbrekende stoffen": de stoffen opgesomd in de tabel in bijlage I van verordening (EG) nr.1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en haar latere wijzigingen, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of gegenereerde stoffen betreft;

- "chloorfluorkoolstoffen (CFK’s)": de stoffen die zijn opgenomen in groep I van de tabel in bijlage I van verordening (EG) nr.1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en haar latere wijzigingen, met inbegrip van de isomeren ervan;

- "halonen": de stoffen die zijn opgenomen in groep III van de tabel in bijlage I van verordening (EG) nr.1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en haar latere wijzigingen, met inbegrip van de isomeren ervan;

- “gefluoreerde broeikasgassen”: fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolstoffen (PFK’s), zwavelhexafluoride en andere broeikasgassen die fluor bevatten, vermeld in bijlage I van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006, afzonderlijk of in een mengsel;

- “fluorkoolwaterstoffen (HFK’s)”: de fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), vermeld in deel 1 van bijlage I van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006;

- “perfluorkoolstoffen (PFK’s)”: de perfluorkoolstoffen (PFK’s), vermeld in deel 2 van bijlage I van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006.

[...]

KOELINSTALLATIES

- "koelinstallatie": het geheel van de onderdelen en apparaten die nodig zijn voor de werking van een koelsysteem; het gaat hier ook om luchtconditioneringsinstallaties en warmtepompen die een koelsysteem bevatten;

- "koelmiddel": fluïdum dat in een koelinstallatie wordt gebruikt voor warmtetransport, dat warmte absorbeert bij een lage temperatuur en druk en die warmte afstaat bij een hogere temperatuur en druk waarbij de aggregatietoestand van het fluïdum doorgaans verandert;

- "koelsysteem": geheel van delen die koelmiddel bevatten en die met elkaar verbonden zijn in een gesloten systeem waarin het koelmiddel circuleert met als oogmerk het onttrekken of verwijderen van warmte;

- “nominale koelmiddelinhoud”: de hoeveelheid koelmiddel waarmee een koelsysteem is gevuld om te functioneren onder de voorwaarden waarvoor het is ontworpen en waarbij de hoeveelheid koelmiddel in een buffer- of reservevat dat met de koelinstallatie is verbonden, wordt meegerekend; dat is normaliter de hoeveelheid die is ingebracht bij de eerste indienststelling;

[...]

- “relatief lekverlies”: de fractie van de nominale koelmiddelinhoud die ten gevolge van emissies over een kalenderjaar in de volledige installatie verloren werd, in verhouding tot de nominale koelmiddelinhoud. Het relatief lekverlies wordt berekend aan de hand van de hoeveelheden koelmiddel die aan een systeem worden toegevoegd. Het relatief lekverlies wordt bepaald via de volgende formule:

L = (B/N) x 100%, waarbij:

1° L: relatief lekverlies;

2° B: som van alle bijvullingen gedurende een kalenderjaar (kg);

3° N: nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie (kg).

- “bevoegde koeltechnicus”: een technicus die is aangewezen om werkzaamheden aan koelinstallaties op een verantwoorde manier uit te voeren, ofwel rechtstreeks door de exploitant, ofwel door het koeltechnisch bedrijf dat werkzaamheden aan de koelinstallatie uitvoert. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden aan koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen als vermeld in artikel 5.2.2.5.2, §9, artikel 5.16.3.3, §1bis, artikel 5bis.15.5.4.5.4, §1, artikel 5bis.19.8.4.8.4, §1 en artikel 6.8.1.1, beschikt de bevoegde koeltechnicus bovendien over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL voor de desbetreffende categorie I, II, III of IV;

[...]

[...]

- « airconditioningsysteem » : een combinatie van de bestanddelen die nodig zijn voor een vorm van inpandige luchtbehandeling waardoor de temperatuur wordt geregeld of kan worden verlaagd. Een reversibele warmtepomp wordt beschouwd als een airconditioningsysteem;

[...]

- “nominaal koelvermogen”: het totaal opgesteld koelvermogen, aangegeven door de fabrikant en berekend volgens de standaardvoorwaarden, zoals bepaald in EN 14511-2. Als het airconditioningsysteem op gebouwniveau bestaat uit een aantal individuele installaties, worden de vermogens van de verschillende individuele installaties opgeteld;

- « gebouw » : een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen.

- “ton CO2–equivalent”: een hoeveelheid broeikasgassen, uitgedrukt als het product van het gewicht van de broeikasgassen in metrische ton en het aardopwarmingsvermogen ervan;

- “aardopwarmingsvermogen”: het klimaatopwarmingsvermogen van een broeikasgas in verhouding tot dat van CO2, berekend in termen van het opwarmingsvermogen in een periode van honderd jaar van één kilogram van een broeikasgas in verhouding tot één kilogram CO2, als opgenomen in bijlage I, II en IV van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006 of, voor mengsels, berekend volgens de methode, vermeld in bijlage IV van diezelfde verordening.

[...] [...]
DEFINITIES GEÏNTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING

belangrijke wijziging van een GPBV-installatie: een wijziging van de aard of de werking, of een uitbreiding van de installatie die gevolgen voor het milieu kan hebben en die volgens de vergunningverlenende overheid significante negatieve effecten kan hebben op mens of milieu. In de zin van deze definitie wordt elke wijziging of uitbreiding van een exploitatie geacht belangrijk te zijn, als de wijziging of uitbreiding op zich voldoet aan de drempelwaarden, voor zover deze bestaan, van een rubriek of subrubriek uit de indelingslijst die in de indelingslijst is aangeduid met het symbool X, voor zover deze indelingscriteria bestaan;

gevaarlijke stoffen: gevaarlijke stoffen: stoffen of mengsels als vermeld in artikel 3 van verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006, met toepassing van artikel 3.3.0.2, 12°, van dit besluit, en ter uitvoering van de voormelde verordening (EG) nr. 1272/2008;

GPBV-installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.

DEFINITIES GELUID (HOODSTUKKEN 2.2, 4.5, 5.32 EN 6.7)
ALGEMEEN

- "A-Weging": weging volgens de A-curve, gedefinieerd in de norm IEC 61672-1;

- "A-gewogen geluidsdrukniveau LpA": het A-gewogen momentane niveau van de geluidsdruk;

- "A-gewogen equivalent continu geluidsdrukniveau LAeq.T": het constante A-gewogen geluidsdrukniveau dat gedurende het tijdsinterval T dezelfde geluidsenergie zou veroorzaken als het werkelijk gemeten A-gewogen geluidsdrukniveau gedurende hetzelfde tijdsinterval T;

- "A-gewogen procentueel niveau LANT": het A-gewogen geluidsdrukniveau dat gedurende N % van het tijdsinterval T wordt overschreden;

- "stabiel geluid": geluid waarvan de niveauschommelingen, gemeten als LAeq,1s niet meer bedragen dan 5 dB(A);

- "intermitterend geluid": geluid waarvan het niveau meerdere keren terugvalt tot dat van het residuele geluid en waarbij het geluidsniveau tijdens de verhoging aanhoudt gedurende een periode in de orde van grootte van 2 seconden; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in het totaal niet langer dan 10 % van de duur van de desbetreffende beoordelingsperiode(n);

- "fluctuerend geluid": geluid waarvan het niveau voortdurend en in belangrijke mate varieert; de variaties kunnen zowel periodisch als niet-periodisch zijn; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in het totaal niet langer dan 10 % van de desbetreffende beoordelingsperiode(n);

- "impulsachtig geluid": geluid veroorzaakt door zeer kortstondige gebeurtenissen, korter dan 2 seconden, en waarvan het niveau meerdere keren abrupt terugvalt tot dat van het residuele geluid of het oorspronkelijke omgevingsgeluid; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in het totaal niet langer dan 10 % van de desbetreffende beoordelingsperiode(n);

- "incidenteel geluid": geluid waarvan het niveau weinig frequent verhoogt ingevolge gebeurtenissen die langer dan 2 seconden duren; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in het totaal niet langer dan 10 % van de duur van de desbetreffende beoordelingsperiode(n);

- "tonaal geluid": geluid waarvan het tonale karakter in het frequentiegebied van 50 Hz tot 10.000 Hz wordt aangetoond door:

- ofwel een lineaire tertsbandanalyse (waarde van minstens één tertsband ten minste 5 dB hoger dan waarde van beide aanliggende tertsbanden);
- ofwel hoorbaarheid en een smalbandanalyse in 1/24-octaafbanden;

- "omgevingsgeluid": het geluid op een gegeven plaats en op een gegeven ogenblik; dat geldt zowel in open lucht als in een gesloten ruimte;

- "relevante waarde": de getalwaarde van de akoestische grootheid die het geluid van een inrichting, of een deel ervan karakteriseert;

- "specifiek geluid": de relevante waarde die eventueel aangepast wordt met een beoordelingsgetal; tot het specifieke geluid van een inrichting wordt eveneens geluid (lawaai) gerekend, voortgebracht door transport, laad- en losverrichtingen, verkeer, het opwarmen en laten draaien van motoren op het terrein van de inrichting, evenals door het in- en uitgaande verkeer;

- " residueel geluid": geluid dat bestaat na stopzetting of opheffing van één of meer welbepaalde geluidsbronnen van een inrichting die op significante wijze bijdragen tot het omgevingsgeluid;

- "oorspronkelijk omgevingsgeluid": omgevingsgeluid dat aanwezig is vóór het exploiteren of veranderen van een inrichting;

- "beoordelingsperiode":

  • overdag : de periode van 7 tot 19 uur;
  • 's avonds : de periode van 19 tot 22 uur;
  • 's nachts : de periode van 22 tot 7 uur;

 

- "meetduur": de totale duur van een periode waarin het geluid effectief wordt gemeten;

- "meetperiode": niet noodzakelijk aaneengesloten periode die meerdere metingen kan omvatten;

- "volledig akoestisch onderzoek": onderzoek dat een evaluatie volgens dit besluit beoogt van een akoestische situatie op basis van immissieniveaus eventueel aangevuld met saneringsvoorstellen;

- "beperkt akoestisch onderzoek": onderzoek dat enkel de technische controle omvat, vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en wordt uitgevoerd door of onder de verantwoordelijkheid van de toezichthouders;

- « A-gewogen maximaal geluidsdrukniveau gemeten met de trage tijdsweging LAmax,slow » : het maximaal A-gewogen niveau van de geluidsdruk, gemeten met de trage (1sec) tijdswegingkarakteristiek S;

- « geluidsbegrenzer » : een toestel dat ontworpen is om elke overschrijding van een vooraf ingesteld maximaal geluidsniveau te corrigeren, hetzij door een volledige stopzetting van de muziekproductie, hetzij door het geleidelijk aftoppen van het geluidsniveau;

muziek » : alle vormen van muziekemissie, elektronisch versterkt en voortkomend uit blijvende of tijdelijke geluidsbronnen;

- « muziekactiviteit » : elke activiteit, al dan niet ingedeeld, waarbij muziek wordt geproduceerd;

- « bijzondere gelegenheid » : zoals kermis, carnaval, muziekfestival, fuif, schoolfeest, jaarfeest van een vereniging, huwelijksfeest, jubileumviering en andere bijzondere feesten en festiviteiten. »;

BELEIDSTAKEN BETREFFENDE DE EVALUATIE EN DE BEHEERSING VAN OMGEVINGSLAWAAI (afdeling 2.2.4)

- "omgevingslawaai": ongewenst of schadelijk geluid buitenshuis dat door menselijke activiteiten wordt veroorzaakt, inclusief geluid dat wordt voortgebracht door wegverkeer, spoorwegverkeer, luchtverkeer, door het gebruik van vervoermiddelen of door GPBV-installaties [...];

 

Omgevingslawaai omvat niet het ongewenst of schadelijk geluid veroorzaakt door de eraan blootgestelde persoon zelf, door huishoudelijke activiteiten, door buren, op de arbeidsplaats, binnen vervoermiddelen of door militaire activiteiten op militaire terreinen.

- "schadelijke effecten": negatieve effecten op de gezondheid van de mens;

- "geluidshinder": mate van voor de bevolking door omgevingslawaai veroorzaakte hinder als bepaald met veldonderzoek;

- "geluidsbelastingindicator": natuurkundige grootheid voor de beschrijving van het omgevingslawaai die een verband heeft met een schadelijk effect;

- "bepaling": methode voor de berekening, voorspelling, raming of meting van de waarde van een geluidsbelastingindicator of van de schadelijke effecten die ermee verband houden;

- "Lden dag-avond-nacht-geluidsbelastingsindicator": geluidsbelastingindicator voor de hinder tijdens de etmaalperiode, zoals nader gedefinieerd in Bijlage 2.2.4.1. van dit besluit;

- "Lday (dag-geluidsbelastingsindicator)": geluidsbelastingindicator voor de hinder tijdens de dagperiode, zoals nader gedefinieerd in Bijlage 2.2.4.1.van dit besluit;

- "Levening (avond-geluidsbelastingsindicator)": geluidsbelastingindicator voor hinder tijdens de avondperiode, zoals nader gedefinieerd in Bijlage 2.2.4.1. van dit besluit;

- "Lnight (nacht-geluidsbelastingsindicator)": geluidsbelastingindicator voor slaapverstoringen tijdens de nachtperiode, zoals nader gedefinieerd in bijlage 2.2.4.1.van dit besluit;

- "dosis/effectrelatie": relatie tussen de waarde van een geluidsbelastingindicator en een schadelijk effect;

- "zone": een afgebakend gedeelte van het grondgebied van het Vlaamse Gewest;

- "agglomeratie": een door de Vlaamse Regering vastgestelde zone met een bevolking van meer dan 100.000 inwoners en met een zodanige bevolkingsdichtheid dat de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai gerechtvaardigd is;

- "stiltegebied in een agglomeratie": zone binnen een agglomeratie die niet of nauwelijks is blootgesteld aan omgevingslawaai en die voldoet aan specifieke criteria die de Vlaamse Regering vaststelt;

- "stiltegebied op het platteland": zone buiten een agglomeratie die niet of nauwelijks is blootgesteld aan omgevingslawaai, waar natuurlijke geluiden overheersen en die voldoet aan specifieke criteria die de Vlaamse Regering vaststelt;

- "bestuur": de afdeling, bevoegd voor geluidshinder en de andere overheidsdiensten die de Vlaamse Regering voor voorafgaand overleg ter uitvoering van afdeling 2.2.4. aanwijst;

- "belangrijke weg": weg op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, zoals aangeduid door de Vlaamse Regering op voorstel van het bestuur, waarop jaarlijks meer dan drie miljoen voertuigen passeren;

- "belangrijke spoorweg": spoorweg op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, zoals aangeduid door de Vlaamse Regering op voorstel van het bestuur, waarop jaarlijks meer dan 30.000 treinen passeren;

- "belangrijke luchthaven": burgerluchthaven op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, zoals aangeduid door de Vlaamse Regering op voorstel van het bestuur, waarop jaarlijks meer dan 50.000 vliegtuigbewegingen plaatsvinden, “met uitsluiting van oefenvluchten met lichte vliegtuigen;”

- “licht vliegtuig”: vliegtuig ingedeeld in ICAO Wake Turbulence Category ‘Light’”;

- "geluidsbelastingkaart": weergave van een bestaande, vroegere of voorspelde geluidssituatie. De geluidssituatie wordt weergegeven in termen van een geluidsbelastingindicator, van overschrijdingen van de toepasselijke drempelwaarden, van het geschatte aantal blootgestelde personen of van het geschatte aantal woningen, scholen en ziekenhuizen dat in een bepaalde zone is blootgesteld aan een bepaalde waarde van een geluidsbelastingindicator;

- "strategische geluidsbelastingkaart": een geluidsbelastingkaart voor de algemene evaluatie of prognose van de geluidssituatie in een zone, veroorzaakt door de onderscheiden geluidsbronnen;

- ″geluidsactieplannen″: plannen bedoeld voor de beheersing van lawaai-uitstoot en lawaai-effecten, waar nodig met inbegrip van lawaaivermindering;

- "geluidsplanning": de planning van maatregelen, onder meer in het kader van milieubeleid, ruimtelijke ordening en mobiliteit zoals de ontwikkeling van verkeerssystemen, verkeersplanning, geluidszonering, isolatiemaatregelen en lawaaibeheersing aan de bron met het oog op het vermijden van toekomstige geluidshinder

[...]

-“drempelwaarde”: waarde van Lden of Lnight, en waar passend Lday en Levening, als bepaald door de Vlaamse Regering, bij overschrijding waarvan de bevoegde instanties beperkingsmaatregelen in overweging nemen of opleggen; de drempelwaarden kunnen verschillend zijn voor verschillende typen lawaai (lawaai door weg-, spoorweg of luchtverkeer, industrielawaai enz.), verschillende omgevingen en verschillende gevoeligheden van bevolkingsgroepen voor lawaai; zij kunnen ook verschillend zijn voor bestaande en nieuwe situaties (bij verandering van de situatie wat de geluidsbron of het omgevingsgebruik betreft);

Voorwaarden voor laad- en losverrichtingen voor bepaalde inrichtingen, ingedeeld volgens rubriek 16.3.1 (afdeling 4.5.7)

laad- en losverrichtingen: de verrichtingen die bestaan uit het laden en lossen van goederen én het manoeuvreren van de vrachtwagen om de inrichtingen, vermeld in artikel 4.5.7.0.1, te bevoorraden;

het laden en lossen van goederen: het laden en lossen van goederen uit een geparkeerde vrachtwagen aan de bedrijfseigen laad- en losplaats, inclusief de handelingen die dit mogelijk moeten maken, zoals het openen en sluiten van deuren en poorten. Pauzes en andere onderbrekingen worden hierbij niet omvat;

manoeuvreren van de vrachtwagen: de bewegingen en manoeuvres van de vrachtwagen op het perceel of de percelen, gebruikt door de inrichting, met als doel de bedrijfseigen laad- en losplaats te bereiken om goederen te laden en te lossen of het terrein na het laden en lossen van goederen aan de laad- en losplaats te verlaten, inclusief het stilleggen en het opstarten van de motor en het stationair draaien van de motor in afwachting van de uitvoering van bewegingen en manoeuvres;

dagrand:

a) ochtenddagrand: de periode van 6 tot 7 uur;

b) avonddagrand: de periode van 19 tot 23 uur;

een inpandige laad- en losplaats: een laad- en losplaats in een afgesloten gebouw, waarbij de volledige vrachtwagen in dat gebouw geparkeerd wordt en waarbij goederen alleen geladen en gelost worden als de toegangspoorten van het gebouw gesloten zijn;

een overdekte laad- en losplaats: een laad- en losplaats met een overkapping die altijd minstens de volledige laadruimte van de vrachtwagen overdekt;

een laad- en losplaats in open lucht: een laad- en losplaats die geen overdekte of inpandige laad- en losplaats is;

laad- en losverrichtingen met geluidsarm materieel: de laad- en losverrichtingen waarbij materiaal gebruikt wordt overeenkomstig de criteria, vermeld in bijlage 4.5.7.4;

9° één belevering: de uitvoering van laad- en losverrichtingen waarbij één vrachtwagen de inrichting bevoorraadt met één lading van goederen;

10° de dichtstbijzijnde woningen: de woningen waar ter hoogte van de ramen het hoogste geluidsniveau wordt verwacht ten gevolge van de laad- en losverrichtingen;

DEFINITIES GENETISCH GEMODIFICEERDE EN/OF PATHOGENE ORGANISMEN

- "pathogeen micro-organisme of organisme": het geheel van menselijke, fytopathogene en zoöpathogene agentia van risiconiveau 2, 3 en 4, bedoeld in artikel 5.51.3.1, § 2, van dit besluit;

- "organismen die zich actief kunnen verspreiden": de eukaryoten die behoren tot de insecten, de ongewervelde dieren, de vissen, de vogels, de knaagdieren, de lagomorfen en de planten die kunnen bestuiven;

- "ongeval": elk incident tijdens het ingeperkt gebruik waarbij onbedoeld een significante hoeveelheid pathogene en/ of genetisch gemodificeerde micro-organismen of organismen vrijkomt waardoor de menselijke gezondheid of het milieu onmiddellijk of op termijn in gevaar kan worden gebracht;

- gebruiker: elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ingeperkte gebruik van GGO’s of pathogene organismen;

- genetisch gemodificeerd micro-organisme (GGM) of organisme (GGO): een micro-organisme of een organisme waarvan het genetische materiaal gewijzigd is op een wijze die van nature of door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is. Volgens deze definitie vindt genetische modificatie plaats als een van de technieken, vermeld in bijlage 1.5.1.1. A, deel 1, wordt toegepast, met uitzondering van de technieken, opgesomd in bijlage 1.5.1.1. A, deel 2;

- technisch deskundige: de sectie Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid (SBB), vermeld in artikel 4 van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid, die conform artikel 12, §2, van het voormelde samenwerkingsakkoord, op basis van een bevoegdheidsdelegatie de evaluatie van de bioveiligheid uitvoert;

- bevoegde instantie: de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

Definities gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen (hoofdstukken 4.1, 5.17, en 6.5 en afdelingen 5.6.2 en 5.6.3)
-ALGEMENE DEFINITIES

brandbare vloeistoffen: de vloeistoffen die op basis van de etikettering niet gekenmerkt zijn door een gevarenpictogram volgens de CLP-verordening met een vlampunt hoger dan 60 °C tot maximaal 250 °C, of de vloeibare brandstoffen die op basis van de etikettering niet gekenmerkt zijn door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening met een vlampunt hoger dan 60 °C tot maximaal 250 °C;

CLP-verordening: verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006;

gevaarlijke gassen: de samengeperste, vloeibaar gemaakte, in oplossing gehouden of sterk gekoelde vloeibare gassen volgens de CLP-verordening;

gevaarlijke producten: de stoffen en mengsels, vermeld in artikel 3 van de CLP-verordening;

gevarencategorie: een onderverdeling naar de ernst van het gevaar binnen elke gevarenklasse op basis van de criteria volgens de CLP-verordening;

gevarenklasse: de aard van het fysische, gezondheids- of milieugevaar, volgens de CLP-verordening;

gevarenpictogram: de grafische voorstelling die bestaat uit een symbool en andere grafische elementen, zoals een kader, een achtergrondpatroon of -kleur, bedoeld om specifieke informatie over het gevaar in kwestie te verstrekken, volgens de CLP-verordening;

opslagplaats: de ruimten of plaatsen in gebouwen, ondergronds of in de openlucht, waarin de gevaarlijke producten of de brandbare vloeistoffen, vermeld in dit besluit, in vaste houders, in verplaatsbare recipiënten of onverpakt zijn opgeslagen in een hoeveelheid die het dagverbruik per 24 uur overschrijdt. Daarbij wordt verstaan onder :

a) vaste houders : de houders die worden gevuld of bijgevuld op de plaats van gebruik;
b) verplaatsbare recipiënten : de houders die worden gevuld of bijgevuld op een andere plaats dan de plaats van gebruik;

 

De volgende ruimten of plaatsen worden niet beschouwd als opslagplaats als vermeld in punt 8° :

a) transportvoertuigen;
b) fabricagetoestellen waarin de producten een bewerking moeten ondergaan, en de pompen en buffervaten, gekoppeld aan de productie;
c) winkelruimten, voor het publiek toegankelijk, voor de verkoop van gevaarlijke producten in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 l of 30 kg, met uitzondering van producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01;
d) geïntegreerde brandstoftanks bij vast opgestelde motoren, zoals bij aggregaten, pompen, noodgeneratoren en dergelijke, met een maximale waterinhoud van 2000 l;

 

Gevaarlijke gassen

- "open opslagplaats": een opslagplaats in open lucht of in een ruimte die maximum voor drie vierde van de omtrek van de opslagplaats gesloten is;

- "gesloten opslagplaats": een opslagplaats in een gesloten lokaal of in een ruimte die voor meer dan drie vierde van de omtrek van de opslagplaats gesloten is;

- "opslagcapaciteit": het totaal waterinhoudsvermogen van de recipiënten, zowel de volle als de ledige, die maximaal opgeslagen worden zoals opgegeven in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in de melding;

- "stockeringszone": in de inrichting voorziene zone voor het stockeren van verplaatsbare recipiënten;

- "veiligheidsscherm (opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten)": scherm dat tot doel heeft de opslagplaats voor een brand van buitenaf te beschermen; het gaat ofwel om een tussenmuur ofwel om één of meerdere muren van de opslagplaats of de stockeringszone.

- "inhoudsvermogen van de houders": hun waterinhoudsvermogen;

- "veiligheidsscherm (opslag van gassen in vaste houders)":

a) voor opslagplaatsen met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 3000 l: wand of muur ofwel van metselwerk met een dikte van tenminste 18 cm, ofwel van beton met een dikte van tenminste 10 cm, ofwel van enig ander materiaal met een dikte die een equivalente vuurweerstandscoëfficient heeft; dit scherm heeft een hoogte van minimaal 2 m en moet de maximale hoogte van de gashouder met minimaal 0,5 m overschrijden;
b) Voor opslagplaatsen met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3000 l: dicht en onbrandbaar scherm; dit scherm heeft een hoogte van minimaal 2 m en moet de maximale hoogte van de gashouder met minimaal 0,5 m overschrijden.

- “lpg-reservoir”: vaste houder voor de opslag van onder druk vloeibaar gemaakte petroleumgassen, zijnde gassen of mengsels van gassen die rechtstreeks kunnen gevormd worden uit de raffinage van ruwe olie.

Gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen en brandbare vloeistoffen

[...]

- "vlampunt": temperatuur, bepaald volgens de voorschriften van de normen NBN T 52-900, NBN T 52-110 en NBN T 52.075;

- "niet-brandbare materialen": een materiaal wordt niet-brandbaar genoemd (NBN S21 - 201) wanneer het geen enkel uitwendig verschijnsel van merkbare warmte-ontwikkeling vertoont tijdens een genormaliseerde proef waarbij het aan een voorgeschreven verhitting blootgesteld wordt;

[...]

[...]

[...]

[...]

- "vloeistofdicht/ondoordringbaar": met een zodanig kleine doorlatendheid ten opzichte van de te weerhouden producten dat verontreiniging van bodem, grond- en oppervlaktewater uitgesloten is;

- "inkuiping": een kuipvormige uitgevoerde vloeistofdichte constructie uit niet-brandbare materialen, die in staat is om de lekvloeistof te weerhouden; onder deze definitie valt tevens de "opvanglade" bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones;

- "groeve": een ondergrondse constructie in metselwerk of beton die geen deel uitmaakt van een gebouw en die begrensd is door een vloer, wanden en eventueel een dakplaat, waarin houders zijn geplaatst en die in staat is om de lekvloeistof te weerhouden, derwijze opgevat dat:

a) de erin geplaatste houder(s) zich beneden het peil van de belendende grond bevindt(en) zodanig dat het bovenste gedeelte van de houder(s) op ten minste 50 cm onder vermeld peil is gelegen;
b) geen grondwater in de groeve kan terechtkomen; 
c) geen hemelwater in de groeve kan terechtkomen of indien de groeve niet is afgedekt, deze is uitgerust met een systeem dat toelaat het water te verwijderen, nadat is vastgesteld dat hierin geen van de opgeslagen producten aanwezig is;

- "permanent lekdetectiesysteem": een bestendig aanwezig systeem dat toelaat op een gemakkelijke manier lekken vast te stellen;

- "tankenpark": een verzameling van één of meer bovengrondse houders binnen één inkuiping en met een totale capaciteit van meer dan 250 m3;

[...]

[...]

- "erkend technicus": milieudeskundige, erkend in de discipline verwarmingsinstallaties die gevoed zijn met vloeibare brandstof, in het bezit van een geldig en erkend attest inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks als bedoeld in artikel 6.5.6.3;

- "bevoegd deskundige": een aan een inrichting verbonden deskundige waarvan de bevoegdheid voor de bouw, beveiliging, onderhoud en controle van houders, leidingen en toebehoren overeenkomstig bijlage 5.17.8 bij dit besluit door de afdeling bevoegd voor erkenningen is aanvaard;

- "benzine": een aardoliederivaat, met of zonder additieven, met een volgens de Reidmethode bepaalde dampdruk van 27,6 kilopascal of meer, dat voor gebruik als brandstof voor motorvoertuigen is bestemd, met uitzondering van vloeibaar petroleumgas (LPG);

- "mobiele tank": een over de weg, per spoor of over het water vervoerde houder met uitzondering van zeeschepen die wordt gebruikt voor de overbrenging van gevaarlijke vloeistoffen;

- « schip » : een binnenschip als gedefinieerd in artikel 1.01 van bijlage II van het koninklijk besluit van 19 maart 2009 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen;

- "verdeelinstallatie": een installatie waar gevaarlijke vloeistoffen overgeladen worden van een vaste houder naar een mobiele tank of naar verplaatsbare recipiënten;

[...]

[...]

[...]

- "onafhankelijk opslagdepot" : inrichting waar enkel opslagtanks gebruikt worden voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke producten in opdracht van derden, die noch het product, noch de grondstof zijn van of voor een procesinstallatie van dezelfde exploitant.

- “gevaarlijke vloeistoffen van groep 1”: ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 1, 2 en 3 volgens de CLP-verordening met een vlampunt lager dan 55 °C;

- “gevaarlijke vloeistoffen van groep 2”:

a) ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3, uitsluitend gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 55 °C, en
b) vloeibare brandstoffen en petroleumproducten gekenmerkt door gevarenpictogram GHS02 volgens de CLP-verordening met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 55 °C;

- “gevaarlijke vloeistoffen van groep 3”: vloeistoffen gekenmerkt door minstens één gevarenpictogram volgens de CLP-verordening, andere dan gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en groep 2;

- “erkende stookolietechnicus”: erkende stookolietechnicus, zoals vermeld in artikel 6, 2°, d) van het VLAREL”;

BEHEERSING VAN DE UITSTOOT VAN VLUCHTIGE ORGANISCHE STOFFEN (VOS) (afdeling 5.17.4)

- ″damp, benzinedamp″ : een gasvormige, uit benzine vervluchtigende verbinding;

- "opslaginstallatie": een of meerdere vaste houders die op een terminal voor de opslag van benzine wordt gebruikt;

- "overslaginstallatie ": het geheel van leidingen, pompen, laadarmen, tellers en injectiesystemen op een terminal of in een verdeelinstallatie - met uitzondering van de ermee verbonden opslaginstallatie(s) - waardoor benzine in mobiele tanks kan worden geladen en overgeslagen; overslaginstallaties voor tankwagens omvatten één of meer laadportalen;

- "laadportaal": een constructie op een terminal waarmee te allen tijde benzine in een tankwagen kan worden geladen;

- "terminal": een geheel van voorzieningen omvattende opslaginstallaties, overslaginstallaties en alle toebehoren, die voor de opslag en het laden of overslaan van benzine in tankwagens, tankwagons of schepen wordt gebruikt;

- "bestaande opslaginstallatie, overslaginstallatie, verdeelinstallatie voor benzine": installatie waarvan de exploitatie op 1 augustus 1995 is vergund of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op deze datum in behandeling was;

- "nieuwe opslaginstallatie, overslaginstallatie, verdeelinstallatie voor benzine": installatie die niet beantwoordt aan de criteria van een "bestaande opslaginstallatie, overslaginstallatie, verdeelinstallatie";

- "doorzet": de in de vermelde referentiejaren gemeten grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die vanuit of via de opslag- of overslaginstallatie van een terminal of van een verdeelinstallatie wordt overgeslagen in mobiele tanks;

- "dampterugwinningseenheid": een installatie voor de terugwinning van benzine uit damp, met inbegrip van eventuele buffertanksystemen van een terminal;

- "streefreferentiewaarde": het richtsnoer dat is vastgesteld voor de algemene beoordeling van de overeenstemming met de technische voorschriften in de bijlagen en dat niet bedoeld is als een grenswaarde waaraan de prestaties van afzonderlijke installaties, terminals en verdeelinstallaties voor benzine zullen worden afgemeten;

- "voorlopige dampopslag": de voorlopige dampopslag in een houder met vast dak op een terminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere terminal; de overbrenging van damp van de ene naar de andere opslaginstallatie op een terminal wordt niet beschouwd als voorlopige dampopslag zoals in dit besluit gedefinieerd.

-″fase II-benzinedampterugwinningssysteem″ : apparatuur die bestemd is om benzinedamp die uit de brandstoftank van een motorvoertuig ontsnapt tijdens het tanken in een benzinestation, terug te winnen, en waarmee die benzinedamp naar een opslagtank bij het benzinestation wordt gevoerd of weer naar de benzinepomp om te worden verkocht;

- ″benzinestation″ : een installatie waar brandstoftanks van motorvoertuigen met benzine uit vaste opslagtanks worden gevuld;

- ″bestaand benzinestation″ : een benzinestation waarvoor de eerste omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is verleend vóór 1 januari 2012;

- ″nieuw benzinestation″ : een benzinestation waarvoor de eerst omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is verleend op of na 1 januari 2012;

- ″uitgebreid gerenoveerd benzinestation″ : een benzinestation waarvan de infrastructuur, namelijk de tanks en de leidingen, sterk wordt gewijzigd of vernieuwd;

- ″benzinedampafvangrendement″ : de hoeveelheid benzinedamp die door het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage;

- ″damp-benzineverhouding″ : de verhouding tussen het volume bij atmosferische druk van benzinedamp die door een fase II-benzinedampterugwinningssysteem loopt en het volume van de geleverde benzine;

- ″automatisch bewakingssysteem″ : een bewakingssysteem dat storingen in het juiste functioneren van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem en in het automatische bewakingssysteem zelf automatisch opspoort, dat storingen aan de benzinestationhouder meldt en dat de benzinetoevoer naar de defecte pomp automatisch stopt als de storing niet binnen de zeven kalenderdagen is verholpen;

- —″debiet″ : de totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele tanks aan een benzinestation wordt geleverd.

DEFINITIES LICHTHINDER (Hoofdstukken 4.6. en 6.3.)

- "lichthinder": hinder tengevolge van kunstlicht;

- "klemtoonverlichting": verlichting, bedoeld om de aandacht te trekken of om het verlichte onderwerp te accentueren;

- "lichtreclame": door middel van lichtgevende boodschappen de aandacht vestigen op een produkt, een merknaam of de naam van een inrichting.

Definities luchtverontreiniging (hoofdstuk 2.10, deel 3, 4, 5 en 6)
ALGEMEEN

[...]

[...]

[...]

- "waarnemingsdrempel": het laagste gehalte of de laagste concentratie voor de betrokken parameter die kan worden waargenomen;

- "bepalingsdrempel": het/de kleinste met een gegeven werkwijze in een monster kwantitatief bepaalbare gehalte of concentratie van een gegeven stof die nog van nul kan worden onderscheiden;

- emissie: het vrijkomen van stoffen in de atmosfeer uit een puntbron of een diffuse bron;

 

- antropogene emissie: emissie in de atmosfeer van verontreinigende stoffen ten gevolge van menselijke activiteiten;

- "beschermingszone": een geografisch afgebakende zone die vanuit milieu-oogpunt bijzonder moet worden beschermd;

als beschermingszones worden aangeduid de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten, als bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de bosreservaten als bedoeld in het Bosdecreet van 13 juli 1990 en de natuurreservaten en natuurparken zoals bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

- "speciale beschermingszone": zone waarin de te verwachten toename van de verontreiniging ten gevolge van stedelijke en industriële ontwikkelingen moet worden beperkt of voorkomen;

als speciale beschermingszones worden aangeduid:

 

zone Antwerpen: de gemeenten Antwerpen, Borsbeek, Edegem, Mortsel, Schoten, Wijnegem, Wommelgem en Zwijndrecht;
zone Gent: de gemeenten Destelbergen, Evergem en Gent;
zone Brussel-rand: de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Machelen, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem.

 

- "Nm3": Normaal kubieke meter, of het volume gas, herleid tot de genormaliseerde temperatuur (273,15°K) en druk (101,3 kPa), na aftrek van het waterdampgehalte, behoudens anders vermeld.

[...]

- “geleide emissie”: een emissie afkomstig van een schoorsteen waarvoor welbepaalde fysische kenmerken bestaan (ligging, hoogte, diameter) en waarvan het debiet kan worden bepaald;

- "normale bedrijfsomstandigheden": bedrijfsomstandigheden buiten de opstart- of stillegprocedures, tenzij anders vermeld;

- "percentielwaarde Xq": is de waarde als volgt berekend uit de over het gehele jaar gemeten waarden:

 

a) alle werkelijk gemeten waarden, afgerond op de eenheid van 1 μg/m3, behoudens voor de parameters waarvoor een grenswaarde < 5 μg/m3 is voorgeschreven in welk geval de afronding dient te gebeuren op 0,01 μg/m3, worden op een rij gezet en wel voor elk meetpunt in volgorde van grootte: X1 ≤ X2 ≤ X3 ≤ .....≤ Xk ≤ ..... ≤ Xn-1 ≤ Xn;
b) het q-percentiel is de waarde van het element met volgnummer k, waarbij k berekend wordt met de volgende formule:

 

k = q x n

waarin:

- q = 0,98 voor het 98ste percentiel, 0,50 voor het 50ste percentiel, enz.;
- n = het aantal werkelijk gemeten waarden;

de berekende waarde van k wordt hierbij afgerond op het naastbij gelegen gehele getal;

voormelde percentielwaarde wordt slechts als geldig beschouwd indien tenminste 75 % van de mogelijke waarden beschikbaar zijn en voor het bewuste meetpunt zoveel mogelijk gelijkelijk over de gehele referentieperiode zijn verdeeld;

 

- "meetwaarde": een zo nauwkeurig mogelijke benadering van de werkelijke gemiddelde concentratie of massa van een verontreinigende stof over een volledige referentieperiode;

- "referentieperiode": in principe een uur, behalve voor metingen bij discontinue produktieactiviteiten (batch-procédé's), waarvoor de tijdsduur van de activiteit (batch) met een max. van 4 uur dient genomen;

- "inadembaar stof": is de inadembare fraktie van stof t.t.z. de deeltjes welke tot in de alveolen van de longen doordringen. Deze fraktie wordt gedefinieerd als de cumulatieve lognormale verdeling met een aërodynamische mediane diameter van 4,25 μm en een geometrische standaardafwijking van 1,5;

- « Lucht » : de buitenlucht in de troposfeer, met uitsluiting van elke plaats die bestemd is als locatie voor werkplekken in gebouwen van de onderneming of inrichting, met inbegrip van elke andere plaats op het terrein van de onderneming of inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft en waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben;

- « verontreinigende stof » : een stof die zich in de lucht bevindt en die waarschijnlijk schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel heeft;

- "niveau": de concentratie van een verontreinigende stof in de lucht of de depositie daarvan op oppervlakken binnen een bepaalde tijd;

- "beoordeling": een methode die wordt gebruikt om het niveau van een verontreinigende stof in de lucht te meten, te berekenen, te voorspellen of te ramen;

- "grenswaarde voor luchtkwaliteit": een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden;

- « streefwaarde of richtwaarde voor luchtkwaliteit » : een niveau dat is vastgesteld om schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat voor zover mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;

- « alarmdrempel » : een niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico’s inhoudt voor de gezondheid van de bevolking als geheel. Als de alarmdrempel bereikt wordt, moeten onmiddellijk stappen gezet worden;

- « langetermijndoelstelling » een niveau dat op lange termijn zou moeten worden bereikt, behalve waar dit niet door proportionele maatregelen kan worden bereikt, met het doel de menselijke gezondheid en het milieu een doeltreffende bescherming te bieden;

[...]

- « informatiedrempel » : een niveau waarboven kortstondige blootstelling een gezondheidsrisico inhoudt voor bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen, waaraan onmiddellijk en toereikend informatie verstrekt moet worden;

- « AOT40 » : het gesommeerde verschil (uitgedrukt in (μg/m3).uur) tussen de uurconcentraties boven 80 μg/m3 (= 40 deeltjes per miljard) en 80 μg/m3 over een bepaalde periode, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de uurwaarden die elke dag tussen 8 en 20 uur Midden-Europese tijd worden gemeten;

[...]

- « overschrijdingsmarge » : het percentage van de grenswaarde voor luchtkwaliteit waarmee die onder de voorwaarden, vastgelegd in dit besluit mag worden overschreden;

- « zone » : een met het oog op de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit afgebakend gedeelte;

- « agglomeratie » : een verstedelijkte zone met een bevolking van meer dan 250.000 inwoners of, in geval van een bevolking van 250.000 inwoners of minder, met een vast te stellen bevolkingsdichtheid per km2;

- "immissieniveau of immissieconcentratie": de concentratie van een bepaalde stof in de omgevingslucht op een bepaalde plaats, als resultante van verschillende bronnen, incl. natuurlijke, en meteorologische verspreidingskarakteristieken;

- « ozonprecursoren » : stoffen die bijdragen tot de vorming van ozon in de onderste luchtlagen, waarvan sommige zijn vermeld in bijlage 2.5.3.10;

- « vluchtige organische stoffen » (VOS) » : organische stoffen van antropogene en biogene bronnen, uitgezonderd methaan, die onder invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidanten kunnen produceren;

- stikstofoxiden: de som van stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als stikstofdioxide (NO2);

- zwaveloxiden (SOx): alle zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, waaronder zwaveltrioxide (SO3), zwavelzuur (H2SO4) en gereduceerde zwavelverbindingen zoals zwavelwaterstof (H2S), mercaptanen en dimethylsulfiden;

- stof: in de gasfase onder bemonsteringscondities verstrooide deeltjes van welke vorm, structuur of dichtheid ook, die kunnen worden opgevangen door filtering onder specifiek omschreven omstandigheden na representatieve bemonstering van het te analyseren gas en vóór het filter en op het filter achterblijven;

- zwarte koolstof: koolstofhoudende stofdeeltjes die licht absorberen;

- "PM10": deeltjes die een op grootte selecterende instroomopening, zoals gedefinieerd in NBN EN 12341, passeren met een efficiëntiegrens van 50 % bij een aërodynamische diameter van 10 µm;

- « PM2,5 » : deeltjes die een op grootte selecterende instroomopening passeren als omschreven in de referentiemethode voor het bemonsteren en meten van PM2,5 NBN EN 14907 met een efficiëntiegrens van 50% bij een aerodynamische diameter van 2,5 μm;

- « bovenste beoordelingsdrempel » : een niveau waaronder het is toegestaan een combinatie van vaste metingen en modelleringstechnieken of indicatieve metingen te gebruiken ter beoordeling van de luchtkwaliteit;

- "onderste beoordelingsdrempel": een niveau waaronder enkel technieken op basis van modellen of objectieve ramingen mogen worden toegepast voor de beoordeling van de luchtkwaliteit;

- « bijdragen van natuurlijke bronnen » : emissies van verontreinigende stoffen die niet direct of indirect zijn veroorzaakt door menselijke activiteiten, met inbegrip van natuurverschijnselen, zoals vulkanische uitbarstingen, seismische activiteiten, geothermische activiteiten, bosbranden, stormen, zeezout als gevolg van verstuivend zeewater of de atmosferische opwerveling of verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge regio’s;

- « vaste metingen » : metingen die worden uitgevoerd op vaste locaties, hetzij continu, hetzij door aselecte bemonstering, om de niveaus te bepalen overeenkomstig de desbetreffende gegevenskwaliteitsdoelstellingen;

- "totale depositie of bulkdepositie": de totale massa aan verontreinigende stoffen die binnen een gegeven gebied en gegeven tijdspanne van de atmosfeer wordt overgebracht naar oppervlakten (bijvoorbeeld bodem, vegetatie, water, gebouwen, enzovoort);

- "arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen": het totale gehalte van die elementen en verbindingen in de PM10-fractie;

- "polycyclische aromatische koolwaterstoffen": organische verbindingen die bestaan uit ten minste twee versmolten aromatische ringen die volledig uit koolstof en waterstof bestaan;

- "totaal gasvormig kwik": elementaire kwikdamp (HG°) en reactief gasvormig kwik, dat wil zeggen in water oplosbare kwikverbindingen met een voldoende hoge dampdruk om in de gasfase te bestaan;

« kritiek niveau » : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld, waarboven directe ongunstige gevolgen kunnen optreden voor sommige receptoren, zoals bomen, andere planten of natuurlijke ecosystemen, maar niet voor de mens;

«luchtkwaliteitsplannen » : plannen betreffende maatregelen om de grenswaarden of streefwaarden te bereiken;

« gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex » : een gemiddeld niveau dat wordt bepaald op basis van metingen op stedelijke achtergrondlocaties verspreid over het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest, en dat de blootstelling van de bevolking weergeeft. Het wordt gebruikt om de gewestelijke streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling te berekenen alsook de gewestelijke blootstellingsconcentratieverplichting;

«gewestelijke blootstellingsconcentratieverplichting » : een op grond van de gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex vastgesteld niveau met het doel de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens te verminderen, waaraan binnen een bepaalde termijn moet worden voldaan;

«gewestelijke streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling » : een procentuele vermindering van de gemiddelde blootstelling van de bevolking van het Vlaamse Gewest die voor een referentiejaar wordt vastgesteld met het doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid te verminderen en die waar mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;

«stedelijke achtergrondlocaties » : plaatsen in stedelijke gebieden waar de niveaus representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen;

«indicatieve metingen » : metingen die aan minder strikte gegevenskwaliteitsdoelstellingen dan vaste metingen voldoen;

[...]

- « schoorsteen » : een structuur met een of meer afgaskanalen voor de afvoer van afgassen met het oog op de uitstoot ervan in de lucht;

- “sfeerverwarmer”: vrijstaande of ingebouwde installatie waarvan de brandstof vast is en die bedoeld is om buitenshuis te verwarmen;

- “referentiemeetmethode”: methode die voor de bepaling van een bepaalde parameter toegepast moet worden. Deze methode wordt beschreven in het compendium voor analyse van lucht (LUC), tenzij anders vermeld. Het compendium is een bundel met methoden voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses, die Europese (EN), internationale (ISO) of andere genormeerde methoden of methoden die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest werden gevalideerd in opdracht van de Vlaamse overheid, omvatten. Het compendium wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en de inhoudstabel van het LUC wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

- luchtkwaliteitsdoelstellingen: de grenswaarden, streefwaarden en blootstellingsconcentratieverplichtingen voor de luchtkwaliteit zoals vastgesteld in hoofdstuk 2.5 van dit besluit;

- LRTAP-verdrag: het verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, opgemaakt in Genève op 13 november 1979;

- landings- en startcyclus: de cyclus die het taxiën na landing en voor vertrek, starten, opstijgen, aanvliegen en landen en alle andere manoeuvres van het vliegtuig die plaatsvinden beneden een hoogte van 3000 voet, omvat;

- internationale zeevaart: reizen over zee en in de kustwateren door vaartuigen van alle vlaggen, uitgezonderd vissersvaartuigen, die vertrekken van het grondgebied van het ene land en aankomen op het grondgebied van een ander land.

STOOKINSTALLATIES

[...]

[...]

- "brandstof": elke vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof [...];

- "stookinstallatie": elk technisch toestel waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken [...]

- "grote stookinstallatie": stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer;

- "middelgrote stookinstallatie": stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW tot 50 MW;

- "kleine stookinstallatie": stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 5 MW;

[...]

- "gemengde stookinstallatie": iedere stookinstallatie die terzelfdertijd of beurtelings met twee of meer brandstoffen kan worden gevoed;

- "totaal nominaal thermisch ingangsvermogen": de warmte-inhoud van de nominale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een stookinstallatie uitgedrukt in MW [...].

- « biomassa » : producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten, alsook biomassa-afval;

- « biomassa-afval » :

de volgende afvalstoffen :

a) plantaardig afval van land- en bosbouw;
b) plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, als de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
c) vezelachtig plantaardig afval, afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp; als het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
d) kurkafval;
e) onbehandeld of louter mechanisch behandeld houtafval;
f) niet-verontreinigd behandeld houtafval, dus uitgezonderd houtmateriaal dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen of zware metalen kan bevatten. Dat is in het bijzonder het geval voor houtafval, afkomstig van bouw- en sloopafval;

[...]

[...]

- « bedrijfsuren » : de tijd, uitgedrukt in uren, gedurende welke een stookinstallatie geheel of gedeeltelijk in werking is en emissies in de lucht uitstoot, met uitzondering van de voor de inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd, zoals die is vastgesteld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;

- « bepalende brandstof » : van alle brandstoffen in gemengde stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen, afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen zelf verbruiken, de brandstof met de hoogste emissiegrenswaarde, vermeld in afdeling 5.20.2 of, in geval van meerdere brandstoffen met dezelfde emissiegrenswaarde, de brandstof met het hoogste thermisch ingangsvermogen;

- "gasturbine": een roterende machine die thermische energie in arbeid omzet, in hoofdzaak bestaande uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd om het werkmedium te verhitten en een turbine;

[...]

- "stoom- en gasturbine-installatie (STEG)": een installatie, bestaande uit een gasturbine, waarin een vloeibare of een gasvormige brandstof wordt verbrand, met een bijbehorende ketel waardoor de verbrandingsgassen van de gasturbine gevoerd worden, om warmte over te dragen aan water dat niet in contact treedt met die gassen, met als doel stoom te produceren dat vervolgens wordt omgezet in elektriciteit in een stoomturbine; in de bijbehorende ketel wordt al of niet een brandstof gestookt, waarbij geen dan wel nagenoeg geen extra lucht voor de verbranding wordt toegevoegd;

- motor: een gasmotor, dieselmotor of dualfuelmotor;

[...]

- « gasmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de Ottocyclus en die gebruik maakt van vonkontsteking of, in het geval van dual-fuelmotoren, compressieontsteking om brandstof te verbranden;

- « dieselmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus en die gebruik maakt van compressieontsteking om brandstof te verbranden;

- « dual-fuelmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus bij gebruik van vloeibare brandstoffen en volgens de Ottocyclus bij gebruik van gasvormige brandstoffen;

- « gasturbine/STEG/motor in warmtekrachttoepassing » : een gasturbine, STEG of motor opgesteld in een installatie voor de opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;

- « nominaal motorrendement » : het door de constructeur opgegeven procentuele aandeel van warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen dat, bij de hoogste belasting waarbij de zuigermotor continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities in arbeid wordt omgezet.

- « aardgas » : in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20 % (v/v) inerte en andere bestanddelen;

- ingrijpende renovatie: een renovatie waarvan de kosten hoger liggen dan 50% van de investeringskosten voor een nieuwe vergelijkbare eenheid;

- kwalitatieve warmte-krachtkoppeling: de warmte-krachtkoppeling die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmte-krachtkoppeling, opgenomen in bijlage I bij het Energiebesluit van 19 november 2010;

- kosten-batenanalyse: een financieel-economische vergelijking tussen een installatie zonder benutting van restwarmte of aanwending van kwalitatieve warmte-krachtkoppeling en een gelijkwaardige installatie waarin restwarmte nuttig wordt gebruikt of die uitgebaat wordt als kwalitatieve warmte-krachtkoppeling;

- stadsverwarming of –koeling: de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met verschillende gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen.

- gasolie: een van de volgende zaken:

a) een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die onder GN-code 2710 19 25, 2710 19 29, 2710 19 47, 2710 19 48, 2710 20 17 of 2710 20 19 valt;
b) een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, waarvan minder dan 65 volumeprocent (met inbegrip van verliezen) bij 250 °C overdistilleert, en waarvan ten minste 85 volumeprocent (met inbegrip van verliezen) bij 350 °C overdistilleert, gemeten met de ASTM-methode D86;

 

- zware stookolie: een van de volgende zaken:

a) een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die onder GN-code 2710 19 51 tot en met 2710 19 68, 2710 20 31, 2710 20 35 of 2710 20 39 valt;
b) een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, met uitzondering van gasolie, die op grond van de distillatiegrenzen ervan behoort tot de categorie zware oliën die bestemd zijn om als brandstof te worden gebruikt en die, verliezen inbegrepen, voor minder dan 65 volumeprocent overdistilleren bij 250 °C, gemeten met ASTM-methode D86. Als de distillatie niet met behulp van ASTM-methode D86 kan worden bepaald, wordt het aardolieproduct ook als zware stookolie ingedeeld;

- raffinaderijbrandstof: een vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof, afkomstig uit de distillatie en de omzettingsstappen bij de raffinage van ruwe olie, met inbegrip van raffinaderijgas, syngas, geraffineerde oliën en petroleumcokes;

- noodstroomgenerator: een installatie voor de productie van elektriciteit die ervoor zorgt dat bij problemen met de levering via het stroomnet de stroomvoorziening gegarandeerd blijft;

- vloeibare recuperatiebrandstof: bijproduct van een chemisch proces, dat niet wordt beschouwd als een afvalstof als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, dat niet geschikt is voor verdere verwerking en daarom energetisch gevaloriseerd wordt, en dat niet voldoet aan de definitie van een andere vloeibare brandstof, zoals gasolie of zware stookolie.

[...] [...]
[...] [...]
[...] [...]
METEN EN BEHEERSEN VAN FUGITIEVE VOS-EMISSIES

1° « fugitieve emissie » : emissie van vluchtige organische stoffen (exclusief methaan) door lekverliezen van apparaten en leiding(onderdelen);

2° « apparaten » : alle onderdelen van een inrichting (inclusief de randapparatuur van op- en overslaginstallaties) die fugitieve emissies kunnen veroorzaken. Het betreft onder meer :

a) spindeldoorvoeringen van afsluit- en regelorganen;
b) veiligheidskleppen die met de afblaas niet aangesloten zijn op een opvang- of verwerkingseenheid;
c) open - einden;
d) pompen, compressoren en roerwerken (asafdichting);
e) flenzen en andere verbindingen (inclusief flenzen en andere verbindingen van kleppen, pompen, compressoren, en roerwerken);
f) monsternamepunten;

3° « meetblok » : een verzameling apparaten die voorkomen in een duidelijk afgebakend onderdeel van de inrichting, zoals een productie-eenheid, een productstroom, een tankenpark...;

4° « meetwaarde » : het resultaat van een meting van een apparaat volgens de meetmethode van hoofdstuk II van bijlage 4.4.6;

5° « registratiecriterium » : concentratie die bepalend is voor opname van het apparaat in de inventaris; het registratiecriterium wordt vastgelegd op de bepalingslimiet, namelijk als de meetwaarde een concentratie van 9 ppm overschrijdt;

6° « lekkend apparaat » :

a) voor apparaten die in contact komen met product type 1 : een apparaat waarvan de meetwaarde een concentratie van 500 ppm overschrijdt;
b) voor apparaten die in contact komen met product type 2 : een apparaat waarvan de meetwaarde een concentratie van 1.000 ppm overschrijdt;

7° « herstelcriterium » : de meetwaarde vanaf wanneer het apparaat hersteld of vervangen moet worden;

8° “product type 1”:  product met een gemiddelde concentratie van 5 gew% of meer aan stoffen waaraan overeenkomstig de CLP-verordening , één of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F zijn toegekend;

9° “product type 2”:  product met een gemiddelde concentratie van minder dan 5 gew% aan stoffen waaraan overeenkomstig de CLP-verordening , één of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F zijn toegekend;”;

10° « steekproef » : het percentage van het totale aantal apparaten dat minstens jaarlijks gemeten moet worden;

11° « initiële steekproef » : steekproef die bij de start van het meet- en beheersprogramma toegepast moet worden zoals bepaald in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6 van dit besluit;

12° « aangepaste steekproef » : steekproef die aangepast wordt afhankelijk van het aantal lekkende apparaten uit een vorige steekproef zoals bepaald in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6 van dit besluit.

DEFINITIES BELEIDSTAKEN INZAKE EMISSIEPLAFONDS VOOR SO2, NOX, VOS EN NH3 (hoofdstuk 2.10) [...]
DEFINITIES METALEN (Hoofdstuk 5.29.) [...]
DEFINITIES MINERALE PRODUCTEN (Hoofdstuk 5.30.)

[...]

- "mortel- of betoncentrale": een vaste inrichting voor het vervaardigen van mortel- of betonbeslag omvattende tenminste een granulatensilo en een mengmolen.

 

INRICHTINGEN VOOR DE FABRICAGE VAN keramische producten (afdeling 5.30.1.)

[...]

[...]

- "keramische producten": tot de keramische producten behoren o.a. bakstenen, kleidakpannen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, gee¨xpandeerde kleiproducten, gresbuizen, agrarische keramiek zoals voederbakken, bloempotten en draineerbuizen;

- "verhittingsinstallatie": productie-installatie waarin via directe verhitting van gevormde en/of gedroogde kleimassa, onder de gepaste atmosfeer en volgens een welbepaald tijdschema, de gewenste kenmerken van het keramisch eindproduct worden verkregen;

[...]

[...]

[...]

- "hoofdgrondstof": het mengsel van alle klei- en/of leemsoorten die voor de fabricage van het keramisch product worden ingezet; toevoegstoffen (hulpstoffen, zanden e.a.) maken geen deel uit van de hoofdgrondstof

Definities ontginningen (Hoofdstuk 5.18.)

1° « droge ontginning onder het grondwaterpeil » : een droge ontginning waarbij er zich boven de te ontginnen laag een watervoerende laag bevindt, of waarbij er zich onder de te ontginnen laag een watervoerende laag bevindt waarvan de stijghoogte boven de bodem van de te ontginnen laag uitkomt, ongeacht of er sprake is van wateruittreding uit de hellingen;

2° « bresprofiel » : een profiel met de volgende hellingsgraden :

a) van 0 tot 5 meter diepte : hellingsgraad 1:2
b) van 5 tot 10 meter diepte : hellingsgraad 1:3
c) van 10 tot 20 meter diepte : hellingsgraad 1:4
d) van 20 tot 30 meter diepte : hellingsgraad 1:8
e) van 30 tot 40 meter diepte : hellingsgraad 1:15
f) van 40 tot 50 meter diepte : hellingsgraad 1:25.

 

DEFINITIES ONTSPANNINGSINRICHTINGEN (Hoofdstuk 5.32.)
LOKALEN MET DANSGELEGENHEID (afdeling 5.32.2.) [...]
SCHOUWSPELZALEN (afdeling 5.32.3. en 5.32.4.)

- "langs boven met mechanische toestellen uitgerust": bovenste gedeelte van de toneelkooi (toneelzoldering) met uitgerust rooster, dat de behandeling en het bergen van onderdelen van schermen tijdens de vertoning, voor of na het gebruik ervan op het toneel, mogelijk maakt;

- "langs onder met mechanische toestellen uitgerust": ruimte gelegen onder het plateau (toneelvloer) uitgerust met één of meerdere mechanische toestellen die het bedienen of het bergen van één of meerdere schermen mogelijk maken;

- "uitgerust rooster": een opengewerkte zoldering, die de katrollen of de takels van de toneeluitrusting draagt, het is te zeggen, een geheel van koorden (kabels), katrollen, machines (windassen, trommels, tegengewichten, enz.) en draagbomen, dat de behandeling van onderdelen van schermen en van opgehangen verlichtingstoestellen toelaat.

- "brandwerendheid (of brandweerstand)": het vermogen van een bouwelement om gedurende een bepaalde tijdsduur te voldoen aan de voor de standaardproef voor de brandwerendheid gespecificeerde criteria ten aanzien van de dragende functie, de vlamdichtheid of thermische isolatie. De brandweerstand van constructie-elementen wordt aangegeven overeenkomstig het Europees classificatiesysteem van de brandweerstand, ingevoerd met de beschikking 2000/367/EG van de Commissie van 3 mei 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad inzake de indeling van voor de bouw bestemde producten, bouwwerken en delen daarvan in klassen van materiaalgedrag bij brand;

- "brandreactie": het geheel van eigenschappen die een invloed hebben op het ontstaan en de uitbreiding van een brand. De classificatie van de brandreactie wordt aangegeven overeenkomstig de beschikking 2000/147/EG van de Europese Commissie van 8 februari 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG.

SCHIETSTANDEN IN LOKAAL (afdeling 5.32.7.)

- "schietstand": een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat minimum uit de volgende ruimten bestaat:

de schietruimte: de ruimte waar effectief geschoten wordt en waarin zich de schietzone bevindt;
de schietzone: de ruimte tussen de schutter en het objectief;

en waarin zich verder ook de volgende lokalen kunnen bevinden:

de wapenkamer: de ruimte waar wapens en munitie opgeslagen worden;
de onderhoudsplaats: de ruimte waar de wapens gebruiksklaar gemaakt of onderhouden worden voor of na het schieten;
de berging: de ruimte waar de schijveninstallatie wordt opgeborgen; deze ruimte dient te grenzen aan de schietruimte;
SCHIETSTANDEN OPEN LUCHT (afdeling 5.32.8.)

- "schietstand": het geheel van werpmachines, schietplaats en schietveld dat dienstig is voor één bepaalde discipline;

- "schietterrein": het geheel van de percelen waarop een schietstand ingericht is;

- "schietveld": het gedeelte van het schietterrein, te rekenen vanaf de standplaats der schutters, dat bij normaal schietgedrag kan bestreken worden door de projectielen;

- "werpplaats": plaats waar de werpmachine(s) opgesteld is (zijn);

- "schietplaats": plaats waar de schutters plaatsnemen wanneer zij schieten;

- "operatoren": de personen bij de werpmachines, die deze rechtstreeks bedienen;

- "werpleider": de persoon die vanop afstand de machine bedient of bevelen geeft aan de operatoren.

- “traditioneel buksschieten”: het schieten met een zware buks vanaf een vaste aanlegpaal op een hark in de buitenlucht. Het schieten vindt plaats in een schietstand, gekoppeld aan een folkloristische schuttersgilde;

- “HLTS”: de handreiking Limburgs traditioneel schieten opgemaakt onder de hoede van het college van gedeputeerde staten van Limburg (Nederland);

- “aanlegpaal”: een paal met bovenaan een horizontale steunbalk waarop de zware buks steunt tijdens het schieten;

- “hark”: schietdoel dat bestaat uit drie of vijf staanders, die elk weer voorzien zijn van dwarslatjes waarop houten bolletjes of blokjes zijn aangebracht;

- “schietboom”: een paal waarop de hark is aangebracht;

- “ogief”: de voorkant van een kogel;

- “affuit”: voorziening waarin de buks wordt geklemd op de aanlegpaal en die zo kan worden afgesteld dat de bewegingsvrijheid van de buks voldoende beperkt wordt om alle kogels in de kogelvanger af te vangen;

- “buksmeester”: functionaris die er tijdens schietactiviteiten verantwoordelijk voor is dat de regelgeving wordt nageleefd.

ZWEMBADEN (afdeling 5.32.9.)

- "vaste baden":

a) zwem-, instructie-, en stoeibaden , al dan niet overdekt, met uitzondering van inrichtingen binnen privé-woningen die niet worden opengesteld tegen enige directe of indirecte vergoeding;
b) hot whirlpools, zijnde circulatiebaden voorzien van zitbanken met maximale diepte van 1 meter, waarin er vanuit de bodem of wand lucht geïnjecteerd wordt en die gevuld worden met water van meer dan 32° C;
c) plonsbaden, zijnde onverwarmde openlucht baden met een diepte van maximum 35 cm, continu doorstroomd met vers suppletiewater;
d) dompelbaden, zijnde baden, continu doorstroomd met vers suppletiewater, met een maximale diameter van 2.5 m, met temperaturen beneden de 20° C met als doel een kortstondige, plotse afkoeling van de gebruiker door middel van onderdompeling;
e) therapiebaden, zijnde circulatiebaden welke uitsluitend aangewend worden voor medische behandelingsdoeleinden.

- "zwemgelegenheden en waterrecreatie": vijvers, meren en waterlopen evenals inrichtingen voor waterrecreatie waar één of meerdere van volgende activiteiten worden beoefend: zwemmen, duiken, windsurfen, waterskiën, met uitzondering van zeebadzones.

- “vers water”: water dat voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten:

parameter

parameterwaarde

Escherichia coli

0 / 100 ml

enterokokken

0 / 100 ml

Pseudomonas aeruginosa

0 / 100 ml

totaal kiemgetal bij 22°C

≤ 100 / ml

totaal kiemgetal bij 37°C

≤ 20 / ml

pathogene micro-organismen en parasieten

afwezig

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen op advies van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, andere kwaliteitseisen worden opgelegd.

OMLOPEN VOOR MOTORVOERTUIGEN (afdeling 5.32.10.)

- “motorvoertuig”: voertuig aangedreven door een verbrandingsmotor, ongeacht de gebruikte brandstof;

- “motorvaartuig”: vaartuig aangedreven door een verbrandingsmotor, ongeacht de gebruikte brandstof;

- "omloop": de in niet gesloten ruimten en niet op de openbare weg of openbare waterweg gelegen terreinen of wateren, of gedeelten van terreinen of wateren, waarop snelheidswedstrijden, hinderniswedstrijden, testritten, oefenritten of ander recreatief gebruik van motorvoertuigen plaatsvindt;

- "stilte-behoevende inrichting": verplegingsinrichting, bejaardentehuis, wetenschappelijke en onderwijsinrichting, cultureel centrum, openbare bibliotheek of museum, in gebruik tijdens de exploitatie van een omloop voor motorvoertuigen;

- "natuurreservaat, natuurpark, bosreservaat": de gebieden als bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, als bedoeld in het Bosdecreet van 13 juli 1990 en als bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

Digitale bioscopen (afdeling 5.32.5bis)

1° ″digitale bioscoop″ : een inrichting waar als hoofdactiviteit beelden op een scherm worden geprojecteerd met behulp van een digitale cinema projector en geluiden worden weergegeven met behulp van een digitale cinema audio processor;

2° ″geluidzorgsysteem″ : de geschreven en voor het publiek toegankelijke regels en richtlijnen met betrekking tot het uitbaten en het onderhouden van een digitale bioscoop met het oog op de zorg voor het geluid en het beheersen van de geluidsniveaus in de bioscoop, met inbegrip van de toepasselijke in de sector geldende standaarden en de bij de betrokken beroepscategorie algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap.

HIPPOTHERAPIE
hippotherapie: het doelgericht therapeutisch (be)handelen met het paard als medium.
DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (hoofdstukken 2.3, 4.2, 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4, 4.3, 5.52, 5.53, 5.54, 5.55 en 6.9 (grondwater)
INTEGRAAL WATERBELEID (EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid)

De begrippen en definities, vermeld in artikel 3, § 2, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer zijn ook van toepassing op dit besluit.

ALGEMEEN

[...]

- "estuarium": het overgangsgebied aan de monding van een rivier, tussen zoet water en kustwateren;

- "hemelwater": verzamelnaam voor regen, sneeuw en hagel, met inbegrip van dooiwater;

- "bemalingswater": opgepompt grond- en bodemwater;

- "bodemwater": het water aanwezig in de onverzadigde zone tussen het aardoppervlak en de grondwatertafel;

- "lozing van afvalwater": de emissie van afvalwater door daartoe bestemde afvoerkanalen;

[...]

- "gewone oppervlaktewateren": alle oppervlaktewateren met uitzondering van de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater en de openluchtgreppels, behorend tot de openbare riolering;

- "openbare riolering": het geheel van openbare leidingen en openluchtgreppels bestemd voor het opvangen en transporteren van afvalwater;

- "gescheiden riolering": een dubbel stelsel van leidingen of openluchtgreppels waarvan het ene stelsel bestemd is voor het opvangen en transporteren van afvalwater en het andere stelsel bestemd is voor de afvoer van hemelwater;

- "collector(en)": de bovengemeentelijke openbare leidingen die bestemd zijn om de openbare riolering te verbinden met een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie en die beheerd worden door de in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap;

- "openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie": een openbare installatie waarin afvalwater wordt gezuiverd; hiermee worden gelijkgesteld de installaties die beheerd worden door de in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap;

[...]

[...]

[...]

- "kunstmatige afvoerweg voor hemelwater": de greppels, grachten, duikers en leidingen bestemd voor het afvoeren van hemelwater, bodemwater, grondwater, bemalingswater en desgevallend ook afvalwater, behandeld conform de van toepassing zijnde wetgeving;

- "individuele voorbehandelingsinstallatie" : septische putten of gelijkaardige inrichtingen voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater ter verwijdering van vetstoffen, bezinkbare en drijvende stoffen;

- "septisch materiaal": bijzondere afvalstoffen afkomstig van septische putten resulterend uit bezinkingsprocessen en biologische omzettingsprocessen.

- "eutrofiëring": aanrijking van het oppervlaktewater door voedingsstoffen, vooral stikstof- en fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en verslechtering van de waterkwaliteit;

- "sanering" : het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van afvalwater;

- "het centrale gebied" : het deel van het gemeentelijke grondgebied dat geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van een of meer agglomeraties;

- "het buitengebied" : het deel van het gemeentelijke grondgebied dat niet binnen het centrale gebied ligt;

- "het collectief geoptimaliseerde buitengebied" : het deel van het buitengebied waar, om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor collectieve inzameling en zuivering en waar die reeds gerealiseerd is;

- "het collectief te optimaliseren buitengebied" : het deel van het buitengebied waar, om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor collectieve inzameling en zuivering en waar die nog te realiseren is

- "het individueel te optimaliseren buitengebied" : het deel van het buitengebied waar, om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor individuele afvalwaterzuivering en waar voor de burger overeenkomstig dit besluit een individuele zuiveringsplicht geldt;

- "het gemeentelijk zoneringsplan" : het plan dat voor een gemeente een onderscheid maakt tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden met individuele sanering. In het centrale gebied werd reeds in collectieve sanering voorzien;

- "het uitvoeringsplan" : het plan dat de uitvoering en de timing van de projecten regelt met betrekking tot de gemeentelijke en de bovengemeentelijke saneringsverplichting, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten;

- "individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater" of IBA : een lekvrije installatie die huishoudelijk afvalwater behandelt tot de vooropgestelde normen.

- afvalwater: het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen;

- bedrijfsafvalwater: alle afvalwater dat niet voldoet aan de bepalingen van huishoudelijk afvalwater of koelwater;

- huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat alleen bestaat uit het water dat afkomstig is van:

normale huishoudelijke activiteiten;
sanitaire installaties;
keukens;
het reinigen van gebouwen, zoals woningen, kantoren, plaatsen waar groot- of kleinhandel wordt gedreven, zalen voor vertoningen, kazernen, kampeerterreinen, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, zwembaden, hotels, restaurants, drankgelegenheden, kapsalons;
wassalons, waar de toestellen uitsluitend door het cliënteel zelf worden bediend.

 

Afvalwaterstromen van verzorgingsinstellingen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.49.0.4, worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met huishoudelijk afvalwater;

- koelwater: het water dat in de nijverheid voor afkoeling gebruikt wordt en dat niet in aanraking is gekomen met af te koelen stoffen of met andere verontreinigende stoffen;

- grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;

- gevaarlijke stoffen: met toepassing van artikel 1.4.1.2, §5, en bijlage 2 van dit besluit, afdeling 2.4.3, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.5 en 4.3.1, artikel 2.3.6.1, 5.3.2.4, §7, 5BIS.15.5.4.3.4, 5BIS.15.5.4.3.5, 5BIS.19.8.4.5.4 en 5BIS.19.8.4.5.5, artikel 3 van bijlage 2.3.1 en bijlage 5.3.2, 21 van dit besluit, de toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;

- ontvangend waterlichaam: oppervlaktewater, grondwater en overgangswater als vermeld in artikel 3, §2, 3°, 4° en 10°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;

- prioritaire stoffen: de stoffen die conform artikel 3, §2, 19°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid zijn opgesomd in lijst III van bijlage 2C bij dit besluit. Tot die stoffen behoren prioritaire gevaarlijke stoffen waarvoor maatregelen moeten worden getroffen conform artikel 5, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet;

- verontreinigende stoffen: iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, als vermeld in bijlage 2A, die bij dit besluit is gevoegd;

- directe lozing in grondwater: de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond;

- indirecte lozing in grondwater: de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater na doorsijpeling door bodem of ondergrond;

- watervoerende laag: een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;

MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR OPPERVLAKTEWATER (UITGEZONDERD BEHEER VAN ZWEMWATERKWALITEIT)

- "oppervlaktewater":

 

- het stilstaande of stromende zoet, brak of zout water dat permanent of op geregelde tijdstippen op natuurlijke of kunstmatige wijze een deel van het aardoppervlak inneemt en dat deel uitmaakt van een waterhuishoudkundig systeem;
- het stilstaande water dat permanent of op geregelde tijdstippen op natuurlijke wijze een deel van het aardoppervlak inneemt, dat niet in verbinding staat met het waterhuishoudkundig systeem maar wordt gevoed door hemelwater;

 

- "zoetwatergrens": de plaats in een waterloop waar bij hoog tij en in een periode met gering zoetwaterdebiet, het zoutgehalte stijgt ten gevolge van de aanwezigheid van al dan niet fossiel zeewater;

- "brak water": de wateren waarvan het chloridegehalte op natuurlijke wijze 600 mg Cl/l kan overschrijden;

- "zoet water": de oppervlaktewateren in het binnenland tot de plaats waar bij hoog tij en in een periode met gering zoetwaterdebiet, het zoutgehalte stijgt ten gevolge van de aanwezigheid van zeewater;

- "drinkwater A1, A2 en A3" : de niet brakke oppervlaktewateren bestemd voor de produktie van drinkwater vermeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, die als dusdanig zijn aangeduid door het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 tot aanduiding van de oppervlaktewateren bestemd voor de productie van drinkwater categorie A1, A2 en A3, zwemwater, viswater en schelpdierwater en waarbij onder de groepen A1, A2 en A3 wordt verstaan de volgende wijze van behandeling waardoor het oppervlaktewater tot drinkwater kan worden verwerkt :

  1. groep A1 : eenvoudige fysische behandeling en desinfectie, bij voorbeeld : snelle filtratie en desinfectie ;
  2. groep A2 : normale fysische en chemische behandeling en desinfectie, bij voorbeeld : voorbehandeling met chloor, coagulatie, uitvlokking, decanteren, filtratie, desinfectie (definitieve behandeling met chloor) ;
  3. groep A3 : grondige chemische en fysische behandeling, raffinage en desinfectie, bij voorbeeld : chloorbehandeling op het "break point", coagulatie, uitvlokking, decanteren, filtratie, raffinage (actieve kool), desinfectie (ozon, definitieve chloorbehandeling) ;

[...]

[...]

 

- schelpdierwater

- "schelpdierwater" : de oppervlaktewateren die zo zijn aangeduid door de Vlaamse Regering

- "winplaats": de plaats waar het oppervlaktewater voor drinkwaterproduktie vóór de zuiveringsbehandeling wordt onttrokken;

[...]

[...]

- "natuurlijke aanrijking": het proces waarbij water, zonder invloed van de mens, bepaalde in de bodem aanwezige stoffen opneemt;

- "verontreiniging": het direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de eco-systemen in het water kunnen worden geschaad, of enig rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd;

- "ecologische kwaliteitscoëfficiënt (EKC)" : geeft de verhouding aan tussen de waarde van de voor een bepaald waterlichaam vastgestelde biologische parameter en de waarde van die parameter onder de voor dat lichaam geldende referentieomstandigheden. De coëfficiënt wordt uitgedrukt in een getalswaarde tussen nul en één, waarbij de waarden in de buurt van één op een zeer goede ecologische toestand wijzen en de waarden in de buurt van nul op een slechte ecologische toestand.

ZWEMWATERKWALITEIT (EG-Richtlijn 2006/7/EG van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG) (afdeling 2.3.3, afdeling 2.3.7, artikel 5.32.9.8.2 en deel II van bijlage 2.3.3)

1° ″oppervlaktewater″ : binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en strandwateren;

2° "binnenwater" : al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;

3° "overgangswater" : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen beïnvloed wordt;

4° "strandwater" : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;

5° "stroomgebied" : een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;

6° "permanent" : met betrekking tot een zwemverbod of een negatief zwemadvies, voor de duur van ten minste één volledig badseizoen;

7° "groot aantal" : met betrekking tot zwemmers, een aantal dat op het ogenblik van de aanduiding als zwemwater, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, groot wordt geacht, met name gelet op tendensen uit het verleden of op de beschikbare infrastructuur of faciliteiten, dan wel op de maatregelen die getroffen zijn ter bevordering van het zwemmen;

8° "verontreiniging" : de aanwezigheid van microbiologische besmetting of van andere organismen of afval, die de zwemwaterkwaliteit aantast en een risico voor de gezondheid van de zwemmers inhoudt, vermeld in artikel 2.3.7.5.2, 2.3.7.5.3 en 2.3.7.5.4 en in artikel 1, § 1, kolom A van deel II van bijlage 2.3.3;

9° "badseizoen" : de periode waarin grote aantallen zwemmers kunnen worden verwacht;

10° "beheersmaatregelen" : de volgende maatregelen die met betrekking tot zwemwater worden genomen :

a) vaststelling en actualisering van een zwemwaterprofiel;
b) vaststelling van een tijdschema voor controle;
c) controle van het zwemwater;
d) beoordeling van de zwemwaterkwaliteit;
e) indeling van het zwemwater;
f) een beschrijving en beoordeling van oorzaken van verontreiniging die het zwemwater kunnen aantasten en schade toebrengen aan de gezondheid van de zwemmers;
g) verstrekken van informatie aan het publiek;
h) uitvoering van maatregelen om blootstelling van zwemmers aan verontreiniging te voorkomen;
i) uitvoering van maatregelen om de gevaren van verontreiniging te verminderen;

11° "kortstondige verontreiniging" : een microbiologische besmetting als vermeld in artikel 1, § 1, kolom A, van deel II van bijlage 2.3.3, met duidelijk aantoonbare oorzaken, waarvan normaliter niet wordt verwacht dat ze de zwemwaterkwaliteit langer zal aantasten dan ongeveer 72 uur vanaf het begin van de aantasting, en waarvoor de Vlaamse Milieumaatschappij overeenkomstig artikel 4, van deel II van bijlage 2.3.3 procedures voor de voorspelling en de aanpak heeft ingesteld;

12° "abnormale situatie" : gebeurtenis of combinatie van gebeurtenissen die de zwemwaterkwaliteit op de locatie in kwestie beïnvloedt, en die zich naar verwachting gemiddeld niet meer dan eens in de vier jaar zal voordoen;

13° "reeks zwemwaterkwaliteitsgegevens" : gegevens, verkregen overeenkomstig artikel 2 van deel II van bijlage 2.3.3;

14° "beoordeling van de zwemwaterkwaliteit" : het proces van de beoordeling van de zwemwaterkwaliteit, volgens de beoordelingsmethode vermeld in artikel 4 van deel II van bijlage 2.3.3;

15° "proliferatie van cyanobacteriën" : de ophoping van cyanobacteriën in de vorm van bloei, tapijt of drijflaag.

GRONDWATER

grondwaterkwaliteitsnorm: een milieukwaliteitsnorm, uitgedrukt als de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof, groep van verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging in grondwater, die ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu niet mag worden overschreden;

achtergrondniveau: de concentratie van een stof of de waarde van een indicator in een grondwaterlichaam die overeenkomt met onbestaande of zeer geringe, antropogene alteraties van de ongerepte toestand;

drempelwaarde: een grondwaterkwaliteitsnorm voor alle verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging waarvan is vastgesteld, conform de analyse van de kenmerken krachtens artikel 60 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, dat grondwaterlichamen of groepen van grondwaterlichamen het gevaar lopen geen goede chemische toestand van het grondwater te bereiken.

AFVALWATERCONTROLES

- "daggemiddelde": het/de gehalte of concentratie bepaald op basis van een met het debietevenredige 24-uurmonstername

- "maandgemiddelde": de waarde bepaald op basis van een met het debiet evenredige samenstelling van alle 24-uurmonsternames voor de betrokken maand.

[...]

- “aantoonbaarheidsgrens”: het uitgangssignaal of de concentratie waarboven met een vermeld betrouwbaarheidsniveau kan worden gesteld dat een monster verschilt van een blanco monster dat geen relevante te bepalen grootheid bevat.

– “bepalingsgrens”: een vermeld veelvoud van de aantoonbaarheidsgrens bij een concentratie van de te bepalen grootheid die redelijkerwijs met een aanvaardbaar nauwkeurigheids- en precisieniveau kan worden bepaald. De bepalingsgrens kan met behulp van een geschikte standaard of een geschikt monster worden berekend en kan vanaf het laagste kalibratiepunt op de kalibratiecurve, met uitzondering van de blanco, worden verkregen.

— « rapportagegrens » : de waarde beneden welke een component als niet kwantificeerbaar (’<’) wordt gerapporteerd, deze bedraagt minimaal de bepalingsgrens.

[...]

[...]

- “referentiemeetmethode”: methode die voor de bepaling van een bepaalde parameter toegepast moet worden. Deze methode wordt beschreven in het compendium voor analyse van water (WAC), tenzij anders vermeld. Het compendium is een bundel met methoden voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses, die Europese (EN), internationale (ISO) of andere genormeerde methoden of methoden die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest werden gevalideerd in opdracht van de Vlaamse overheid, omvatten. Het compendium wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en de inhoudstabel van het WAC wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

–“meetonzekerheid”: een niet-negatieve parameter die de spreiding karakteriseert van de kwantitatieve waarden die aan een te meten grootheid worden toegekend, gebaseerd op de gebruikte informatie. De in bijlage 4.2.5.2, artikel 4, opgegeven meetonzekerheid is de halve lengte van een interval rond het analyseresultaat waarbinnen de werkelijke waarde verwacht wordt te liggen bij een betrouwbaarheidsniveau van 95%, en is uitgedrukt als een percentage van het analyseresultaat. De meetonzekerheid is daarbij berekend volgens een door de minister vastgelegde methode.

STEDELIJK AFVALWATER

- "stedelijk afvalwater": huishoudelijk afvalwater of het mengsel van huishoudelijk afvalwater en/of bedrijfsafvalwater en/of afvloeiend hemelwater;

- "opvangsysteem": een systeem van ledingen waardoor stedelijk afvalwater wordt opgevangen en afgevoerd

- "primaire behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een fysisch en/of chemisch proces van bezinking van gesuspendeerde stoffen, of andere processen waarbij het biochemisch zuurstofverbruik in 5 dagen bij 20° C van het binnenkomende afvalwater vóór de lozing met tenminste 20 % wordt verminderd en de totale hoeveelheid gesuspendeerde stoffen in het binnenkomende afvalwater met tenminste 50 % wordt verminderd;

- "secundaire behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een proces waarbij in het algemeen biologische zuivering met secundaire bezinking plaatsvindt, of een ander proces waarbij de waarden van de sectoriële emissiegrenswaarden voor het effluentwater vastgesteld door dit reglement worden in acht genomen;

- "toereikende behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een proces en/of afvoersysteem waardoor de ontvangende oppervlaktewateren na de lozing aan de relevante milieukwaliteitsnormen en aan de relevante bepalingen van dit reglement voldoen;

- "slib": uit waterzuiveringsinstallaties afkomstig behandeld of onbehandeld restslib;

- "agglomeratie": een gebied waar de bevolking en/of de economische activiteiten voldoende geconcentreerd zijn om stedelijk afvalwater op te vangen en naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie en/of een definitieve lozingsplaats af te voeren;

- "kwetsbare gebieden": overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater wordt voor de toepassing van afdeling 2.3.6. en 5.3.1. onder kwetsbare gebieden verstaan een watermassa die onder een van de volgende groepen valt:

 

 

natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria en kustwateren die eutroof zijn of in de nabije toekomst eutroof kunnen worden indien geen beschermende maatregelen worden genomen;
voor de winning van drinkwater bestemde oppervlaktewateren, die een hogere nitraatconcentratie zouden kunnen bevatten dan is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende immissienormen indien geen maatregelen worden genomen;
gebieden waar verdere behandeling dan bepaald in afdeling 5.3.1. nodig is om te voldoen aan Richtlijn 91/271/EEG.

Met betrekking tot de groep sub 1° kunnen de volgende elementen in aanmerking worden genomen wanneer wordt bepaald welke nutriënten door verdere behandeling moeten worden verminderd:

 

 

 

 

a) meren en in meren, reservoirs of gesloten baaien uitmondende rivieren waarin een geringe wateruitwisseling wordt vastgesteld, waardoor accumulatie kan optreden; in deze gebieden moet ook fosfor uit het afvalwater worden verwijderd, tenzij kan worden aangetoond dat de verwijdering daarvan geen effect heeft op het eutrofiëringsniveau; waar lozingen van grote agglomeraties plaatsvinden kan ook de verwijdering van stikstof worden overwogen;
b) estuaria, baaien en andere kustwateren waarin een geringe wateruitwisseling wordt vastgesteld, of die grote hoeveelheden nutriënten ontvangen; lozingen van kleine agglomeraties zijn in deze gebieden meestal van minder belang, maar voor grote agglomeraties moeten ook fosfor en/of stikstof worden verwijderd tenzij kan worden aangetoond dat de verwijdering daarvan geen effect heeft op het eutrofiëringsniveau.

 

 

- "Inwonerequivalent (I.E.): de biologisch afbreekbare organische belasting met een biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen bij 20° C (BZV520) van 60 g zuurstof.

AFVALWATERPARAMETERS Afkortingen:

a)"pH": zuurtegraad;
b)"BZV": biochemisch zuurstofverbruik in 5 dagen bij 20° C;
c)"CZV": het chemisch zuurstofverbruik;
d)"CCl4 extraheerbare stoffen": het gehalte aan apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof;
e)"PCB": polychloorbifenylen;
f)"T.O.C.": het gehalte aan totaal organische koolstof;
g)"T.O.X.": het gehalte aan totaal organisch gebonden halogeen, uitgedrukt in chloor;
SECTORALE VOORWAARDEN: AFKORTINGEN
a)"n.v.t.": niet van toepassing;
b)"n.v.w.b.": niet visueel waarneembaar;
c)"v.g.t.g.": in de vergunning vast te stellen toegelaten gehalte in de gevallen waarin voor de betrokken parameter geen sectorale lozingsvoorwaarden zijn vastgesteld.
CONCORDANTIETABEL VOOR BEPAALDE LOZINGSPARAMETERS

In plaats van de benamingen van de eerste kolom worden de corresponderende benamingen van de tweede kolom gebruikt :

 

Oude terminologie

Nieuwe terminologie

actief chloor

vrije chloor

actief chloor en broom

vrije chloor

ammoniakale stikstof

ammonium

boraten

boor

CCl4 extraheerbare stoffen

perchloorethyleen extraheerbare apolaire stoffen

chlooranilines

gechloreerde aromatische amines

chloor oxideerbare cyaniden

vrije cyanide

cobalt

kobalt

cyanide(n)

totaal cyanide

DDT

som van p,p'-DDT, o,p'-DDT, p,p'-DDE en p,p'-DDD

detergent(en)

som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen

drins

som van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin

faecale colibacteriën

E. coli

faecale streptokokken

enterokokken

fluoride

totaal anorganisch gebonden fluoride

fosfaten of totaal fosfaat

totaal fosfor

gechloreerde koolwaterstoffen of gehalogeneerde koolwaterstoffen of organohalogenen of organische halogeenverbindingen

som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen, PCB's en organochloorpesticiden

geleidingsvermogen

elektrische geleidbaarheid

gemakkelijk ontbindbare cyanide

vrije cyanide

gemakkelijk ontbindbare cyanide (Bucksteeg)

vrije cyanide

hexachloorcyclohexaan (HCH)

som van α, β, γ en δ-HCH

kleuring

kleur

nitraten

nitraat

ontbindbare cyanide (Bucksteeg)

vrije cyanide

oppervlakteactieve stoffen

som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen

organische chloor

AOX

organische fosfor pesticiden

organofosforpesticiden

pesticiden

som van organochloorpesticiden, organofosforpesticiden, stikstofpesticiden, zure herbiciden en fenolen

selenium

seleen

sulfiden

som van opgelost sulfide en zuur milieu oplosbare sulfide

TOX

AOX

totaal fluor

totaal anorganisch gebonden fluoride

trichloorbenzeen (TCB)

som van 1,3,5-, 1,2,4-en 1,2,3-trichloorbenzeen

[...]
DEFINITIES SEVESO

gevaarlijke stoffen: met toepassing van bijlage 5, artikel 5.2.6.3.1 en 5.17.1.3, de stoffen en mengsels, aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct, met inbegrip van de stoffen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze bij een ongeval ontstaan;

veiligheidsnota: een openbaar document waarin aangetoond wordt dat de verandering van een vergunde inrichting geen bijkomend risico van zware ongevallen voor mens en milieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand, zoals die beschreven is in een voor die inrichting goedgekeurd omgevingsveiligheidsrapport, en waarbij met betrekking tot die verandering wordt aangetoond welke maatregelen getroffen zijn of kunnen worden getroffen om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;

DEFINITIES STUIVENDE STOFFEN

opslagcapaciteit voor stuivende stoffen: de oppervlakte van het terrein die wordt voorbehouden voor de tijdelijke opslag van stuivende stoffen, met uitzondering van de oppervlakte van gesloten opslagplaatsen die voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2, tweede lid. Voor bouw-, sloop of wegeniswerken wordt alleen rekening gehouden met de maximale oppervlakte die op één bepaald moment wordt voorbehouden voor de opslag van stuivende stoffen;

overslaghoeveelheid van stuivende stoffen: de aan- of afgevoerde hoeveelheden stuivende stoffen naar of van het terrein van de inrichting, afhankelijk van welke van de twee het grootst is. Bij het bepalen van de overslaghoeveelheid worden stoffen van stuifcategorie SC3 als vermeld in artikel 4.4.7.2.1 slechts voor 10% in rekening gebracht;

stuivende stoffen: de niet-verpakte stoffen die bij het transport, de verwerking, de vervaardiging of de opslag tot niet-geleide stofemissies kunnen leiden;

DEFINITIES VLIEGVELDEN (Hoofdstuk 5.57)
- "A-gewogen geluidblootstellingsniveau van een geluidsgebeurtenis SEL": het constante A-gewogen geluidsdrukniveau dat gedurende een tijdsinterval van 1 seconde dezelfde geluidsenergie zou veroorzaken als het werkelijke A-gewogen geluidsdrukniveau gedurende de duurtijd van de geluidsgebeurtenis.
DEFINITIES ZEEHAVENGEBIEDEN (Hoofdstuk 5.48)

- "behandelen": het laden, lossen, stuwen, ontstuwen, trimmen, storten en ander handelingen die inherent zijn aan de laad- en losactiviteiten;

- "doorvoeropslagplaats": opslagplaats waarin goederen, produkten of stoffen hetzij in afwachting van hun verscheping of verzending, hetzij na verscheping of verzending, tijdelijk worden opgeslagen gedurende een periode die de maximum tijdsduur voor opslag in havengebieden, bepaald in de ter zake door de havenbeheerder uitgevaardigde verordeningen, niet overschrijdt;

- "kortstondige opslag": opslag op de voorkaai van via de zeehaven verscheepte of te verschepen goederen, produkten of stoffen, gedurende een periode van maximum 30 opeenvolgende kalenderdagen voor IMDG-goederen en gedurende een periode, waarvan de maximum duurtijd bepaald wordt door de havenkapitein, voor de andere dan IMDG-goederen;

- "zeehavengebied": de voor opslag bestemde exploitatiezone die door de zeehavenbeheerder in concessie of erfpacht gegeven wordt of waarover de exploitant de beschikking heeft, met het doel er enkel doorvoergoederen te behandelen,zoals begrensd in de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen met betrekking tot de afbakening van de zeehavengebieden overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;

- "voorkaaien": de voor kortstondige opslag bestemde exploitatiezone die aansluit bij een kademuur en die door de zeehavenbeheerder in concessie of erfpacht gegeven wordt, of waarover de exploitant de beschikking heeft, met het doel er enkel doorvoergoederen te behandelen en waarop het havenreglement van toepassing is.

DEFINITIES ACTIVITEITEN DIE GEBRUIKMAKEN VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN (hoofdstuk 5.59)

1° « installatie » : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten, vermeld in artikel 5.59.1.1, plaatsvinden, en alle andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten die technisch verband houden met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

2° "bestaande installatie": een installatie die op 29 maart 1999 in bedrijf was of een installatie waarvoor vóór 1 april 2001 een vergunning is verleend of een melding is gebeurd of waarvoor voor die datum een volledige vergunningsaanvraag is ingediend, mits de installatie uiterlijk een jaar na die datum in gebruik werd genomen. [...]

3° "kleine installatie": een installatie met de laagste drempelwaarde van de punten 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16, 17 van bijlage 5.59.1 of, voor de andere activiteiten van bijlage 5.59.1, die minder dan 10 ton oplosmiddel per jaar verbruikt;

belangrijke wijziging :

een wijziging van de aard of de werking, of de uitbreiding van een installatie die naar de mening van de bevoegde overheid significant negatieve effecten kan hebben op de gezondheid van de mens of op het milieu.

 

De volgende veranderingen worden als belangrijke wijziging gedefinieerd :

 

a) voor een kleine installatie : een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 25 %;
b) voor alle andere installaties : een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 10 %.

[...]

6° "diffuse emissies": emissies, in een andere vorm dan van afgassen, van vluchtige organische stoffen in lucht, bodem of water alsmede, tenzij anders vermeld in bijlage 5.59.1, oplosmiddelen die zich in enig product bevinden. Hieronder zijn begrepen de niet-opgevangen emissies die via ramen, deuren, ventilatiekanalen, ontluchtingen en soortgelijke openingen in het milieu terechtkomen;

7° "afgassen": de uiteindelijke uitworp in de lucht van gassen met vluchtige organische stoffen of andere verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur in de lucht. Het volumetrisch debiet wordt uitgedrukt in Nm3/uur;

8° "totale emissie": de som van diffuse emissies en emissies van afgassen;

[...]

[...]

- "mengsel": een mengsel of oplossing, bestaande uit twee of meer stoffen;

12° "organische verbinding": een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast een of meer van de volgende elementen: waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium en stikstof, met uitzondering van koolstofoxiden en anorganische carbonaten en bicarbonaten;

13° "vluchtige organische stof (VOS)": een organische verbinding die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of die onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft. De fractie creosoot die deze dampspanning overschrijdt bij 293,15 K, wordt beschouwd als een VOS;

14° "organisch oplosmiddel": een vluchtige organische stof die alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering te ondergaan wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen of als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, dan wel als verdunner, als dispergeermiddel, om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker of als conserveermiddel;

15° "gehalogeneerd organisch oplosmiddel": een organisch oplosmiddel dat ten minste één broom-, chloor-, fluorof jodiumatoom per molecuul bevat;

16° "coating": een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om op een oppervlak voor een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te zorgen;

17° "kleefstof": een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om afzonderlijke delen van een product samen te kleven;

18° "inkt": een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels die organische oplosmiddelen bevatten, dat bij een drukactiviteit wordt gebruikt om een tekst of afbeeldingen op een oppervlak af te drukken;

19° "lak": een doorzichtige coating;

20° "verbruik": de totale input van organische oplosmiddelen per kalenderjaar of een andere periode van twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele VOS die voor hergebruik worden teruggewonnen;

21. "input": de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels die tijdens het uitoefenen van een activiteit worden gebruikt, met inbegrip van de binnen en buiten de installatie gerecycleerde oplosmiddelen die telkens worden meegerekend wanneer ze worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen;

22° "hergebruik van organische oplosmiddelen": het gebruik van uit een installatie teruggewonnen organische oplosmiddelen voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof, maar met uitzondering van de definitieve verwijdering van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afval;

23° "massastroom": de hoeveelheid vrijgekomen VOS in eenheden of massa/uur;

24° "nominale capaciteit": de massa van de organische oplosmiddelen die een installatie gemiddeld over één dag maximaal als input gebruikt, als de installatie onder normale bedrijfsomstandigheden bij de ontwerpoutput functioneert;

25° "normaal bedrijf": alle perioden waarin een installatie of een activiteit in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten en stilleggen en het onderhoud van apparatuur;

26° "gesloten systeem": een systeem dat zo functioneert dat de uit de activiteit vrijkomende VOS beheerst worden afgevangen en uitgestoten, via een afgaskanaal of via nabehandelingsapparatuur, en derhalve niet volledig diffuus zijn;

27° "gemiddelde over 24 uur": het rekenkundig gemiddelde van alle valide waarden die gedurende een periode van 24 uur bij normaal bedrijf zijn geregistreerd;

28° "opstarten en stilleggen": activiteiten de worden uitgevoerd wanneer een activiteit, een deel van de installatie of een reservoir in of buiten bedrijf wordt gesteld of in of uit de onbelaste toestand wordt gebracht. Regelmatig oscillerende activiteitenfasen worden niet als opstarten of stilleggen beschouwd;

29° « voertuig » : de volgende categorieën van voertuigen zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen : auto’s gedefinieerd als categorie M1, bestelwagens en vrachtwagens gedefinieerd als categorieën N1, N2 en N3, vrachtwagencabines gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur en de daarmee geïntegreerde behuizing voor de technische eenheden die voor vrachtwagens gedefinieerd als categorieën N1, N2 en N3 zijn bestemd, bussen gedefinieerd als categorieën M2 en M3, en aanhangwagens, met inbegrip van opleggers, gedefinieerd als categorieën O1, O2, O3 en O4;

[...]

[...]

[...]

[...]

Definities energieplanning en energieaudits (hoofdstuk 4.9)

- «energieplan » : een energieplan overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4 van het Energiebesluit;

- « geactualiseerd energieplan » : een geactualiseerd energieplan overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.7 van het Energiebesluit;

- «energiestudie » : een energiestudie overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4 van het Energiebesluit;

- «energiegebruik » : het primaire elektriciteitsgebruik en het primaire energetische gebruik van energiedragers en niet het non-energetische gebruik van energiedragers in de vorm van als grondstof ingezette energiedragers

- “energieaudit”: een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten;

DEFINITIES EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN (hoofdstuk 4.10)

BKG-emissies:

a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, CO2-emissies die conform het ministerieel besluit van 14 december 2007 houdende vaststelling van richtsnoeren voor het opstellen en wijzigen van het “monitoringplan” voor de handelsperiode 2008-2012 bewaakt worden;
b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, emissies van Broeikasgassen, afkomstig van activiteiten, met de vermelding van de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alleen wat betreft de emissies waarop de subindexen bij de letter Y betrekking hebben, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalenten;

BKG-inrichting: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;

3° Broeikasgassen:

a) koolstofdioxide (CO2);
b) methaan (CH4);
c) distikstofoxide (N2O);
d) fluorkoolwaterstoffen (HFK’s): de gefluoreerde broeikasgassen die zijn opgenomen in groep I van bijlage 5.16.5, met inbegrip van de isomeren ervan;
e) perfluorkoolstoffen (PFK’s): de gefluoreerde broeikasgassen die zijn opgenomen in groep II van bijlage 5.16.5, met inbegrip van de isomeren ervan;
f) zwavelhexafluoride (SF6): het gefluoreerde broeikasgas in groep III van bijlage 5.16.5;

eerste verbintenisperiode: de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012;

emissiejaarrapport:

a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, een rapport over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld overeenkomstig de sjabloon die op 23 januari 2009 is vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid;
b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, een emissieverslag over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld en waarover is gerapporteerd conform verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;

emissierecht: een overdraagbaar recht om gedurende een bepaalde periode één ton koolstofdioxide-equivalent aan broeikasgassen uit te stoten;

handelsperiode: een periode als vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen;

monitoringplan: een document dat bedoeld is voor het bewaken van BKG-emissies en dat opgesteld is overeenkomstig verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;

ton kooldioxide-equivalent: een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van de andere broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel;

10° tweede verbintenisperiode: de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020;

11° verificatiebureau: de organisatie die aangesteld is om de correcte uitvoering van het Vlaams Benchmarking convenant over energie-efficiëntie in de industrie van 29 november 2002 te bewaken, vermeld in artikel 10 van het voormelde convenant;

DEFINITIES AFVAL VAN WINNINGSINDUSTRIEËN (Hoofdstuk 2.12, 5.2 (afdeling 5.2.6) en 5.18; Bijlagen 5.2.6.1, 5.2.6.2 en 5.2.6.3)

winningsafval : afval dat afkomstig is van de prospectie, de winning, de behandeling en de opslag van mineralen en de exploitatie van groeven;

2° winningsindustrieën : alle ondernemingen die zich bezighouden met de bovengrondse of ondergrondse winning van mineralen voor commerciële doeleinden, met inbegrip van de winning door middel van het boren van boorputten of behandeling van het gewonnen materiaal;

terrein : alle land op een afzonderlijke geografische locatie onder de beheerscontrole van een exploitant;

exploitant : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het beheer van winningsafval, tevens voor de tijdelijke opslag van winningsafval, alsmede voor de exploitatiefasen en de fase na sluiting;

niet-verontreinigde bodem : grond die tijdens de winning is verwijderd van de bovenste laag van de bodem en die conform het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering niet verontreinigd is;

minerale bron of mineraal : een van nature voorkomende afzetting in de aardkorst van een organische of anorganische stof, zoals brandstoffen, metaalertsen, industriële mineralen en mineralen voor de bouwsector, uitgezonderd water;

behandeling : een mechanisch, fysisch, biologisch, thermisch of chemisch proces of een combinatie van dergelijke processen die op minerale bronnen worden uitgevoerd, met inbegrip van de exploitatie van groeven met de bedoeling het mineraal te extraheren, inclusief het wijzigen van de grootte ervan, het classificeren, het scheiden en uitlogen, en het opnieuw verwerken van eerder weggegooid afval, maar exclusief smelten, thermische productieprocessen (exclusief de verbranding van kalksteen), of metallurgische processen;

inert afval : afval dat geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaat. Inert afval lost niet op, verbrandt niet en vertoont ook geen andere fysische of chemische reacties, het wordt niet biologisch afgebroken en heeft geen zodanige nadelige effecten op andere stoffen waarmee het in contact komt dat milieuverontreiniging of schade aan de menselijke gezondheid dreigt te ontstaan. De totale uitloogbaarheid en het gehalte aan vervuilende componenten van het afval en de ecotoxiciteit van het percolaat mogen niet significant zijn en mogen vooral de kwaliteit van het oppervlaktewater of grondwater niet in gevaar brengen;

percolaat : elke vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit een afvalvoorziening of zich daarin bevindt, met inbegrip van verontreinigd afvoerwater dat, als het niet op de juiste wijze wordt behandeld, nadelige effecten op het milieu kan hebben;

10° afvalvoorziening : een terrein dat is aangewezen voor het verzamelen of storten van winningsafval, ongeacht of dat afval zich in vaste vorm, in een oplossing, in een suspensie, of in een vloeibare toestand bevindt, gedurende de volgende termijnen :

a) geen termijn voor afvalvoorzieningen van categorie A en voorzieningen voor in het afvalbeheersplan als gevaarlijk gekarakteriseerd afval;
b) een termijn van meer dan zes maanden voor voorzieningen voor gevaarlijk afval dat onverwacht wordt gegenereerd;
c) een termijn van meer dat één jaar voor voorzieningen voor niet-gevaarlijk niet-inert afval;
d) een termijn van meer dan drie jaar voor voorzieningen voor niet-verontreinigde grond, niet-gevaarlijk afval uit prospectie, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en inert afval.

Tot dergelijke voorzieningen worden dammen of andere structuren gerekend voor het bevatten, vasthouden, beperken of anderszins ondersteunen van een dergelijke voorziening, alsmede, maar niet uitsluitend, afvalbergen en bekkens, maar met uitzondering van uitgravingen waarin afval wordt teruggeplaatst na extractie van het mineraal met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden;

11° afvalvoorziening van categorie A : een afvalvoorziening, ingedeeld in categorie A overeenkomstig bijlage 5.2.6.3;

12° zwaar ongeval : een gebeurtenis op het terrein tijdens een exploitatie die het beheer van afval in een onder deze richtlijn begrepen inrichting omvat, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd, op het terrein of daarbuiten, ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens of het milieu ontstaat;

13° off-shore : het deel van de zee en de zeebodem dat zich vanaf de laagwaterlijn bij normaal of gemiddeld tij zee-inwaarts uitstrekt;

14° afvalberg : een aangelegde voorziening voor het storten van vast afval op het aardoppervlak;

15° dam : een aangelegde structuur die tot doel heeft water en afval binnen een bekken vast te houden of in op te sluiten;

16° bekken : een natuurlijke of aangelegde voorziening voor het storten van fijnkorrelig afval, doorgaans tailings, samen met wisselende hoeveelheden vrij water, afkomstig van de behandeling van minerale bronnen, en het zuiveren en recyclen van proceswater;

17° tailings : de vaste afvalstoffen en de slurries die achterblijven na de behandeling van mineralen door middel van scheidingsprocessen, bijvoorbeeld verbrijzelen, malen, sorteren naar grootte, flotatie en andere fysisch-chemische technieken, waarbij de waardevolle mineralen worden gescheiden van het minder waardevolle gesteente;

18° rehabilitatie : de behandeling van het land dat nadelige invloed heeft ondervonden van een afvalvoorziening, op een zodanige manier dat het land weer in een bevredigende toestand wordt gebracht, en met speciale aandacht voor de bodemkwaliteit, in het wild levende dieren, de natuurlijke habitats, de zoetwatersystemen, het landschap en toepasselijk gunstig gebruik;

19° prospectie : het zoeken naar economisch winbare ertslagen, tevens inhoudende bemonstering, bulkbemonstering, boren en graven, maar geen werkzaamheden in de ontwikkelingsfase die voorafgaat aan de productiefase van dergelijke lagen, noch activiteiten die rechtstreeks verbonden zijn met bestaande winning;

20° in zwak zuur scheidbaar cyanide : cyanide en cyanideverbindingen die kunnen worden gescheiden door of met behulp van een zwak zuur bij een bepaalde pH;

[...]

22° competente persoon : een natuurlijke persoon die over de technische kennis en ervaring beschikt om de taken uit te voeren die uit afdeling 5.2.6 voortvloeien.

DEFINITIES ELEKTROMAGNETISCHE GOLVEN (hoofdstuk 2.14 en 6.10)

afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven : de subentiteit van het departement, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven;

BIPT : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;

gemiddeld effectief uitgestraald vermogen : het gemiddelde vermogen over een willekeurige periode van zes minuten dat aan de zendantenne wordt geleverd, vermenigvuldigd met de maximale antennewinst ten opzichte van een standaarddipoolzendantenne;

grenswaarde : de elektrische veldsterkte, uitgedrukt in volt per meter (V/m), die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden;

veiligheidszone : een zone rond een vast opgestelde zendantenne die tot stand gebracht wordt door de exploitant en die niet vrij toegankelijk is voor het publiek. Onder publiek wordt verstaan elke natuurlijke persoon die niet op de hoogte is van de mogelijke gezondheidsrisico’s van een blootstelling aan de elektromagnetische golven van een vast opgestelde zendantenne, of die zich er niet van bewust is dat op een bepaalde locatie een of meer vast opgestelde zendantennes aanwezig zijn, of die niet de mogelijkheid heeft zich eenvoudig te onttrekken aan de blootstelling van de elektromagnetische golven van een of meer vast opgestelde zendantennes;

zendantenne : een element dat elektromagnetische golven uitzendt met een frequentie tussen 10 MHz en 10 GHz;

vast opgestelde zendantenne : een zendantenne die op permanente wijze op een vaste drager geplaatst wordt. Dat kan zowel een individuele zendantenne zijn als een combinatie van zendantennes van dezelfde exploitant die dicht bij elkaar zijn opgesteld, die dezelfde geografische zone dekken en die gebruikt worden voor dezelfde toepassingen. Monoband- en multibandzendantennes die ontwikkeld zijn om tegelijkertijd elektromagnetische golven voor N verschillende technologieën (zoals gsm, DCS en UMTS) uit te zenden, worden beschouwd als N afzonderlijke vast opgestelde zendantennes;

mobiele zendantenne : een zendantenne die draagbaar of eenvoudig verplaatsbaar is en gebruikt kan worden terwijl ze in beweging is of stilstaat op om het even welke locatie;

tijdelijk opgestelde zendantenne : een zendantenne die op één bepaalde geografische locatie is opgericht om te voldoen aan een tijdelijke behoefte gedurende maximaal twee weken;

10° conformiteitsattest : attest dat, als de elementen in de aanvraag voor dit attest de werkelijke situatie weergeven, certificeert dat de in de aanvraag vermelde vast opgestelde zendantennes van dezelfde exploitant op dezelfde geografische locatie voldoen aan de bepalingen van deel 2, hoofdstuk 2.14, afdeling 2.14.2, en deel 6, hoofdstuk 6.10, afdeling 6.10.2;

11° Egem, 6 min : gemiddelde (RMS) elektrische veldsterkte over een willekeurige periode van zes minuten, uitgedrukt in V/m;

12° bestaande vast opgestelde zendantenne : elke vast opgestelde zendantenne die voor de inwerkingtreding van deel 2, hoofdstuk 2.14, en deel 6, hoofdstuk 6.10, in bedrijf is gesteld;

13° azimut : de richting waarin de vast opgestelde zendantenne het grootste deel van het vermogen uitzendt (0°= noorden, 90°= oosten, 180°= zuiden, 270°= westen). Voor omnidirectionele zendantennes (zendantennes die in elke richting evenveel uitzenden) heeft de opgave van een azimut geen zin;

14° tilt : de hoek ten opzichte van het horizontale vlak waarin de zendantenne het meeste vermogen uitzendt;

15° horizontale openingshoek : hoek in het horizontale vlak waarin het meeste vermogen uitgezonden wordt;

16° verticale openingshoek : hoek in het verticale vlak waarin het meeste vermogen uitgezonden wordt;

17° winst : het quotiënt van de stralingsintensiteit in het vrije veld van een zendantenne in een bepaalde richting ten opzichte van de stralingsintensiteit die onder gelijke omstandigheden geproduceerd zou worden door een hypothetische ideale zendantenne die in alle richtingen evenveel straalt (isotrope zendantenne). Als geen specifieke richting is opgegeven, is dit de grootst mogelijke quotiënt over alle richtingen;

18° verandering aan een vast opgestelde zendantenne : elke wijziging van de technische karakteristieken (bijvoorbeeld azimut, afmetingen, hoogte vanaf het grondniveau tot het midden van de zendantenne, frequentie, het aan de antenne geleverde maximale vermogen, tilt, horizontale openingshoek, verticale openingshoek, stralingspatroon en winst) van een vast opgestelde zendantenne;

19° verblijfplaats : een plaats die voldoet aan een of meer van de volgende beschrijvingen :

a) lokaal van een gebouw waar personen kunnen verblijven, zoals lokalen van woningen, scholen, crèches, ziekenhuizen, rust- en verzorgingstehuizen;
b) bedrijfsruimte waar werknemers zich regelmatig bevinden;
c) speelplaatsen van scholen;

    

20° enkelvoudig SAR : het specifieke absorptietempo van een vast opgestelde zendantenne. Het specifieke absorptietempo is de hoeveelheid elektromagnetische energie die per tijdseenheid en per massa wordt geabsorbeerd.

Definities windturbines (afdeling 5.20.6)

1° “slagschaduw”: schaduw die afkomstig is van een bewegende rotor van een windturbine als de intensiteit van het ingestraalde zonlicht hoger is dan 120 W/m² op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon;

2° “verwachte slagschaduw”: het aantal uren slagschaduw dat aan de hand van de aannames, vermeld in punt F14 van de toelichtingsbijlage bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vervat in bijlage 4B van titel I van het VLAREM, verwacht mag worden;

3° “effectieve slagschaduw”: het aantal uur slagschaduw dat effectief ter hoogte van een relevant slagschaduwgevoelig object opgetreden is, bepaald op basis van metingen of bepaald uit het logboek van de turbines;

4° “slagschaduwgevoelig object”: een binnenruimte waar slagschaduw van windturbines hinder kan veroorzaken;

5° “slagschaduwkalender”: een overzicht waarin voor elke dag van een jaar de tijdsspanne met de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur weergegeven wordt.

6° “tiphoogte”: masthoogte, vermeerderd met de helft van de rotordiameter.

Definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen (hoofdstuk 4.4 (afdeling 4.4.8), hoofdstuk 5.2 (artikel 5.2.2.5.2, § 9), hoofdstuk 5.15 (artikel 5.15.0.8), hoofdstuk 5.16 (artikel 5.16.3.3, § 1bis), hoofdstuk 5bis.15.5 (artikel 5bis.15.5.2.3, § 1, artikel 5bis.15.5.4.5.4, § 1, en artikel 5bis.15.5.4.5.7, § 2), hoofdstuk 5bis.19.8 (artikel 5bis.19.8.4.8.4, § 1, en artikel 5bis.19.8.4.8.7, § 2) en hoofdstuk 6.8 (artikel 6.8.1.1 en afdeling 6.8.2 tot en met 6.8.6)

1° “installatie”: het samenvoegen van twee of meer delen van apparatuur of circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, om een systeem te monteren op de plaats waar het zal worden geëxploiteerd, dat met zich meebrengt dat gastransporterende geleiders van een systeem worden samengevoegd om een circuit te voltooien, ongeacht of het systeem na montage moet worden gevuld of niet;

2° “onderhoud”: alle activiteiten, met uitsluiting van terugwinning en controles op lekken als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, die met zich brengen dat de circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, worden geopend, namelijk het toevoegen aan het systeem van gefluoreerde broeikasgassen, het verwijderen van een of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, het opnieuw monteren van twee of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, alsook het repareren van lekkages;

3° “reparatie”: het herstel van beschadigde of lekkende producten of apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor de werking ervan, en waarvan een onderdeel zulke gassen bevat dan wel daartoe ontworpen is;

4° “buitendienststelling”: het definitieve stilleggen en buiten werking of gebruik stellen van een product of deel van de apparatuur dat gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat;

5° “terugwinning”: het verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit producten, waaronder houders, en apparatuur gedurende het onderhoud, dan wel voorafgaand aan de verwijdering van de producten of de apparatuur;

6° “koelinstallatie”: het geheel van de onderdelen en apparaten die nodig zijn voor de werking van een koelsysteem. Het gaat hier ook om luchtconditioneringsinstallaties en warmtepompen die een koelsysteem bevatten;

7° “brandbeveiligingsapparatuur”: de apparatuur en de systemen die worden gebruikt bij brandbeveiligings- en brandblustoepassingen. Brandblussers maken hier ook deel van uit;

8° “elektrische schakelinrichtingen”: schakeltoestellen en combinaties daarvan met de bijbehorende controle-, meet-, beschermings- en reguleringsapparatuur, en samenstellingen van dergelijke toestellen en apparatuur met de bijbehorende koppelingen, accessoires, behuizingen en ondersteunende structuren, die bedoeld zijn voor gebruik in verband met het opwekken, het overbrengen, de distributie en de omzetting van elektrische energie.

9° "koelwagen": een motorvoertuig met een gewicht van meer dan 3,5 ton dat primair bestemd en gebouwd is om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust;

10° "koelaanhangwagen": een voertuig dat bestemd en gebouwd is om door een vrachtwagen of een trekker te worden gesleept, primair om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust.


Hoofdstuk 1.1.bis.
De indelingslijst


Art. 1.1bis/1.

De indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.


Hoofdstuk 1.2.
WIJZIGINGSBEVOEGDHEDEN EN HET VERLENEN VAN AFWIJKINGEN


Afdeling 1.2.1.
Wijzigingsbevoegdheden


Art. 1.2.1.1. De bepalingen, opgenomen in de bijlagen bij dit besluit, met betrekking tot meet- en analysemethodes en codes van goede praktijken kunnen door de Vlaamse minister gewijzigd worden.

Afdeling 1.2.2.
Individuele afwijkingsmogelijkheden voor alle inrichtingen


Art. 1.2.2.1.

§ 1.

De Vlaamse minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan op de milieuvoorwaarden uit dit besluit, mits de aanvrager het bepaalde in het artikel 4.1.2.1 naleeft.

In zoverre de bepalingen waarop de afwijking betrekking heeft tevens zijn opgelegd in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, geldt ze ook voor deze vergunningsvoorwaarden.

 

§ 2.

De afwijking, vermeld in het eerste lid, is geldig tot een van de volgende gevallen zich voordoet:

de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waarop ze betrekking heeft verstrijkt;
als de afwijking voor een beperkte termijn is verleend: bij het verstrijken van die termijn;
als de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, als gevolg van:
a) een evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1 of 1.4.2.1, de bijzondere milieuvoorwaarden bijstelt en die strenger zijn dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
b) een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83 van het decreet van 25 april 2014, de bijzondere milieuvoorwaarden bijstelt en die strenger zijn dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
de voorwaarden waarvan afwijking is verleend, worden opgeheven of vervangen door andere voorwaarden.

 

§ 3.

Deze afwijkingen kunnen geen versoepeling inhouden van de in dit besluit vastgestelde emissiegrenswaarden, met uitzondering van de algemene emissiegrenswaarden voor lucht vermeld in bijlage 4.4.2 van titel II van het VLAREM, voor zover deze afwijkingsmogelijkheid expliciet in deze bijlage is aangegeven.

 

§ 4.

De vergunningverlenende overheid kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit slechts die afwijkingen opnemen die voor de datum van indiening van de vergunningsaanvraag waren toegestaan.


Art. 1.2.2.1bis.

De afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.1, kan alleen worden toegestaan als aan volgende voorwaarden wordt voldaan :

er zijn technische redenen die de afwijking motiveren;
de exploitant stelt maatregelen voor die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en van het milieu als de voorwaarden waarvan de afwijking wordt toegestaan;
de maatregelen, vermeld in punt 2°, beantwoorden aan de beste beschikbare technieken.

Art. 1.2.2.2. [...]

Art. 1.2.2.3. Bijzondere afwijkingsmogelijkheden voor sommige inrichtingen ingedeeld in de derde klasse

[...]


Afdeling 1.2.2bis.
Individuele afwijkingen op de BBT-GEN voor GPBV-installaties


Art. 1.2.2bis.1. [...]

Art. 1.2.2bis.2. [...]

Art. 1.2.2bis.3. [...]

Art. 1.2.2bis.4. [...]

Afdeling 1.2.2ter.
Procedure voor de individuele afwijkingen die door de minister worden toegestaan


Art. 1.2.2ter.1.

§ 1.

De afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.1, §1, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

De verzoeker gebruikt hiertoe:

het formulier, opgenomen in bijlage 5, die als bijlage bij het besluit van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is gevoegd;
de in het formulier aangewezen addenda uit de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2, die bij het besluit van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is gevoegd.

 

Het gemotiveerde verzoek omvat de gegevens die als verplicht in te vullen of bij te voegen voorgeschreven zijn in het formulier en de desbetreffende addenda.

 

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn gemachtigd gezamenlijk het formulier en de addenda-bibliotheek, vermeld in het tweede lid, en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij minstens de volgende gegevens worden gevraagd:

de naam, de hoedanigheid en het adres van de aanvrager;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
een omschrijving van de artikelen en de milieuvoorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
de technische redenen die de afwijking motiveren;
een voorstel van maatregelen die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het milieu als de voorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan BBT.

Art. 1.2.2ter.2.

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, onderzoekt de ontvankelijkheid en volledigheid van de afwijkingsaanvraag.

 

Bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid wordt nagegaan of de afwijkingsaanvraag de gegevens, vermeld in artikel. 1.2.2ter.1, §2, bevat.

 

Als de afwijkingsaanvraag onvolledig is, vraagt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de aanvrager met een beveiligde zending de ontbrekende gegevens of documenten binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de datum van de verzending van het volledigheidsverzoek, bij de aanvraag te voegen.

 

Het resultaat van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van de afwijkingsaanvraag wordt met een beveiligde zending meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat vanaf de dag na de datum waarop de aanvraag is ingediend of vanaf de dag na de datum waarop de ontbrekende gegevens en documenten zijn ontvangen.

 

Als de aanvrager nalaat de ontbrekende gegevens of documenten, vermeld in het derde lid, binnen de termijn van dertig dagen bij de afwijkingsaanvraag te voegen, wordt de afwijkingsaanvraag van rechtswege als onvolledig beschouwd.

 

Als de afwijkingsaanvraag onontvankelijk of onvolledig is, wordt de procedure definitief stopgezet.


Art. 1.2.2ter.3.

Voor afwijkingsaanvragen als vermeld in artikel 1.2.2.1, §1, die betrekking hebben op de inplantingsregels en voor afwijkingsaanvragen als vermeld in artikel 1.4 van titel III van het VLAREM, zal de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, op dezelfde dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de aanvraag ontvankelijk en volledig is, de aanvraag ter beschikking stellen van de betrokken gemeente, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen.

 

Voor de organisatie van het openbaar onderzoek zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van overeenkomstige toepassing, waarbij:

de vergunningsaanvraag of de aanvraag tot omgevingsvergunning moet worden gelezen als de afwijkingsaanvraag;
de vergunningsaanvrager moet worden gelezen als de aanvrager van de afwijkingsaanvraag.

Art. 1.2.2ter.4.

Op dezelfde dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is, stelt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de afwijkingsaanvraag ter beschikking van de GOVC, vermeld in artikel 40 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, brengt aan de GOVC advies uit binnen een termijn van zestig dagen vanaf de dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is. De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan als ze dat noodzakelijk acht, het advies inwinnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

 

Als de aanvrager bij het indienen van de afwijkingsaanvraag vraagt om gehoord te worden, wordt hij gehoord door de GOVC.

 

De GOVC brengt op basis van het aanvraagdossier, het advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en, in voorkomend geval, de adviezen die deze afdeling heeft ingewonnen, een advies uit binnen een termijn van negentig dagen vanaf de dag na de datum waarop de afwijkingsaanvraag aan haar ter beschikking is gesteld.

 

Voor de toepassing van dit artikel zetelen in de GOVC naast de personen, vermeld in artikel 40, §1, 1° tot en met 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, de adviesinstanties die over de afwijkingsaanvraag een advies hebben uitgebracht.


Art. 1.2.2ter.5.

De beslissing over de afwijkingsaanvraag wordt genomen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, binnen een termijn van honderdvijftig dagen die ingaat vanaf de dag dat met toepassing van artikel 1.2.2ter.2, vierde lid, aan de aanvrager wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is.

 

De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat:

de datum van de afwijkingsaanvraag;
de naam of de hoedanigheid van de aanvrager;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
een omschrijving van de artikelen en de milieuvoorwaarden waarvan afwijking wordt gevraagd;
in voorkomend geval, een verwijzing naar de aard van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
een motivering van de beslissing;
als de afwijking wordt toegestaan, de voorwaarden die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het milieu als de voorwaarden waarvan de afwijking is toegestaan.

Art. 1.2.2ter.6.

Voor de bekendmaking van de beslissing zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 9, afdeling 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, van overeenkomstige toepassing.


Art. 1.2.2ter.7. [...]

Afdeling 1.2.3.
Verlenen van afwijkingen op algemene of per categorie van inrichtingen geldende voorwaarden


Art. 1.2.3.1. [...]

Afdeling 1.2.4.
Vroeger toegestane afwijkingen


Art. 1.2.4.1. [...]

Hoofdstuk 1.3.
ERKENDE MILIEUDESKUNDIGEN


Afdeling 1.3.1.
Algemene bepalingen


Art. 1.3.1.1.

§ 1.

Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses, als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder:

een laboratorium in de discipline water: een laboratorium in de discipline water, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het deeldomein afval-, oppervlakte-, grond- of drinkwater;

een laboratorium in de discipline lucht: een laboratorium in de discipline lucht, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie: een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen: een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

Niemand mag die monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses uitvoeren zonder daarvoor in het bezit te zijn van een erkenning, in voorkomend geval als vermeld in:

in bijlage 3, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline water;
in bijlage 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline lucht;
in bijlage 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen. 

 

§ 2.

Voor het uitvoeren van akoestische onderzoeken en het opstellen en het begeleiden van saneringsplannen als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt met een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen bedoeld: een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

§ 3.

Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder een milieudeskundige in de discipline afval of bodem : een laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen of in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het VLAREL.

 

§ 4.

In dit besluit wordt verstaan onder:

milieudeskundige in de discipline elektrische installaties: een erkend orgaan als vermeld in artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI);
milieudeskundige in de discipline recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt, of opgelost gas: een erkende externe dienst voor technische controles op de werkplaats als vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 1999 betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats, voor het domein controles van gasrecipiënten;
milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk: een erkende aangemelde instantie of keuringsdienst van gebruikers als vermeld in hoofdstuk VIII van het koninklijk besluit van 13 juni 1999 betreffende het op de markt brengen van drukapparatuur, voor de toepassing van de procedures, vermeld in de Europese richtlijn 97/23/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur ofwel een erkende aangemelde instantie als vermeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 11 juni 1990 betreffende het op de markt brengen van drukvaten van eenvoudige vorm, voor de toepassing van de procedures, vermeld in de Europese richtlijn 2009/105/EG inzake drukvaten van eenvoudige vorm.

Afdeling 1.3.2.
Erkenningsvoorwaarden en -procedure


Art. 1.3.2.1. [...]

Art. 1.3.2.2. [...]

Art. 1.3.2.3. [...]

Afdeling 1.3.3.
Verplichtingen van de erkende milieudeskundige


Art. 1.3.3.1. [...]

Art. 1.3.3.2. [...]

Afdeling 1.3.4.
Overheidslaboratoria


Art. 1.3.4.1.

De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), afdeling Lucht, Milieu en Communicatie, wordt erkend voor het uitbouwen en exploiteren van meetnetten voor het meten van de verontreiniging van de omgevingslucht en het bewaken van de luchtkwaliteit als vermeld in artikel 2.2.6 en 10.2.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Hierbij gaat het om het exploiteren en het meten van de verontreiniging van de omgevingslucht in het kader van de volgende meetnetten:

telemetrisch meetnet lucht, voor de voortgangsbewaking van de algemene luchtkwaliteit voor luchtverontreinigende stoffen, inzonderheid : SO2, NO, NO2, O3 , CO, CO2, BTEX, VOS, [...] bemonstering en gravimetrische bepaling van stofdeeltjes, de continue meting van stofdeeltjes met specifieke grootte-karakteristiek;
lokale meetnetten in gebieden met acute lokale problemen van luchtverontreiniging, inzonderheid : SO2, H2S, organische zwavelverbindingen, NO, NO2, O3, CO, CO2, BTEX, VOS, bemonstering en analyse zwarte rook volgens de OESO-methode, bemonstering en gravimetrische bepaling van stofdeeltjes, de continue meting van stofdeeltjes met specifieke grootte-karakteristiek;
mobiele metingen van luchtverontreiniging voor luchtverontreinigende stoffen, inzonderheid : SO2, H2S, organische zwavelverbindingen, NO, NO2, O3 , CO, CO2, BTEX, VOS, totaal koolwaterstoffen en totaal stofgehalte;
meetnet voor zware metalen in zwevend stof, inzonderheid : As, Cd, Cu, Ni, Pb, Sb en Zn;
meetnet voor zware metalen in neervallend stof, inzonderheid : As, Cd, Cu, Ni, Pb en Zn;
depositienet verzuring voor de bepaling van anorganische stoffen in de omgevingslucht, in droge, natte en totale depositie, inzonderheid : ammoniak, ammonium, calcium, chloriden, fluoriden, kalium, magnesium, natrium en sulfaten;
meetnetten voor de bepaling van organische stoffen in de omgevingslucht, in droge, natte en totale depositie, inzonderheid : PAK's, nitro-aromatische koolwaterstoffen, VOS en ZVOS;

Art. 1.3.4.2.

De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), afdeling Lucht, Milieu en Communicatie:

maakt jaarlijks een verslag op over de geleverde prestaties en de interne kwaliteitszorg, en stuurt dit aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
neemt deel, rechtstreeks of via de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL), aan de door het referentielaboratorium van de EU georganiseerde externe kwaliteitscontroles inzake meetnetten voor de luchtkwaliteit; de resultaten van deze activiteiten worden opgenomen in het jaarverslag, bedoeld in 1°.

Art. 1.3.4.3.

Als referentiestandaard voor immissiemetingen als vermeld in artikel 1.3.4.1, gelden de ijkbank van de Vlaamse Milieumaatschappij en de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL).


Hoofdstuk 1.4.
Evaluaties


Afdeling 1.4.1.
Algemene evaluaties van GPBV-installaties


Art. 1.4.1.1.

Een algemene evaluatie van de milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op een GPBV-installatie, vermeld in artikel 5.4.11, §1, 1°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt uitgevoerd:

binnen twee jaar na de bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Unie van de door de Europese Commissie aangenomen nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GPBV-installatie;
voor zover er geen BBT-conclusies van toepassing zijn, als ontwikkelingen op het gebied van de BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken.
als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden in de vergunning moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen;
als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
als overeenkomstig artikel 3.3.0.3, 3°, aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm moet worden voldaan.

 

Bij een algemene evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden alle milieuvoorwaarden die op de GPBV-installatie van toepassing zijn, geëvalueerd.

 

Bij een algemene evaluatie, vermeld in het eerste lid, 1°, worden alle nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies in aanmerking genomen die voor de installatie gelden en die sinds de afgifte of de laatste evaluatie van de vergunning door de Europese Commissie zijn aangenomen.

 

De door de Europese Commissie aangenomen nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GBPV-installatie worden binnen een maand na de bekendmaking in het publicatieblad van de Europese Unie door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, meegedeeld aan de exploitanten van de betrokken GPBV-installaties, als voorbereiding van de evaluaties.

 

Als conform artikel 1.4 van titel III van het VLAREM voor een GPBV-installatie een individuele afwijking van de BBT-GEN is toegestaan, wordt bij iedere algemene evaluatie opnieuw de toepassing van artikel 1.4, derde lid, van titel III van het VLAREM geëvalueerd.

 

Als voor een GPBV-installatie in een voorafgaande periode van vijftien jaar geen evaluatie werd uitgevoerd, kan, rekening houdende met het tijdstip waarop de milieuvoorwaarden zijn aangepast ingevolge een vergunningsaanvraag of ingevolge de toepassing van artikel 82 van het decreet van 25 april 2014, een algemene evaluatie worden gepland.


Afdeling 1.4.2.
Gerichte evaluaties


Art. 1.4.2.1.

De relevante milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op een ingedeelde inrichting of activiteit, kunnen met het oog op de eventuele toepassing van artikel 82, eerste lid, 2°, van het decreet van 25 april 2014, worden onderworpen aan een gerichte evaluatie, vermeld in artikel 5.4.11, §1, 2°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid:

voor de gevallen en aspecten bepaald in de richtlijnen over bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 5.4.6/1, tweede lid, van titel V van het voormelde decreet;
voor zover in een voorafgaande periode van vijftien jaar de te evalueren milieuvoorwaarden bij de beslissing over een vergunningsaanvraag of met toepassing van artikel 82 van het decreet van 25 april 2014 niet op relevante wijze zijn aangepast, in de hierna vermelde gevallen:
a) inrichtingen of activiteiten, vermeld in indelingsrubriek 2.3.11, met uitzondering van de aspecten die betrekking hebben op het inert afval, het afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en het niet–gevaarlijk niet-inert afval, tenzij de afvalstoffen worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, en met uitzondering van de afvalvoorzieningen, vermeld in artikel 5.2.6.10.1, §3, van dit besluit;
b) afval (mee)verbrandingsinstallaties als vermeld in de indelingsrubrieken 2.3.4.1, b, c, e, f, g, h, j, k, l, m; 2.3.4.2, b, c, d, e, f, g en 2.3.5;
c) het lozen in gewone oppervlaktewateren, openbare riolen of kunstmatige afvoerwegen voor regenwater, van gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2C, in concentraties die hoger zijn dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1;
d) het direct of indirect lozen in grondwater van gevaarlijke stoffen als vermeld in bijlage 2B.

  


Afdeling 1.4.3.
Meerjarenprogramma voor evaluaties van GPBV-installaties


Onderafdeling 1.4.3.1.
Vaststellen van het meerjarenprogramma


Art. 1.4.3.1.1.

Het voortschrijdende meerjarenprogramma van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bevat minstens de volgende gegevens:

een plan van aanpak voor het uitvoeren van de algemene evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11, §1, 1°, van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, voor de eerstkomende vijf jaar;
een nominatieve lijst van ingedeelde inrichtingen of activiteiten waarvoor in de loop van de komende twee jaar voormelde evaluatie gepland is met de concrete planning voor het eerstkomende jaar.

 

De concrete planning wordt door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, maximaal zestig dagen na de publicatie van nieuwe of herziene BBT-conclusies in het Publicatieblad van de Europese Unie geactualiseerd.

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bepaalt in haar plan van aanpak, vermeld in het eerste lid, voor elke categorie van GPBV-installaties die ze in aanmerking neemt voor het uitvoeren van een evaluatie in de volgende vijf kalenderjaren, of de redenen voor de evaluatie ten dele ook aanleiding geven tot een bijstelling van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden.

 

Het voortschrijdende meerjarenprogramma wordt afgestemd op de programmatorische aanpak van de milieuhandhaving.

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, stelt het voortschrijdende meerjarenprogramma vast na raadpleging van de adviesinstanties, vermeld in artikel 37, §4 tot en met §16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.


Onderafdeling 1.4.3.2.
Bekendmaking van het meerjarenprogramma


Art. 1.4.3.2.1.

Het voortschrijdende meerjarenprogramma van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, wordt jaarlijks voor 1 oktober online bekendgemaakt op een daartoe geëigende plaats op de website van de afdeling en wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering. Het ligt ook ter inzage bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, stelt jaarlijks voor 1 oktober haar voortschrijdende meerjarenprogramma ter beschikking van de provinciale en de gewestelijke omgevingsvergunningscommissies en van de afdeling, bevoegd voor de milieuhandhaving.


Onderafdeling 1.4.3.3.
Rapportage over de uitvoering van het meerjarenprogramma


Art. 1.4.3.3.1.

De afdeling Milieu bevoegd voor de omgevingsvergunning stelt uiterlijk op 30 juni van elk jaar een rapport op over de mate waarin uitvoering is gegeven aan haar voortschrijdende meerjarenprogramma van het vorige jaar. Daarvoor kan de afdeling alle nuttige informatie inwinnen bij de bevoegde provinciale en gewestelijke omgevingsvergunningscommissies.

 

Het rapport, vermeld in het eerste lid, omvat minstens:

het bij het begin van het beschouwde jaar voorziene aantal algemene evaluaties;
het aantal uitgevoerde evaluaties voor het beschouwde jaar;
als er een verschil is tussen het aantal voorziene algemene evaluaties en het aantal uitgevoerde algemene evaluaties, een toelichting waarom het vooropgestelde aantal niet gehaald is.

 

Het rapport, vermeld in het eerste lid, wordt binnen een termijn van dertig dagen na de dag dat het is vastgesteld, bekendgemaakt overeenkomstig de bepalingen van artikel 1.4.3.2.1.


Afdeling 1.4.4.
Instanties die belast zijn met het uitvoeren van evaluaties


Art. 1.4.4.1.

Overeenkomstig artikel 5.4.12 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende instanties belast met het uitvoeren van evaluaties:

de bevoegde dienst van de gemeente voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor het college van burgemeester en schepenen conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen;
de provinciale omgevingsvergunningscommissie voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor de deputatie conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen;
de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie voor ingedeelde inrichtingen of activiteiten die behoren tot projecten waarvoor de Vlaamse Regering conform artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 bevoegd is om in eerste administratieve aanleg over de vergunningsaanvraag een beslissing te nemen.

Afdeling 1.4.5.
Het uitvoeren van evaluaties


Onderafdeling 1.4.5.1.
Algemeen


Art. 1.4.5.1.1.

§ 1.

Voor het uitvoeren van de evaluatie wordt gebruikgemaakt van de bij monitoring of bij inspectie verkregen gegevens waarover de overheid beschikt.

 

De instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, kunnen de exploitant om bijkomende gegevens vragen die voor de evaluatie van de milieuvoorwaarden noodzakelijk zijn en als die nog niet in hun bezit zijn, waaronder:

de maatregelen die de exploitant uitvoert of voorstelt naar aanleiding van de redenen die aanleiding hebben gegeven tot het opstarten van de evaluatie en die hem overeenkomstig artikel 1.4.5.2.1, §1, tweede lid, of 1.4.5.3.1, §1, tweede lid, zijn meegedeeld;
als de aanstelling van een milieucoördinator voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verplicht is, de visie van de milieucoördinator op de maatregelen, vermeld in punt 1°;
als het een GPBV-installatie betreft: de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT, zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN.

 

§ 2.

De exploitant bezorgt de bijkomende gegevens, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, binnen een termijn van vijftig dagen vanaf de dag na de datum van verzending van de vraag.

 

Bij het overmaken van de gegevens, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, kan de exploitant de gegevens aangeven die vertrouwelijk moeten worden behandeld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de regeling inzake passieve openbaarheid, vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

 

Als de exploitant nalaat om de gevraagde gegevens binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, te bezorgen, kan de instantie die belast is met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, de evaluatie toch laten doorgaan.

 

§ 3.

De instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, stellen de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, bij de adviesaanvraag ter beschikking van de instanties die ze om advies vragen.

 

§ 4.

Voor de toepassing van afdeling 1.4.5 is titel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van overeenkomstige toepassing.

 

§ 5.

De kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.2.1, §1, tweede lid, en in artikel 1.4.5.3.1, §1, tweede lid, en het verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie, vermeld in artikel 1.4.5.2.2, §1, en in artikel 1.4.5.3.2, §1, worden door de exploitant ter beschikking gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de vakbondsdelegatie van de onderneming.


Onderafdeling 1.4.5.2.
De bevoegde dienst van de gemeente


Art. 1.4.5.2.1.

§ 1.

De bevoegde dienst van de gemeente die een evaluatie opstart, brengt de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.

 

De kennisgeving bevat de aanleiding voor de evaluatie. De kennisgeving kan ook een verzoek om bijkomende gegevens als vermeld in artikel 1.4.5.1.1, §1, tweede lid, omvatten.

 

De bevoegde dienst van de gemeente kan ook informatie opvragen bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 2.

Als conform artikel 41 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de provinciale omgevingsvergunningscommissie in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verleent, vraagt de bevoegde dienst van de gemeente een advies aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie.

 

De provinciale omgevingsvergunningscommissie verzoekt de adviesinstanties die conform artikel 37, §2 en §4 tot en met §16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen, om advies.

 

De adviesinstanties verlenen hun advies aan de provinciale omgevingsvergunningscommissie binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenveertig kalenderdagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.

 

De provinciale omgevingsvergunningscommissie verleent haar advies binnen een termijn van vijfenzeventig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenzeventig dagen, wordt de provinciale omgevingsvergunningscommissie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.

 

§ 3.

Als de provinciale omgevingsvergunningscommissie geen adviesbevoegdheid als vermeld in paragraaf 2, heeft, kan de bevoegde dienst van de gemeente een advies vragen aan de adviesinstanties die conform artikel 37, §4 tot en met §16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen.

 

De adviesinstanties verlenen hun advies aan de bevoegde dienst van de gemeente binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van vijfenveertig kalenderdagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.


Art. 1.4.5.2.2.

§ 1.

De bevoegde dienst van de gemeente stelt een gemotiveerd verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie op binnen een termijn van honderdvijftig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.2.1, §1, eerste lid.

 

§ 2.

Binnen een termijn van tien dagen na datum van het verslag deelt de bevoegde dienst van de gemeente het verslag met de conclusies van de evaluaties met een beveiligde zending mee aan:

de exploitant;
het college van burgemeester en schepenen;
de adviesinstanties of de provinciale omgevingsvergunningscommissie als die tijdig een advies hebben uitgebracht.

 

Als de bevoegde dienst van de gemeente in zijn conclusies van oordeel is dat er een noodzaak is tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, zal de mededeling, vermeld in het eerste lid, 2°, het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014, omvatten.


Onderafdeling 1.4.5.3.
De omgevingsvergunningscommissies


Art. 1.4.5.3.1.

§ 1.

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie die een evaluatie opstart, brengt de exploitant van de ingedeelde inrichting of activiteit daarvan met een beveiligde zending op de hoogte.

 

De kennisgeving bevat de aanleiding voor de evaluatie. De kennisgeving kan ook een verzoek om bijkomende gegevens als vermeld in artikel 1.4.5.1.1, §1, tweede lid, omvatten.

 

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie kan ook informatie opvragen bij de bevoegde toezichthouder, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 2.

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie verzoekt de adviesinstanties die conform artikel 37, §2, en §4 tot en met §16, van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg voor de ingedeelde inrichting of activiteit een advies verlenen, om advies.

 

De adviesinstanties verlenen hun advies aan de bevoegde omgevingsvergunningscommissie binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Als geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn van zestig dagen, wordt de adviesinstantie geacht van oordeel te zijn dat er geen bijstelling van de milieuvoorwaarden hoeft plaats te vinden.


Art. 1.4.5.3.2.

§ 1.

De bevoegde omgevingsvergunningscommissie stelt een gemotiveerd verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluatie op binnen een termijn van honderdvijftig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving, vermeld in artikel 1.4.5.3.1, §1, eerste lid.

 

§ 2.

Binnen een termijn van tien dagen na de datum van het verslag deelt de bevoegde omgevingsvergunningscommissie met een beveiligde zending het verslag met de conclusies van de uitgevoerde evaluaties mee aan:

de exploitant;
de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014;
de adviesinstanties als die tijdig een advies hebben uitgebracht.

 

Als de bevoegde omgevingsvergunningscommissie in haar conclusies van oordeel is dat er een noodzaak is tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, zal de mededeling, vermeld in het eerste lid, 2°, het verzoek tot bijstelling van de milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, a), van het decreet van 25 april 2014, omvatten.


Afdeling 1.4.6.
Beoordelingscriteria voor de bijstelling van de milieuvoorwaarden als gevolg van een evaluatie


Art. 1.4.6.1.

Om tegemoet te komen aan de redenen van de evaluatie worden de milieuvoorwaarden waar nodig bijgesteld.

 

In geval van een GPBV-installatie worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen:

om binnen vier jaar na de bekendmaking ervan in het publicatieblad van de Europese Unie te voldoen aan nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies ook rekening houdend met artikel 1.4 en 1.9, eerste lid, 5°, van titel III van het VLAREM;
als ontwikkelingen op het gebied van BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken;
als de veroorzaakte verontreiniging van die aard is dat de bestaande emissiegrenswaarden moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgelegd;
als de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit de toepassing van andere technieken vereist;
om aan een nieuwe of bijgewerkte milieukwaliteitsnorm conform artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, te voldoen.

 

In geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.2.1, 2°, a) en b), worden de milieuvoorwaarden zo nodig bijgesteld in de volgende gevallen:

als zich ingrijpende wijzigingen voordoen in de exploitatie van de voorziening of in het gestorte afval;
op basis van de resultaten van de monitoring waarover de exploitant met toepassing van artikel 5.2.6.5.1, §3, verslag heeft uitgebracht of van de met toepassing van artikel 5.2.6.9.1 uitgevoerde inspecties;
in het licht van informatie-uitwisseling over aanzienlijke veranderingen in de beste beschikbare technieken.

 

In het geval van ingedeelde inrichtingen of activiteiten als vermeld in artikel 1.4.2.1, 2°, c) en d), worden de milieuvoorwaarden bijgesteld in functie van het maatregelenprogramma, vermeld in artikel 64 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.


Hoofdstuk 1.5.
Kennisgevings- en toelatingsprocedure voor het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde of pathogene organismen


Afdeling 1.5.1.
Algemene bepalingen


Art. 1.5.1.1.

§ 1.

De kennisgeving en, in voorkomend geval, de toelatingsaanvraag, vermeld in artikel 5.5.2, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, worden ingediend en afgehandeld conform de bepalingen van deze afdeling.

 

§ 2.

Bij elke kennisgeving of toelatingsaanvraag bezorgt de gebruiker een openbaar dossier per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs aan de bevoegde instantie.

 

De gebruiker stuurt tegelijkertijd een exemplaar van het openbaar dossier en van het technisch dossier per aangetekende brief, digitaal of bij afgifte tegen ontvangstbewijs naar de technisch deskundige. De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van het dossier.

 

§ 3.

De kennisgeving en, in voorkomend geval de toelatingsaanvraag bevatten de gegevens, vermeld in afdeling 1.5.2.

 

§ 4.

Het technisch dossier kan vertrouwelijke informatie bevatten die, in voorkomend geval, in een afzonderlijke gesloten enveloppe bij het technisch dossier gevoegd wordt.

 

De technisch deskundige besluit na overleg met de gebruiker welke informatie vertrouwelijk zal worden behandeld en brengt de gebruiker op de hoogte van zijn besluit. Elk meningsverschil tussen de gebruiker en de technisch deskundige daarover wordt beslecht door de bevoegde instantie.

 

Het vertrouwelijke karakter kan niet worden ingeroepen voor de volgende informatie:

karakteristieken van de GGO’s en pathogene organismen;
de naam van de gebruiker;
de plaats van de activiteit;
het risiconiveau van de activiteiten, zoals bepaald conform rubriek 51 van de indelingslijst;
de inperkingsmaatregelen;
de conclusies over de te verwachten effecten, namelijk de mogelijke schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu.

 

De bevoegde instantie en de technisch deskundige geven aan derden geen informatie door die als vertrouwelijke informatie wordt beschouwd.

 

Bij definitieve weigering van de toelating of als de gebruiker de kennisgeving of de toelatingsaanvraag intrekt, wordt de vertrouwelijke informatie aangetekend en in een verzegelde enveloppe door de technisch deskundige naar de gebruiker teruggestuurd.

 

§ 5.

De technisch deskundige bezorgt aan de bevoegde instantie per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs, binnen acht dagen na de ontvangst van de dossiers, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, een ontvangstbewijs waaruit de conformiteit van het openbaar dossier met het technisch dossier blijkt, of een opsomming van de gebreken van het openbaar dossier.


Art. 1.5.1.2.

§ 1.

Als een kennisgeving of een toelatingsaanvraag is ingediend, geeft de technisch deskundige een advies aan de bevoegde instantie binnen de termijnen, vermeld in afdeling 1.5.2.

 

Hij onderzoekt of het dossier voldoet aan de eisen, vermeld in dit besluit, of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn, of de risicoanalyse en het risiconiveau correct zijn en, zo nodig, of de inperkings- en andere beschermingsmaatregelen en het afvalbeheer adequaat zijn.

 

§ 2.

Als dat nodig is, kan de technisch deskundige overgaan tot raadplegingen of de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken. In dat geval worden de termijnen waarin het advies moet worden verstrekt, verlengd met de termijn waarin wordt gewacht op de nadere informatie. De termijn waarin de bevoegde instantie eventueel een beslissing moet nemen, schuift overeenkomstig op.

 

§ 3.

Het advies bevat, afhankelijk van het risiconiveau, al de volgende gegevens of sommige ervan:

een beoordeling van de juistheid van het voorgestelde risiconiveau;
een beoordeling van de voorgestelde inperkings- en controlemaatregelen, inclusief het afvalbeheer;
eventueel een gemotiveerd voorstel tot aanpassing van de voorgestelde inperkings- en controlemaatregelen;
een beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteit vanuit het oogpunt van de risico’s voor de menselijke gezondheid en voor het leefmilieu;
in voorkomend geval, een gemotiveerd voorstel voor de toelatingstermijn.

 

§ 4.

Bij gebrek aan advies binnen de gestelde termijn kan de procedure worden voortgezet.


Art. 1.5.1.3.

§ 1.

De bevoegde instantie neemt een gemotiveerde beslissing over de toelatingsaanvraag of eventueel over de kennisgeving binnen de termijn, vermeld in afdeling 1.5.2.

 

§ 2.

Als dat nodig is, kan de bevoegde instantie:

de gebruiker verzoeken nadere informatie te verstrekken. In dat geval wordt de termijn waarin de beslissing eventueel moet worden genomen, verlengd met de termijn waarin wordt gewacht op de nadere informatie;
de omstandigheden van het voorgestelde ingeperkte gebruik of het risiconiveau waarin dat is ingedeeld, wijzigen;
aan het ingeperkte gebruik een tijdslimiet of bepaalde specifieke voorwaarden verbinden;
overgaan tot raadplegingen.

 

De bevoegde instantie kan eisen dat niet met het voorgestelde ingeperkte gebruik wordt begonnen of ze kan, op verzoek van de bevoegde toezichthouder, het lopende ingeperkte gebruik schorsen of beëindigen, totdat ze haar goedkeuring heeft gegeven.

 

De bevoegde instantie kan dat doen op basis van:

nadere informatie die ze heeft verkregen;
gewijzigde omstandigheden van het ingeperkte gebruik;
een wijziging van het risiconiveau;
de nakoming van de specifieke voorwaarden.

 

 

§ 3.

De bevoegde instantie zendt binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing een afschrift van de beslissing aan:

de gebruiker;
de technisch deskundige;
het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarin de activiteit gepland is of plaatsvindt;
de deputatie van de provincie waarin de activiteit gepland is of plaatsvindt, met uitzondering van beslissingen over activiteiten van risiconiveau 1;
de toezichthouder, bevoegd overeenkomstig titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid;
de dienst van de Civiele Bescherming, belast met de opstelling van het rampenplan, met uitzondering van beslissingen over activiteiten van risiconiveau 1 en 2.

 

§ 4.

Tegen elke beslissing kan de gebruiker een heroverwegingsvordering indienen bij de bevoegde instantie.

 

Die vordering wordt per aangetekende brief, digitaal of door afgifte tegen ontvangstbewijs ingediend bij de bevoegde instantie, uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van de beslissing, vermeld in paragraaf 3.

 

De heroverweging heeft geen opschortende werking op de beslissing.

 

De definitieve beslissing wordt binnen dertig dagen na de ontvangst van de vordering verzonden aan alle betrokkenen conform de bepalingen van paragraaf 3.

     

Tegen de definitieve beslissing, vermeld in het vierde lid, is geen beroep mogelijk.


Afdeling 1.5.2.
Aanvullende bepalingen per risiconiveau


Art. 1.5.2.1.

Bij de kennisgeving voor een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker in afwijking van artikel 1.5.1.1, §2, eerste lid, het openbaar dossier samen met de melding naar de overheid, bevoegd voor de melding van de derde klasse. Die kennisgeving moet ten minste de gegevens bevatten, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel A.

 

De technisch deskundige deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van het indienen van de kennisgeving het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie. Dat advies bevat minstens de gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, §3, 1°, 2° en 3°.

 

Een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 mag worden aangevat de dag na de kennisgeving, op voorwaarde dat de inperkings- en controlemaatregelen, voorgesteld in de kennisgeving, worden toegepast.

 

Bij elk volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 1 stuurt de gebruiker de risicoanalyse aan de technisch deskundige. De technisch deskundige brengt de bevoegde instantie op de hoogte van de ontvangst van de risicoanalyse van het volgende gebruik van risiconiveau 1. De gebruiker kan de activiteit van risiconiveau 1 aanvangen de dag na de verzending van de risicoanalyse. Zodra de technisch deskundige een probleem vaststelt met betrekking tot de risicoanalyse, informeert hij de bevoegde instantie daarover.


Art. 1.5.2.2.

§ 1.

De kennisgeving of, in voorkomend geval, de toelatingsaanvraag voor een eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 2 bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel B.

 

§ 2.

De technisch deskundige deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van het indienen van de kennisgeving of toelatingsaanvraag het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.

 

Dat advies bevat alle gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, §3.

 

§ 3.

Bij een eerste ingeperkt gebruik van risiconiveau 2 kan met dat ingeperkte gebruik worden begonnen als de bevoegde instantie een voorafgaande schriftelijke toelating geeft. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag.

 

§ 4.

Bij het volgende ingeperkte gebruik van risiconiveau 2 en als aan de vereisten die daarmee verband houden, is voldaan, mag de activiteit worden aangevat de dag na de datum van de nieuwe kennisgeving.

 

§ 5.

De gebruiker kan in zijn kennisgeving om een formele toelating verzoeken. De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de kennisgeving.


Art. 1.5.2.3.

§ 1.

De toelatingsaanvraag voor een eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger, bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 1.5.1.3, deel C.

 

§ 2.

De technisch deskundige deelt in de gevallen, vermeld in paragraaf 4, uiterlijk binnen dertig dagen na de datum van de indiening van de toelatingsaanvraag het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.

 

De technisch deskundige deelt in de gevallen, vermeld in paragraaf 5, uiterlijk binnen zestig dagen na de datum van de indiening van de toelatingsaanvraag, het advies, vermeld in artikel 1.5.1.2, mee aan de bevoegde instantie.

 

Het advies bevat alle gegevens, vermeld in artikel 1.5.1.2, §3.

 

§ 3.

Met eerste of volgend ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger mag niet worden begonnen zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de bevoegde instantie die haar beslissing schriftelijk meedeelt.

 

§ 4.

De bevoegde instantie deelt haar beslissing mee uiterlijk binnen vijfenveertig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag als al eerder een toelating voor een ingeperkt gebruik van risiconiveau 3 of hoger is gegeven voor de inrichting waarin de activiteit wordt beoogd, en als is voldaan aan de eisen die daarmee verband houden voor toelating voor hetzelfde risiconiveau of voor een hoger risiconiveau.

 

§ 5.

In de overige gevallen deelt de bevoegde instantie haar beslissing mee uiterlijk binnen negentig dagen na de indiening van de toelatingsaanvraag.


Afdeling 1.5.3.
Algemene beginselen en inperkings- en andere beschermingsmaatregelen


Art. 1.5.3.1.

De bevoegde instantie bepaalt, in overeenstemming met het risiconiveau, welke algemene beginselen en relevante inperkings- en andere beschermingsmaatregelen van bijlage 5.51.4 van toepassing zijn om de blootstelling van de werkplek en het milieu aan GGO’s en pathogene organismen tot het laagste redelijkerwijs haalbare niveau te beperken en een hoog veiligheidsgehalte te garanderen.


Afdeling 1.5.4.
Bijlagen


Art. 1.5.4.1.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, kan bijlage 1.5.1.1, 1.5.1.2 en 1.5.1.3 aanpassen, afhankelijk van de opgedane ervaring, de wetenschappelijke of technische vooruitgang en de ontwikkeling van de Europese reglementering.

 

De technisch deskundige kan de inhoud van bijlage 1.5.1.1, 1.5.1.2 en 1.5.1.3 preciseren en interpreteren.


Deel 2.
MILIEUKWALITEITSNORMEN EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE


Hoofdstuk 2.1.
ALGEMENE BEPALINGEN


Art. 2.1.1.

§ 1.

De in dit deel vastgestelde milieukwaliteitsnormen bepalen, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven, de kwaliteitseisen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu in heel het Vlaamse Gewest moet voldoen.

 

§ 2.

De in dit deel opgenomen beleidstaken hebben betrekking op een aantal van de taken die de overheid moet waarnemen om de gestelde kwaliteitsnormen te handhaven of te realiseren (zoals op het vlak van het vergunningenbeleid), op gegevensinventarisatie, op informatieverstrekking en op communicatie aan de EU-commissie of aan andere lid-staten.

 

§ 3.

De beleidstaken met betrekking tot de gegevensinventarisatie, de informatieverstrekking en de communicatie aan de EU-commissie of aan andere lid-staten worden waargenomen door de minister, mits voorbereiding door de vermelde administraties.


Art. 2.1.2. De in dit deel vastgestelde milieukwaliteitsnormen worden door de overheid gehanteerd bij het plannen en bij het realiseren van haar beleid.

Art. 2.1.3. De duurzame ontwikkeling en de bescherming van een gezond leefmilieu, zijn algemene basismilieukwaliteitsnormen.

Hoofdstuk 2.2.
MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR GELUID EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE


Art. 2.2.0.1.

De milieukwaliteitsnormen voor geluid en beleidstaken ter zake worden vastgesteld in uitvoering van de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder.


Afdeling 2.2.1.
Milieukwaliteitsnormen en richtwaarden voor geluid in open lucht


Art. 2.2.1.1.

De in bijlage 2.2.1. aangegeven waarden in dB(A) gelden als milieukwaliteitsnormen voor het LA95,1h-niveau van het omgevingsgeluid in open lucht.

Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen gelden deze waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid van een inrichting wordt getoetst.


Afdeling 2.2.2.
Richtwaarden voor binnenshuis waargenomen geluid


Art. 2.2.2.1.

Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken gelden de in bijlage 2.2.2. aangegegeven waarden in dB(A) als richtwaarden voor binnenshuis waaraan het specifieke geluid van een inrichting wordt getoetst.


Afdeling 2.2.3.
Milieukwaliteitsnormen voor omgevingslawaai

[...]


Art. 2.2.3.1.

§ 1.

Overeenkomstig artikel 2.2.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, kan de Vlaamse Regering milieukwaliteitsnormen vaststellen voor omgevingslawaai.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan bijzondere milieukwaliteitsnormen vaststellen voor stiltegebieden en probleemzones, zoals vastgesteld in de strategische geluidsbelastingkaarten.

 

§ 3.

Bijzondere milieukwaliteitsnormen kunnen uitgewerkt worden naargelang van de omgeving of de gevoeligheid van de bevolkingsgroep, naargelang het gaat om bestaande of nieuwe situaties en naargelang van het type omgevingslawaai.


Afdeling 2.2.4.
Beleidstaken betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai.


Subafdeling 2.2.4.1.
Doelstelling


Art. 2.2.4.1.1.

Deze afdeling heeft als doelstelling het omgevingslawaai en de hieruit voortkomende geluidshinder en schadelijke effecten te vermijden, te voorkomen of te verminderen en een goede geluidskwaliteit te bewaren.

 

Ter evaluatie en beheersing van het omgevingslawaai worden de volgende maatregelen getroffen:

het opstellen van geluidsbelastingkaarten en strategische geluidsbelastingkaarten;
het opmaken van geluidsactieplannen op basis van de geluidsbelastingkaarten;
het voorlichten van het publiek.

Subafdeling 2.2.4.2.
Uitvoering en verantwoordelijkheden


Art. 2.2.4.2.1.

Met het oog op de uitvoering van de doelstelling, bedoeld in artikel 2.2.4.1.1, zorgt het bestuur voor:

het opstellen van lijsten met de agglomeraties, belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen en belangrijke luchthavens;
het opstellen of laten opstellen van geluidsbelastingskaarten en strategische geluidsbelastingskaarten;
het opstellen van de geluidsactieplannen;
het in overweging nemen van en desgevallend voorstellen van beperkingsmaatregelen aan de Vlaamse Regering in geval van overschrijding van de toepasselijke drempelwaarden voor omgevingslawaai;
de samenwerking met de andere gewesten en de buurlanden voor de zones die grenzen aan hun grondgebied;
de raadpleging van het publiek over de voorgestelde geluidsactieplannen.

Subafdeling 2.2.4.3.
Strategische geluidsbelastingkaarten


Art. 2.2.4.3.1.

§ 1.

Uiterlijk op 30 juni 2007 keurt de Vlaamse Regering, op voorstel van het bestuur, voor agglomeraties met meer dan 250.000 inwoners, voor belangrijke wegen waarop jaarlijks meer dan zes miljoen voertuigen passeren, voor belangrijke spoorwegen waarop jaarlijks meer dan 60.000 treinen passeren en voor belangrijke luchthavens, de strategische geluidsbelastingkaarten goed over de situatie in het voorgaande kalenderjaar.

 

§ 2.

Uiterlijk op 30 juni 2012, keurt de Vlaamse Regering, op voorstel van het bestuur, voor agglomeraties met meer dan 100.000 inwoners, voor belangrijke wegen waarop jaarlijks meer dan drie miljoen voertuigen passeren en voor belangrijke spoorwegen waarop jaarlijks meer dan 30.000 treinen passeren de strategische geluidsbelastingkaarten goed over de situatie in het voorgaande kalenderjaar.

 

§ 3.

De strategische geluidsbelastingkaarten worden opgesteld en herzien op basis van minstens de geluidsbelastingsindicatoren Lden en Lnight als omschreven in Bijlage 2.2.4.1 van dit besluit en moeten voldoen aan de minimumeisen vermeld in Bijlage 2.2.4.4.van dit besluit.

 

§ 4.

Voor speciale gevallen als genoemd in bijlage 2.2.4.1.(punt 3.) kunnen aanvullende geluidsbelastingsindicatoren gebruikt worden. Voor luchtverkeer wordt ook rekening gehouden met geluidspieken. Zowel aantal en niveau als een combinatie van beide worden in aanmerking genomen.

 

§ 5.

De waarden van de gebruikte geluidsbelastingindicatoren Lden en Lnight worden bepaald aan de hand van de in Bijlage 2.2.4.2. van dit besluit omschreven bepalingsmethoden.

 

§ 6.

De schadelijke effecten worden minimaal bepaald aan de hand van de in Bijlage 2.2.4.3. van dit besluit bedoelde dosis/effectrelaties. Voor speciale gevallen als genoemd in bijlage 2.2.4.1 (punt 3.) kunnen aangepaste dosis/effectrelaties gebruikt worden.

 

§ 7.

Onverminderd de regeling voor luchthavens worden de strategische geluidsbelastingkaarten [...] minstens om de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van hun opstelling, geëvalueerd en zo nodig aangepast.


Subafdeling 2.2.4.4.
Geluidsactieplannen


Art. 2.2.4.4.1.

§ 1.

Uiterlijk tegen 18 juli 2008, legt de Vlaamse Minister, op voorstel van het bestuur, de geluidsactieplannen die bestemd zijn voor de beheersing van het omgevingslawaai:

a) op plaatsen nabij belangrijke wegen waarop jaarlijks meer dan zes miljoen voertuigen passeren, nabij belangrijke spoorwegen waarop jaarlijks meer dan 60000 treinen passeren en nabij belangrijke luchthavens;
b) in agglomeraties met meer dan 250000 inwoners;

ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voor.

 

§ 2.

Uiterlijk tegen 18 juli 2013, legt de Vlaamse Minister, op voorstel van het bestuur, de geluidsactieplannen die bestemd zijn voor de beheersing van het omgevingslawaai op plaatsen nabij belangrijke wegen waarop jaarlijks meer dan 3 miljoen voertuigen passeren en belangrijke spoorwegen waarop jaarlijks meer dan 30.000 treinen passeren en in alle agglomeraties met meer dan 100.000 inwoners, ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voor.

 

§ 3.

Voor de geluidsactieplannen kunnen andere geluidsbelastingsindicatoren worden gehanteerd dan Lden en Lnight.

 

§ 4.

De geluidsactieplannen hebben onder meer tot doel de stiltegebieden in agglomeraties en stiltegebieden op het platteland te beschermen tegen een toename van geluidshinder.

 

§ 5.

De uitgewerkte maatregelen zijn gericht op het oplossen van prioritaire problemen die kunnen worden bepaald op grond van de overschrijding van toepasselijke drempelwaarden of andere criteria, die door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld, en zijn in de eerste plaats van toepassing op de belangrijkste zones zoals vastgesteld in de strategische geluidsbelastingkaarten.

 

§ 6.

De geluidsactieplannen moeten voldoen aan de minimumeisen vermeld in Bijlage 2.2.4.5 van dit besluit.

 

§ 7.

De geluidsactieplannen worden in geval van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de geluidssituatie en in ieder geval om de vijf jaar na de datum van goedkeuring geëvalueerd en zo nodig aangepast.

 

§ 8.

De geluidsactieplannen en elke wijziging en herziening ervan worden als volgt opgesteld :

 

het ontwerp van geluidsactieplannen worden door de Vlaamse minister na kennisgeving aan de Vlaamse Regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en voor een termijn van een maand ter inzage gelegd bij het bestuur. Gedurende deze termijn kan iedereen bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van het bestuur;  
tegelijkertijd met de bekendmaking ervan wordt het ontwerp bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengen binnen een vervaltermijn van een maand na ontvangst van het ontwerp. Deze adviezen zijn niet bindend;  
de geluidsactieplannen worden vastgesteld door de Vlaamse Regering, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Wanneer de regering het door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen uitgebrachte advies niet volgt, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan verantwoordt ze dit in een verslag, gevoegd bij de in punt 4 bedoelde bekendmaking;  
de geluidsactieplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en liggen met het oog op een degelijke informering, ter inzage bij het bestuur. 

 

§ 9.

Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai.


Subafdeling 2.2.4.5.
Grensoverschrijdende samenwerking


Art. 2.2.4.5.1. Om de strategische geluidsbelastingkaarten, de geluidsactieplannen op te stellen voor de zones aan de grenzen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest werkt het bestuur samen met de buurlanden of met de andere gewesten.

Subafdeling 2.2.4.6.
Indiening van informatie en verslagen


Art. 2.2.4.6.1.

De Afdeling, bevoegd voor de geluidshinder zorgt er voor dat via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie volgende gegevens, haar verstrekt door het bestuur, worden toegezonden:

de door de Vlaamse Regering aangewezen diensten die de Afdeling, bevoegd voor de geluidshinder bijstaan en samen met deze afdeling het bestuur uitmaken tegen uiterlijk 18 juli 2005;
de in artikel 2.2.4.3.1,§ 1, bedoelde wegen, spoorwegen, luchthavens en agglomeraties tegen uiterlijk 30 juni 2005;
de in artikel 2.2.4.3.1,§ 2, bedoelde agglomeraties, wegen en spoorwegen tegen uiterlijk 31 december 2008;
de geldende of geplande drempelwaarden voor het omgevingslawaai, ook voor de onderscheiden geluidsbronnen, uitgedrukt in geluidsbelastingindicatoren voor het omgevingslawaai, beschreven in bijlage 2.2.4.1., met een toelichting over de implementatie ervan, tegen uiterlijk 18 juli 2005.
de gegevens zoals omschreven in Bijlage 2.2.4.6. van dit besluit.

Hoofdstuk 2.3.
MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR OPPERVLAKTEWATEREN EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE


Art. 2.3.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld ter uitvoering van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en ter uitvoering van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.


Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid en richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s.


Afdeling 2.3.1.
Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren en beleidstaken ter zake


Art. 2.3.1.1.

Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG en in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid.

 

Als basismilieukwaliteitsnormen voor de beoordeling van de goede ecologische en de goede chemische toestand van oppervlaktewateren gelden de richtwaarden, vermeld in bijlage 2.3.1. In de stroomgebiedbeheerplannen wordt de beoordeling van de ecologische toestand ingedeeld in vijf klassen, namelijk "zeer goed", "goed", "matig", "ontoereikend" en "slecht".

 

De oppervlaktewaterlichamen worden, overeenkomstig artikel 60, eerste lid, 1°, a), 2), 3) en 4), van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, in de stroomgebiedbeheerplannen [...] ingedeeld in de volgende typen: "kleine beek", "kleine beek Kempen", "grote beek", "grote beek Kempen", "kleine rivier", "grote rivier", "zeer grote rivier", "zoete polderwaterloop", "brakke polderwaterloop", "zoet, mesotidaal laaglandestuarium", "zwak brak (oligohalien), macrotidaal laaglandestuarium", "brak, macrotidaal laaglandestuarium", "zout, mesotidaal laaglandestuarium", "circumneutraal, sterk gebufferd meer", "matig ionenrijk, alkalisch meer", "groot, diep, eutroof, alkalisch meer", "groot, diep, oligotroof tot mesotroof, alkalisch meer", "ionenrijk, alkalisch meer", "alkalisch duinwater", "zeer licht brak meer", "circumneutraal, zwak gebufferd meer", "circumneutraal, ijzerrijk meer", "sterk zuur meer", "matig zuur meer" en "sterk brak meer".


Art. 2.3.1.2.

De basismilieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 2.3.1.1, gelden ook voor de oppervlaktewateren vermeld in afdeling 2.3.2, 2.3.3, 2.3.4 en 2.3.5, als ze de voor die wateren geldende, bijzondere milieukwaliteitsnormen aanvullen of verstrengen.


Art. 2.3.1.3.

Er kan alleen van de milieukwaliteitsnormen worden afgeweken in de stroomgebiedbeheerplannen, overeenkomstig artikel 53, 54 en 56 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

 

Voor de sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen, vermeld in artikel 52 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gelden de basismilieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 2.3.1.1, voor de beoordeling van de toestand. In afwijking hierop kunnen voor de volgende parameters andere milieukwaliteitsnormen worden bepaald in de stroomgebiedbeheerplannen: opgeloste zuurstof, elektrische geleidbaarheid, chloride, sulfaat, pH en alle biologische parameters.

 

Voor de beschermde gebieden, vermeld in artikel 71 van hetzelfde decreet, kunnen strengere milieukwaliteitsnormen vastgesteld worden in de stroomgebiedbeheerplannen.

 

De Vlaamse Regering zal op gezette tijden en minstens bij de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen de milieukwaliteitsnormen evalueren en in voorkomend geval aanpassen, zoals bepaald in artikel 2.2.3, §4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Afdeling 2.3.1.bis.
Milieukwaliteitsnormen voor waterbodems


Art. 2.3.1bis/1.

Als basismilieukwaliteitsnormen voor waterbodems gelden de richtwaarden, vermeld in artikel 2.2.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, opgenomen in bijlage 2.3.1bis.

 

De richtwaarden bepalen het milieukwaliteitsniveau dat zo veel mogelijk moet worden bereikt of gehandhaafd. Ze gelden niet als saneringscriterium, noch als saneringsdoel als vermeld in het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

 

De Vlaamse Regering zal op gezette tijden en minstens bij de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen de milieukwaliteitsnormen evalueren en in voorkomend geval aanpassen, zoals bepaald in artikel 2.2.3, §4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Afdeling 2.3.2.
Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, bestemd voor drinkwaterproduktie


Art. 2.3.2.1.

De fysische, chemische en microbiologische eigenschappen waaraan het oppervlaktewater, bestemd voor de produktie van drinkwater op de winplaats dient te voldoen zijn opgenomen in de tabel onder art. 1 van bijlage 2.3.2.


Afdeling 2.3.3.
Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, met de bestemming zwemwater.


Art. 2.3.3.1.

De milieukwaliteitsnormen waaraan de zwemwateren moeten voldoen, zijn bepaald in artikel 1 van deel II van bijlage 2.3.3. De bemonstering, controle, kwaliteitsbeoordeling en de indeling en kwaliteitsstatus worden uitgevoerd conform artikel 1 tot en met 3 van deel II van bijlage 2.3.3.


Afdeling 2.3.4.
Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, met de bestemming viswater


Art. 2.3.4.1. [...]

Art. 2.3.4.2. [...]

Afdeling 2.3.5.
Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, bestemd voor schelpdieren.


Art. 2.3.5.1.

De milieukwaliteitsnormen waaraan de schelpdierwaters in alle als dusdanig aangeduide wateren dienen te voldoen zijn opgenomen in bijlage 2.3.5.


Afdeling 2.3.6.
Beleidstaken


Art. 2.3.6.1.

§ 1.

Ter uitvoering van artikel 5, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid kan een vergunning tot lozing van bedrijfsafvalwater dat een of meer gevaarlijke stoffen bevat, alleen worden verleend met inachtneming van alle van de volgende voorwaarden:

de verontreiniging van de wateren door de prioritair gevaarlijke stoffen die als PGS aangemerkt zijn in de kolom “Europese context”, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1, wordt beëindigd overeenkomstig dit besluit;
de verontreiniging van de wateren door de andere gevaarlijke stoffen, vermeld in bijlage 2C, wordt verminderd overeenkomstig dit besluit;
de toepassing van dit besluit mag er in geen geval toe leiden dat de verontreiniging van de wateren direct of indirect toeneemt.

 

§ 2.

Ter vermindering van de verontreiniging van de wateren door de gevaarlijke stoffen, vermeld in paragraaf 1, worden maatregelen voorgesteld in de maatregelenprogramma’s conform artikel 64, 65 en 66, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

 

§ 3.

Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.1 en artikel 4.2.3.1, worden, ter uitvoering van de maatregelenprogramma’s, vermeld in artikel 64, 65 en 66 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op te leggen bijzondere lozingsvoorwaarden, berekend aan de hand van de vastgestelde milieukwaliteitsnormen. Dat gebeurt overeenkomstig de volgende uitgangsprincipes:

voor alle gevaarlijke stoffen is sanering aan de bron, progressieve vermindering en het halen van de milieukwaliteitsnormen het uitgangspunt. Als concrete debietsgegevens van het ontvangende oppervlaktewater ontbreken, kan met het oog op het halen van de milieukwaliteitsnormen, standaard de tienvoudige verdunning worden toegepast. Als nadere debietsgegevens beschikbaar zijn, kan deze tienvoudige verdunning bijgesteld worden. In geval van beperkte oppervlaktewaterdebieten is een lagere verdunningsfactor aangewezen zijn. Voor niet-persistente gevaarlijke stoffen kan in geval van grote ontvangende debieten en met behoud van een goede kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater, een grotere verdunning overwogen worden.
voor de stoffen aangeduid als “PGS” en “VS” in de laatste kolom van artikel 3 van bijlage 2.3.1 en andere stoffen die vanwege persistentie, bio-accumulatie en toxiciteit zorgwekkend zijn, is daarenboven het voorkomen of beëindigen van verontreiniging het uitgangspunt. Gelet op het persistente karakter en het risico van bio-accumulatie wordt elke vorm van verdunning vermeden.

          

Om de doelstellingen van de maatregelenprogramma’s te realiseren kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, naast lozingsvoorwaarden, ook beperkingen op het gebruik van gevaarlijke stoffen worden opgelegd, als die aanleiding zouden kunnen geven tot een rechtstreekse of onrechtstreekse lozing in het oppervlaktewater.


Art. 2.3.6.2.

Overeenkomstig de bepalingen van de Richtlijn 91/271/EEG:

- worden de controlegegevens met betrekking tot de naleving van de door dit reglement aan stedelijke waterzuiveringsinstallaties gestelde eisen bewaard en binnen 6 maanden na ontvangst van een verzoek daartoe door de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen ter beschikking gesteld van de EU-Commissie;
- wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen aan de EU-Commissie uiterlijk op 1 januari 1996 informatie verstrekt over het programma dat voor de tenuitvoerlegging van de Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater dient opgesteld.
- dient de Vlaamse Milieumaatschappij om de twee jaar een rapport te publiceren over de situatie inzake de afvoer van stedelijk afvalwater en slib in het Vlaamse Gewest. De in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap moet hiertoe aan de Vlaamse Milieumaatschappij de nodige informatie betreffende de afvoer van slib verstrekken. Deze rapporten worden beschikbaar gehouden voor overmaking aan de Commissie.
- stelt de Vlaamse Milieumaatschappij om de twee jaar het programma voor de behandeling van stedelijk afvalwater voor het Vlaamse Gewest op overeenkomstig de tabellen in Beschikking 93/481/EU. Deze informatie wordt conform artikel 17 van de richtlijn via de geëigende kanalen aan de Commissie ter beschikking gesteld telkens uiterlijk op 30 juni en het volgende programma uiterlijk op 30 juni 1996.
- moet de Vlaamse Milieumaatschappij het net voor het meten van de waterkwaliteit van de oppervlaktewateren permanent afstemmen op de lozingen van de zuiveringsinstallaties en op de rechtstreekse lozingen van bedrijven wanneer mag worden verwacht dat het ontvangende milieu significant zal worden beïnvloed, en dit indien het lozingen betreft van installaties die tenminste 4.000 i.e. vertegenwoordigen (onder rechtstreekse lozing wordt verstaan elke lozing die niet via openbare waterzuiveringssystemen in ontvangende wateren wordt geloosd).
- organiseert de Vlaamse Milieumaatschappij, indien het Vlaams Gewest in kennis wordt gesteld van een nadelige beïnvloeding van wateren die onder de jurisdictie van een Lidstaat van de EU of de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest vallen door lozingen van stedelijk afvalwater uit het Vlaamse Gewest, het nodige overleg om na te gaan om welke lozingen het gaat en welke maatregelen aan de bron moeten worden genomen om de getroffen wateren te beschermen.
- worden alle oppervlaktewateren van het Vlaamse Gewest overeenkomstig art. 5, lid 1 van Richtlijn 91/271/EEG aangeduid als "kwetsbaar gebied". In het Vlaamse Gewest worden geen "minder kwetsbare gebieden" als bedoeld in art. 6, lid 1 van dezelfde Richtlijn, aangewezen.
- wordt op het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest een minimumpercentage van de vermindering van de totale vracht voor de totaliteit van de openbare waterzuiveringsinstallaties vastgelegd van tenminste 75 % voor de totale fosfor en tenminste 75 % voor de totale stikstof.
- indien de in artikel 32septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap gebruik wenst te maken van de uitzonderingsbepaling opgenomen in voetnoot (5) bij bijlage 5.3.1.a. van titel II van het VLAREM, is deze vennootschap gelast op basis van een wetenschappelijke studie aan te tonen dat hiermee op jaarbasis hetzelfde beschermingsniveau wordt verkregen; in dit geval stelt de Vlaamse Milieumaatschappij, via de geëigende kanalen, de Commissie hiervan in kennis.

Art. 2.3.6.3.

§ 1.

Een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater dient voorzien:

uiterlijk op 31 december 1998 voor agglomeraties met meer dan 10.000 inwonerequivalenten;
uiterlijk op 31 december 2005 voor agglomeraties met minder dan 10.000 inwonerequivalenten;

 

§ 2.

Wanneer de aanleg van de in § 1 bedoelde opvangsystemen niet verantwoord is omdat het vanuit milieuoogpunt geen voordeel zou opleveren of omdat het buitensporig duur zou zijn, moet gebruik worden gemaakt van afzonderlijke of andere passende systemen waarmee dezelfde graad van milieubescherming wordt bereikt;

 

§ 3.

De in § 1. bedoelde opvangsystemen moeten worden ontworpen, gebouwd, aangepast en onderhouden overeenkomstig de beste beschikbare technieken, met name ten aanzien van:

volume en eigenschappen van het stedelijk afvalwater;
voorkoming van lekkages;
beperking van verontreiniging van de ontvangende wateren door overstorting van hemelwater;

 

De Vlaamse minister kan op voorstel van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, vermeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het Integraal Waterbeleid, een Code van goede praktijk vaststellen voor het ontwerp en de aanleg van de openbare riolering.

 

§ 4.

De plaatsen voor lozing van stedelijk afvalwater moeten voor zover mogelijk zodanig worden gekozen dat het effect op de ontvangende oppervlaktewateren zo gering mogelijk is.


Art. 2.3.6.4.

De sanering van het collectief te optimaliseren buitengebied gebeurt door middel van een gescheiden stelsel en binnen de timing zoals die in het uitvoeringsplan is bepaald.

 

Bij aanleg en heraanleg van een openbare riolering, ongeacht het gebied, moet een gescheiden stelsel worden aangelegd, tenzij anders bepaald in het uitvoeringsplan.


Art. 2.3.6.5.

De overstromingsrisicobeheerdoelstellingen en de oppervlaktewatertekortbeheerdoelstellingen worden bepaald aan de hand van de criteria, vermeld in artikel 2 en 3 van bijlage 2.3.6, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de beoordeling van het overstromingsrisico en het watertekort wordt gebruikgemaakt van afwegingskaders als vermeld in artikel 4 van bijlage 2.3.6.


Afdeling 2.3.7.
Beoordeling en beheer van de zwemwaterkwaliteit


Onderafdeling 2.3.7.1.
Doelstellingen en toepassingsgebied


Art. 2.3.7.1.1.

§ 1.

Deze afdeling heeft, overeenkomstig Richtlijn 2006/7/EG van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG en overeenkomstig artikel 51bis van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, als algemene doelstelling het behoud, de bescherming en de verbetering van de milieukwaliteit en de bescherming van de gezondheid van de mens, en is aanvullend op de andere doelstellingen van dit hoofdstuk.

 

§ 2.

Deze afdeling is van toepassing op alle zwemwateren, aangewezen conform de bepalingen van deze afdeling.

 

§ 3.

Deze afdeling is niet van toepassing op :

zwembaden en gezondheidsbaden;
ingesloten wateren die behandeld worden of gebruikt worden voor therapeutische doeleinden;
kunstmatig gecreëerde, van het oppervlaktewater en het grondwater gescheiden ingesloten wateren.

Onderafdeling 2.3.7.2.
Aanwijzing van zwemwateren


Art. 2.3.7.2.1. De Vlaamse ministers bevoegd voor leefmilieu en waterbeleid, en de Vlaamse minster bevoegd voor gezondheidsbeleid wijzen gezamenlijk, uiterlijk op 31 maart van elk kalenderjaar, alle zwemwateren aan. Bij de aanwijzingen worden de aanvang en de duur van het badseizoen bepaald.

Art. 2.3.7.2.2.

§ 1.

Ten minste drie maanden vóór het besluit over de aanwijzing van zwemwateren vermeld in artikel 2.3.7.2.1. wordt voor de opstelling, de herziening en de bijwerking van lijsten van zwemwateren een ontwerplijst van zwemwateren aangekondigd met het oog op inspraak van het publiek. Gedurende een periode van dertig dagen kan iedereen voorstellen, opmerkingen of klachten formuleren over de ontwerplijst.

 

§ 2.

De aankondiging gebeurt door :

een bericht op de website van de Vlaamse overheid;
publicatie in ten minste drie dag- of weekbladen;
een aanplakking in elke gemeente waarin een zwemwater ligt dat is opgenomen in de ontwerplijst.

 

§ 3.

De ontwerplijst van zwemwateren wordt aangekondigd door :

de situering van elk zwemwater op de ontwerplijst;
de voorgestelde aanvang en duur van het badseizoen;
de plaats van de instantie waar informatie over elk zwemwater kan worden verkregen;
de periode waarin voorstellen, opmerkingen of klachten kunnen worden ingediend;
de adressen en contactgegevens van de instanties waar voorstellen, opmerkingen of klachten kunnen ingediend worden.

 

§ 4.

De Vlaamse Milieumaatschappij maakt een synthese van de ingediende voorstellen, opmerkingen of klachten over de ontwerplijst. Na overleg met het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid wordt, rekening houdend met de voormelde synthese, onverwijld een gemotiveerd definitief voorstel van een lijst van de zwemwateren en de aanvang en duur van het badseizoen geformuleerd voor het besluit vermeld in artikel 2.3.7.2.1.


Art. 2.3.7.2.3.

Het besluit vermeld in artikel 2.3.7.2.1 wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De vaststelling als zwemwater in de zin van dit besluit wordt ook uiterlijk de dag voor de aanvang van het badseizoen ter plaatse kenbaar gemaakt overeenkomstig artikel 2.3.7.2.1. De Commissie wordt onverwijld in kennis gesteld van het besluit en, in voorkomend geval, van de redenen van een wijziging in de lijst van zwemwateren.


Onderafdeling 2.3.7.3.
Indeling en kwaliteitsstatus van zwemwateren


Art. 2.3.7.3.1.

Op basis van de resultaten van de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling, uitgevoerd overeenkomstig artikel 3 van deel II van bijlage 2.3.3, deelt de Vlaamse Milieumaatschappij het zwemwater, overeenkomstig de criteria, vermeld in artikel 4 van deel II van de bijlage 2.3.3., als volgt in :

slecht;
aanvaardbaar;
goed, of
uitstekend.

Art. 2.3.7.3.2. De eerste indeling overeenkomstig de voorschriften van deze onderafdeling wordt uiterlijk op het einde van het badseizoen van 2015 voltooid.

Art. 2.3.7.3.3. De bevoegde instanties nemen realistische en evenredige maatregelen die naar hun oordeel passend zijn om het aantal als ″uitstekend″ of ″goed″ ingedeelde zwemwateren te doen toenemen. Op het einde van het badseizoen van 2015 moeten alle zwemwateren ten minste ″aanvaardbaar″ zijn. De Vlaamse Milieumaatschappij ziet erop toe dat die maatregelen tijdig worden genomen, neemt daartoe zo nodig zelf initiatieven of formuleert voorstellen aan de bevoegde instanties.

Art. 2.3.7.3.4.

Ondanks de algemene bepaling van artikel 2.3.7.3.3 kunnen zwemwateren echter tijdelijk als ″slecht″ worden ingedeeld, en nog steeds aan de voorwaarden van deze afdeling voldoen. In dergelijke gevallen zorgen de Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, elk op hun domein, dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :

voor elk als ″slecht″ ingedeeld zwemwater worden met ingang van het badseizoen volgend op dat van de indeling, de volgende maatregelen genomen :
a) het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid of de Vlaamse Milieumaatschappij neemt passende beheersmaatregelen, waaronder wat eerstvermelde betreft, een zwemverbod of een negatief zwemadvies, teneinde de blootstelling van zwemmers aan verontreiniging te voorkomen;
b) de Vlaamse Milieumaatschappij identificeert de oorzaken en redenen van het niet-bereiken van de ″aanvaardbare″ kwaliteitsstatus;
c) de Vlaamse Milieumaatschappij neemt passende maatregelen om de oorzaken van verontreiniging te voorkomen, te verkleinen of weg te nemen, en formuleert zo nodig voorstellen aan de bevoegde instanties tot het nemen van maatregelen;
d) de Vlaamse Milieumaatschappij zorgt voor de waarschuwing en voorlichting van het publiek, door middel van een duidelijk en eenvoudig teken, over de oorzaken van de verontreiniging en de op basis van het zwemwaterprofiel genomen maatregelen;
als een zwemwater vijf opeenvolgende jaren als ″slecht″ ingedeeld is, wordt door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid een permanent zwemverbod ingesteld of een permanent negatief zwemadvies uitgebracht. Het Agentschap Zorg en Gezondheid kan evenwel voor het einde van de periode van vijf jaar een permanent zwemverbod instellen of een permanent negatief zwemadvies uitbrengen, als de Vlaamse Milieumaatschappij van oordeel is dat de verwezenlijking van de kwaliteit ″aanvaardbaar″ onhaalbaar of onevenredig duur is.

Onderafdeling 2.3.7.4.
Opstellen van een zwemwaterprofiel


Art. 2.3.7.4.1.

§ 1.

De Vlaamse Milieumaatschappij zorgt ervoor dat een zwemwaterprofiel wordt opgesteld. Elk zwemwaterprofiel mag betrekking hebben op één zwemwater of op meerdere aangrenzende zwemwateren.

 

§ 2.

De inhoud en de wijze van beoordeling, vaststelling en actualisatie van het zwemwaterprofiel worden bepaald in artikel 5 en 6 van deel II van bijlage 2.3.3.

 

§ 3.

Zwemwaterprofielen worden voor het eerst vastgesteld uiterlijk op 24 maart 2011.


Onderafdeling 2.3.7.5.
Beheersmaatregelen voor uitzonderlijke omstandigheden


Art. 2.3.7.5.1.

De Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, elk op hun domein, zien erop toe dat er tijdig passende beheersmaatregelen worden genomen als ze op de hoogte zijn van onverwachte situaties die een negatief effect hebben of redelijkerwijs kunnen hebben op de zwemwaterkwaliteit en op de gezondheid van de zwemmers. Deze maatregelen omvatten voorlichting van het publiek en, zo nodig, een tijdelijk zwemverbod, opgelegd door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid.


Art. 2.3.7.5.2.

§ 1.

Als het zwemwaterprofiel, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deel II van bijlage 2.3.3, wijst op een mogelijke proliferatie van cyanobacteriën, wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid een passende controle uitgevoerd om tijdig de gezondheidsrisico’s te kunnen vaststellen.

 

§ 2.

Als er zich een proliferatie van cyanobacteriën voordoet en er een gezondheidsrisico is vastgesteld of wordt vermoed, worden onmiddellijk passende beheersmaatregelen genomen ter voorkoming van blootstelling, waaronder voorlichting van het publiek.


Art. 2.3.7.5.3.

Als het zwemwaterprofiel, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deel II van bijlage 2.3.3, een neiging tot proliferatie van macroalgen of marien fytoplankton vertoont, wordt er door de Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaamse Agentschap Zorg en Gezondheid onderzoek verricht om de aanvaardbaarheid en gezondheidsrisico’s ervan vast te stellen en passende beheersmaatregelen te nemen, waaronder voorlichting van het publiek.


Art. 2.3.7.5.4.

Zwemwateren worden visueel door de Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid geïnspecteerd op verontreiniging door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval.

 

Als die soort verontreiniging is vastgesteld, worden passende beheersmaatregelen genomen door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, waaronder, zo nodig, voorlichting van het publiek.


Onderafdeling 2.3.7.6.
Samenwerking inzake grensoverschrijdende wateren


Art. 2.3.7.6.1. Als de situatie in een stroomgebied grensoverschrijdende effecten heeft op de zwemwaterkwaliteit, werken de bevoegde instanties naar behoren samen, onder meer door passende informatie-uitwisseling en gezamenlijk optreden om die effecten te beheersen. De Vlaamse Milieumaatschappij] neemt daartoe in voorkomend geval de nodige initiatieven in relatie tot de samenwerkingsorganen die werden belast met taken inzake het waterkwaliteitsbeheer van de internationale stroomgebieden ingevolge internationale verdragen waarbij het Vlaamse Gewest partij is.

Onderafdeling 2.3.7.7.
Voorlichting van het publiek


Art. 2.3.7.7.1.

§ 1.

De Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agenschap Zorg en Gezondheid zorgen er gezamenlijk voor dat de volgende informatie actief verspreid wordt, en zo snel mogelijk tijdens het badseizoen op een gemakkelijk toegankelijke plaats in de onmiddellijke nabijheid van elk zwemwater beschikbaar wordt gesteld :

de actuele indeling van het zwemwater alsmede elk zwemverbod of negatief zwemadvies door middel van een duidelijk en eenvoudig teken of symbool;
een algemene beschrijving van het zwemwater, in niet-technische bewoordingen, op basis van het zwemwaterprofiel, vermeld in afdeling 4 van deel II van bijlage 2.3.3;
in geval van zwemwateren waarin zich een kortstondige verontreiniging kan voordoen :
a) een mededeling dat zich in het zwemwater een kortstondige verontreiniging kan voordoen;
b) een opgave van het aantal dagen waarop er tijdens het vorige badseizoen wegens dergelijke verontreiniging een zwemverbod of een negatief zwemadvies van kracht was;
c) een waarschuwing, telkens als een dergelijke verontreiniging voorspeld wordt of zich voordoet;
informatie over de aard en de verwachte duur van abnormale situaties tijdens zulke gebeurtenissen;
bij een zwemverbod of een negatief zwemadvies : een waarschuwingsbord voor het publiek met de redenen daarvoor;
bij invoering van een permanent zwemverbod of een permanent negatief advies : het feit dat het gebied in kwestie geen zwemwater meer is en de redenen daarvoor;
een verwijzing naar bronnen met meer informatie in overeenstemming met § 2.

 

§ 2.

De Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agenschap Zorg en Gezondheid gebruiken passende media en technologieën, waaronder het internet, om de informatie over de zwemwaterkwaliteit, vermeld in § 1, alsmede de hieronder vermelde informatie, actief en snel, waar nodig in verscheidene talen, te verspreiden :

de lijst van zwemwateren;
de indeling van elk zwemwater en het desbetreffende zwemwaterprofiel gedurende de laatste drie jaar, inclusief de resultaten van de controles die sinds de laatste indeling overeenkomstig deze afdeling zijn uitgevoerd;
in het geval van zwemwateren die als "slecht" worden ingedeeld, informatie over de oorzaken van de verontreiniging en over de maatregelen die zijn genomen om blootstelling van de zwemmers aan de verontreiniging te voorkomen en de oorzaken ervan aan te pakken, als vermeld in artikel 2.3.7.3.4;
in geval van zwemwateren waarin zich een kortstondige verontreiniging kan voordoen, algemene informatie over :
a) de omstandigheden waarvan aannemelijk is dat ze een kortstondige verontreiniging tot gevolg kunnen hebben;
b) het risico van een dergelijke verontreiniging en de waarschijnlijke duur ervan;
c) de oorzaken van de verontreiniging en de maatregelen die genomen zijn om blootstelling van de zwemmers aan de verontreiniging te voorkomen en de oorzaken ervan aan te pakken.

De lijst vermeld in 1° wordt elk jaar voor de aanvang van het badseizoen beschikbaar gesteld. De resultaten van de controles vermeld onder 2° worden na de voltooiing van de analyses beschikbaar gesteld op het internet.

 

§ 3.

Met ingang van de aanvang van het vijfde badseizoen na 24 maart 2008 wordt de informatie vermeld in § 1 en § 2, verspreid zodra ze beschikbaar is.

 

§ 4.

De Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agenschap Zorg en Gezondheid verstrekken het publiek, waar mogelijk, informatie op basis van technologie met geografische referenties, en presenteren die op duidelijke en coherente wijze, in het bijzonder met gebruikmaking van tekens en symbolen.


Onderafdeling 2.3.7.8.
Meldpunt voor het publiek


Art. 2.3.7.8.1.

Met behoud van de toepassing van de procedure vermeld in artikel 2.3.7.2.2, richt de Vlaamse Milieumaatschappij een permanent meldpunt op. Via dat meldpunt kan het publiek met alle mogelijke communicatiemiddelen voorstellen, opmerkingen of klachten formuleren over de toestand van de zwemwaterkwaliteit.


Onderafdeling 2.3.7.9.
Rapportage aan de Europese Commissie


Art. 2.3.7.9.1.

§ 1.

De Vlaamse Milieumaatschappij verstrekt, via de geëigende kanalen, jaarlijks aan de Europese Commissie :

voor elk zwemwater de bij de controles verkregen resultaten;
de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling overeenkomstig artikel 3 van deel II van bijlage 2.3.3;
een beschrijving van de belangrijkste beheersmaatregelen die werden genomen.

Ze verschaft die informatie uiterlijk op 31 december van elk jaar met betrekking tot het voorafgaande badseizoen. Ze begint daarmee nadat de eerste zwemwaterkwaliteitsbeoordeling is uitgevoerd.

 

§ 2.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt, via de geëigende kanalen, de Europese Commissie jaarlijks, voor het begin van het badseizoen, in kennis van alle als zwemwater aangewezen wateren en van de redenen voor een mogelijke wijziging ten opzichte van het voorgaande jaar. Ze doet dit voor het eerst voor de aanvang van het eerste badseizoen na 24 maart 2008.


Hoofdstuk 2.4.
MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR BODEM EN GRONDWATER EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE


Art. 2.4.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld in uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer.


Afdeling 2.4.1.
Milieukwaliteitsnormen voor grondwater


Art. 2.4.1.1.

§ 1.

Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand.

 

§ 2.

Als milieukwaliteitsnormen voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwater gelden de minst strenge van de volgende richtwaarden:

1°  de grondwaterkwaliteitsnormen, vermeld in artikel 1 van bijlage 2.4.1.;  
2°  de achtergrondniveaus, eigen aan het grondwaterlichaam en niet beïnvloed door lozingen, vermeld in artikel 2 van bijlage 2.4.1. 

 

De Vlaamse Regering zal op gezette tijden en minstens bij de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen de milieukwaliteitsnormen evalueren en in voorkomend geval aanpassen, zoals bepaald in artikel 2.2.3, §4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 3.

Drempelwaarden worden per grondwaterlichaam zodanig vastgesteld dat, als de meetresultaten in een representatief meetpunt de drempelwaarden overschrijden, dat wijst op een risico dat er niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden voor een goede chemische toestand van het grondwaterlichaam.

 

Als drempelwaarden gelden de richtwaarden, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.4.1.

 

§ 4.

De ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen worden door de Vlaamse Regering vastgesteld, ter uitvoering van artikel 60 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

 

§ 5.

De achtergrondniveaus en drempelwaarden zullen worden gewijzigd als dat noodzakelijk is op basis van nieuwe informatie over verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging, die voortvloeit uit de analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 60 van hetzelfde decreet, of uit de meetprogramma’s, vermeld in artikel 67 van voormelde decreet.

 

Voor de beschermde gebieden, vermeld in artikel 71 van hetzelfde decreet, kunnen strengere milieukwaliteitsnormen vastgesteld worden in de stroomgebiedbeheerplannen.

 

Er kan alleen van de milieukwaliteitsnormen worden afgeweken in de stroomgebiedbeheerplannen, overeenkomstig artikel 53, 54 en 56 van hetzelfde decreet.

 

§ 6.

De kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam wordt bepaald door de criteria, vermeld in artikel 4 van bijlage 2.4.1.

 

De Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu stelt nadere regels vast voor de beoordeling van die criteria, zodat bepaald kan worden wanneer een grondwaterlichaam zich in een goede kwantitatieve toestand bevindt.


Afdeling 2.4.2.
Milieukwaliteitsnormen voor bodem


Art. 2.4.2.1.

Als milieukwaliteitsnormen voor bodem gelden als streefwaarden de normen, opgenomen in bijlage 2.4.2.


Afdeling 2.4.3.
Beleidstaken


Behandeling van aanvragen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor handelingen die een indirecte lozing van gevaarlijke stoffen in het grondwater tot gevolg hebben of kunnen hebben.


Art. 2.4.3.1.

Handelingen, zoals bedoeld in de rubrieken 52.1.1.3°, 52.1.2. en 52.2.3°, kunnen slechts vergund worden indien uit een voorafgaand onderzoek blijkt dat alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere eco-systemen.


Art. 2.4.3.2.

Een vergunning voor de indirecte lozing in grondwater van stoffen van lijst II van bijlage 2B kan enkel worden verleend mits alle vereiste voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat de lozing:

a) de gezondheid van de mens of de watervoorziening niet in gevaar kan brengen;
b) het leven en de eco-systemen in het water niet kan schaden;
c) een ander rechtmatig gebruik van het water niet kan hinderen.

Art. 2.4.3.3. De toepassing van de krachtens dit besluit genomen maatregelen mag in geen geval leiden tot directe of indirecte verontreiniging van het grondwater.

Art. 2.4.3.4.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor een indirecte lozing van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst II van bijlage 2B of voor een andere handeling die een indirecte lozing tot gevolg kan hebben als bedoeld in de rubrieken 52 en 2 van de indelingslijst, wordt, onverminderd de bepalingen van dit besluit, ten minste bepaald:

de plaats van de gebeurlijke lozing;
de lozingsmethode en - zo van toepassing - de voor de verwijdering gebruikte methode;
de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te lozen/verwijderen materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden en beschermingszones, vooral voor drink-, thermaal- en mineraalwater;
de maximaal toelaatbare hoeveelheid van een bepaalde stof in de te lozen/verwijderen materie gedurende één of meer vastgestelde periodes en passende voorwaarden voor de concentratie van deze stof; hierbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de milieukwaliteitsnormen, vastgesteld in de afdelingen 2.4.1. en 2.4.2.;
de technische voorzorgsmaatregelen die moeten getroffen worden om elke lozing van stoffen van lijst I te verhinderen of verontreiniging van het grondwater door lozing van stoffen van lijst II te voorkomen;
indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd.

Art. 2.4.3.5.

Overeenkomstig de Richtlijn 80/68/EEG:

wordt een inventaris bijgehouden van de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verleend overeenkomstig art. 2.4.3.2.;
worden, in geval overwogen wordt een handeling toe te laten die een lozing in grensoverschrijdend grondwater zou kunnen meebrengen, vóór de afgifte van de desbetreffende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit via de geëigende kanalen de andere betrokken buurlanden en -gewesten hiervan op de hoogte gebracht; op verzoek van deze buurlanden vindt vóór de afgifte van de desbetreffende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit via de geëigende kanalen overleg met deze betrokken buurlanden en -gewesten plaats; de EU-Commissie kan aan dit overleg deelnemen;
worden aan de EU-Commissie op haar verzoek via de geëigende kanalen alle nodige inlichtingen voor de toepassing van voormelde Richtlijn verstrekt, inzonderheid:
a) de resultaten van de in artikel 2.4.3.1. bedoelde voorafgaande onderzoeken;
b) de bijzonderheden inzake de verleende omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
c) de resultaten van toezicht en controle;
d) de gegevens van de sub 1° van deze paragraaf bedoelde inventaris.
de verschillende taken, omschreven in dit artikel, worden waargenomen door het Departement.

 


Hoofdstuk 2.5.
MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR LUCHT EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE


Art. 2.5.0.1.

De milieukwaliteitsnormen voor de lucht worden vastgesteld in uitvoering van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging.


Afdeling 2.5.1.
Milieukwaliteitsnormen voor de lucht


Art. 2.5.1.1.

§ 1.

Als milieukwaliteitsnormen voor de lucht gelden de normen, opgenomen in de bijlagen 2.5.1, 2.5.3 en 2.5.8.

 

§ 2.

Als milieukwaliteitsnormen voor stofneerslag gelden de normen, opgenomen in bijlage 2.5.2.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

De in bijlage. 2.5.1 en 2.5.2 vermelde grens- en richtwaarden zijn van toepassing in alle gebieden, andere dan beschermingszones [...].

 

§ 5.

[...]


Art. 2.5.1.2.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

In de beschermingszones gelden als grenswaarden de richtwaarden vermeld in de bijlagen 2.5.1. en 2.5.2. Voor de parameters waarvoor in deze bijlagen geen richtwaarden zijn vastgesteld gelden als grenswaarden 80 % van de grenswaarden vermeld in deze bijlagen.


Afdeling 2.5.2.
Beleidstaken


Onderafdeling 2.5.2.1.
Algemene bepalingen


Art. 2.5.2.1.1.

Deze afdeling voorziet in de omzetting van Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa.


Art. 2.5.2.1.2.

Deze afdeling voorziet in maatregelen die erop gericht zijn :

1°  doelstellingen voor de luchtkwaliteit te omschrijven en vast te stellen met als doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen;
de luchtkwaliteit op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria te beoordelen;
gegevens over de luchtkwaliteit te verkrijgen, om luchtverontreiniging en hinder te helpen bestrijden en de langetermijntrends en -verbeteringen die het gevolg zijn van maatregelen, te bewaken;
ervoor te zorgen dat de gegevens over de luchtkwaliteit aan de bevolking ter beschikking worden gesteld;
de goede luchtkwaliteit in stand te houden, en die in andere gevallen te verbeteren;
een verhoogde samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie bij de vermindering van de luchtverontreiniging te bevorderen.

          


Art. 2.5.2.1.3.

§ 1.

De volgende instanties en organen zijn bevoegd voor de uitvoering van de afdeling 2.5.2 :

de Vlaamse Milieumaatschappij is belast met :
a) de beoordeling van de luchtkwaliteit; 
b) het verzekeren van de nauwkeurigheid van de metingen;
c) de analyse van de beoordelingsmethoden;
d) de samenwerking met de andere lidstaten en de Europese Commissie rond beoordeling van de luchtkwaliteit en kwaliteitsborging van meetmethoden;
2°  de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu, vermeld in artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest van 18 mei 1994 inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de structurering van de gegevens, is belast met :
a)  de coördinatie van de rapporteringen aan de Europese Commissie;
b) de coördinatie van eventuele door de Europese Commissie georganiseerde communautaire kwaliteitsborgingsprogramma’s;
de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging is belast met :
a) het voorstellen van maatregelen, luchtkwaliteitsplannen en kortetermijnactieplannen ter verbetering van de luchtkwaliteit aan de Vlaamse minister;
b) de samenwerking met de andere lidstaten en de Europese Commissie;
de Vlaamse minister is belast met :
a) het voorleggen van maatregelen, luchtkwaliteitsplannen en kortetermijnactieplannen ter verbetering van de luchtkwaliteit aan de Vlaamse Regering;
b) de erkenning van de meetsystemen (methoden, apparaten, netwerken en laboratoria). De bevoegde instanties en organen, vermeld in het eerste lid voldoen, indien van toepassing, aan de bepalingen van bijlage 2.5.3.1, deel C.

                       

 

§ 2.

De Vlaamse Milieumaatschappij stuurt een kopie van de informatie, vermeld in paragraaf 1, 1°, naar de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.


Art. 2.5.2.1.4. De Vlaamse Milieumaatschappij deelt het hele grondgebied in in zones en agglomeraties. In alle zones en agglomeraties vinden luchtkwaliteitsbeoordeling en luchtkwaliteitsbeheer plaats.

Onderafdeling 2.5.2.2.
Beoordeling van de luchtkwaliteit


Art. 2.5.2.2.1.

§ 1

Voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide gelden de bovenste en onderste beoordelingsdrempels, vermeld in bijlage 2.5.3.2, deel A.

 

Elke zone en agglomeratie wordt op basis van die beoordelingsdrempels ingedeeld.

 

§ 2

De indeling, vermeld in paragraaf 1, wordt ten minste om de vijf jaar opnieuw bekeken volgens de procedure, vermeld in bijlage 2.5.3.2, deel B.

 

De indeling wordt frequenter opnieuw bekeken als er aanzienlijke veranderingen optreden in de activiteiten die relevant zijn voor de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide of, indien van toepassing, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen of koolmonoxide.


Art. 2.5.2.2.2.

§ 1.

De Vlaamse Milieumaatschappij beoordeelt in al de zones en agglomeraties de luchtkwaliteit voor de verontreinigende stoffen, vermeld in artikel 2.5.2.2.1, overeenkomstig de criteria, vermeld in paragraaf 2, 3 en 4, en overeenkomstig de criteria opgenomen in bijlage 2.5.3.3.

 

§ 2.

In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel overschrijdt, worden vaste metingen gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit. Die vaste metingen kunnen worden aangevuld met modelleringstechnieken of indicatieve metingen om adequate informatie over de ruimtelijke spreiding van de luchtkwaliteit te verkrijgen.

 

§ 3.

In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel, mag een combinatie van vaste metingen en modelleringstechnieken of indicatieve metingen worden gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit.

 

§ 4.

In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde onderste beoordelingsdrempel, volstaan modelleringstechnieken of objectieve ramingstechnieken, of allebei ter beoordeling van de luchtkwaliteit.

 

§ 5.

Naast de beoordelingen, vermeld in paragraaf 2, 3 en 4, worden metingen uitgevoerd op achtergrondlocaties op het platteland, die zich op een zekere afstand van belangrijke bronnen van luchtverontreiniging bevinden. Die metingen leveren ten minste gegevens op over de totale massaconcentratie en de concentraties van de chemische samenstellingen van fijne zwevende deeltjes (PM2,5) in termen van het jaargemiddelde, en ze worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende criteria :

er wordt per 100.000 km2 een bemonsteringspunt opgericht;
2°  er is ten minste één meetstation of er mogen, bij onderlinge afspraak met aangrenzende landen, één of meer gemeenschappelijke meetstations opgericht worden die de relevante naburige zones bestrijken, om de vereiste ruimtelijke resolutie te garanderen;
indien van toepassing, wordt de bewaking gecoördineerd met de bewakingsstrategie en het meetprogramma van het Samenwerkingsprogramma voor de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP);
deel A en C van bijlage 2.5.3.1 zijn van toepassing op de gegevenskwaliteitsdoelstellingen voor metingen van massaconcentraties van zwevende deeltjes, en bijlage 2.5.3.4 is in haar geheel van toepassing.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij informeert via de geëigende kanalen de Europese Commissie over de meetmethoden die worden gebruikt om de chemische samenstelling van fijne zwevende deeltjes (PM2,5) te meten. 


Art. 2.5.2.2.3.

§ 1.

De plaats van de bemonsteringspunten voor de meting van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht wordt bepaald overeenkomstig de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.3.

 

§ 2.

In elke zone of agglomeratie waar vaste metingen de enige gegevensbron zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor elke verontreinigende stof in kwestie niet kleiner zijn dan het minimumaantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.5, deel A.

 

§ 3.

In zones en agglomeraties waar de gegevens van bemonsteringspunten voor vaste metingen worden aangevuld met door modellering of indicatieve metingen verkregen gegevens, mag het totale aantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.5, deel A, met ten hoogste 50 % worden verminderd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan :

de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op ter beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van grenswaarden of alarmdrempels, alsook adequate gegevens voor de bevolking;
2°   het aantal op te richten bemonsteringspunten en de ruimtelijke resolutie van de andere technieken volstaan om de concentratie van de verontreinigende stof in kwestie vast te stellen overeenkomstig de gegevenskwaliteitsdoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel A, en maken beoordelingsresultaten mogelijk die voldoen aan de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel B.

 

De resultaten van modellering of indicatieve metingen worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten opzichte van de grenswaarden.


Art. 2.5.2.2.4.

De referentiemeetmethoden en -criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.6, delen A en C, worden toegepast. Onder de voorwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel B, mogen andere meetmethoden worden gebruikt.


Art. 2.5.2.2.5.

Als, in een zone of agglomeratie de ozonconcentraties tijdens één van de laatste vijf jaar van meting de langetermijndoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.7, deel C, hebben overschreden, worden vaste metingen uitgevoerd.

 

Als er geen gegevens beschikbaar zijn over de laatste vijf jaar, of als daarover slechts gedeeltelijk gegevens beschikbaar zijn, kan de VMM ter beantwoording van de vraag of de langetermijndoelstellingen, vermeld in lid 1, gedurende die vijf jaar zijn overschreden, de resultaten van meetcampagnes van korte duur die zijn uitgevoerd op tijden en plaatsen waar de niveaus naar alle waarschijnlijkheid het hoogst waren, combineren met de gegevens uit emissie-inventarissen en modellering.


Art. 2.5.2.2.6.

§ 1.

De plaats van de bemonsteringspunten voor ozonmetingen wordt bepaald overeenkomstig de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.8.

 

§ 2.

In zones of agglomeraties waar metingen de enige bron van gegevens zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen van ozon niet kleiner zijn dan het minimumaantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.9, deel A.

 

§ 3.

In zones en agglomeraties waar de gegevens van bemonsteringspunten voor vaste metingen worden aangevuld met door modellering of indicatieve metingen verkregen gegevens, mag het aantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.9, deel A, evenwel worden verminderd, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :

de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op voor het beoordelen van de luchtkwaliteit ten aanzien van streefwaarden, langetermijndoelstellingen en informatie- en alarmdrempels;
het aantal op te richten bemonsteringspunten en de ruimtelijke resolutie van de andere technieken volstaan om de ozonconcentratie vast te stellen overeenkomstig de gegevenskwaliteitsdoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel A, en maken beoordelingsresultaten mogelijk die voldoen aan de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel B;
in elke zone of agglomeratie is er ten minste één bemonsteringspunt per twee miljoen inwoners, of ten minste één bemonsteringspunt per 50.000 km2 als dat criterium een groter aantal bemonsteringspunten oplevert. In elke zone of agglomeratie bevindt zich ten minste één bemonsteringspunt;
stikstofdioxide wordt gemeten op alle resterende bemonsteringspunten, uitgezonderd de meetstations voor de bepaling van de plattelandsachtergrondwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.8, deel A.

 

De resultaten van modellering of indicatieve metingen worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van de streefwaarden.

 

§ 4.

Stikstofdioxide wordt gemeten op ten minste 50% van de overeenkomstig bijlage 2.5.3.9, deel A, vereiste bemonsteringspunten voor ozon. De meting van stikstofdioxide wordt continu verricht, behalve in de meetstations voor de bepaling van de plattelandsachtergrondwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.8, deel A, waar andere meetmethoden kunnen worden gebruikt.

 

§ 5.

In zones en agglomeraties waar de concentraties in elk van de laatste vijf jaar van meting beneden de langetermijndoelstellingen lagen, wordt het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen bepaald overeenkomstig de bepalingen van bijlage 2.5.3.9, deel B.

 

§ 6.

Er wordt ten minste één bemonsteringspunt opgericht en gebruikt om gegevens te verkrijgen over de concentraties van de ozonprecursoren, vermeld in bijlage 2.5.3.10. Het aantal en de plaats van de stations waar de ozonprecursoren worden gemeten, worden bepaald rekening houdend met de doelstellingen en methoden, vermeld in bijlage 2.5.3.10.


Art. 2.5.2.2.7.

De referentiemethode voor de meting van ozon, vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel A, punt 8, wordt toegepast. Onder de voorwaarden vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel B, mogen andere meetmethoden worden gebruikt.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt, via de geëigende kanalen, de Europese Commissie in kennis van de methoden die worden gehanteerd voor de bemonstering en de meting van vluchtige organische stoffen, vermeld de bijlage 2.5.3.10.


Onderafdeling 2.5.2.3.
Beheer van de luchtkwaliteit


Art. 2.5.2.3.1.

De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat in zones en agglomeraties waar de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM10, PM2,5, lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht lager zijn dan de respectieve grenswaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.11 en 2.5.3.14, de niveaus van die stoffen beneden de grenswaarden worden gehouden, en dat ernaar wordt gestreefd de beste met duurzame ontwikkeling verenigbare luchtkwaliteit te beschermen.


Art. 2.5.2.3.2.

§ 1.

De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM10, lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht in de gehele zones en agglomeraties de grenswaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.11, niet overschrijden.

 

De naleving van die voorschriften wordt beoordeeld overeenkomstig bijlage 2.5.3.3.

 

De vastgestelde overschrijdingsmarges, vermeld in bijlage 2.5.3.11, worden toegepast overeenkomstig artikel 2.5.2.3.11, lid 3, en artikel 2.5.2.4.1, § 1.

 

§ 2.

Voor de concentraties van zwaveldioxide en stikstofdioxide in de lucht gelden de alarmdrempels, vermeld in bijlage 2.5.3.12, deel A.


Art. 2.5.2.3.3.

De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie, vermeld in bijlage 2.5.3.13 en beoordeeld overeenkomstig bijlage 2.5.3.3, deel A, worden nageleefd.

 

Als vaste metingen de enige bron van gegevens zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten niet kleiner zijn dan het minimumaantal, vermeld in bijlage 2.5.3.5, deel C. Als die gegevens worden aangevuld met door indicatieve metingen of modellering verkregen gegevens, mag het minimumaantal bemonsteringspunten met ten hoogste 50% worden verminderd, mits de beoordeelde concentraties van de verontreinigende stof in kwestie kunnen worden vastgesteld overeenkomstig de gegevenskwaliteitsdoelstellingen vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel A.


Art. 2.5.2.3.4.

Alle nodige maatregelen worden genomen die geen buitensporige kosten met zich meebrengen om de blootstelling aan PM2,5 te verminderen, met als doel de gewestelijke streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling, vermeld in bijlage 2.5.3.14, deel B, voor het daar genoemde jaar te bereiken.

 

De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex voor het jaar 2015, vastgesteld overeenkomstig bijlage 2.5.3.14, deel A, de in deel C van die bijlage vastgelegde gewestelijke blootstellingsconcentratieverplichting niet overschrijdt.

 

De gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex voor PM2,5 wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij beoordeeld overeenkomstig bijlage 2.5.3.14, deel A.

 

Overeenkomstig bijlage 2.5.3.3 zijn het aantal van de bemonsteringspunten waarop de gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex voor PM2,5 wordt gebaseerd, en de spreiding ervan zodanig dat een juist beeld wordt verkregen van de blootstelling van de bevolking in het algemeen. Het aantal bemonsteringspunten is niet kleiner dan het aantal dat wordt verkregen door de toepassing van bijlage 2.5.3.5, deel B.


Art. 2.5.2.3.5.

Alle nodige maatregelen worden genomen die geen buitensporige kosten meebrengen, om ervoor te zorgen dat de concentraties van PM2,5 in de lucht de streefwaarde, vermeld in bijlage 2.5.3.14, deel D, vanaf de daar genoemde datum niet overschrijden.

 

Alle nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de concentraties van PM2,5 in de lucht de grenswaarde, vermeld in bijlage 2.5.3.14, deel E, vanaf de daar genoemde datum in de gehele zones en agglomeraties niet overschrijden. De naleving van dat voorschrift wordt beoordeeld overeenkomstig bijlage 2.5.3.3.

 

De overschrijdingsmarges, vermeld in bijlage 2.5.3.14, deel E, worden overeenkomstig artikel 2.5.2.4.1, § 1, toegepast.


Art. 2.5.2.3.6.

Alle nodige maatregelen worden genomen die geen buitensporige kosten meebrengen, om ervoor te zorgen dat de streefwaarden en langetermijndoelstellingen worden bereikt.

 

Voor zones en agglomeraties waar een streefwaarde wordt overschreden, worden het krachtens artikel 2.10.3.1 opgestelde programma en, indien van toepassing, een luchtkwaliteitsplan uitgevoerd om ervoor te zorgen dat met ingang van de datum, vermeld in bijlage 2.5.3.7, deel B, de streefwaarden worden bereikt, behalve als dat niet realiseerbaar is met maatregelen die geen buitensporige kosten meebrengen.

 

Voor zones en agglomeraties waar de ozonniveaus in de lucht hoger zijn dan de langetermijndoelstellingen, maar lager zijn dan of gelijk zijn aan de streefwaarden, wordt overgegaan tot de voorbereiding en uitvoering van kosteneffectieve maatregelen met als doel de langetermijndoelstellingen te bereiken. Die maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het luchtkwaliteitsplan en met het programma vermeld in lid 2.


Art. 2.5.2.3.7.

In zones en agglomeraties waar de ozonniveaus aan de langetermijndoelstellingen beantwoorden, worden de nodige maatregelen genomen om die niveaus beneden de langetermijndoelstellingen te houden, voor zover factoren zoals de grensoverschrijdende aard van ozonverontreiniging en de meteorologische omstandigheden dat toelaten, en wordt door het nemen van evenredige maatregelen de best mogelijke luchtkwaliteit in stand gehouden die verenigbaar is met duurzame ontwikkeling, en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en van het milieu.


Art. 2.5.2.3.8.

Als de informatiedrempel, vermeld in bijlage 2.5.3.12, of een van de alarmdrempels, vermeld in bijlage 2.5.3.12, overschreden worden, neemt de Vlaamse Milieumaatschappij de nodige stappen om de bevolking via de radio, televisie, kranten of het internet daarover in te lichten.

 

Aan de Europese Commissie worden door de Vlaamse Milieumaatschappij, via de geëigende kanalen, op voorlopige basis gegevens meegedeeld over de geregistreerde niveaus en de duur van de periodes waarin de alarmdrempel of de informatiedrempel is overschreden.


Art. 2.5.2.3.9.

De Vlaamse Milieumaatschappij verstrekt, via de geëigende kanalen, aan de Europese Commissie voor een bepaald jaar een lijst van zones en agglomeraties waar overschrijdingen van grenswaarden voor een bepaalde verontreinigende stof toe te schrijven zijn aan natuurlijke bronnen. Daarbij worden gegevens verstrekt over de concentraties en bronnen en het bewijsmateriaal dat aantoont dat de overschrijdingen aan natuurlijke bronnen zijn toe te schrijven.

 

Als de Europese Commissie overeenkomstig lid 1 in kennis is gesteld van een aan natuurlijke bronnen toe te schrijven overschrijding, wordt die overschrijding niet beschouwd als een overschrijding in de zin van deze afdeling.


Art. 2.5.2.3.10.

De Vlaamse Milieumaatschappij mag zones of agglomeraties aanwijzen waar de grenswaarden worden overschreden door concentraties van PM10 in de lucht die toe te schrijven zijn aan de opwerveling van deeltjes ten gevolge van het strooien van zand en zout op de wegen in de winter.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij verstrekt de Europese Commissie, via de geëigende kanalen, een lijst van al die zones of agglomeraties, alsook gegevens over de daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen.

 

Als de Vlaamse Milieumaatschappij de Europese Commissie daarvan overeenkomstig artikel 2.5.2.5.2 via de geëigende kanalen in kennis stelt, levert ze de nodige bewijzen dat die overschrijdingen veroorzaakt zijn door dergelijke opgewervelde deeltjes, en dat in redelijke mate is getracht de concentraties te verlagen. Onverminderd artikel 2.5.2.3.9 wordt voor de zones en agglomeraties, vermeld in lid 1, het luchtkwaliteitsplan, vermeld in artikel 2.5.2.4.1 slechts vastgesteld als de overschrijdingen zijn toe te schrijven aan andere PM10-bronnen dan het strooien van zand en zout op de wegen in de winter.


Art. 2.5.2.3.11.

Als in een bepaalde zone of agglomeratie geen overeenstemming met de grenswaarden voor stikstofdioxide of benzeen kan worden bereikt op de uiterste tijdstippen, vermeld in bijlage 2.5.3.11, kan de Vlaamse minister een uitstel van maximaal vijf jaar verlenen voor die specifieke zone of agglomeratie, mits voldaan is aan de voorwaarde dat voor de zone of agglomeratie waarvoor het uitstel zou gelden, een luchtkwaliteitsplan wordt opgesteld overeenkomstig artikel 2.5.2.4.1. Dat luchtkwaliteitsplan wordt aangevuld met de gegevens, vermeld in bijlage 2.5.3.15 deel B, die verband houden met de verontreinigende stoffen in kwestie en toont aan hoe overeenstemming kan worden bereikt met de grenswaarden vóór het nieuwe uiterste tijdstip, vermeld in bijlage 2.5.3.11.

 

Als wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, ongunstige klimaatomstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen in een bepaalde zone of agglomeratie geen overeenstemming kan worden bereikt met de grenswaarden voor PM10, vermeld in bijlage 2.5.3.11, kan de Vlaamse minister tot 11 juni 2011 vrijstelling verlenen van de verplichting om die grenswaarden toe te passen, mits aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan en aangetoond wordt dat op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau alle passende maatregelen genomen zijn om de uiterste tijdstippen na te leven.

 

Bij de toepassing van lid 1 of 2 wordt de overschrijding van de grenswaarde voor elke verontreinigende stof binnen de maximale overschrijdingsmarge, vermeld in bijlage 2.5.3.11, gehouden.

 

Van lid 1 en 2 kan gebruik worden gemaakt als aan volgende voorwaarden cumulatief is voldaan :

de Vlaamse minister stelt de Europese Commissie in kennis van het voornemen om lid 1 of 2 toe te passen; 
het luchtkwaliteitsplan, vermeld in lid 1, met inbegrip van alle relevante gegevens die de Commissie nodig heeft om te beoordelen of aan de desbetreffende voorwaarden voldaan is, wordt door de Vlaamse minister aan de Europese Commissie bezorgd, na goedkeuring ervan door de Vlaamse Regering; 
3°  de Europese Commissie maakt geen bezwaren binnen negen maanden na de ontvangst van de kennisgeving zodat aan de desbetreffende voorwaarden voor toepassing van lid 1 of 2 geacht wordt voldaan te zijn. 

 

Als de Europese Commissie binnen negen maanden na ontvangst van de kennisgeving, vermeld in lid 4, bezwaren maakt en indien zij verlangt dat de luchtkwaliteitsplannen worden aangepast of worden vervangen door nieuwe, dan bezorgt de Vlaamse minister de Europese Commissie het aangepaste of nieuwe luchtkwaliteitsplan, goedgekeurd door de Vlaamse Regering.


Onderafdeling 2.5.2.4.
Plannen


Art. 2.5.2.4.1.

§ 1.

Als het niveau van verontreinigende stoffen in de lucht in bepaalde zones of agglomeraties een grenswaarde of streefwaarde, in beide gevallen verhoogd met de toepasselijke overschrijdingsmarge, overschrijdt, worden voor die zones en agglomeraties luchtkwaliteitsplannen vastgesteld om de desbetreffende grenswaarde of streefwaarde, vermeld in bijlage 2.5.3.11 en 2.5.3.14, te bereiken.

 

In geval van overschrijding van grenswaarden waarvoor het uiterste tijdstip voor naleving al is verstreken, worden in de luchtkwaliteitsplannen passende maatregelen opgenomen, zodat de periode van overschrijding zo kort mogelijk kan worden gehouden. De luchtkwaliteitsplannen kunnen bovendien maatregelen omvatten die gericht zijn op de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals kinderen.

 

De luchtkwaliteitsplannen omvatten ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 2.5.3.15, deel A, en kunnen maatregelen omvatten overeenkomstig artikel 2.5.2.4.2. De plannen worden, nadat ze door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld, onverwijld, maar uiterlijk twee jaar na het einde van het jaar waarin de eerste overschrijding is vastgesteld, door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie meegedeeld.

 

Als voor verschillende verontreinigende stoffen een plan moet worden opgesteld of uitgevoerd, worden, waar passend, geïntegreerde luchtkwaliteitsplannen opgesteld en uitgevoerd voor alle verontreinigende stoffen in kwestie.

 

§ 2.

Er wordt gezorgd voor, voor zover dat uitvoerbaar is, samenhang met andere plannen of programma’s die vereist zijn krachtens artikel 2.10.3 en artikel 2.2.4.4, om de relevante milieudoelstellingen te bereiken.


Art. 2.5.2.4.2.

§ 1.

Als in een bepaalde zone of agglomeratie het risico bestaat dat de niveaus van verontreinigende stoffen een of meer alarmdrempels, vermeld in de bijlage 2.5.3.12, zullen overschrijden, worden actieplannen opgesteld die op korte termijn te nemen maatregelen bevatten om het risico van overschrijding of de duur ervan te beperken. Als dat risico geldt voor een of meer van de grenswaarden of streefwaarden, vermeld in de bijlage 2.5.3.7, 2.5.3.11 en 2.5.3.14, kunnen, als dat passend is, ook kortetermijnactieplannen worden opgesteld.

 

Als evenwel een risico bestaat dat de alarmdrempel voor ozon, vermeld in bijlage 2.5.3.12, deel B, zal worden overschreden, worden kortetermijnactieplannen alleen opgesteld als er, rekening houdend met de nationale geografische, meteorologische en economische omstandigheden, substantiële mogelijkheden bestaan om het risico, de duur of de ernst van een dergelijke overschrijding te verminderen. Als een kortetermijnactieplan wordt opsteld, wordt rekening gehouden met Beschikking 2004/279/EG van de Commissie van 19 maart 2004 betreffende een leidraad voor de uitvoering van Richtlijn 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende ozon in de lucht.

 

§ 2.

De kortetermijnactieplannen, vermeld in paragraaf 1, kunnen, naargelang van het geval, voorzien in effectieve maatregelen om activiteiten die bijdragen tot het risico op overschrijding van de respectieve grenswaarden, streefwaarden of alarmdrempels, te beheersen en indien nodig op te schorten. De actieplannen kunnen maatregelen voor het verkeer van motorvoertuigen, bouwwerkzaamheden, voor anker liggende schepen en het gebruik van industriële installaties of producten, en de verwarming van woningen behelzen. In het kader van die plannen kunnen ook specifieke acties voor de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals kinderen, in overweging worden genomen.

 

§ 3.

Als een kortetermijnactieplan is opgesteld, worden de resultaten van onderzoeken naar de haalbaarheid en de inhoud van de specifieke kortetermijnactieplannen, alsook gegevens over de uitvoering van die plannen beschikbaar gesteld voor de bevolking en voor belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen, andere organen die bij de gezondheidszorg betrokken zijn, en de belanghebbende vakverenigingen.


Art. 2.5.2.4.3.

Onverminderd artikel 2.5.2.4.2, § 3 worden de plannen en programma’s, vermeld in deze onderafdeling, en elke wijziging of herziening ervan, als volgt opgesteld :

de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging stelt het ontwerpplan en -programma op, wijzigt of herziet de bestaande plannen en programma’s en kan daarbij de meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen, privaatrechtelijke organisaties en sociale en maatschappelijke groeperingen betrekken. Het ontwerp van plan of programma of het ontwerp van wijziging of herziening wordt vervolgens bekendgemaakt aan het publiek, zoals bepaald in 2° en 3°; 
2°  het ontwerp van plan of programma of het ontwerp van wijziging of herziening wordt, na goedkeuring door de Vlaamse Regering, door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging zorgt ook voor de actieve consultatie van het publiek via de voor haar gebruikelijke kanalen, zoals elektronische middelen en media, waaronder de publicatie in twee kranten, en via de website van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. Bij de bekendmaking wordt er gewezen op het recht op inspraak van het publiek in de besluitvorming over de plannen en programma’s, en wordt er vermeld aan welke instantie vragen en opmerkingen als vermeld in dit artikel gericht moeten worden. Gedurende een termijn van een maand, die ingaat op de dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, kan het publiek bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging; 
3°  tegelijkertijd met de bekendmaking ervan wordt het ontwerp bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengen binnen een vervaltermijn van een maand nadat ze het ontwerp hebben ontvangen. Die adviezen zijn niet bindend; 
4°  het plan of programma of de wijziging of herziening ervan wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Als de Vlaamse Regering het door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen uitgebrachte advies, of de door het publiek ter kennis gebrachte bezwaren en opmerkingen geheel of gedeeltelijk niet volgt, verantwoordt ze dat in een verslag, gevoegd bij bekendmaking vermeld in punt 5°; 
5°  het plan of programma of de wijziging of herziening ervan wordt samen met het verslag, vermeld in punt 4°, bekendgemaakt aan het publiek via de publicatie in twee kranten en via de website van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. Het plan of programma wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 

 

 


Art. 2.5.2.4.4.

Als een alarmdrempel, grenswaarde of streefwaarde, verhoogd met de toepasselijke overschrijdingsmarge, of een langetermijndoelstelling wordt overschreden ten gevolge van aanzienlijk grensoverschrijdend transport van verontreinigende stoffen of de precursoren daarvan, wordt met de landen in kwestie samengewerkt en worden, indien mogelijk, gezamenlijke activiteiten ontplooid, zoals het opstellen van gezamenlijke of gecoördineerde luchtkwaliteitsplannen overeenkomstig artikel 2.5.2.4.1, om de overschrijdingen op te heffen door passende maar evenredige maatregelen uit te voeren.

 

De Europese Commissie wordt uitgenodigd om bij samenwerkingsactiviteiten vermeld in lid 1 aanwezig te zijn en daaraan haar medewerking te verlenen.

 

Als dat opportuun is overeenkomstig artikel 2.5.2.4.2 wordt overgegaan tot het opstellen en uitvoeren van gezamenlijke kortetermijnactieplannen die naburige zones in andere landen bestrijken. De Vlaamse minister zorgt ervoor dat als naburige zones in andere landen kortetermijnactieplannen hebben ontwikkeld, ze alle relevante gegevens ontvangen.

 

Als de informatiedrempel of de alarmdrempels worden overschreden in zones of agglomeraties in de nabijheid van nationale grenzen, worden zo snel mogelijk door de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu gegevens verstrekt aan de bevoegde instanties van het naburige land in kwestie. Die gegevens worden ook aan de bevolking ter beschikking gesteld.

 

Bij het opstellen van plannen overeenkomstig lid 1 en 3 en bij het verstrekken van informatie aan de bevolking overeenkomstig lid 4 wordt, als dat opportuun is, gestreefd naar samenwerking met derde landen en met name met kandidaat-lidstaten van de Europese Unie.


Onderafdeling 2.5.2.5.
Informatie en verslaglegging


Art. 2.5.2.5.1.

§ 1.

De Vlaamse Milieumaatschappij zorgt ervoor dat aan de bevolking, alsook aan belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen, andere organen die betrokken zijn bij de gezondheidszorg en de belanghebbende vakverenigingen, adequaat en tijdig de luchtkwaliteit, overeenkomstig bijlage 2.5.3.16 wordt meegedeeld.

 

De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, zorgt ervoor dat de bevolking, alsook belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen, andere organen die betrokken zijn bij de gezondheidszorg en de belanghebbende vakverenigingen, adequaat en tijdig het volgende wordt meegedeeld :  

1°  de besluiten tot uitstel, vermeld in artikel 2.5.2.3.11, lid 1; 
2°  de vrijstellingen, vermeld in artikel 2.5.2.3.11, lid 2;  
3°  de luchtkwaliteitsplannen vermeld in artikel 2.5.2.3.11, lid 1, artikel 2.5.2.4.1 en artikel 2.5.2.4.2 en de programma’s vermeld in artikel 2.5.2.3.6, lid 2. 

 

De gegevens worden kosteloos ter beschikking gesteld via algemeen toegankelijke media, waaronder het internet of andere geschikte vormen van telecommunicatie. Daarbij wordt rekening gehouden met de bepalingen van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Geografische Data-Infrastructuur Vlaanderen en de uitvoeringsbesluiten ervan.

 

§ 2.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt aan de bevolking jaarverslagen ter beschikking over alle verontreinigende stoffen die onder deze afdeling vallen.

 

De verslagen bevatten een samenvatting van de concentraties die de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatiedrempels en alarmdrempels gedurende de vastgestelde middelingstijden hebben overschreden. Bij die gegevens wordt een beknopte beoordeling gevoegd van de gevolgen van de overschrijdingen. De verslagen kunnen in voorkomend geval nadere gegevens over en beoordelingen van de bosbescherming omvatten, alsook gegevens over andere verontreinigende stoffen waarvoor bepalingen inzake bewaking zijn opgenomen, zoals diverse, niet-gereguleerde ozonprecursoren als vermeld in bijlage 2.5.3.10, deel B.


Afdeling 2.5.3.
Beoordeling en beheer van de luchtkwaliteit


Onderafdeling 2.5.3.1.
Doelstellingen


Art. 2.5.3.1. [...]

Onderafdeling 2.5.3.2.
Uitvoering en verantwoordelijkheden


Art. 2.5.3.2. [...]

Onderafdeling 2.5.3.3.
Vaststelling van de grenswaarden en alarmdrempels voor de lucht


Art. 2.5.3.3. [...]

Onderafdeling 2.5.3.4.
Voorafgaande beoordeling van de luchtkwaliteit


Art. 2.5.3.4. [...]

Onderafdeling 2.5.3.5.
Beoordeling van de luchtkwaliteit


Art. 2.5.3.5. [...]

Onderafdeling 2.5.3.6.
Algemene eisen inzake verbetering van de luchtkwaliteit


Art. 2.5.3.6. [...]

Onderafdeling 2.5.3.7.
Maatregelen die van toepassing zijn in zones waar de niveaus hoger liggen dan de grenswaarde


Art. 2.5.3.7. [...]

Onderafdeling 2.5.3.8.
Eisen die van toepassing zijn in zones waar de niveaus onder de grenswaarde liggen


Art. 2.5.3.8. [...]

Onderafdeling 2.5.3.9.
Maatregelen voor gevallen waarin de niveaus boven de alarmdrempels liggen


Art. 2.5.3.9. [...]

Onderafdeling 2.5.3.10.
Indiening van informatie en verslagen


Art. 2.5.3.10. [...]

Afdeling 2.5.4.
Beoordeling en beheer van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood


Onderafdeling 2.5.4.1.
Zwaveldioxide


Art. 2.5.4.1. [...]

Onderafdeling 2.5.4.2.
Stikstofdioxide en stikstofoxiden


Art. 2.5.4.2. [...]

Onderafdeling 2.5.4.3.
Zwevende deeltjes


Art. 2.5.4.3. [...]

Onderafdeling 2.5.4.4.
Lood


Art. 2.5.4.4. [...]

Onderafdeling 2.5.4.5.
Beoordeling van de concentraties


Art. 2.5.4.5. [...]

Onderafdeling 2.5.4.6.
Informatie van het publiek


Art. 2.5.4.6. [...]

Afdeling 2.5.5.
Beoordeling en beheer van benzeen en koolmonoxide


Onderafdeling 2.5.5.1.
Benzeen


Art. 2.5.5.1. [...]

Onderafdeling 2.5.5.2.
Koolmonoxide


Art. 2.5.5.2. [...]

Onderafdeling 2.5.5.3.
Beoordeling van de concentraties


Art. 2.5.5.3. [...]

Onderafdeling 2.5.5.4.
Informatie voor de bevolking


Art. 2.5.5.4. [...]

Afdeling 2.5.6.
Beoordeling en beheer van OZON


Subafdeling 2.5.6.1.
Richtwaarden en langetermijndoelstellingen


Art. 2.5.6.1. [...]

Subafdeling 2.5.6.2.
Beoordeling van de ozon- en precursorenconcentraties


Art. 2.5.6.2. [...]

Subafdeling 2.5.6.3.
Eisen in zones en agglomeraties om de richtwaarden en langetermijndoelstellingen te bewerkstelligen


Art. 2.5.6.3. [...]

Subafdeling 2.5.6.4.
Informatie voor de bevolking


Art. 2.5.6.4. [...]

Subafdeling 2.5.6.5.
Veiligheidsmaatregelen


Art. 2.5.6.5. [...]

Subafdeling 2.5.6.6.
Grensoverschrijdende luchtverontreiniging


Art. 2.5.6.6. [...]

Subafdeling 2.5.6.7.
Indiening van informatie en verslagen aan de Europese Commissie


Art. 2.5.6.7. [...]

Afdeling 2.5.7.
Beoordeling en beheer van arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen, en beoordeling van kwik


Onderafdeling 2.5.7.1.
Milieukwaliteitsnormen voor arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen


Art. 2.5.7.1.

De bevoegde diensten van het Departement Omgeving stellen alle nodige maatregelen voor die geen onevenredige kosten meebrengen, om ervoor te zorgen dat vanaf 31 december 2012 de concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen, gebruikt als merker voor het carcinogene risico van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht, beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.7.2, de streefwaarden van bijlage 2.5.8.1 niet overschrijden. Die maatregelen worden aan de minister voorgelegd ter bekrachtiging. De bevoegde diensten zorgen voor de uitvoering van de maatregelen.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt een lijst op van de zones en agglomeraties waar de niveaus van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen onder de respectieve streefwaarden liggen. In die zones en agglomeraties worden de niveaus van die verontreinigende stoffen beneden de respectieve streefwaarden gehouden en wordt er naar gestreefd om de met duurzame ontwikkeling verenigbare optimale luchtkwaliteit te handhaven.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt een lijst op van de zones en agglomeraties waar de streefwaarden, vermeld in bijlage 2.5.8.1 worden overschreden. Voor die zones en agglomeraties specificeert de Vlaamse Milieumaatschappij de overschrijdingsgebieden en, in samenspraak met de bevoegde diensten van het Departement Omgeving, de bronnen die aan de overschrijdingen bijdragen. De bevoegde diensten van het Departement Omgeving moeten aantonen dat in de gebieden in kwestie alle noodzakelijke maatregelen die geen onevenredige kosten meebrengen, met name gericht op de grootste emissiebronnen, worden toegepast om de streefwaarden te bereiken. In het geval van GPBV-installaties is dit de toepassing van de beste beschikbare techniek [...].


Onderafdeling 2.5.7.2.
Beoordeling van concentraties in de buitenlucht en van deposities


Art. 2.5.7.2.

§ 1.

De Vlaamse Milieumaatschappij beoordeelt de luchtkwaliteit van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen op het gehele grondgebied.

 

§ 2.

Meting overeenkomstig de criteria vermeld in § 7, is verplicht in de volgende zones:

zones en agglomeraties waar de niveaus tussen de bovenste en de onderste beoordelingsdrempel liggen, en
andere zones en agglomeraties waar de niveaus de bovenste beoordelingsdrempel overschrijden.

De metingen kunnen worden aangevuld met modellen die een adequaat niveau van informatie over de luchtkwaliteit bieden.

 

§ 3.

Er kan een combinatie van metingen, inclusief indicatieve metingen overeenkomstig bijlage 2.5.8.4, deel I, en modellen worden gebruikt om de luchtkwaliteit te beoordelen in zones en agglomeraties waar de niveaus gedurende een representatieve periode tussen de bovenste en onderste beoordelingsdrempel liggen. Dit wordt vastgesteld volgens de bepalingen, vermeld in bijlage 2.5.8.2, deel II.

 

§ 4.

In zones en agglomeraties waar de niveaus onder de onderste beoordelingsdrempel liggen, vast te stellen volgens de bepalingen vermeld in bijlage 2.5.8.2, deel II, mag voor het beoordelen van de niveaus uitsluitend gebruik worden gemaakt van modellen of technieken op basis van objectieve ramingen.

 

§ 5.

Als verontreinigende stoffen moeten worden gemeten, worden de metingen op vaste meetpunten verricht, hetzij continu, hetzij door middel van aselecte bemonstering. Het aantal metingen is groot genoeg om de niveaus te kunnen vaststellen.

 

§ 6.

Voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht gelden de bovenste en onderste beoordelingsdrempels vermeld in bijlage 2.5.8.2, deel I. De indeling van elke zone of agglomeratie voor de toepassing van dit artikel wordt ten minste om de vijf jaar volgens de procedure vermeld in bijlage 2.5.8.2, deel II geëvalueerd. De indeling wordt eerder geëvalueerd als significante wijzigingen optreden in activiteiten die relevant zijn voor de concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht.

 

§ 7.

De criteria voor de bepaling van de plaats van de monsternemingspunten waar de concentraties arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht worden gemeten om te beoordelen of de streefwaarden worden nageleefd, zijn vermeld in bijlage 2.5.8.3, deel I en II. Het minimumaantal monsternemingspunten voor vaste metingen van de concentraties van elke verontreinigende stof is vastgesteld in bijlage 2.5.8.3, deel IV. De monsternemingspunten worden geïnstalleerd in elke zone of agglomeratie waar metingen moeten worden uitgevoerd als vaste metingen de enige bron van gegevens zijn over de concentraties binnen die zone of agglomeratie.

 

§ 8.

Om de bijdrage van benzo(a)pyreen in de lucht te beoordelen, wordt gezorgd voor de monitoring van andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen op een beperkt aantal meetpunten. Die verbindingen omvatten ten minste benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3- cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen. Meetpunten voor die polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden op dezelfde locatie geplaatst als de monsternemingspunten voor benzo(a)pyreen en moeten zo worden geselecteerd dat geografische variatie en lange termijntendensen kunnen worden vastgesteld. Bijlage 2.5.8.3, delen I, II en III zijn van toepassing.

 

§ 9.

Ongeacht de concentratieniveaus moet voor achtergrondwaarden een monsternemingspunt worden geïnstalleerd voor de indicatieve meting in de lucht van arseen, cadmium, totaal gasvormig kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstofverbindingen, vermeld in § 8 en van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen vermeld in § 8. Er wordt ten minste één meetstation geplaatst. Er mogen met onderlinge instemming en overeenkomstig richtsnoeren van de Europese Commissie, een of meer gemeenschappelijke meetstations geplaatst worden die naburige zones in aangrenzende landen bestrijken om de nodige ruimtelijke resolutie (1 station per 100.000 km2) te verkrijgen. De meting van tweewaardig kwik in deeltjes en als gas wordt aanbevolen. Waar dat nuttig is, moet de monitoring worden gecoördineerd met de monitoringstrategie en het meetprogramma van het Programma voor samenwerking inzake de bewaking en de evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (European Monitoring and Evaluation of Pollutants, EMEP). De monsternemingspunten voor die verontreinigende stoffen moeten zo worden geselecteerd dat geografische variatie en lange termijntendensen kunnen worden vastgesteld. Bijlage 2.5.8.3, delen I, II en III zijn van toepassing.

 

§ 10.

Waar regionale patronen van de invloed op ecosystemen worden beoordeeld, kan het gebruik van bio-indicatoren worden overwogen.

 

§ 11.

In zones en agglomeraties waarin de informatie uit vaste meetstations wordt aangevuld met informatie uit andere bronnen, zoals emissie-inventarissen, indicatieve meetmethoden of luchtkwaliteitsmodellen, moet het aantal geïnstalleerde vaste meetstations en de ruimtelijke resolutie van andere technieken toereikend zijn om de concentraties van verontreinigende stoffen in de lucht overeenkomstig bijlage 2.5.8.3, deel I, en bijlage 2.5.8.4, deel I, te kunnen bepalen.

 

§ 12.

De kwaliteitsdoelstellingen voor de gegevens zijn vastgelegd in bijlage 2.5.8.4, deel I. Als voor de beoordeling gebruik wordt gemaakt van luchtkwaliteitsmodellen, is bijlage 2.5.8.4, deel II van toepassing.

 

§ 13.

De referentiemethoden voor de bemonstering en analyse van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht staan vermeld in bijlage 2.5.8.5, deel I, II en III. De referentietechnieken voor het meten van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen staan vermeld in bijlage 2.5.8.5, deel IV, en de referentietechnieken voor modellen voor de luchtkwaliteit worden in bijlage 2.5.8.5, deel V vastgesteld als die technieken beschikbaar zijn.

 

§ 14.

De Vlaamse Milieumaatschappij brengt via de geëigende kanalen de Europese Commissie uiterlijk op 15 februari 2007 op de hoogte van de methoden voor de voorafgaande beoordeling van de luchtkwaliteit volgens artikel 2.5.3.10, 5°, van titel II van het VLAREM.


Onderafdeling 2.5.7.3.
Indiening van informatie en verslagen aan de Europese Commissie


Art. 2.5.7.3.

§ 1.

Met betrekking tot de zones en agglomeraties waar een van de streefwaarden van bijlage 2.5.8.1 wordt overschreden, verstrekken de Vlaamse Milieumaatschappij, in overleg met de bevoegde diensten van het Departement Omgeving voor de bepaling van de redenen voor de overschrijding en in het bijzonder de bronnen die ertoe bijdragen, via de geëigende kanalen de volgende informatie aan de Europese Commissie:

de lijsten van de desbetreffende zones en agglomeraties;
de overschrijdingsgebieden;
de vastgestelde concentratiewaarden;
de redenen voor de overschrijding en in het bijzonder de bronnen die ertoe bijdragen;
de bevolking die wordt blootgesteld aan de overschrijding.

De Vlaamse Milieumaatschappij verstrekt verder alle gegevens die beoordeeld zijn overeenkomstig artikel 2.5.7.2, tenzij dit al is gebeurd ter uitvoering van Beschikking 97/101/EG van de Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor de onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in de lidstaten inzake de onderlinge uitwisseling van informatie.

 

De informatie wordt voor elk kalenderjaar uiterlijk op 30 september van het volgende jaar aan de Europese Commissie bezorgd en de eerste keer voor het kalenderjaar, volgend op 15 februari 2007.

 

§ 2.

Naast de eisen, vermeld in § 1, rapporteert de Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid via de geëigende kanalen alle maatregelen die genomen zijn krachtens artikel 2.5.7.1.


Onderafdeling 2.5.7.4.
Informatie voor de bevolking


Art. 2.5.7.4.

De Vlaamse Milieumaatschappij zorgt ervoor dat voor het publiek en voor de organisaties die in aanmerking komen zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen en andere relevante instanties voor de gezondheidszorg, duidelijke en begrijpelijke informatie toegankelijk is en regelmatig ter beschikking wordt gesteld over de concentratie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen, en voor de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht, vermeld in artikel 2.5.7.2, § 8 evenals over de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in artikel 2.5.7.2, § 8.

 

In die informatie worden ook de jaarlijkse overschrijdingen vermeld van de streefwaarden voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen overeenkomstig bijlage 2.5.8.1. De informatie vermeldt tevens de redenen voor de overschrijding en het gebied waarop die van toepassing is. Voorts omvat ze een korte beoordeling van de streefwaarde en passende gegevens over de gevolgen voor de gezondheid en over de milieueffecten.

 

De Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid stelt gegevens over eventuele maatregelen die genomen zijn krachtens artikel 2.5.7.1 beschikbaar aan de organisaties, vermeld in lid 1.

 

De informatie vermeld in lid 1, lid 2 en lid 3, wordt beschikbaar gesteld via bijvoorbeeld internet, de pers en andere gemakkelijk toegankelijke media.


Hoofdstuk 2.6.
BELEIDSTAKEN TERZAKE ASBESTBEHEERSING


Art. 2.6.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld in uitvoering van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging.


Art. 2.6.0.2.

De EU-Commissie wordt overeenkomstig de Richtlijn 87/217/EEG door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij via de geëigende kanalen:

- driejaarlijks ingelicht over de tenuitvoerlegging van deze Richtlijn.
- in kennis gesteld van de voor de bepaling van de asbestconcentraties gebruikte monsternemings- en analyseprocedures en -methoden alsmede van informatie die van belang is om de doelmatigheid hiervan te beoordelen.

Hoofdstuk 2.7.
BELEIDSTAKEN INZAKE AFVALSTOFFEN


Afdeling 2.7.1.
Verslaggeving aan de Europese Commissie


Art. 2.7.1.1.

§ 1.

Overeenkomstig artikel 15 van de EG-richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen zendt de OVAM om de drie jaar via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie een verslag over de uitvoering van deze EG-richtlijn, waarin speciaal aandacht wordt geschonken aan de Vlaamse strategieën die krachtens artikel 5 van dezelfde richtlijn aangaande afvalstoffen en vormen van behandeling die niet op een stortplaats mogen worden aanvaard, moeten worden ontwikkeld. Dat verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of schema opgesteld door de Europese Commissie volgens de procedure van artikel 6 van EG-richtlijn 91/692/EEG.

 

§ 2.

Het verslag wordt aan de Europese Commissie toegezonden, telkens binnen negen maanden na afloop van de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft.


Art. 2.7.1.2.

Overeenkomstig de Beschikking van de Raad 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, en meer bepaald punt 2 van de bijlage ervan, stelt de OVAM jaarlijks een verslag op over het aantal vergunningen die krachtens de bepalingen van artikel 5.2.4.1.6, § 2, zijn afgegeven.

 

Die verslagen worden om de drie jaar door de OVAM via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie toegezonden als onderdeel van de rapportage bedoeld in artikel 2.7.1.1.


Art. 2.7.1.3.

Overeenkomstig artikel 72 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) zendt de OVAM om de drie jaar via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie een verslag over de uitvoering van hoofdstuk IV van die EG-richtlijn.

 

Het verslag wordt elektronisch aan de Europese Commissie toegezonden.

 

Het verslag wordt door de OVAM gepubliceerd.


Afdeling 2.7.2.
Verslaggeving ter inzage


Art. 2.7.2.1.

De OVAM publiceert een lijst van afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties met een capaciteit van minder dan 2 ton/uur die zijn vergund onder rubriek 2.3.4.1 of rubriek 2.3.4.2 van de indelingslijst, met uitzondering van inrichtingen die onder rubriek 2.3.4.1, a, en 2.3.4.2, a, zijn ingedeeld.


Hoofdstuk 2.8.
Beleidstaken met betrekking tot beste beschikbare technieken


Afdeling 2.8.0.
Beleidstaken ter uitvoering van de EU-Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging


Art. 2.8.0.1. [...]

Art. 2.8.0.2. [...]

Art. 2.8.0.3. [...]

Art. 2.8.0.4. Beheersing van ammoniak

[...]


Afdeling 2.8.1.
Beleidstaken ter uitvoering van hoofdstuk II van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)


Art. 2.8.1.1.

Overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) draagt de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, er zorg voor dat de adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, die onder zijn bevoegdheid ressorteren, ieder voor wat hun adviesbevoegdheid betreft, de ontwikkelingen op het gebied van de BBT en de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies volgt of daarvan op de hoogte wordt gehouden en informeert de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, het publiek daarover.


Afdeling 2.8.2.
Beleidstaken met betrekking tot de opmaak van Vlaamse BBT-studies


Art. 2.8.2.1.

Ter ondersteuning van de vaststelling van milieuvoorwaarden kunnen er Vlaamse BBT-studies opgemaakt worden:

indien na grondige evaluatie geoordeeld wordt dat dit voor de specifieke Vlaamse situatie noodzakelijk is. Dit kan in volgende gevallen:
a) wegens een Vlaamse beleidsprioriteit, of
b) het betreft een Vlaamse milieuprobleem (overschrijdingen van één of meerdere Europese milieukwaliteitsnormen), of
c) een sector vraagt nieuwe of bijgestelde Vlaamse sectorale milieuvoorwaarden (die niet Europees werden bepaald);
indien de als hinderlijke ingedeelde inrichtingen als de voornaamste oorzaak zijn geïdentificeerd (zoniet moet de BBT-filosofie eerst op de belangrijkere bronnen worden toegepast).

 

In deze afdeling wordt verstaan onder een Vlaamse BBT-studie: een document dat het resultaat is van de conform artikel 2.8.2.2, tweede lid, georganiseerde uitwisseling van informatie, dat is opgesteld voor welomschreven activiteiten en meer bepaald een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van beste beschikbare technieken, alsook aanbevelingen voor milieuregelgeving en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 18 van titel I van het VLAREM.


Art. 2.8.2.2.

De Vlaamse BBT-studies worden opgesteld of herzien door de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling.

 

Per Vlaamse BBT-studie wordt door de stuurgroep, vermeld in artikel 2.8.2.3, een begeleidingscomité samengesteld. Om de Vlaamse BBT-studies op te stellen, te herzien en waar nodig te actualiseren, organiseert en coördineert de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling de uitwisseling van informatie binnen het begeleidingscomité tussen de technische deskundigen die optreden als vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 20, §1, van titel I van het VLAREM, de afdeling Milieu-Inspectie, de betrokken bedrijfstakken, de niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming, en andere betrokken partijen.

 

Het begeleidingscomité komt minstens drie keer samen, één keer bij het opstarten van de Vlaamse BBT-studie en minstens twee keer om opeenvolgende ontwerpversies van de Vlaamse BBT-studie te bespreken.

 

Tijdens de bespreking over het pre-finale ontwerp wordt gestreefd naar consensus binnen het begeleidingscomité over de Vlaamse BBT-studie. De door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling houdt rekening met de standpunten van het begeleidingscomité bij het opstellen van het finale ontwerp van de Vlaamse BBT-studie, en legt het finale ontwerp schriftelijk voor aan het begeleidingscomité. Als er binnen het begeleidingscomité geen consensus is over het finale ontwerp, worden de afwijkende standpunten en de argumentatie daarvoor vastgelegd in een bijlage van de Vlaamse BBT-studie, samen met een repliek daarop van de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling.

 

Het finale ontwerp wordt ook voorgelegd aan de stuurgroep, vermeld in artikel 2.8.2.3. Eventuele opmerkingen van de stuurgroep en de argumentatie daarvoor worden vastgelegd in een bijlage van de Vlaamse BBT-studie, samen met een repliek daarop van de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling.

 

De afgewerkte Vlaamse BBT-studie wordt toegankelijk gemaakt voor het publiek, ten minste via het internet.


Art. 2.8.2.3.

Er wordt een stuurgroep opgericht. Die stuurgroep wordt voorgezeten door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en bestaat uit vertegenwoordigers van de adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 20, §1, van titel I van het VLAREM, en de afdeling Milieu-Inspectie. De stuurgroep bepaalt de richtlijnen en de werkwijze van de informatie-uitwisseling. De stuurgroep maakt een voorstel op van het werkprogramma van de door de Vlaamse Regering aangewezen onderzoeksinstelling om Vlaamse BBT-studies op te stellen of te herzien.

 

De stuurgroep consulteert jaarlijks de leden van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen over het voorstel van het werkprogramma voor het komende jaar.

 

De stuurgroep legt het voorstel van het werkprogramma voor het komende jaar ter goedkeuring voor aan de Vlaamse minister.


Art. 2.8.2.4.

Na iedere Vlaamse BBT-studie evalueert de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, in overleg met de betrokken adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 20, §1, van titel I van het VLAREM, en de afdeling Milieu-Inspectie, de noodzaak om aan de Vlaamse minister een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot het bepalen van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden te bezorgen. In voorkomend geval, legt de Vlaamse minister het ontwerp van besluit tot het bepalen van de algemene of sectorale milieuvoorwaarden voor aan de Vlaamse Regering.

 

Na iedere Vlaamse BBT-studie stelt de Vlaamse minister richtlijnen op voor de betrokken overheden voor de aanbevelingen die via bijzondere milieuvoorwaarden kunnen worden opgelegd.


Hoofdstuk 2.8bis.
Beleidstaken met betrekking tot het Europees register voor verontreinigende stoffen


Art. 2.8bis.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld ter uitvoering van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de Verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en de overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad.


Art. 2.8bis.0.2.

Het Departement Omgeving houdt vanaf het verslagjaar 2007 een elektronisch register bij met de informatie die nodig is voor de rapportering aan de Europese Commissie in het kader van het Europees register inzake de uitstoot en de overbrenging van verontreinigende stoffen.

 

Daartoe houdt het departement onder meer een lijst bij van de inrichtingen die onder het toepassingsgebied van de Verordening vallen.

 

De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en de Vlaamse Milieumaatschappij selecteren elk wat hun bevoegdheid betreft, de vereiste gegevens voor het Europees register uit de gegevens die werden bezorgd door de exploitanten op grond van artikel 4.1.8.1 en volgende van dit besluit.


Art. 2.8bis.0.3.

§ 1.

Het departement rapporteert jaarlijks via elektronische gegevensoverdracht en via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie conform artikel 7 van de Verordening.

 

§ 2.

De afdeling , bevoegd voor het internationaal milieubeleid rapporteert elk derde verslagjaar via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie over de aanvullende informatie, vermeld in artikel 16 van de Verordening.


Hoofdstuk 2.9.
BELEIDSTAKEN INZAKE DE BEPERKING VAN DE EMISSIE VAN VLUCHTIGE ORGANISCHE STOFFEN TEN GEVOLGE VAN HET GEBRUIK VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN BIJ BEPAALDE WERKZAAMHEDEN EN INSTALLATIES.


Art. 2.9.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld ter uitvoering van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning of artikel 5.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Art. 2.9.0.2.

Overeenkomstig de EG-richtlijn 1999/13/EG van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en installaties draagt de minister er zorg voor dat de onder zijn bevoegdheid ressorterende overheidsorganen waarvan sprake is in artikel 37 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ieder wat zijn adviesbevoegdheid betreft, de ontwikkelingen op het gebied van emissiebeperking van vluchtige organische stoffen (beste beschikbare technieken, vervanging door milieuvriendelijkere alternatieven,…) volgen of daarvan op de hoogte worden gehouden en eveneens toepassen bij de adviesverlening. Daarbij wordt ondermeer uitgegaan van de informatie die de Europese Commissie publiceert ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, van richtlijn 1999/13/EG.


Art. 2.9.0.3.

§ 1.

De afdeling , bevoegd voor luchtverontreiniging wordt aangewezen als autoriteit voor de uitwisseling van de informatie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de richtlijn 1999/13/EG en in artikel 64 van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). De minister stelt via de geëigende kanalen de Europese Commissie van deze aanwijzing in kennis.

 

§ 2.

De afdeling , bevoegd voor luchtverontreiniging brengt overeenkomstig de EG-richtlijn 1999/13/EG de Europese Commissie elke drie jaar via de geëigende kanalen verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn. Het verslag wordt aan de Commissie voorgelegd binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft. Behoudens de in artikel 5.59.2, tweede en derde lid, van richtlijn 90/313/EEG, vastgestelde beperkingen publiceert de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging de verslagen op het tijdstip waarop ze bij de Commissie worden ingediend. Het eerste verslag bestrijkt de eerste drie jaar na 1 april 2001.

 

§ 3.

Het in § 2 genoemde verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de procedure van artikel 6 van richtlijn 1991/692/EEG.

 

Het verslag omvat voldoende representatieve gegevens om aan te tonen dat voldaan is aan de voorschriften van artikel 5 van richtlijn 1999/13/EG. In dit verslag wordt ook een overzicht gegeven van de afwijkingen die zijn verleend ter uitvoering van artikel 5.59.2.1, § 2, van dit besluit.


Hoofdstuk 2.10.
Beleidstaken voor emissieplafonds voor SOx, NOx, VOS, NH3 en PM2,5


Afdeling 2.10.0.
Algemene bepaling


Art. 2.10.0.1.

Dit hoofdstuk voorziet in de omzetting van richtlijn 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG.


Afdeling 2.10.1.
Emissieplafonds


Art. 2.10.1.1.

§ 1.

Tegen 2010 is de jaarlijkse emissie van de verontreinigende stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS) en ammoniak (NH3) van alle bronnen in het Vlaamse Gewest, exclusief de transportsector, beperkt tot hoeveelheden die niet groter zijn dan de emissieplafonds, vermeld in bijlage 2.10.A. Die emissieplafonds mogen vanaf het jaar 2010 niet worden overschreden.

 

§ 2.

Vanaf 2020 is de jaarlijkse emissie van de verontreinigende stoffen zwaveloxiden (SOx), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS), ammoniak (NH3) en fijn stof met een aerodynamische diameter kleiner dan of gelijk aan 2,5 mm (PM2,5) van alle bronnen in het Vlaamse Gewest, inclusief de transportsector, beperkt tot hoeveelheden die niet groter zijn dan de emissieplafonds, vermeld in bijlage 2.10.B.

 

§ 3.

Vanaf 2030 is de jaarlijkse emissie van de verontreinigende stoffen zwaveloxiden (SOx), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS), ammoniak (NH3) en fijn stof met een aerodynamische diameter kleiner dan of gelijk aan 2,5 mm (PM2,5) van alle bronnen in het Vlaamse Gewest, inclusief de transportsector, beperkt tot hoeveelheden die niet groter zijn dan de emissieplafonds, vermeld in bijlage 2.10.C.

 

§ 4.

De emissieplafonds, vermeld in paragraaf 2 en 3, staan in relatie tot de gerapporteerde emissies in het basisjaar 2005. De emissieplafonds worden aangepast op basis van de formule, vermeld in bijlage 2.10.D.

 

§ 5.

Vanaf 2025 is de jaarlijkse emissie van de verontreinigende stoffen zwaveloxiden (SOx), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS), ammoniak (NH3) en fijn stof met een aerodynamische diameter kleiner dan of gelijk aan 2,5 mm (PM2,5) van alle bronnen in het Vlaamse Gewest, inclusief de transportsector, zo veel mogelijk beperkt tot het niveau dat wordt bepaald met een lineair reductietraject tussen de emissieplafonds voor 2020 en de emissieplafonds voor 2030.

 

Als dat economisch of technisch gezien efficiënter is, als dat vanaf 2025 geleidelijk samenloopt met het lineaire reductietraject en als het geen afbreuk doet aan het emissieplafond voor 2030, kan een niet-lineair reductietraject gevolgd worden. Dat niet-lineaire reductietraject en de redenen om dat te volgen, worden beschreven in de reductieprogramma's die conform afdeling 2.10.3 worden opgesteld.

 

Als het niet mogelijk is om de emissies in 2025 te beperken overeenkomstig het vastgestelde reductietraject, licht het Departement de redenen van die afwijking, alsook de maatregelen die de emissies weer op hun traject moeten brengen, toe in de daaropvolgende informatieve inventarisrapporten die het aan de Commissie bezorgt volgens de procedure, vermeld in artikel 2.10.6.1.

 

§ 6.

De emissieplafonds, vermeld in paragraaf 1 tot en met 5, hebben alleen betrekking op antropogene emissies.

 

§ 7.

Wanneer geëvalueerd wordt of voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 6, worden de volgende emissies niet in aanmerking genomen:

emissies van vliegtuigen, buiten de landings- en startcyclus;
emissies van de internationale zeevaart;
emissies van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen, met uitzondering van methaan van activiteiten die vallen onder de rapportagenomenclatuur (NFR) van 2014, zoals bepaald in het LRTAP-verdrag, categorie 3B (mestbeheer) en 3D (landbouwgronden).

 


Art. 2.10.1.2.

Het Departement werkt in overleg met alle betrokken diensten de nodige maatregelen uit om de emissieplafonds, vermeld in artikel 2.10.1.3, te bereiken. De Vlaamse minister legt de voormelde maatregelen ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering. Alle betrokken diensten zorgen voor de uitvoering van de goedgekeurde maatregelen.


Afdeling 2.10.2.
Vormen van flexibiliteit


Art. 2.10.2.1.

§ 1.

Het Departement en de Vlaamse Milieumaatschappij kunnen conform bijlage 2.10.E aangepaste jaarlijkse emissie-inventarissen vaststellen voor SOx NOx, VOS, NH3 en PM2,5 als de toepassing van verbeterde en overeenkomstig de stand van de wetenschap geactualiseerde methoden voor de emissie-inventarissen leidt tot niet-nakoming van de emissieplafonds.

 

§ 2.

Als het Vlaamse Gewest in een bepaald jaar door een uitzonderlijk koude winter of een uitzonderlijk droge zomer niet kan voldoen aan zijn emissieplafonds, kan het die verbintenissen nakomen door het gemiddelde te berekenen van zijn jaarlijkse emissies voor het lopende, het voorgaande en het komende jaar, op voorwaarde dat dat gemiddelde het jaarlijkse emissieplafond niet overschrijdt.

 

§ 3.

Het Vlaamse Gewest wordt geacht te voldoen aan zijn emissieplafonds gedurende ten hoogste drie jaar als de niet-naleving van zijn emissieplafonds voor de betreffende verontreinigende stoffen het resultaat is van een plotselinge en uitzonderlijke onderbreking of capaciteitsverlies in het stroom-, warmtevoorzienings- of productiesysteem die redelijkerwijs niet konden worden voorspeld, en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:

alle redelijke inspanningen, met inbegrip van de uitvoering van nieuwe maatregelen en nieuw beleid, zijn geleverd om naleving te verzekeren, en die inspanningen zullen worden voortgezet om de periode van niet-naleving zo kort mogelijk te houden;
de uitvoering van maatregelen en beleid, in aanvulling op de maatregelen en het beleid, vermeld in punt 1°, zal leiden tot onevenredig hoge kosten, zal een aanzienlijk risico inhouden voor de nationale energiezekerheid of zal een aanzienlijk deel van de bevolking blootstellen aan een substantieel risico van energiearmoede.

    


Art. 2.10.2.2.

Het Departement evalueert in samenwerking met de Vlaamse Milieumaatschappij of de toepassing van een van de vormen van flexibiliteit, vermeld in artikel 2.10.2.1, noodzakelijk is.


Afdeling 2.10.3.
Programma?s ter beheersing van de luchtverontreiniging


Art. 2.10.3.1.

§ 1.

Het Departement stelt in samenwerking met alle betrokken diensten programma’s op die de Vlaamse minister ter bekrachtiging voorlegt aan de Vlaamse Regering voor een geleidelijke reductie van de emissies van de verontreinigende stoffen, vermeld in artikel 2.10.1.3, om tijdig aan de emissieplafonds, vermeld in bijlage 2.10.A tot en met bijlage 2.10.C, te voldoen.

 

§ 2.

De programma’s, vermeld in paragraaf 1, houden rekening met de vereisten, vermeld in bijlage 2.10.F, 1, en bevatten de informatie, vermeld in bijlage 2.10.F, 2 en 3.

 

§ 3.

Het Departement actualiseert de programma’s, vermeld in paragraaf 1, ten minste om de vier jaar.

 

Als uit de ingediende gegevens echter blijkt dat de emissieplafonds niet worden nagekomen of als het risico bestaat dat ze niet worden nagekomen, actualiseert het Departement het beleid en de maatregelen op het gebied van emissiereductie die zijn opgenomen in het programma ter beheersing van de luchtverontreiniging binnen achttien maanden na de indiening van de meest recente nationale emissie-inventaris of nationale emissieprognoses.

 

§ 4.

Het Departement raadpleegt het publiek en de bevoegde autoriteiten voor wie de uitvoering van de reductieprogramma's gevolgen kan hebben door hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied die verband houden met luchtverontreiniging, kwaliteit en management op alle niveaus, over het ontwerp van het reductieprogramma en over eventuele belangrijke wijzigingen voor het programma voltooid wordt.

 

§ 5.

De programma’s, vermeld in deze afdeling, en elke wijziging of herziening ervan, worden als volgt opgesteld:

de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, stelt het ontwerpprogramma op, wijzigt of herziet de bestaande programma’s en kan daarbij de meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen, privaatrechtelijke organisaties en sociale en maatschappelijke groeperingen betrekken. Het ontwerp van plan of programma of het ontwerp van wijziging of herziening wordt vervolgens bekendgemaakt aan het publiek conform punt 2° en 3°;
het ontwerp van plan of programma of het ontwerp van wijziging of herziening wordt, na goedkeuring door de Vlaamse Regering, door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, zorgt ook voor de actieve consultatie van het publiek via de voor haar gebruikelijke kanalen, zoals elektronische middelen en media, waaronder de publicatie in twee kranten, en via de website van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. Bij de bekendmaking wordt er gewezen op het recht op inspraak van het publiek in de besluitvorming over de plannen en programma’s, en wordt er vermeld aan welke instantie vragen en opmerkingen als vermeld in dit artikel, gericht moeten worden. Gedurende een termijn van een maand, die ingaat op de dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, kan het publiek de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, schriftelijk of digitaal op de hoogte brengen van bezwaren of opmerkingen;
tegelijkertijd met de bekendmaking van het ontwerp, vermeld in punt 2°, wordt het ontwerp bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengen binnen een vervaltermijn van een maand nadat ze het ontwerp hebben ontvangen. Die adviezen zijn niet bindend;
het programma of de wijziging of herziening ervan wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Als de Vlaamse Regering het door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen uitgebrachte advies, of de bezwaren en opmerkingen van het publiek geheel of gedeeltelijk niet volgt, verantwoordt ze dat in een verslag dat bij de bekendmaking, vermeld in punt 5°, wordt gevoegd;
het programma of de wijziging of herziening ervan wordt samen met het verslag, vermeld in punt 4°, bekendgemaakt aan het publiek via de publicatie in twee kranten en via de website van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. Het programma wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

 

 

§ 6.

In voorkomend geval worden grensoverschrijdende raadplegingen georganiseerd.

 

Als de uitvoering van een programma gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit in een andere lidstaat, organiseert het Departement grensoverschrijdende raadplegingen.


Art. 2.10.3.2. Het reductieprogramma en alle bijgewerkte versies daarvan worden publiek beschikbaar gesteld via de website van het Departement.

Afdeling 2.10.4.
Emissie-inventarissen en -prognoses


Art. 2.10.4.1.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt voor de verontreinigende stoffen, vermeld in tabel A van bijlage 2.10.G, conform de voorschriften, vermeld in de voormelde tabel, emissie-inventarissen op, en werkt die jaarlijks bij.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij kan voor de verontreinigende stoffen, vermeld in tabel B van bijlage 2.10.G, conform de voorschriften, vermeld in de voormelde tabel, emissie-inventarissen opstellen, en die jaarlijks bijwerken.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt voor de verontreinigende stoffen, vermeld in tabel C van bijlage 2.10.G, conform de voorschriften, vermeld in de voormelde tabel, om de vier jaar ruimtelijk gedesaggregeerde nationale emissie-inventarissen en inventarissen van grote puntbronnen op.

 

Het Departement stelt voor de verontreinigende stoffen, vermeld in tabel C van bijlage 2.10.G, conform de voorschriften, vermeld in de voormelde tabel, om de twee jaar nationale emissieprognoses op die ze actualiseert.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt een informatief inventarisrapport op dat bij de emissie-inventarissen en -prognoses, vermeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt gevoegd, conform de voorschriften, vermeld in tabel D van bijlage 2.10.G.

 

Als het Vlaamse Gewest gebruikmaakt van een vorm van flexibiliteit als vermeld in afdeling 2.10.2, neemt de Vlaamse Milieumaatschappij in het informatieve inventarisrapport voor het desbetreffende jaar de informatie op die aantoont dat het gebruik van die vorm van flexibiliteit aan de toepasselijke voorwaarden voldoet.


Art. 2.10.4.2.

De emissie-inventarissen of aangepaste emissie-inventarissen, de emissieprognoses, de ruimtelijk gedesaggregeerde emissie-inventarissen, de inventarissen van grote puntbronnen en de informatieve inventarisrapporten die erbij gevoegd zijn, worden opgesteld volgens de methoden, vermeld in bijlage 2.10.H, en worden geactualiseerd.

 

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt de informatie, vermeld in artikel 2.10.4.1, via de geëigende kanalen ter beschikking van de Europese Commissie.


Art. 2.10.4.3. De emissie-inventaris wordt publiek beschikbaar gesteld via de website van de Vlaamse Milieumaatschappij.

Afdeling 2.10.5.
Monitoring van de effecten van luchtverontreiniging


Art. 2.10.5.1.

§ 1.

De Vlaamse milieumaatschappij en het Instutuut voor Natuur- en Bosonderzoek monitoren de negatieve effecten van de luchtverontreiniging op ecosystemen, op basis van een netwerk van meetlocaties dat representatief is voor de zoetwater-, natuurlijke en seminatuurlijke habitats en soorten bosecosystemen, volgens een kosteneffectieve en op risico gebaseerde aanpak.

 

Voor de monitoring, vermeld in het eerste lid, wordt afgestemd op de monitoringprogramma's die zijn vastgesteld met toepassing van onderafdeling 2.5.2.2 van dit besluit, artikel 67 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, artikel 50undecies van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en, indien passend, het LRTAP-verdrag. In voorkomend geval wordt gebruik gemaakt van de in het kader van deze programma’s verzamelde gegevens.

 

Voor de monitoring, vermeld in het eerste lid, kan gebruikgemaakt worden van de indicatoren voor de monitoring, vermeld in bijlage 2.10.I.

 

§ 2.

Om de informatie vermeld in bijlage 2.10.I te verzamelen en erover te rapporteren kunnen, in uitvoering van paragraaf 1, de methoden, vermeld in en uitgewerkt via het LRTAP-verdrag, worden gebruikt.


Afdeling 2.10.6.
Verslaggeving aan de Europese Commissie


Art. 2.10.6.1.

De Vlaamse Milieumaatschappij brengt via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie en aan het Europees Milieuagentschap conform artikel 2.10.4.1 en bijlage 2.10.G verslag uit over de emissie-inventarissen en emissieprognoses, de ruimtelijk gedesaggregeerde nationale emissie-inventarissen, de inventarissen van grote puntbronnen en de informatieve inventarisrapporten.

 

De rapportage, vermeld in het eerste lid, is in overeenstemming met de rapportage aan het secretariaat van het LRTAP-verdrag.


Art. 2.10.6.2.

Uiterlijk op 1 april 2019, en vervolgens om de vier jaar, brengt de Vlaamse minister de Europese Commissie op de hoogte van de programma’s die conform artikel 2.10.3.1 zijn opgesteld.

 

De Vlaamse minister stelt de Europese Commissie binnen twee maanden op de hoogte van de geactualiseerde programma’s die worden opgesteld ter uitvoering van artikel 2.10.3.1, §3, tweede lid.


Art. 2.10.6.3.

Uiterlijk op 1 juli 2018 en vervolgens om de vier jaar brengt de Vlaamse minister de Europese Commissie en het Europees Milieuagentschap op de hoogte van de locatie van de meetpunten en de bijbehorende indicatoren die gebruikt worden om de effecten van luchtverontreiniging, vermeld in artikel 2.10.5.1, te monitoren.

 

Uiterlijk op 1 juli 2019 en vervolgens om de vier jaar brengt de Vlaamse minister de Europese Commissie en het Europees Milieuagentschap op de hoogte van de monitoringgegevens, vermeld in artikel 2.10.5.1.


Hoofdstuk 2.11.
Beleidstaken inzake beperking van emissies van NOx, SO2 en stof ten gevolge van de uitstoot van [...] stookinstallaties


Afdeling 2.11.1.
Emissie-inventaris en verslaggeving aan de Europese Commissie


Art. 2.11.1.1. [...]

Art. 2.11.1.2.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt voor elk kalenderjaar een inventaris op van de emissies van NOX, SO2 en stof en van de energie-input met betrekking tot alle stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, met uitzondering van de installaties, vermeld in artikel 5.43.1.2. Rekening houdend met de samentelling regels, vermeld in artikel 5.43.3.1, wordt de jaarlijkse emissie-inventaris per installatie opgesteld en bestaat die ten minste uit de volgende gegevens :

het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (MW) van de stookinstallatie;
het soort stookinstallatie : stoomketel, gasturbine, gas- of dieselmotor, andere (met vermelding van de soort);
de datum waarop de stookinstallatie in bedrijf is gesteld;
de totale jaarlijkse emissies, uitgedrukt in ton per jaar, van SO2, NOX en stof (als totaal zwevende deeltjes);
het aantal bedrijfsuren van de stookinstallatie;
de totale hoeveelheid energie die per jaar is gebruikt, uitgedrukt in de calorische onderwaarde (TJ per jaar) en gespecificeerd voor de volgende categorieën brandstof : kolen, bruinkool, biomassa, turf, andere vaste brandstoffen (met vermelding van de soort), vloeibare brandstoffen, aardgas of andere gassen (met vermelding van de soort).

 

Op verzoek van de Europese Commissie stelt de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen de informatie, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, ter beschikking van de Europese Commissie.


Art. 2.11.1.3.

§ 1.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt om de drie jaar een samenvatting op van de resultaten van de inventaris, vermeld in artikel 2.11.1.2, waarin de emissies van elke raffinaderij apart zijn aangegeven.

 

§ 2.

De Vlaamse Milieumaatschappij brengt uiterlijk binnen twaalf maanden na het einde van de periode van drie jaar via de geëigende kanalen verslag uit aan de Europese Commissie, overeenkomstig paragraaf 1.


Afdeling 2.11.1bis.
Register


Art. 2.11.1bis.1.

Het Departement houdt een register bij met informatie over elke kleine en middelgrote stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer, die wordt geregistreerd conform artikel 5.43.2.41. Dat register wordt uiterlijk op 20 december 2018 ter beschikking gesteld van het publiek. Kleine en middelgrote stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer worden in het register opgenomen vanaf de datum van registratie of vanaf de datum van vergunningverlening. Het Departement kan medewerking vragen aan de vergunningverlenende overheden.


Afdeling 2.11.2.
Verslaggeving aan de Europese Commissie


Art. 2.11.2.1.

§ 1.

De Europese Commissie wordt overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) door de afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid, via de geëigende kanalen onmiddellijk op de hoogte gebracht van de beslissingen, genomen overeenkomstig artikel 5.43.3.22 en 5.43.3.23.

 

§ 2.

Het Departement stelt de Europese Commissie via de geëigende kanalen binnen de maand in kennis van de beslissingen, genomen conform artikel 5.43.2.20 en 5.43.2.21.


Art. 2.11.2.2.

De Vlaamse Milieumaatschappij verzamelt jaarlijks de gegevens over de stookinstallaties die op basis van artikel 5.43.3.15 voor een afwijking van de emissiegrenswaarden in aanmerking worden genomen en stelt vanaf 1 januari 2016 jaarlijks een overzicht op van de gebruikte en ongebruikte tijd voor de resterende bedrijfsduur van dergelijke installaties.

 

Met ingang van 1 januari 2016 brengt de Vlaamse Milieumaatschappij jaarlijks via de geëigende kanalen verslag uit aan de Europese Commissie.


Art. 2.11.2.3.

Het Departement stelt in samenwerking met de Vlaamse Milieumaatschappij uiterlijk 1 september 2026 en 1 september 2031 een verslag op met kwantitatieve en kwalitatieve informatie over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2015/2193 van 25 november 2015 inzake middelgrote stookinstallaties, over de maatregelen die zijn getroffen om te controleren of de exploitatie van kleine en middelgrote stookinstallaties voldoet aan die richtlijn, en over de handhavingsmaatregelen die in het kader daarvan getroffen zijn. Het eerste verslag bevat een raming van de totale jaarlijkse emissies van SO2, NOx en stof door stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en minder dan 50 MW, ingedeeld naar installatietype, brandstoftype en capaciteitsklasse.

 

Het Departement stelt uiterlijk op 1 december 2020 een verslag op met een raming van de jaarlijkse CO-emissies en de beschikbare informatie over de concentratie van CO-emissies uit stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en minder dan 50 MW, ingedeeld naar brandstoftype en capaciteitsklasse.


Hoofdstuk 2.12.
Beleidstaken inzake het beheer van afval van winningsindustrieën


Art. 2.12.0.1.

§ 1.

De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, wordt aangewezen als bevoegde instantie om informatie te verwerken die opgenomen is in de vergunningen met betrekking tot afval van winningsindustrieën voor statistische doeleinden.

 

§ 2.

De Databank Ondergrond Vlaanderen zorgt voor de terbeschikkingstelling van de informatie, vermeld in § 1, en dit via geschikte toepassingen.

 

§ 3.

De informatie die is opgenomen in een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die de indelingsrubriek 2.3.11 omvat, met uitzondering van wat betrekking heeft op het inert afval, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en het niet–gevaarlijk niet-inert afval, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, en met uitzondering van de afvalvoorzieningen vermeld in artikel 5.2.6.10.1, § 3, [...], wordt beschikbaar gesteld aan de bevoegde nationale en communautaire statistische autoriteiten als dat voor statistische doeleinden wordt verlangd. Gevoelige informatie van louter commerciële aard, zoals informatie over zakelijke relaties en kostencomponenten en de omvang van economische mineralenreserves, wordt niet openbaar gemaakt.


Art. 2.12.0.2.

§ 1.

De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, wordt aangewezen als bevoegde instantie om de inventaris van de gesloten afvalvoorzieningen bij te houden.

 

§ 2.

De Databank Ondergrond Vlaanderen zorgt voor de openbaarmaking van de inventaris, vermeld in § 1, en dit via geschikte toepassingen.

 

§ 3.

Een inventaris van de gesloten afvalvoorzieningen die een ernstige negatieve impact hebben op het milieu, of die op middellange of korte termijn een ernstige bedreiging kunnen vormen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, wordt opgemaakt en periodiek geactualiseerd. Die inventaris moet openbaar worden gemaakt en wordt uiterlijk op 1 mei 2012 opgemaakt, rekening houdend met de methodologieën, vermeld in artikel 21 van Richtlijn 2006/21/EG van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën, als die voorhanden zijn.


Art. 2.12.0.3.

§ 1.

Het Departement Omgeving stuurt de informatie die in het kader van artikel 5.2.6.3.2 van dit besluit aan haar werd verstrekt, onmiddellijk door naar een ander gewest of een andere lidstaat die van de exploitatie van een afvalvoorziening van categorie A, en een ongeval hierbij, aanmerkelijke nadelige milieueffecten kan ondervinden. Dit om de gevolgen van het ongeval voor de gezondheid van de mens tot een minimum te beperken en om de omvang van de feitelijke en potentiële milieuschade te beoordelen en tot een minimum te beperken.

 

§ 2.

Het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie bezorgt de informatie over veiligheidsmaatregelen en over de maatregelen die moeten worden genomen bij ongevallen, die ten minste de in punt 2 van bijlage 5.2.6.2 van dit besluit genoemde elementen omvat, aan de door de federale overheid aangewezen instantie bevoegd voor civiele veiligheid met het oog op de kosteloze en automatische verstrekking van deze informatie aan het betrokken publiek (publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de besluitvorming over de afgifte van een vergunning of de wijziging of aanvulling van vergunningsvoorwaarden of er belanghebbende bij is. Voor de toepassing van die definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en aan de eisen van het nationale recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn.). De informatie wordt om de drie jaar beoordeeld en, waar nodig, bijgesteld.


Hoofdstuk 2.13.
Beleidstaken voor de beperking van het gebruik van perfluoroctaansulfonaten


Art. 2.13.1.1. [...]

HOOFDSTUK 2.14.
Milieukwaliteitsnormen voor elektromagnetische golven en beleidstaken ter zake


Afdeling 2.14.1.
Algemene bepalingen


Art. 2.14.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op elektromagnetische golven met een frequentie tussen 10 MHz en 10 GHz, afkomstig van vast en tijdelijk opgestelde zendantennes.

 

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op elektromagnetische golven die afkomstig zijn van :

 

mobiele zendantennes;

medische apparatuur en industriële toepassingen voor de ruimte waarin de bron van de elektromagnetische golven zich bevindt.

 

Voor vast opgestelde zendantennes die gebruikt worden om de veiligheid van de luchtvaart te garanderen kan een uitzondering gevraagd worden aan de minister als een beperking van het vermogen van de vast opgestelde zendantennes in strijd is met de internationale normen en regelgeving inzake de veiligheid van de luchtvaart (ICAO).


Afdeling 2.14.2.
Milieukwaliteitsnormen voor elektromagnetische golven met een frequentie tussen 10 MHz en 10 GHz


Art. 2.14.2.1.

De in de onderstaande tabel vermelde waarden voor elektrische veldsterkte in V/m gelden als grenswaarden voor het Egem, 6 min-niveau van elektromagnetische golven, waarbij f de frequentie in MHz is, en Eiref het referentieniveau voor de elektrische veldsterkte.

 

frequentie :
f in MHz

elektrische veldsterkte :

E in V/m (Eiref)

10 tot 400

13,7

400 tot 2000

0,686 √f

2000 tot 10.000

30,7

 

Voor samengestelde velden moet de elektrische veldsterkte beperkt worden zodat :

 

 

 

 

 

 

Ei : de elektrische veldsterkte bij de frequentie i;
Eiref : het referentieniveau voor de elektrische veldsterkte is, vermeld in lid 1.

 

De bepalingen gelden niet binnen de veiligheidszone van een vast of een tijdelijk opgestelde zendantenne. 


Afdeling 2.14.3.
Beleidstaken


Art. 2.14.3.1. De minister stelt de meetprocedure en de meetstrategie voor elektromagnetische golven vast.

Art. 2.14.3.2.

De afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven, stelt een kadaster van vast opgestelde zendantennes op. Dat kadaster omvat ten minste het technische dossier van vast opgestelde zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, lid 1, als ze gebruikt worden voor telecommunicatie, met uitzondering van tijdelijk opgestelde zendantennes. Het kadaster omvat ten minste : de precieze locatie van de zendantenne, het type, de afmetingen ervan, de richting en het zendvermogen. Voor de controlepunten waar simulaties voor werden verricht, worden de te verwachten blootstellingen vermeld.


Art. 2.14.3.3. [...]

HOOFDSTUK 2.15.
Beleidstaken inzake industriële emissies


Art. 2.15.0.1.

Overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) wordt de Europese Commissie door de bevoegde overheidsorganen, ieder voor wat hun bevoegdheid betreft, via de geëigende kanalen op de hoogte gebracht over de gevraagde informatie conform artikel 72 van deze richtlijn, met behoud van de toepassing van hoofdstuk 2.11.


Hoofdstuk 2.16.
Beleidstaken inzake energie-efficiëntie


Art. 2.16.1.

Overeenkomstig richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG wordt de Europese Commissie door het Vlaams Energieagentschap via de geëigende kanalen binnen drie maanden na de beslissing op de hoogte gebracht van de beslissingen, genomen conform artikel 5.2.3bis.1.12, §2, tweede lid, artikel 5.43.2.40, tweede lid, en artikel 5.43.3.19, tweede lid.


Deel 3.
TOEPASSINGSGEBIED VAN EN OVERGANGSBEPALINGEN VOOR DE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE INRICHTINGEN; HET OPLEGGEN VAN BIJZONDERE VERGUNNINGSVOORWAARDEN


Hoofdstuk 3.1.
TOEPASSINGSGEBIED


Art. 3.1.1.

§ 1.

De bepalingen van de delen 3, 4 en 5 van dit besluit zijn getroffen ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, titel III of titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Ze zijn van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten, vermeld in artikel 5.1.1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

§ 2.

Voor nieuwe inrichtingen gelden ze onmiddellijk. Ze gelden eveneens onmiddellijk voor:

 

- inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de exploitatie niet meer vergund is en waarvoor voor het verstrijken van de vergunningstermijn geen aanvraag tot hervergunning is ingediend of melding is gebeurd,
- inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de exploitatie na uitputting van de beroepsmiddelen definitief geweigerd werd.

 

 

§ 3.

Voor bestaande inrichtingen en veranderingen aan bestaande inrichtingen gelden ze overeenkomstig de overgangsbepalingen in Hoofdstuk 3.2. van dit deel, of overeenkomstig de daarvan afwijkende bepalingen in de delen 4 en 5 van dit besluit.

 

§ 4.

Voor nieuwe inrichtingen die op datum van inwerkingtreden van dit besluit regelmatig vergund dan wel gemeld zijn, gelden ze eveneens overeenkomstig de in § 3 bedoelde overgangsbepalingen, maar enkel voor wat die voorwaarden betreft die strenger zijn dan de voorwaarden die op datum van inwerkingtreden van dit besluit reeds van toepassing waren op hun uitbating.

 

§ 5.

Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een nieuwe inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning.

 

De inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de indelingslijst of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, gelden evenmin voor elke nieuwe verandering van de vergunde of gemelde nieuwe inrichting die beperkt is tot maximaal 100% van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten.

 

De inplantingsregels die voor gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen van toepassing of strenger worden louter door de inwerkingtreding van dit besluit die betrekking hebben op de aanpassing aan de CLP-verordening, zijn niet van toepassing op bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen, als vermeld in artikel 3.2.3.1. Deze inplantingsregels zijn ook niet van toepassing bij hernieuwing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Hoofdstuk 3.2.
OVERGANGSBEPALINGEN


Afdeling 3.2.1.
Overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen


Art. 3.2.1.1.

Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een bestaande inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning.


Art. 3.2.1.2.

§ 1.

Behoudens afwijking in de desbetreffende bepalingen van dit besluit moeten bestaande inrichtingen voldoen aan alle voorwaarden, opgelegd in de voor die inrichting lopende omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De voorwaarden uit lopende vergunningen die strenger zijn dan de voorschriften van dit besluit blijven onverminderd van kracht voor de duur van de lopende vergunning. De bevoegde vergunningverlenende overheid kan deze bestaande voorwaarden evenwel wijzigen, ondermeer door ze op verzoek van de exploitant aan te passen aan de voorwaarden van dit besluit.

 

§ 3.

Zijn (bepaalde) voorwaarden uit lopende vergunningen minder streng dan de voorschriften van dit besluit, dan dienen de strengere voorschriften van dit besluit, en de eventuele bijkomende voorschriften ervan, nageleefd met ingang van 1 januari 1996 behalve voor de hierna bepaalde voorschriften, die van toepassing zijn vanaf:

  1. [...]
  2. 1 januari 1999 voor de door dit besluit voor nieuwe inrichtingen voorgeschreven emissie- of constructienormen, andere dan onder a vermelde, wanneer geen specifieke regelingen voor bestaande inrichtingen zijn vastgesteld;
  3. 1 januari 1997 voor de door dit besluit voor bestaande inrichtingen voorgeschreven specifieke emissiegrenswaarden; deze voor bestaande inrichtingen geldende normen blijven van toepassing, tot de desbetreffende inrichting door een nieuwe wordt vervangen, ongeacht eventuele tussentijdse hernieuwing van de vergunning maar onverminderd de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om de vergunningsvoorwaarden te wijzigen;

 

§ 4.

In afwijking op de voorgaande paragrafen worden alle bepalingen in de lopende vergunningen met betrekking tot emissiejaarverslagen, meetstrategieën en meetfrequenties onmiddellijk vervangen door de bepalingen van dit besluit.

 

§ 5.

De bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de meldingsplichtige inrichtingen.


Afdeling 3.2.2.
Veranderingen aan bestaande inrichtingen


Art. 3.2.2.1.

 

Met behoud van de afwijkende regeling inzake toepassing van de inplantingsregels, vermeld in artikel 3.2.1.1 en 3.2.2.2, gelden de overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen, vermeld in afdeling 3.2.1, niet voor onderdelen van een inrichting die na 1 januari 1993 bij een bestaande inrichting werden of worden gevoegd, ongeacht de grootte ervan.

 


Art. 3.2.2.2.

De inplantingsregels zijn niet van toepassing op de verandering van een bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100% van de exploitatie die op 1 januari 1993 was toegelaten.

 

In afwijking van het eerste lid gelden de inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de indelingslijst of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, evenmin voor de verandering van de bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100% van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten.


Afdeling 3.2.3.
Overgangsbepalingen voor bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen


Art. 3.2.3.1.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen verstaan deze:

die op 1 juni 2015 voor de betrokken gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen was vergund, of waarvoor voor 1 juni 2015 een milieuvergunningsaanvraag of mededeling kleine verandering voor de betrokken gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen is ingediend; of
opslag die op 1 juni 2015 voor de betrokken gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen in bedrijf is gesteld en waarvoor de melding is gebeurd voor 1 juni 2015, wanneer het in de derde klasse ingedeelde inrichtingen voor de betrokken opslag gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen betreft; of
opslag van gevaarlijke producten of brandbare vloeistoffen die op 1 juni 2015 aanwezig was en die vergunnings- of meldingsplichtig wordt overeenkomstig rubriek 6.4 of rubriek 17 zoals van toepassing vanaf 1 juni 2015.

Art. 3.2.3.2.

De lopende voorwaarden met toepassing van hoofdstuk 3.3 opgelegd aan de bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen die strenger zijn dan dit besluit die betrekking hebben op de aanpassing aan de CLP-verordening, blijven onverminderd van kracht voor de duur waarvoor ze gelden.


Art. 3.2.3.3.

Behoudens afwijking in de desbetreffende bepalingen, wordt wanneer (bepaalde) lopende voorwaarden, als vermeld in artikel 3.2.3.2 minder streng zijn dan dit besluit die betrekking hebben op de aanpassing aan de CLP-verordening, bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen vanaf 1 juni 2016 aan deze strengere voorschriften en eventuele bijkomende voorschriften voldaan, behalve voor de hierna bepaalde voorschriften die vanaf 1 juni 2018 van toepassing zijn: artikel 4.1.7.1, 4.1.7.2, §§1 en 2, 5.5.1.6, §1, 5.6.1.1.4, §§§§3, 4, 5 en 6, 5.6.1.1.10, 5.6.1.3.6, §§§§3, 4, 5, 6, 5.6.1.3.7, 5.6.1.3.8, 5.7.1.3, §3, 5.7.1.4, §1, 5.17.3.3.2, 5.17.3.3.3, 5.17.4.1.6, 5.17.4.1.7, §1, 5.17.4.1.12, 5.17.4.1.16, 5.17.4.3.6, 5.17.4.3.7 en 5.17.4.3.8;


Art. 3.2.3.4.

De afwijkingen die voor 1 juni 2015 zijn toegestaan en die betrekking hebben op de bestaande opslag van gevaarlijke producten en brandbare vloeistoffen, blijven tot het einde van de vergunningstermijn van toepassing overeenkomstig de voorwaarden in de afwijkingsbesluiten.

 

Deze besluiten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Hoofdstuk 3.3.
Bijzondere milieuvoorwaarden


Art. 3.3.0.1.

De bijzondere milieuvoorwaarden bestaan uit een coherent geheel van voorschriften, maatregelen en verplichtingen om de hinder en de risico’s afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voor de mens en het milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

 

Als dat noodzakelijk is, of, in voorkomend geval, ter uitvoering van Europese verplichtingen worden in de meldingsakte en in de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6° respectievelijk 7°, van het decreet van 25 april 2014, bijzondere milieuvoorwaarden bepaald ter voorkoming en bestrijding van:

hinder en risico’s als gevolg van de directe of indirecte inbreng van stoffen, trillingen, warmte, licht of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kunnen aantasten;
risico’s op ongevallen als gevolg van de exploitatie en de gevolgen daarvan voor de gezondheid van de mens en het milieu;
hinder en risico’s door uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen alsook de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik;
mobiliteitshinder.

Art. 3.3.0.2.

De bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in artikel 3.3.0.1, kunnen onder meer voorzien in:

bepalingen waardoor er geen vermijdbare schade aan het milieu kan ontstaan en, als die schade toch zou ontstaan, de eisen waardoor de schade op kosten van de exploitant ongedaan kan worden gemaakt;
de emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen als vermeld in bijlage 1.1.2 en voor andere verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden uit de installatie in kwestie kunnen vrijkomen, gelet op de aard en het potentieel ervan voor de overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten;
de uitdrukkelijk berekende emissiegrenswaarden voor lucht en water die specifiek gelden voor de meeverbranding van afvalstoffen;
de bepalingen voor de monitoring en het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;
de bepalingen om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 3.3.0.3, eerste lid, 3°, en aan BBT, vastgesteld conform de criteria, vermeld in bijlage 3.3;
bepalingen over het regelmatige onderhoud en bewaken van maatregelen die worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater;
bepalingen die noodzakelijk zijn bij andere bedrijfsomstandigheden dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals het opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging;
bepalingen over de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van grensoverschrijdende verontreiniging;

bepalingen over de controle en beoordeling van de naleving van de milieuvoorwaarden, inclusief de emissiegrenswaarden.

Als die bepalingen moeten voorzien in monitoring van de emissies, worden de meetmethode, de meetfrequentie en de procedure voor de evaluatie van de metingen vermeld;

10° een lijst van de afvalcategorieën die mogen worden verwerkt. Die lijst omvat de totale hoeveelheid en, als dat mogelijk en nuttig is, de hoeveelheid per afvalcategorie. Als dat mogelijk is, worden die afvalcategorieën bijkomend opgelijst conform het onderscheid vermeld in bijlage 2.1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zonder dat er aan die oplijsting rechtsgevolgen verbonden zijn;  
11°
 
bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie:  
a) bepalingen over de bemonsterings- en meetprocedures en over de bemonsterings- en meetfrequenties die worden gehanteerd om te voldoen aan de gestelde voorwaarden voor de monitoring van emissies; 
b) een vermelding van de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van de installatie; 
c) bepalingen over de pH, de temperatuur en het debiet van het geloosde afvalwater; 
d) de maximaal toelaatbare duur van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen of defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur waarin de emissies in de lucht en de lozingen van afvalwater de vastgestelde emissiegrenswaarden mogen overschrijden; 
12°
  
bij een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand: 
a) een specificatie van de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke afvalstoffen; 
b) de laagste en de hoogste calorische waarde van die gevaarlijke afvalstoffen; 
c) de maximumgehalten aan pcb’s, pcp, chloor, fluor, zwavel, zware metalen en andere verontreinigende stoffen in de afvalstoffen; 
d) een lijst van de hoeveelheden van de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen die mogen worden verwerkt;
13° een bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 5, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

Art. 3.3.0.3.

Voor de toepassing van artikel 3.3.0.1 en 3.3.0.2 gelden bijkomend de volgende bepalingen:

als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de bevoegde overheid geen emissiegrenswaarden opleggen voor de emissie van BKG-emissies, tenzij dat noodzakelijk is om te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt;
de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, kunnen, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen die een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen.

Met behoud van de toepassing van punt 3° van dit artikel zijn de emissiegrenswaarden, de gelijkwaardige parameters of de gelijkwaardige technische maatregelen, vermeld in het eerste lid, gebaseerd op BBT, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven;

als met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan de voorwaarden die door de toepassing van BBT haalbaar zijn, met behoud van de toepassing van alle andere maatregelen die getroffen kunnen worden om te voldoen aan de milieukwaliteitsnormen, worden in de vergunning extra bijzondere milieuvoorwaarden opgelegd;
met het oog op de bescherming van de mens en het milieu kunnen strengere bijzondere milieuvoorwaarden in de vergunning worden opgelegd dan de voorwaarden die haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT.

 

De strengere bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, kunnen, in bijzondere omstandigheden, worden vastgesteld op grond van de noodzaak:

van de bescherming van de mens en het milieu als er voor bepaalde emissies geen milieukwaliteitsnorm bepaald is. In voorkomend geval moet daarbij onder meer rekening worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stoffen in het milieu waarin ze worden geëmitteerd;
van het voorkomen van schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens en het milieu aanzienlijk beïnvloeden;
om in functie van de specifieke lokale omstandigheden een hoog niveau van bescherming van de mens en het milieu te waarborgen;
om in functie van de specifieke lokale omstandigheden de hinder voor de mens en het milieu te beperken tot een aanvaardbaar niveau;
om de Europese verordeningen op het vlak van milieukwaliteitsbeheer te behalen;
om de doelstellingen die opgenomen zijn in goedgekeurde Vlaamse beleidsplannen, actieplannen en reductieprogramma’s te behalen;
om de doelstellingen die opgenomen zijn in geratificeerde internationale verdragen te behalen.

 

Bij de vaststelling van de strengere bijzondere milieuvoorwaarden wordt rekening gehouden met de volgende aspecten:

de ligging en de gebiedsbestemming van het bedrijf en de omgeving;
de technische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de economische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de praktische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;
de efficiëntie en de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen;
de handhaafbaarheid van de voorgestelde maatregelen.

Deel 4.
ALGEMENE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE INRICHTINGEN


Hoofdstuk 4.1.
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN


Art. 4.1.0.1. De bepalingen van dit deel gelden voor de volledige milieutechnische eenheid.

Afdeling 4.1.1.
Algemeen inplantingsvoorschrift voor inrichtingen van derde klasse


Art. 4.1.1.1.

Behoudens afwijkende bepaling in de desbetreffende hoofdstukken is de exploitatie van een in de derde klasse ingedeelde inrichting slechts toegestaan in zoverre de inplantingsplaats verenigbaar is met de algemene en aanvullende stedebouwkundige voorschriften zoals vastgesteld in het goedgekeurde gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan of in een ander plan van aanleg.

Deze bepaling is niet van toepassing op de inrichtingen van derde klasse die deel uitmaken van een inrichting van eerste of tweede klasse.


Afdeling 4.1.2.
Beste Beschikbare Technieken (BBT)


Art. 4.1.2.1.

§ 1.

De exploitant moet als normaal zorgvuldig persoon steeds de beste beschikbare technieken toepassen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelingsmethodes op het niveau van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen (aangepaste produktietechnieken en -methoden, grondstoffenbeheersing, energie en dergelijke meer). Bij de bepaling van de BBT moeten de criteria van bijlage 3.3 in aanmerking worden genomen. Deze verplichting geldt eveneens voor wijzigingen aan ingedeelde inrichtingen, alsook voor activiteiten die op zichzelf niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn.

 

§ 2.

De naleving van de voorwaarden in dit besluit en/of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt geacht overeen te stemmen met de verplichting uit § 1.


Afdeling 4.1.3.
Hygiëne en hinderbeheersing


Art. 4.1.3.1. De inrichting moet zindelijk worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. Telkens als de omstandigheden daartoe aanleiding geven moeten doeltreffende maatregelen worden genomen tegen ongedierte.

Art. 4.1.3.2.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.2.1. treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer.


Art. 4.1.3.3. Bij hinder moet de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen treffen om die toestand te verhelpen.

Art. 4.1.3.4. [...]

Afdeling 4.1.4.
Meet- en registratieverplichtingen


Art. 4.1.4.1.

§ 1.

De exploitant brengt, zo nodig in overleg met de toezichthouder, alle door dit reglement of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde meet-, monstername- en registratievoorzieningen aan.

 

§ 2.

Deze voorzieningen en hun toegangswegen zijn steeds gemakkelijk en veilig toegankelijk en maken het mogelijk de metingen en monsternames op veilige wijze te verrichten.


Art. 4.1.4.2. De exploitant houdt de gegevens met betrekking tot de door dit reglement of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit opgelegde meet-en registratieverplichtingen, met inbegrip van de registers en balansen, ter beschikking van de toezichthouder en bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.

Afdeling 4.1.5.
Algemene informatieplicht


Art. 4.1.5.1.

§ 1.

De exploitant verschaft de toezichthouders op eenvoudig verzoek de hem bekende relevante gegevens over de in de inrichting gebruikte en voortgebrachte grondstoffen, produkten, afvalstromen of emissies.

 

§ 2.

Indien de ambtenaar ernstige redenen heeft om te twijfelen aan de volledigheid of juistheid van deze gegevens kan hij door een daarvoor erkend laboratorium, vermeld in artikel 6, van het VLAREL en op kosten van de exploitant, monsternames, metingen en analyses laten uitvoeren van de bedoelde grondstoffen, produkten, afvalstromen of emissies. De exploitant wordt op voorhand schriftelijk in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing van de ambtenaar.

 

§ 3.

In geval van schending van een milieuvoorwaarde inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, inzake voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of inzake voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, brengt de exploitant van een GPBV-installatie of een inrichting als vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, de toezichthouder daarvan onmiddellijk op de hoogte en treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.


Art. 4.1.5.2.

Alle documenten en gegevens die in toepassing van dit besluit en van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wat betreft de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten moeten bezorgd worden aan de overheid moeten tevens ter beschikking worden gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van deze beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de syndicale delegatie van de onderneming.


Art. 4.1.5.3.

Als de zuiveringstechnische voorzieningen van een inrichting wegens storing of enige andere oorzaak uitvallen, of als om enige andere reden de emissie- of immissienormen worden overschreden, brengt de exploitant de toezichthouder daarvan onverwijld op de hoogte.


Art. 4.1.5.4.

Als een inrichting die bestemd is voor het winnen of het kunstmatig aanvullen van grondwater, of een gedeelte ervan, definitief buiten gebruik wordt gesteld, is de exploitant verplicht dat binnen een termijn van drie maanden te melden aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater, ongeacht de klasse waarin de inrichting is ingedeeld. De voormelde afdeling bezorgt onverwijld een kopie van die melding aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014.


Art. 4.1.5.5.

De exploitant bezorgt op verzoek van de instanties die belast zijn met het uitvoeren van een evaluatie, vermeld in artikel 1.4.4.1, alle gegevens die met toepassing van artikel 1.4.5.1.1, §1, tweede lid, worden gevraagd.


Afdeling 4.1.6.
Beheer van afvalstoffen en van buiten bedrijf gestelde installaties


Art. 4.1.6.1.

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de opslag van gevaarlijke stoffen, gebeurt de tijdelijke opslag van afvalstoffen, in aangepaste verpakkingen en/of afvalcontainers. Deze bepaling is niet van toepassing op inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt. Behoudens afwijkende bepaling in dit besluit of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moeten deze afvalstoffen regelmatig uit de inrichting worden afgevoerd voor verwerking overeenkomstig art. 4.1.6.2.. Het afvoeren van de afvalstoffen moet zodanig geschieden dat zich geen afval buiten de inrichting kan verspreiden.


Art. 4.1.6.2.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit besluit of voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het ontstaan van afvalstoffen voorkomen en wordt aandacht besteed aan een efficiënter en minder milieubelastend gebruik en verbruik van materialen via aangepaste productie- en consumptiepatronen. Waar toch afvalstoffen worden voortgebracht, wordt voor de verwerking van die afvalstoffen buiten het ophalen, sorteren en vervoeren, de voorkeur gegeven aan de verwerkingswijzen, hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld:

de voorbereiding van afvalstoffen voor hergebruik;
recyclage van afvalstoffen en de inzet van materialen in gesloten materiaalkringlopen;
andere vormen van nuttige toepassing van afvalstoffen, zoals energieterugwinning en de inzet van materialen als energiebron;
de verwijdering van afvalstoffen, met storten als laatste optie.

 

§ 2.

Om te kunnen voldoen aan de verwerkingshiërarchie zoals beschreven in § 1 moeten afvalstromen die een verschillende verwerking dienen te ondergaan of kunnen ondergaan, gescheiden worden opgevangen of na ophaling mechanisch worden gescheiden.


Art. 4.1.6.3. Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of bijzondere milieuvoorwaarden, moeten de definitief door de exploitant buiten bedrijf gestelde installaties of onderdelen ervan, binnen de 36 maanden na de buitengebruikstelling zo zijn aangepast dat schade aan het milieu of hinder uitgesloten zijn.

Art. 4.1.6.4. [...]

Afdeling 4.1.7.
Opslag van gevaarlijke stoffen


Art. 4.1.7.1. Vaste stoffen in bulk

Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementering of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moeten vaste stoffen in bulk, die uitloogbare stoffen van bijlage 2B en gevaarlijke producten volgens de CLP-verordening bevatten, worden opgeslagen op een vloeistofdichte ondergrond, voorzien van een opvangsysteem. Deze bepaling is niet van toepassing op afvalstortplaatsen.


Art. 4.1.7.2. Gevaarlijke vloeistoffen

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementering of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moeten bovengrondse tanks of vaten, die vloeistoffen van bijlage 2B en gevaarlijke vloeistoffen volgens de CLP-verordening bevatten, in een inkuiping worden geplaatst, die voldoet aan de hierna vermelde voorwaarden:
 

de vloeren en wanden moeten bestand zijn tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen en moeten kunnen weerstaan aan de vloeistofmassa die bij lekkage uit de grootste in de inkuiping geplaatste tank of vat kan ontsnappen.
buizen of leidingen mogen slechts doorheen de wanden worden geleid mits toepassing van afdoende dichtingen.
de wanden moeten tenminste alle 50 meter van reddingsladders of trappen worden voorzien.


Voor tanks en vaten met een waterinhoud van meer dan 220 liter moet bovendien:
 

tussen deze en de binnenste onderkant van de wanden een minimumafstand, gelijk aan de helft van de hoogte van de tanks of vaten, worden gelaten;
een doorgang van tenminste 1 meter breedte tussen de tanks, de vatenopslag en de wanden volledig worden vrijgelaten.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde inkuiping moet een inhoudsvermogen hebben dat gelijk is aan of groter dan:
 

de helft van het totaal inhoudsvermogen van de erin geplaatste tanks of vaten;
het inhoudsvermogen van de grootste tank of vat, vermeerderd met 25 % van het totale inhoudsvermogen der andere in de inkuiping aangebrachte tanks of vaten.
Voor de opslag van vaten en bussen met een waterinhoud van minder dan 220 liter mag het inhoudsvermogen van de inkuiping worden beperkt tot 10 % van het totale inhoudsvermogen van de erin opgeslagen vaten of bussen.

 

 

§ 3.

In geval van herstelling van een der tanks die deel uitmaakt van een groep tanks of vaten opgesteld in éénzelfde inkuiping, moet deze tank gedurende de hele herstellingsperiode door een vloeistofdichte wand worden omringd, waarvan de hoogte gelijk is aan deze van de opstaande rand of muren die de hele groep omringt.

 

§ 4.

In éénzelfde inkuiping mogen enkel vloeistoffen worden opgeslagen die bij vermenging hetzij geen, hetzij uitsluitend een chemische reactie kunnen doen ontstaan waarbij de vorming van andersoortige gevaarlijke stoffen dan deze die binnen de bak zijn opgeslagen, is uitgesloten.


Art. 4.1.7.3. Verwijderen van gemorste verontreinigende stoffen

Met behoud van de toepassing van afdeling 4.1.12 worden gemorste, al dan niet verdunde, verontreinigende stoffen verwijderd overeenkomstig de van toepassing zijnde reglementering.


Art. 4.1.7.4. Opvang van bluswater

[...]


Afdeling 4.1.8.
Het milieujaarverslag


Art. 4.1.8.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn getroffen ter uitvoering van titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

De bepalingen van deze afdelingen zijn van toepassing op:

[...]
alle inrichtingen, die vergunningsplichtig zijn als klasse 1 of 2, en die deel uitmaken van een milieutechnische eenheid, waarvan de totale emissie, afkomstig van de inrichtingen [...] voor ten minste één relevante verontreinigende stof in het beschouwde jaar groter is dan de drempelwaarden, vermeld in de overzichtstabel van verontreinigende stoffen in de deelformulieren « Luchtemissies » en « Wateremissies » van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag. Voor de lozing van afvalwater geldt de verplichting pas vanaf een vergund of werkelijk geloosd debiet van meer dan 1 m3 per uur, 10 m3 per dag en/of 250 m3 per maand. Ingeval het werkelijk geloosde debiet maar niet het vergunde debiet onder dit minimumdrempel ligt, moet het werkelijk geloosde debiet gestaafd worden aan de hand van debietmetingen. Als de totale emissie alleen met een bepaalde onzekerheidsmarge bekend is, moet het maximum binnen de onzekerheidsmarge vergeleken worden met die drempelwaarden om uit te maken of de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn op de inrichting;
alle inrichtingen met een totaal primair energiegebruik van tenminste 0,1 petajoule per jaar.
de inrichtingen waarvan een of meer activiteiten aangeduid zijn met een "R" in de zevende kolom van de indelingslijst en waarvoor de exploitant op grond van de Verordening nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 jaarlijks moet rapporteren op basis van metingen, berekeningen of ramingen voor de stoffen, vermeld in de verordening, overeenkomstig de in de verordening vermelde drempelwaarden;
inrichtingen met een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 50.000 m2 grondoppervlakte, inrichtingen met een gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen over de drie voorgaande kalenderjaren van meer dan 700 000 ton per jaar en inrichtingen met een verwachte overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 700 000 ton per jaar; 

 

§ 2.

Indien, overeenkomstig § 1, 2° de drempelwaarde voor ten minste één parameter overschreden is, dan blijven de bepalingen van deze afdeling gedurende de drie daaropvolgende jaren van toepassing op de inrichting en op de betrokken milieutechnische eenheid tenzij de verlaging van de emissies beneden de drempelwaarden wordt bewerkstelligd door een permanente saneringsmaatregel. De exploitant moet daarvan het bewijs kunnen leveren aan de toezichthoudende overheid die de termijn maximaal kan verkorten tot 2 jaar.

 

§ 3.

Op verzoek van de toezichthoudende overheid kunnen exploitanten worden verzocht aan te tonen dat bepaalde inrichtingen al of niet onder de toepassing van deze afdeling vallen.

 

§ 3bis.

Inrichtingen die overeenkomstig paragraaf 1, 5°, een integraal milieujaarverslag indienen, maken een onderbouwde kwantitatieve inschatting van hun niet-geleide stofemissies en nemen deze inschatting op in hun integraal milieujaarverslag

 

§ 4.

Bij de opmaak van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het milieujaarverslag moet er optimaal gebruik worden gemaakt van de resultaten van emissiemetingen die aan de exploitant zijn opgelegd door dit reglement, door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en/of in het kader van de afvalwaterheffingen.

 

§ 5.

Het milieujaarverslag wordt ingediend door middel van de volgende deelformulieren van het integrale milieujaarverslag waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, is gevoegd:

inrichtingen als vermeld in §1, 2°, 4° en 5°: het deelformulier "Identificatiegegevens", het deelformulier "Luchtemissies", het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens",deelformulier "Wateremissies", deelformulier "Afvalstoffenmelding voor producenten" en deelformulier "Bodememissies, verontreinigende stoffen uit afval;
inrichtingen als vermeld in artikel 4.1.8.1, § 1, 3°: het deelformulier "Identificatiegegevens" en het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens".
afvalwater afgevoerd voor zuivering in een externe afvalwaterzuiveringsinstallatie: het deelformulier "Identificatiegegevens" en het deelformulier "Wateremissies";

 

 

§ 6.

[...]


Art. 4.1.8.2.

§ 1.

De exploitanten van de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 4.1.8.1, zijn gehouden jaarlijks in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, het milieujaarverslag te sturen naar de administratie, overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag en voor de datum die daarin wordt bepaald. De bijlagen bij dat jaarverslag, bedoeld in § 2 van artikel 4.1.8.3, hoeven niet te worden bijgevoegd.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Inrichtingen die nieuw in bedrijf worden genomen, dienen het eerste jaarverslag in in het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid.


Art. 4.1.8.3.

§ 1.

Het milieujaarverslag vermeld in artikel 4.1.8.2., § 1, bevat de volgende deelformulieren voor zover de inrichting daartoe verplicht wordt volgens de desbetreffende bepalingen van dit besluit:
het deelformulier "Identificatiegegevens";
het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies": deze deelformulieren bevatten de gegevens weergegeven in het model van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag;
het deelformulier "Energiegegevens": dit deelformulier bevat gegevens weergegeven in deelformulier "Energiegegevens" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.

 

§ 2.

Voor zover van toepassing op de inrichting worden de in de vergunningsbesluiten in bijzondere voorwaarden opgelegde rapporten niet gevoegd als bijlage bij het integrale milieujaarverslag, maar wel afzonderlijk verstuurd naar de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de andere in de bijzondere voorwaarden genoemde diensten.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

Het milieujaarverslag en de bijlagen worden door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de toezichthouders.

Art. 4.1.8.4. [...]

Afdeling 4.1.9.
Bedrijfsinterne milieuzorg


Art. 4.1.9.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn getroffen in uitvoering van titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

Zij zijn van toepassing op de inrichtingen die in de indelingslijst zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse.


Subafdeling 4.1.9.1.
De milieucoördinator


Art. 4.1.9.1.1.

§ 1.

De exploitant van een inrichting die in de indelingslijst is ingedeeld in de eerste of tweede klasse en in de vijfde kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter A of B dient met ingang van 4 juli 1996 een milieucoördinator aan te stellen.

 

§ 2.

De exploitanten van de volgende categorieën van inrichtingen zijn vrijgesteld van de verplichting om een milieucoördinator aan te stellen:

 

de inrichtingen die in de indelingslijst in de vijfde kolom met de letter “N” zijn aangeduid.

 

§ 3.

De vergunningverlenende overheid kan exploitanten van niet in § 1 of § 2 bedoelde inrichtingen de verplichting opleggen een milieucoördinator aan te stellen indien de aard van de inrichting, de aard van de milieu-effecten die ervan uitgaan of de plaats waar ze gelegen is of uitgeoefend wordt, dit verantwoordt. Zij bepaalt daarbij tevens het vereiste niveau van de in artikel 4.1.9.1.2., § 3 bedoelde aanvullende vorming.

 

Als verschillende inrichtingen samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan ze de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze een milieutechnische eenheid vormen. 

 

§ 4.

Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.

 

Die instemming is echter niet vereist als:

het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;
het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon. 

 

§ 5.

De aanvraag tot instemming wordt met een aangetekende brief ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. De aanvraag bevat de documenten waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden om als milieucoördinator te kunnen worden aangesteld.

 

De exploitant kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, vragen om gehoord te worden.

 

§ 6.

de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, neemt een beslissing over het verzoek tot instemming met de gezamenlijke aanstelling en deelt die beslissing binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag na het verzenden van de aanvraag, mee aan de aanvrager.

 

§ 7.

Het verlenen van de instemming houdt in dat is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.1.9.1.4, §2.

 

§ 8.

Als de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie te worden toegelaten of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit reglement, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de instemming schorsen of opheffen.

 

§ 9.

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, brengt de exploitant en de milieucoördinator met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de instemming te schorsen of op te heffen, en van de motieven die daartoe aanleiding geven, en nodigt hen tegelijkertijd uit om hun verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een geplande hoorzitting.

 

§ 10.

De afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, neemt een beslissing over de schorsing of opheffing van de instemming, rekening houdend met de vervulde formaliteiten en de meegedeelde verweermiddelen.

 

§ 11.

Als de instemming wordt geschorst of opgeheven, betekent de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de beslissing met een aangetekende brief aan de exploitant en de milieucoördinator.

 

Als de procedure tot schorsing of opheffing van de instemming wordt stopgezet, worden de exploitant en de milieucoördinator daarvan op de hoogte gebracht.


Art. 4.1.9.1.2.

§ 1.

Als milieucoördinator kan enkel een persoon worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikt om de in artikel 4.1.9.1.3. bedoelde taken naar behoren te vervullen.

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van § 1 moet de milieucoördinator met ingang van 4 juli 1997 voldoen aan de volgende nadere eisen:

eisen inzake opleiding en beroepservaring:
a) een voldoende kennis bezitten van de milieuwetgeving en -reglementering van toepassing op de inrichting (en) waarvoor hij als milieucoördinator is aangesteld, alsmede van de nodige technische kennis om de problemen te bestuderen die zullen rijzen inzake milieu;
b) voor de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “A” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat:
- ofwel, de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, zoals vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs;
- ofwel, een nuttige ervaring van meer dan vijf jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg;
c) voor de inrichtingen die in vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “B” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting en geen als bedoeld sub 1° omvat, van:
- ofwel, houder zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of hogere secundaire leergangen;
- ofwel, een nuttige ervaring van meer dan drie jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg;
d)

zich permanent bijscholen inzake milieuwetenschappen, inclusief milieutechnologie en -recht evenals inzake de taken vastgelegd in het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid door het volgen van cursussen, seminaries, studiedagen, e.d.;

de bijscholing van de milieucoördinator bedraagt ten minste 30 uur per kalenderjaar; de aan bijscholing bestede tijd wordt voor de milieucoördinator-werknemer van de exploitant beschouwd als normale werktijd en de daarbij horende kosten worden vergoed door de exploitant;

seminaries, studiedagen e.d. komen slechts in aanmerking voor de permanente bijscholing mits de inhoud van deze seminaries, studiedagen e.d. betrekking heeft op de leefmilieuproblematiek in het algemeen;

de milieucoördinator is evenwel vrijgesteld van het volgen van de jaarlijkse bijscholing in een kalenderjaar en dit te belopen van het aantal uren dat hij in datzelfde kalenderjaar de aanvullende vorming volgt zoals bedoeld in § 3 van dit artikel.

overige voorwaarden:
a) in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot instemming in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor overtredingen die verband houden met de uitvoering van de taken van de milieucoördinator;
b) wanneer hij geen werknemer is van de exploitant, met betrekking tot de erkenning van de milieucoördinator en zijn taken, in de hoedanigheid van ambtenaar, geen adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen; deze voorwaarde geldt niet voor werknemers van een vereniging van gemeenten met betrekking tot inrichtingen geëxploiteerd door de bij deze vereniging aangesloten gemeenten of door een onder deze gemeenten ressorterende instelling of bestuur;
c) als de milieucoördinator een werknemer is van de exploitant, moet die voor de uitvoering van zijn taken over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid beschikken. De exploitant neemt de kosten van de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor zijn rekening. Als de milieucoördinator geen werknemer is van de exploitant, moet deze over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid beschikken. Aan de eis dat hij over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid, moet beschikken, moet uiterlijk op 1 januari 2012 zijn voldaan;
d) personen die geen werknemer zijn van de exploitant en voor twee of meer inrichtingen als milieucoördinator worden aangesteld die samen geen milieutechnische eenheid vormen, moeten met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu als milieucoördinator zijn erkend.

 

 

§ 3.

Onverminderd de bepalingen van § 1 en § 2 en in zoverre de betrokkene niet is of niet wordt erkend als milieucoördinator door de Vlaamse minister op basis van een aanvraag die daartoe wordt ingediend voor 1 januari 2000, geldt voor milieucoördinatoren die vanaf die datum worden aangesteld als bijkomende vereiste dat zij:

voor de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “A” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat: met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste niveau of een overgangscursus van het tweede naar het eerste niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
voor de inrichtingen die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “B” zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat: ten minste met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

 

In afwijking van deze bijkomende vereiste, vermeld in de eerste alinea, kan een persoon die werknemer is van de exploitant éénmalig en voor een periode van maximum drie jaar als milieucoördinator worden aangesteld op de voorwaarde dat hij/ zij is ingeschreven voor het volgen van de cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren.

 

§ 4.

De milieucoördinator kan een werknemer zijn van de exploitant of een persoon die geen werknemer is van de exploitant.

 

§ 5.

In afwijking van de bepalingen van de §§ 2 en 3 mag, bij wijze van overgangsregeling, degene die de taken van milieucoördinator in de hoedanigheid van werknemer van de exploitant al uitoefende vóór 4 juli 1996, en die niet voldoet aan de vereisten vastgesteld door de § 2, sub 1°, a), b) en c) en § 3 als milieucoördinator worden aangesteld en blijven aangesteld voor de inrichting en/of milieutechnische eenheid waarin hij is tewerkgesteld alsook voor soortgelijke inrichtingen en/of milieutechnische eenheden.

 

§ 6.

Als de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit of de wijziging van de indelingslijst tot gevolg heeft dat een ingedeelde inrichting of activiteit voor het eerst inrichtingen of activiteiten omvat die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “A” zijn aangeduid, kan de milieucoördinator die op dat ogenblik is aangesteld voor een inrichting of activiteit die in de vijfde kolom van de indelingslijst met de letter “B” is aangeduid, voor het geheel van de inrichtingen en activiteiten die aan de milieucoördinatorplicht onderworpen zijn, verder aangesteld blijven.


Art. 4.1.9.1.3.

§ 1.

De milieucoördinator heeft onder meer tot taak:

bij te dragen tot de ontwikkeling, de invoering, de toepassing en de evaluatie van milieuvriendelijke produktiemethodes en produkten;

te waken over de naleving van de milieuwetgeving door meer bepaald op regelmatige tijdstippen controle uit te oefenen op de werkplaatsen, de zuiveringstechnische werken en de afvalstromen; hij rapporteert de vastgestelde tekortkomingen aan de bedrijfsleiding en doet voorstellen om deze te verhelpen;

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, voert de milieucoördinator ten minste eenmaal per trimester van een kalenderjaar zelf de controle, vermeld in het eerste lid, uit. Als de hierna vermelde inrichtingen beschikken over een milieuzorgsysteem en een onlinecontrolesysteem dat dezelfde garanties biedt als de voormelde trimestriële controles, wordt de frequentie herleid tot ten minste één controle per kalenderjaar voor:

 

onbemande installaties voor waterwinning;
gasontspanningsstations;
windturbines;
zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater van agglomeraties met minder dan 2.000 inwonersequivalenten.
te waken over of in te staan voor de uitvoering van de voorgeschreven emissie- en immissiemetingen en de registratie van de resultaten ervan;
te waken over het bijhouden van het afvalstoffenregister en het materialenregister en de naleving van de meldingsplicht, vermeld in artikel 6, 23 tot en met 25 en 30 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
voorstellen te doen over en bij te dragen tot de interne en externe communicatie in verband met de gevolgen voor mens en milieu van de inrichting, van haar produkten, haar afvalstoffen en de voorzieningen en maatregelen om deze gevolgen te beperken.

 

§ 2.

De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn.

 

Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.

 

§ 3.

De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven.  

 

Hij bezorgt het verslag vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop dit betrekking heeft, aan de bedrijfsleiding, de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging. [...] Voor inrichtingen die in bedrijf worden genomen, wordt het eerste verslag bezorgd voor 1 april van het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid.

 

Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning alsook van de toezichthoudende overheid.


Art. 4.1.9.1.4.

§ 1.

De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in § 2, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2. bedoelde voorwaarden, kan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.

 

§ 3.

De kennisgeving, vermeld in § 2, kan voor een milieucoördinator-werknemer plaatsvinden door middel van een aanstellingsdossier dat op de exploitatiezetel ter beschikking wordt gehouden van de ambtenaren van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving. Het aanstellingsdossier bevat de gedagtekende overeenkomst tussen exploitant en werknemer met betrekking tot de uitoefening door deze laatste van de functie van milieucoördinator en alle documenten waaruit blijkt dat de aanstelling van de milieucoördinator gebeurd is conform de bepalingen van de onderhavige toepasselijke afdeling 4.1.9.


Art. 4.1.9.1.5.

De exploitant is gehouden het nodige te doen opdat de milieucoördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. Hij stelt hem hulppersoneel, lokalen, materiaal en middelen ter beschikking voor zover vereist.

 

De milieucoördinator die een werknemer is van de exploitant, mag geen nadeel ondervinden van de taak die hij als milieucoördinator vervult.


Art. 4.1.9.1.6. [...]

Subafdeling 4.1.9.2.
De milieuaudit


Art. 4.1.9.2.1.

Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, en rekening houdend met het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Verordening 1836/93/EEG van 29 juni 1993, inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem, wordt voor het Vlaamse Gewest:

BELAC, opgericht bij het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC-accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling, belast met de erkenning en het toezicht op milieuverificateurs;
het Departement Omgeving aangewezen als bevoegde instantie die belast is met de registratie van de organisaties, de weigering en de vernieuwing van de registraties, de inschrijving, schorsing of schrapping van de organisaties uit het register, alsook met de toepassing van de voorschriften betreffende het registratieproces, vermeld in artikel 12 van verordening (EG) Nr. 1221/2009, en de uitvoering van alle overige opdrachten die ingevolge de verordening van de bevoegde instantie worden verwacht. 

Art. 4.1.9.2.2.

Ter bevordering van de vrijwillige deelneming van organisaties aan het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem, zoals geregeld door verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, wordt geen bijdrage in de registratiekosten van een organisatie vastgesteld.


Art. 4.1.9.2.3.

Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van de bepalingen van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie wordt gebruikgemaakt van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van verordening (EG) nr. 1836/93 van 29 juni 1993 inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem


Art. 4.1.9.2.4. De decretale milieuaudit

§ 1.

Ter uitvoering van artikel 3.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende categorieën van inrichtingen onderworpen aan een periodieke milieuaudit :

de in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen die tevens zijn opgenomen in de bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;
vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst;
de inrichtingen die in zesde kolom van de indelingslijst met de letter “P” zijn aangeduid, evenwel enkel in zoverre deze verplichting door de vergunningverlenende overheid is opgelegd rekening houdend met de aard van de inrichting, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan en/of de plaats waar ze gelegen is.

 

Inrichtingen die over een EMAS-geregistreerd of ISO 14001-gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken, zijn vrijgesteld van de verplichting om een periodieke milieuaudit op te stellen mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :

het bedrijf moet tussen de twee voorziene opeenvolgende audits onafgebroken over een gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken;
de openbaarheid van de gegevens die anders via de decretale milieuaudit gerealiseerd wordt, moet gegarandeerd blijven;
het voldoen aan deze voorwaarden moet worden gecontroleerd door een milieuverificateur of certificatieinstelling.

 

 

§ 2.

Ter uitvoering van artikel 3.3.2. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de volgende categorieën van inrichtingen onderworpen aan een éénmalige milieuaudit :

  de inrichtingen die in de zesde kolom van de indelingslijst met de letter “E” zijn aangeduid, evenwel enkel in zoverre deze verplichting door de vergunningverlenende overheid is opgelegd rekening houdend met de aard van de inrichting, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan en/of de plaats waar ze gelegen is.

 

Inrichtingen die over een EMAS-geregistreerd of ISO 14001-gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken, zijn vrijgesteld van de verplichting om een éénmalige milieuaudit op te stellen.

 

§ 3.

De in de §§ 1 en 2 bedoelde milieuaudit vindt plaats op kosten van de exploitant.


Art. 4.1.9.2.5.

§ 1.

De in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit betreft een systematische, gedocumenteerde en objectieve evaluatie van het beheer, de organisatie en de uitrusting van de betrokken inrichting of activiteit op het gebied van de bescherming van het milieu.

 

§ 2.

De in artikel 4.1.9.2.4. bedpelde milieuaudit heeft betrekking op:

de emissies en immissies, evenals de gevolgen ervan voor de milieukwaliteit;
het energiebeheer;
het beheer van grondstoffen;
de productiemethodes en het productbeheer;
de preventie en het beheer van afvalstoffen;
de externe veiligheid;
de voorlichting, opleiding en participatie van het personeel in de bedrijfsinterne milieuzorg;
de externe voorlichting;
de voorstellen en adviezen van de milieucoördinator, zoals bedoeld in § 3 van artikel 4.1.9.1.3., en de opvolging die hieraan gegeven is.

 

§ 3.

De in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moet worden gevalideerd door een milieuverificateur erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.


Art. 4.1.9.2.6.

§ 1.

De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld:

aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning:

de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van artikel 4.1.9.2.5, § 2;
aan de Vlaamse Milieumaatschappij:

de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van artikel 4.1.9.2.5, § 2.

 

§ 2.

De gevalideerde milieuaudit moet door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard worden en ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


Art. 4.1.9.2.7.

§ 1.

De in artikel 4.1.9.2.4. § 1 bedoelde periodieke milieuaudit dient regelmatig herhaald te worden. Tussen twee opeenvolgende audits mag hoogstens een periode van 3 jaar liggen.

 

§ 2.

Inrichtingen die in bedrijf worden genomen, voeren een eerste milieuaudit uit, uiterlijk twee jaar na de inbedrijfstelling van de inrichting.


Subafdeling 4.1.9.3.
De rol van het comité voor preventie en bescherming op het werk


Art. 4.1.9.3.1.

§ 1.

De exploitant moet inzonderheid:

aan de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezorgen:
a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, afschrift van het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2. van dit reglement;
b) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuverklaring als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3. van dit reglement;
c) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuaudit als bedoeld in artikel 4.1.9.2.5. van dit reglement;
ter beschikking stellen van het comité voor preventie en bescherming op het werk:
a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het afschrift van de bijlagen bij het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2. van dit reglement;
b) alle al dan niet door de milieureglementering opgelegde inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die verband houden met het milieu en/of de externe veiligheid;

inzonderheid geldt dit voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die de eigen onderneming met toepassing van de milieureglementering aan de overheid dient te verschaffen of ter inzage dient te houden;
comité voor preventie en bescherming op het werk:
a) informeren over het hulppersoneel, de lokalen, het materiaal en de middelen die hij overeenkomstig artikel 4.1.9.1.5. van dit reglement ter beschikking stelt van de milieucoördinator;
b) informeren over de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die derde ondernemingen ter gelegenheid van hun aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit openbaar dienen te maken indien en voor zover de eigen bedrijfsleiding ten opzichte van die documenten een inzagerecht kan doen gelden;
c) alle nodige informatie verstrekken om met volledige kennis van zaken adviezen te kunnen uitbrengen;
d) inlichten over de wijzigingen aangebracht aan de fabricatieprocédés, de toegepaste technieken of de installaties als ze de bestaande risico's voor het milieu en/of de externe veiligheid zouden verergeren of er nieuwe zouden vormen, alsook bij het aanwenden of fabriceren van nieuwe producten;
e) in voorkomend geval, de informatie verstrekken omtrent vrijwillige deelneming aan het milieubeheer- en milieuauditsysteem als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3. van dit reglement;
de toelichting bezorgen waarnaar een lid van het comité voor preventie en bescherming op het werk met betrekking tot het milieu of de externe veiligheid zou hebben gevraagd;
jaarlijks een omstandige toelichting op een vergadering van het comité voor preventie en bescherming op het werk verzorgen met betrekking tot het door de onderneming gevoerde milieubeleid;
overeenkomstig artikel 4.1.9.1.4. van dit reglement het voorafgaand akkoord verkrijgen van het comité voor preventie en bescherming op het werk omtrent de voorgenomen:
a) aanwijzing;
b) vervanging;
c) verwijdering uit zijn functie;
d) de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger;
van een milieucoördinator-werknemer.

 

 

§ 2.

De milieucoördinator bezorgt aan het comité voor preventie en bescherming op het werk:

vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het jaarverslag over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld, dit overeenkomstig artikel 4.1.9.1.3., § 3 van dit reglement;
een afschrift van zijn adviezen bedoeld in § 2 van artikel 4.1.9.1.3. van dit reglement.

 

§ 3.

Het comité voor preventie en bescherming op het werk:

heeft hoofdzakelijk tot taak alle middelen na te sporen en voor te stellen alsook actief bij te dragen tot alles wat wordt ondernomen in het kader van de bedrijfsinterne milieuzorg; om deze taak te volbrengen moet het inzonderheid adviezen uitbrengen en voorstellen formuleren omtrent:
a) het door de onderneming gevoerde beleid inzake bedrijfsinterne milieuzorg;
b) het milieujaarverslag en de andere documenten alsook de toelichting en inlichtingen die de exploitant respectievelijk de milieucoördinator overeenkomstig dit reglement gehouden zijn aan het comité te verstrekken;
is er mede belast ter uitvoering van artikel 4.1.9.1.4. van dit reglement zich uit te spreken over het al of niet akkoord gaan met de door de exploitant voorgenomen:
a) aanwijzing;
b) vervanging;
c) verwijdering uit zijn functie;
d) de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger;
van een milieucoördinator-werknemer.
 

Afdeling 4.1.10.
Bijzondere onderzoekscommissies


Art. 4.1.10.1. [...]

Afdeling 4.1.11.
Gebruik van gevaarlijke stoffen (verordening (EG) nr. 1907/2006)

Gebruik van gevaarlijke stoffen (verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie)


Art. 4.1.11.1.

Overeenkomstig artikel 67 van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een stof als zodanig of in een preparaat of voorwerp waarvoor in bijlage XVII van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 een beperking is opgenomen, niet worden vervaardigd of worden gebruikt tenzij aan de voorwaarden van die beperking wordt voldaan. Dit geldt niet voor de vervaardiging en het gebruik van een stof bij wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling. In bijlage XVII wordt bepaald wanneer de beperking niet van toepassing is op onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedés en wordt de vrijgestelde maximum hoeveelheid gespecificeerd.


Art. 4.1.11.2.

Overeenkomstig artikel 56 van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker een in bijlage XIV van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgenomen stof niet voor een bepaald gebruik gebruiken, tenzij voldaan is aan de bepalingen gesteld in artikel 56 van deze Verordening.


Afdeling 4.1.12.
Risicobeheersing


Art. 4.1.12.1.

§ 1.

De exploitant voorziet in de nodige maatregelen om voorvallen en de gevolgen daarvan voor de mens en het leefmilieu te voorkomen of tot een minimum te beperken.

 

Dat houdt onder meer in dat de exploitant het volgende doet :


hij voorziet in de nodige maatregelen om te voorkomen dat accidenteel verspreide stoffen of verontreinigd bluswater rechtstreeks naar het grondwater, een openbare riolering, waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren worden afgevoerd;

hij voorziet in de nodige brandpreventiemaatregelen;

hij voorziet in de nodige detectie-, nood- en interventiemaatregelen.

 

De exploitant bepaalt de organisatie van de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit voor de opvang van verontreinigd bluswater volgens een code van goede praktijk en raadpleegt daarbij de bevoegde brandweer.

 

De brandbestrijdingsmiddelen moeten in een goede staat verkeren, beschermd zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld worden en ze moeten onmiddellijk kunnen functioneren.

 

§ 2.

De exploitant kan te allen tijde aan de toezichthouders aantonen dat hij de nodige maatregelen heeft voorzien.


Art. 4.1.12.2.

§ 1.

Bij een voorval of bij onmiddellijke dreiging daarvan neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen, om zo de gevolgen voor de mens en het milieu tot een minimum te beperken, en om verdere mogelijke voorvallen te voorkomen.

 

§ 2.

De exploitant doet in het geval van een inrichting die onder het toepassingsgebied valt van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies, onmiddellijk, en in het ander geval, zo spoedig mogelijk, en met gebruikmaking van de meest passende middelen, melding van het voorval en van de genomen en geplande maatregelen bij de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

 

§ 3.

In geval van een voorval, waarschuwt de exploitant onverwijld derden die gevolgen kunnen ondervinden van de emissie, met opgave van de maatregelen die ze kunnen treffen om het gevaar af te wenden of te beperken.

 

Het eerste lid is niet van toepassing als de voorschriften, vastgesteld door de federale overheid in het kader van de civiele bescherming, van toepassing zijn.

 

Als door het voorval de werking van een afvalwaterzuiveringsinstallatie nadelig kan worden beïnvloed, waarschuwt de exploitant bovendien onmiddellijk de beheerder van de installatie in kwestie.


Art. 4.1.12.3.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.12.2, § 2, verstrekt de exploitant bij een voorval zo spoedig mogelijk de volgende informatie aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving :

algemene gegevens over de exploitant;
tijdstip, aard, omstandigheden en oorzaken van het voorval;
betrokken producten;
beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het voorval voor mens en milieu kunnen worden beoordeeld;
de getroffen maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen.

 

De exploitant gebruikt daarvoor het formulier, vermeld in bijlage 4.1.12, of een andere informatiedrager die dezelfde informatie bevat.

 

Als uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die de verstrekte informatie of de daaruit getrokken conclusies wijzigen, werkt de exploitant die informatie bij en bezorgt hij ze aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.


Art. 4.1.12.4.

Na een voorval treft de exploitant, afhankelijk van de gevolgen die hetzij onmiddellijk hetzij na verloop van tijd kunnen optreden en overeenkomstig de toepasselijke reglementering, de nodige maatregelen voor de schoonmaak en voor het herstel van het leefmilieu.

 

De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.


Art. 4.1.12.5.

Na een voorval treft de exploitant de nodige maatregelen om herhaling van het voorval te voorkomen.

 

De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.


Afdeling 4.1.13.
GPBV-installaties


Art. 4.1.13.1. [...]

Art. 4.1.13.2. [...]

Art. 4.1.13.3. [...]

Art. 4.1.13.4. [...]

Art. 4.1.13.5. [...]

Hoofdstuk 4.2.
BEHEERSING VAN OPPERVLAKTEWATERVERONTREINIGING


Afdeling 4.2.1.
Toepassingsgebied en algemene bepalingen


Art. 4.2.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de lozing van:

- bedrijfsafvalwater en koelwater zoals bedoeld in de rubrieken [...] 3.4. en 3.5.,
- afvalwater, afkomstig van afvalwaterzuiverings-installaties zoals bedoeld in rubriek 3.6.,
- huishoudelijk afvalwater zoals bedoeld in de rubriek 3.2.

Zijn opgenomen in deel 6 :

- de voorwaarden voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden, met inbegrip van de eventueel bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallatie;
- de voorwaarden voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 m³/jaar bedraagt, met inbegrip van de eventueel bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Art. 4.2.1.2. Het mengsel van bedrijfsafvalwater met huishoudelijk afvalwater en/of koelwater en/of niet-verontreinigd hemelwater, afkomstig van dezelfde milieutechnische eenheid, dat via een niet-gescheiden rioleringsnet samen wordt geloosd en zonder dat de verschillende deelstromen apart kunnen worden gecontroleerd, wordt integraal beschouwd als bedrijfsafvalwater. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in dat geval de emissiegrenswaarden bepaald worden in functie van de verhouding tussen de verschillende soorten afvalwater.

Art. 4.2.1.3.

§ 1.

De lozing van bedrijfsafvalwater in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater of in het gedeelte van een gescheiden riolering voor de afvoer van hemelwater is verboden, behalve - mits uitdrukkelijke vergunning - indien het bedrijfsafvalwater betreft dat voldoet aan de bijzondere voorwaarden zoals bepaald in de vergunning. Deze voorwaarden mogen niet minder streng zijn dan de toepasselijke sectorale of algemene voorwaarden voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren.

 

§ 2.

De lozing van koelwater, ingedeeld in klasse 1 of 2, is verboden in openbare riolering en collectoren, behalve in het gedeelte van een gescheiden riolering, bestemd voor de afvoer van hemelwater.

 

§ 3.

De lozing van huishoudelijk afvalwater in de gewone oppervlaktewateren of in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater is verboden, wanneer de openbare weg van openbare riolering is voorzien, tenzij dat uitdrukkelijk anders is vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en op voorwaarde dat de lozingsvoorwaarden voor lozingen in het individueel te optimaliseren buitengebied, vermeld in subafdeling 4.2.8.1, worden nageleefd.

 

§ 4.

Een volledige scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, is verplicht op het ogenblik dat een gescheiden riolering wordt aangelegd of heraangelegd, tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in het uitvoeringsplan.

 

Voor bestaande gebouwen in een gesloten bebouwing is de scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, enkel verplicht indien daarvoor geen leidingen onder of door het gebouw moeten worden aangelegd.

 

Onder bestaande gebouwen wordt verstaan: de gebouwen die gebouwd zijn voor de inwerkingtreding van de gewestelijke verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozen van afvalwater en hemelwater van 1 oktober 2004, zijnde 1 februari 2005, of de gebouwen die niet het voorwerp van die verordening uitmaken.

 

§ 5.

Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of bijzondere milieuvoorwaarden in de omgevingsvergunning, moet voor de afvoer van hemelwater de voorkeur gegeven worden aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld :

opvang voor hergebruik;
infiltratie op eigen terrein;
buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
lozing in de regenwaterafvoerleiding (RWA) in de straat.

Slechts wanneer de beste beschikbare technieken geen van de voornoemde afvoerwijzen toelaten, mag het hemelwater overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden geloosd in de openbare riolering.

 

§ 6.

Voor de lozingen van afvalwater die niet zijn opgenomen in een van de op de zoneringsplannen aangeduide zuiveringszones, gelden - tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit - de lozingsvoorwaarden die in de delen 4, 5 en 5bis van dit besluit zijn vastgesteld voor lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied.


Tussentitel:.
Lozing van bedrijfsafvalwater en koelwater


Afdeling 4.2.2.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat


Art. 4.2.2.1.

Het onder deze afdeling bedoelde bedrijfsafvalwater, ongeacht of het in gewone oppervlaktewateren dan wel in de openbare riolering wordt geloosd, mag binnen de in art. 1.1.2. gegeven omschrijving, geen stoffen bevatten in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 [...], die conform bijlage 2C [...] als gevaarlijke stof zijn te beschouwen of die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in deze bijlage 2C, noch enige andere stoffen met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, van de flora of de fauna. Hetzelfde geldt eveneens voor de lozing in oppervlaktewateren van stoffen die eutrofiëring van de ontvangende wateren kunnen veroorzaken.


Subafdeling 4.2.2.1.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat in de gewone oppervlaktewateren [...]

Art. 4.2.2.1.1.

De algemene voorwaarden voor het lozen in de gewone oppervlaktewateren en/of voor lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, luiden als volgt :, luiden als volgt:

het te lozen bedrijfsafvalwater dat in zodanige hoeveelheid pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
de pH van het geloosde bedrijfsafvalwater mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen; indien het geloosde bedijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan voor de bepaling van de grenswaarden van de pH de natuurlijke pH van het bedoelde oppervlaktewater en/of grondwater aangenomen worden indien die pH meer dan 9 of minder dan 6,5 bedraagt;
het biochemische zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20°C in het geloosde bedijfsafvalwater mag niet meer bedragen dan 25 milligram zuurstofverbruik per liter;
de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater mag 30°C niet overschrijden; mits uitdrukkelijk in de vergunning opgenomen, is bij een buitentemperatuur van 25°C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20°C of meer evenwel een overschrijding tot 35°C toegestaan, in zoverre hierdoor de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater niet wordt overschreden;
in het geloosde bedijfsafvalwater mogen de volgende gehalten niet overschreden worden:
a) 0,5 milliliter per liter voor de bezinkbare stoffen (tijdens een statische bezinking van twee uur);
b) 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
c) 5 milligram per liter voor de perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen;
d) 3 milligram per liter voor de som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen;
indien het geloosde bedrijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater kunnen de waarden vastgelegd in sub 3° en sub 5° van dit artikel vermeerderd worden met het gehalte in het opgenomen water;
een representatief monster van het geloosde bedrijfsafvalwater mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een scheitrechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden.

Subafdeling 4.2.2.2.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat in de openbare riolering van een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan nog niet definitief is vastgesteld

Art. 4.2.2.2.1. [...]

Art. 4.2.2.2.2. [...]

Subafdeling 4.2.2.3.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, in de openbare riolering

Art. 4.2.2.3.1.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, moet de lozing van bedrijfsafvalwater, dat geen gevaarlijke stoffen bevat, gelegen in het centraal gebied, het collectief geoptimaliseerde buitengebied en/of het collectief te optimaliseren buitengebied, beantwoorden aan de volgende algemene voorwaarden:

1°  de pH van het geloosde bedrijfsafvalwater ligt tussen 6 en 9,5;
de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater bedraagt maximaal 45°C;
de afmetingen van de zwevende stoffen die in het geloosde bedrijfsafvalwater aanwezig zijn, zijn maximaal 1 cm. Die stoffen hinderen de goede werking van de pomp- en zuiveringsstations niet door hun structuur;
het geloosde bedrijfsafvalwater bevat geen opgeloste, ontvlambare of ontplofbare gassen, noch producten die de afscheiding van dergelijke gassen kunnen teweegbrengen. Het geloosde bedrijfsafvalwater veroorzaakt geen verspreiding van uitwasemingen waardoor het milieu wordt bedorven;
in het geloosde bedrijfsafvalwater worden de volgende gehaltes niet overschreden:
a) 1 g/l zwevende stoffen;
b) 0,5 g/l stoffen, extraheerbaar met petroleumether;
het geloosde bedrijfsafvalwater bevat zonder uitdrukkelijke vergunning geen stoffen die:
a) een gevaar betekenen voor het onderhoudspersoneel van de riolering en de zuiveringsinstallaties;
b) de leidingen kunnen beschadigen of verstoppen;
c) een beletsel vormen voor de goede werking van de pomp- en zuiveringsinstallaties;
d) een zware verontreiniging van het ontvangende oppervlaktewater kunnen veroorzaken of die het ontvangende oppervlaktewater waarin het water van de openbare riool wordt geloosd, zwaar kunnen verontreinigen;
om het lozen van bedrijfsafvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie te beoordelen, gelden als regels de criteria, vermeld in artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Art. 4.2.2.3.2.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, moet de lozing van bedrijfsafvalwater, dat geen gevaarlijke stoffen bevat, gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied, beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 4.2.2.1.1.


Art. 4.2.2.3.3.

Voor de bestaande vergunde of gemelde lozingen gaan de voorwaarden van deze subafdeling die in strengere zin afwijken van de situatie zoals die bestond voor de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan, in voege de eerste van de 29e maand na de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan.


Afdeling 4.2.3.
Lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat.


Art. 4.2.3.1.
Onverminderd de in dit besluit vastgestelde emissiegrenswaarden dient de lozing van gevaarlijke stoffen van bijlage 2C maximaal te worden voorkomen door de toepassing van de beste beschikbare technieken.
Voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen van bijlage 2C bevat gelden dezelfde algemene emissiegrenswaarden als in de Afdeling 4.2.2. voorgeschreven voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, behoudens het bepaalde onder 3° hierna.

Van de gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 2C, mogen in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 [...], enkel die stoffen worden geloosd waarvoor in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit emissiegrenswaarden zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in art. 2.3.6.1.

Deze emissiegrenswaarden bepalen:

a) de in de lozingen toelaatbare maximumconcentratie van een stof; in geval van verdunning moet de in dit besluit voor bedoelde stof vastgestelde emissiegrenswaarde worden gedeeld door de verdunningsfactor;
b) de in de lozingen toelaatbare maximumhoeveelheid van een stof tijdens een of meer bepaalde perioden; zo nodig kan deze hoeveelheid bovendien worden uitgedrukt in een gewichtseenheid van de verontreinigende stof per eenheid van het element dat kenmerkend is voor de verontreinigende werkzaamheid (bijvoorbeeld gewichtseenheid per grondstof of per eenheid produkt).
c) als het geloosde bedrijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van gewoon oppervlaktewater of van grondwater of van water bestemd voor menselijke consumptie als vermeld in artikel 2, 17°, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, kunnen de emissiegrenswaarden, vermeld in punt a) en b), vermeerderd worden met het gehalte of de hoeveelheid in het opgenomen water, als dat principe vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bijkomend aan de opgelegde norm.

Afdeling 4.2.4.
Lozing van koelwater


Art. 4.2.4.1.

§ 1.

De algemene voorwaarden voor het lozen van koelwater in de gewone oppervlaktewateren en in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater en voor het lozen van koelwater, ingedeeld in klasse 3, in de openbare riolering en de collectoren, luiden als volgt:

het te lozen koelwater dat in zodanige hoeveelheid pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet moet ontsmet worden;
de pH van het geloosde koelwater mag niet meer dan 8,5 of niet minder dan 6,5 bedragen; indien het geloosde koelwater afkomstig is van het gebruik van een oppervlaktewater en/of van grondwater kan voor de bepaling van de emissiegrenswaarde van de pH, de natuurlijke pH van het bedoelde oppervlaktewater en/of grondwater aangenomen worden indien die pH meer dan 8,5 of minder dan 6,5 bedraagt;
het gehalte aan opgeloste zuurstof van het geloosde koelwater moet tenminste 4 milligram per liter bedragen; indien het geloosde koelwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater waarvan het gehalte aan opgeloste zuurstof minder dan 4 mg/l bedraagt, moet het gehalte aan opgeloste zuurstof van het geloosde koelwater minstens gelijk zijn aan dat van het ontvangende oppervlaktewater stroomopwaarts van de waterwinning;
de temperatuur van het geloosde koelwater mag 30°C niet overschrijden; mits uitdrukkelijk in de vergunning opgenomen is bij een buitentemperatuur van 25°C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20°C of meer evenwel een overschrijding tot 35°C toegestaan, in zoverre hierdoor de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater niet wordt overschreden;
het geloosde koelwater mag zonder uitdrukkelijke vergunning, te verlenen overeenkomstig het bepaalde in de art. 2.3.6.1. en 2.3.6.2., geen stoffen bevatten die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in de bijlage 2C, noch alle andere stoffen met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora en de fauna; dit geldt eveneens voor de stoffen die eutrofiëring van de ontvangende wateren kunnen veroorzaken;
het verschil in het chemisch zuurstofverbruik van het geloosde koelwater en het opgenomen gewoon oppervlaktewater en/of grondwater mag 30 milligram zuurstofverbruik per liter niet overschrijden.

 

§ 2.

Het koelwater dient bij voorkeur in een gesloten circuit te worden aangewend.

 

§ 3.

In afwijking van de bepalingen van § 1. 4° worden de lozingsvoorwaarden voor koelwater, afkomstig van elektrische centrales als volgt vastgesteld:
 

het geloosde koelwater is uitsluitend afkomstig van een oppervlaktewater behorend tot het openbaar hydrografisch net;
de uur- en dagdebieten, de temperatuur en het zuurstofgehalte van zowel het gecapteerde als van het geloosde koelwater worden continu bepaald en geregistreerd;
voor de temperatuur van het geloosde koelwater gelden volgende emissiegrenswaarden:
- maximum 33 °C als ogenblikkelijke waarde;
- maximum 32 °C als daggemiddelde; hiervoor worden de uurwaarden in aanmerking genomen, zoals gemeten van de middag (12 h) van de ene dag tot de middag (12 h) van de daaropvolgende dag;
- maximum 30 °C als voortschrijdend 30-dagengemiddelde;
de emissiegrenswaarden vermeld in het eerste lid zijn tijdelijk niet van toepassing indien bij uitzonderlijke meteorologische omstandigheden, inzonderheid bij een hittegolf, de netveiligheid in het gedrang komt, en indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
- de exploitant beschikt over een door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en de VMM goedgekeurd studierapport, waarin voor de geviseerde lozing een inschatting is gemaakt van de eigenschappen van de lozing en de effecten in het ontvangende oppervlaktewater, in relatie met de thermische draagkracht van het ontvangende oppervlaktewater; dit studierapport moet worden opgesteld door een MER-deskundige erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1° d), 4), van het VLAREL en een MER-deskundige erkend in de discipline fauna en flora, vemeld in artikel 6, 1°, d), 2), van het VLAREL, en vermeldt expliciet de verhoogde maximumtemperatuur, uitgedrukt als ogenblikkelijke waarde en ook als daggemiddelde, van de bij optreden van een hittegolf tijdelijk toelaatbaar geachte lozing van koelwater, alsook de maximumduur van dergelijke lozing, evenals het geloosde debiet;
- de lozing voldoet aan de in het studierapport beschreven maximum temperaturen, debiet en andere randvoorwaarden; deze randvoorwaarden worden tijdens deze uitzonderlijke periode continu bewaakt door de exploitant;
- de aanvang en het einde van de lozing met verhoogde temperatuur wordt telkens onverwijld gemeld aan de toezichthoudende overheid;
Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt een « hittegolf » gedefinieerd als zijnde een periode met minstens 5 opeenvolgende dagen met ten minste 25 graden (luchttemperatuur), waarvan op minstens 3 dagen 30 graden of meer wordt genoteerd te Ukkel.
voor de geloosde thermische vrachten gelden volgende waarden:
- maximale thermische vracht per dag:
- de thermische vracht berekend uit de technische gegevens van de installatie, uitgedrukt per dag;
- toegelaten thermische vrachten per dag:
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water tot maximum 25 °C is de lozing van de maximale thermische vracht toegestaan;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van meer dan 25 °C dient met ingang van de dag volgend op de dag waarop de gemeten temperatuur betrekking heeft, de geloosde thermische vracht verminderd; deze vermindering zal - behoudens wanneer veiligheidsredenen zich hiertegen verzetten - rechtevenredig zijn met de gemeten temperatuurstijging, derwijze dat de werkelijk geloosde thermische vracht wordt beperkt:
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 26 °C: tot 70 % van de maximale thermische vracht per dag;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 27 °C: tot 40 % van de maximale thermische vracht per dag;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water van 28 °C: tot 10 % of minder van de maximale thermische vracht per dag;
voormelde verminderingen van de thermische dagvrachten dienen aangehouden zolang de gemeten gemiddelde dagtemperatuur van het gecapteerde water de hoger aangegeven emissiegrenswaarde overschrijdt;
voor de bepaling van de gemiddelde dagtemperatuur worden de uurwaarden in aanmerking genomen, zoals gemeten van de middag (12 h) van de ene dag tot de middag (12 h) van de daaropvolgende dag;

Tussentitel:.
Metingen en controle bij lozing van bedrijfsafvalwater, koelwater en influent/effluent van waterzuiveringsinstallaties


Afdeling 4.2.5.
Metingen en controle


Subafdeling 4.2.5.1.
Controle-inrichting en bemonsteringsapparatuur

Art. 4.2.5.1.1.

§ 1.

Bedrijfsafvalwater van inrichtingen die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater van meer dan 2 m3 per dag of 50 m3 per maand of 500 m3 per jaar lozen, moet worden geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient deze controle-inrichting vanaf de hierna vermelde debieten bovendien te beantwoorden aan de volgende eisen:

- voor debieten > 2 m3/uur of > 20 m3/dag: de plaatsing van een meetgoot (bij voorkeur) volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen of een andere evenwaardige meetmogelijkheid;
- voor debieten > 50 m3/uur (lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat) of > 100 m3/uur (lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat): de plaatsing van debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient de in § 1 voorgeschreven bemonsteringsapparatuur steeds in werking te zijn volgens de voorschriften van de constructeur, en in die zin dat er te allen tijde een 24-uur debietsproportioneel mengmonster kan worden genomen, om toe te laten de in art. 4.2.6.1. beschreven controlebemonstering uit te voeren.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat via de in § 1 bedoelde controle-inrichting geen huishoudelijk afvalwater, koelwater, of hemelwater mag worden afgevoerd.


Art. 4.2.5.1.2.

Koelwater, van de inrichtingen die een maximale hoeveelheid koelwater lozen van meer dan 2 m³ per uur, wordt geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde koelwater te kunnen controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen. Voor inrichtingen tot en met 100 m³ per uur wordt aan deze bepaling voldaan tegen 1 september 2018. Voor de inrichtingen die meer dan 100 m³ per uur koelwater lozen, wordt daarnaast het debiet continu geregistreerd, waarbij naast het ogenblikkelijke debiet ook het totale debiet per uur, per etmaal en per jaar weergegeven wordt.

 

Mits uitdrukkelijke vermelding in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, kunnen de debietsmetingen voor inrichtingen die een hoeveelheid koelwater groter dan 1.000 m³ per uur lozen, vervangen worden door een berekeningsmethode die gebaseerd is op gemeten inname-gegevens water, goedgekeurd door een erkende MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. 


Subafdeling 4.2.5.2.
Zelfcontroleprogramma bij de lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat

Art. 4.2.5.2.1.

§ 1.

De exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, loost van meer dan 30 m3 per uur, 600 m3 per dag en/of 15.000 m3 per maand, moet onverminderd de bepalingen van art. 4.2.5.1.1. ten minste éénmaal per kalenderjaar volgende metingen uitvoeren:

  het debiet, de temperatuur, de pH, het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof en het gehalte aan totale fosfor.

 

§ 2.

Aanvullend aan de in § 1 voorgeschreven metingen, moet de exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater loost van meer dan 100 m3 per uur, de als dusdanig in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde parameters meten overeenkomstig het meetprogramma beschreven in bijlage 4.2.5.2.

 

§ 3.

De monsternames, metingen of analyses, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgevoerd op kosten van de exploitant, met apparatuur als vermeld in bijlage 4.2.5.1, en volgens de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2, hetzij door de exploitant, hetzij door een daarvoor erkend laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als de monstername, meting of analyse door de exploitant gedaan wordt, wordt die uitgevoerd volgens een methode, goedgekeurd door een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende monstername, meting of analyse. Die goedkeuring is geldig voor maximaal drie jaar. De goedkeuring wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk.

 

In afwijking van de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2, kan een gelijkwaardige inrichtingspecifieke methode gebruikt worden nadat de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, is bekomen van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL.

 

§ 4.

De exploitant meldt aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de monsternames, metingen of analyses die hij zelf uitvoert en het laboratorium dat de goedkeuring van de methode, vermeld in paragraaf 3 verleend heeft. De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.


Subafdeling 4.2.5.3.
Zelfcontroleprogramma bij de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat

Art. 4.2.5.3.1.

§ 1.

De exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat, loost van meer dan 15 m3 per uur, 300 m3 per dag en/of 7.500 m3 per maand moet, onverminderd de bepalingen van art. 4.2.5.1.1., ten minste éénmaal per kalenderjaar volgende metingen uitvoeren:

- het debiet, de temperatuur, de pH, het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof, het gehalte aan totale fosfor, de metalen totaal arseen, totaal cadmium, totaal chroom, totaal koper, totaal kwik, totaal lood, totaal nikkel, totaal zilver en totaal zink.
- naargelang de in hoofdstuk 5.3. vermelde aard van de bedrijvigheid, de volgende kenmerkende parameters:

aard van de
bedrijvigheid

alsvermeld in

bijlage 5.3.2.

kenmerkende parameter

sub 4°

AOX en hexachloorbenzeen (HCB)

sub 5°

chloroform, hexachloorbenzeen (HCB), AOX en tetrachloorkoolstof

sub 6°

chloroform

sub 7°

AOX en de som van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin

sub 8°

chloroform

sub 9°

ammonium, benz(a)pyreen, vrije cyanide, fenolen, sulfaten en som van opgeloste sulfide en in zuur milieu oplosbare sulfide

sub 10°

DDT

sub 11°

1,2-dichloorethaan (EDC)

sub 12°

chloride en AOX

sub 15°

ammonium en totaal anorganische gebonden fluoride

sub 16°

chroom VI en AOX

sub 18°

hexachloorbenzeen (HCB), hexachloorbutadieën (HCBD) en hexachloorcyclohexaan (HCH)

sub 20°

vrije cyanide en totaal anorganische gebonden fluoride

sub 21°

AOX

sub 22°

PCB, vrije cyanide en chroom VI

sub 23°

chroom VI, fenolen, sulfaten en som van opgeloste sulfide en in zuur milieu oplosbare sulfide

sub 24°

totaal anorganisch gebonden fluoride

sub 26°

chloride

sub 27°

vrije cyanide, chroom VI, totaal anorganisch gebonden fluoride en sulfaten

sub 28°, e)

voor chemische pulp: AOX

sub 29°

pentachloorfenol

sub 30°

PER extraheerbare apolaire stoffen

sub 32°

TOC

sub 33°

TOC en totale stikstof

sub 35°

PCB

sub 36°

CZV

sub 41°

elektrische geleidbaarheid

sub 42°

ammonium

sub 44°, a

chroom VI, PCB, organochloorpesticiden, en chloroform

sub 44°, b

koolstofdisulfide, sulfaten en som van opgeloste sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide

sub 44°, d

sulfaten

sub 45°

totaal ijzer

sub 46°

trichloorbenzeen (TCB)

sub 47°

trichloorethyleen (TRI) en perchloorethyleen (PER)

sub 53°

vrije cyanide en AOX

sub 55°

opgelost fluoride en sulfaten

 

 

§ 2.

Aanvullend aan de in § 1 voorgeschreven metingen, moet de exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater loost van meer dan 50 m3 per uur, de als dusdanig in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde parameters meten overeenkomstig het meetprogramma beschreven in bijlage 4.2.5.2.

 

§ 3.

De monsternames, metingen of analyses, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgevoerd op kosten van de exploitant, met apparatuur als vermeld in bijlage 4.2.5.1 bij dit besluit en volgens de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij dit besluit, hetzij door de exploitant, hetzij door een daarvoor erkend laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL. Als de monstername, meting of analyse door de exploitant gedaan wordt, wordt die uitgevoerd volgens een methode, goedgekeurd door een laboratorium in de discipline water als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende monstername, meting of analyse. Die goedkeuring is geldig voor maximaal drie jaar. De goedkeuring wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk.

 

In afwijking van de methode, vermeld in bijlage 4.2.5.2, kan een gelijkwaardige inrichtingspecifieke methode gebruikt worden nadat de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, is bekomen van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL.

 

§ 4.

De exploitant meldt aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de monsternames, metingen of analyses die hij zelf uitvoert en het laboratorium die de goedkeuring van de methode, vermeld in paragraaf 3 verleend heeft. De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.


Subafdeling 4.2.5.4.
Controleprogramma bij de lozing van afvalwaterzuiveringsinstallaties waarin "stedelijk" afvalwater wordt behandeld

Art. 4.2.5.4.1.

§ 1.

In toepassing van artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden met het oog op de controle op de naleving van de toepasselijke emissiegrenswaarden debietsevenredige 24-uurmonsters of tijdsevenredige 24-uurmonsters genomen op vaste plaatsen in de inlaat en in de afvoer van de behandelingsinstallatie. Bij gebruik van tijdsevenredige monsters wordt een monsternamepauze van maximaal 10 minuten gehanteerd. De registratie van de debietsmeting moet naast het ogenblikkelijk resultaat ook het uurdebiet en het 24-uurdebiet weergeven. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moet het debiet van het effluentwater continu geregistreerd worden.

 

Hierbij worden goede internationale laboratoriumpraktijken toegepast die gericht zijn op een zo gering mogelijke achteruitgang van het monster tussen de monsterneming en de analyse.

 

Ongeacht wat ter zake in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is opgelegd, moet geen enkele andere parameter dan het debiet continu worden bemonsterd noch gemeten.

 

§ 2.

Ongeacht wat ter zake in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is opgelegd, moeten op de debiets- of tijdsevenredige 24-uurmonsters, bedoeld in § 1, enkel worden bepaald:

 

het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof, het gehalte aan totale fosfor, en het gehalte van de metalen totaal arseen, totaal cadmium, totaal chroom, totaal koper, totaal kwik, totaal lood, totaal nikkel, totaal zilver en totaal zink.


Art. 4.2.5.4.2.

§ 1.

De in artikel 4.2.5.4.1. bedoelde metingen en analyses moeten worden uitgevoerd en beoordeeld overeenkomstig het programma en de criteria beschreven in bijlage 4.2.5.4.

 

§ 2.

De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthouders ligt.


Afdeling 4.2.6.
Beoordeling van de meetresultaten bij controle door de toezichthoudende overheid


Art. 4.2.6.1.

§ 1.

Bij het nemen van monsters van het geloosde afvalwater (bedrijfsafvalwater en koelwater), in het kader van de technische controle op de lozing van afvalwater, , vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt ofwel minstens één schepmonster genomen ofwel een debietproportioneel 24uur-mengmonster ofwel gelijktijdig zowel minstens één schepmonster als een debietproportioneel 24uur-mengmonster.

 

§ 2.

Indien bij de analyse van een schepmonster blijkt dat de voor de parameters gemeten waarde, zonder verrekening van precisie en juistheid, hoger is dan tweemaal de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden. Voor de parameters debiet, zuurtegraad, temperatuur en voor de stoffen van bijlage 2C wordt de grenswaarde evenwel geacht te zijn overtreden wanneer de gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene meetonzekerheidseisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde. Als er geen emissiegrenswaarde voorhanden is, moet er getoetst worden aan het indelingscriterium voor gevaarlijke stoffen conform bijlage 2.3.1.

 

§ 3.

Indien bij de analyse van een schepmonster blijkt dat de voor een parameter, andere dan debiet, zuurtegraad, temperatuur en de stoffen van bijlage 2C, gemeten waarde lager is dan of gelijk is aan tweemaal de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde doch, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameter voorziene meetonzekerheidseisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde of indelingscriterium, (of bij gebrek hieraan de rapportagegrens die voor die parameter geldt ), dient te worden overgegaan tot de evaluatie van de voor die parameter gemeten waarde in een tweede monster. Dit tweede monster is ofwel het debietproportioneel 24uur-mengmonster dat gelijktijdig met het eerste monster genomen is of, indien slechts één monster genomen werd, een nieuw monster dat binnen een redelijke termijn genomen wordt. Indien ook de in dit tweede monster gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene meetonzekerheidseisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

 

§ 4.

Indien bij de analyse van een debietproportioneel 24uur-mengmonster blijkt dat de voor een parameter gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameter voorziene meetonzekerheidseisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde of indelingscriterium, (of bij gebrek hieraan de rapportagegrens die voor die parameter geldt ), wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

 

§ 5.

Voor de beoordeling van grenswaarden voor lozingsvrachten wordt de concentratie in het debietproportioneel 24 uur-mengmonster vermenigvuldigd met het totaal geloosde debiet over deze 24 uur, telkens na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene meetonzekerheidseisen. Indien blijkt dat deze geloosde vracht hoger is dan de grenswaarde voor deze lozingsvracht, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

 

§ 6.

Voor de beoordeling van verhoudingen van parameters worden de concentraties in het debietproportioneel 24 uur-mengmonster gebruikt. Indien de daarmee berekende waarde meer dan 50% afwijkt van de grenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.


Tussentitel:.
Lozing van huishoudelijk afvalwater


Afdeling 4.2.7.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan nog niet definitief in vastgesteld


Subafdeling 4.2.7.1.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in de gewone oppervlaktewaters of in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater

Art. 4.2.7.1.1. [...]

Art. 4.2.7.1.2. [...]

Subafdeling 4.2.7.2.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering

Art. 4.2.7.2.1. [...]

Subafdeling 4.2.7.3.
Werking en onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties, zoals septische putten

Art. 4.2.7.3.1. [...]

Afdeling 4.2.8.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld


Subafdeling 4.2.8.1.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied of het collectief te optimaliseren buitengebied


Art. 4.2.8.1.1.

§ 1.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, luiden de algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied of het collectief te optimaliseren buitengebied als volgt:

het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
de pH van het geloosde water mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen;

het het biochemisch zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20 °C van het geloosde water mag volgende waarde niet overschrijden: 25 milligram zuurstofverbruik per liter
in het geloosde afvalwater mag het volgende gehalte niet overschreden worden : 60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
bovendien mag het geloosde afvalwater geen stoffen bevatten van bijlage 2C in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, noch alle andere stoffen, met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora of fauna;

een representatief monster van het geloosde afvalwater mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een schei-trechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden
de installatie moet lekvrij zijn, structureel stabiel, duurzaam en corrosiebestendig.

 

 

§ 2.

Voor lozingen gelegen in een individueel te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 te zijn voldaan indien het water minstens wordt gezuiverd door middel van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, waarvan de capaciteit is afgestemd op het aangesloten IE. Het verwijderingspercentage van deze individuele behandelingsinstallatie bedraagt minimaal 90 % voor biochemisch zuurstofverbruik en minimaal 70 % voor zwevende stoffen.

 

§ 3.

De inrichtingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt verleend voor het bouwen of herbouwen van een gebouw na de vaststelling van het definitief zoneringsplan, moeten onmiddellijk aan paragraaf 1 en 2 van dit artikel voldoen.

 

Voor de inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het bouwen of herbouwen van een gebouw wordt verleend voor de vaststelling van het definitief zoneringsplan, gaan de voorwaarden van deze subafdeling die in strengere zin afwijken van de situatie zoals die bestond voor de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan, in voege ten laatste op 22 december 2015, tenzij anders vermeld in het uitvoeringsplan. Evenwel wordt geacht dat in dit geval met een bestaande individuele behandelingsinstallatie wordt voldaan aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 4.

Voor lozingen in het collectief te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te zijn voldaan, als het afvalwater minstens gezuiverd wordt met een individuele voorbehandelingsinstallatie, die conform de code van goede praktijk gebouwd en uitgebaat is.

 

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van meer dan tien tijdelijke sanitaire installaties die geplaatst worden in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, wordt het afvalwater minstens gezuiverd met een individuele behandelingsinstallatie waarvan de capaciteit is afgestemd op de aan te sluiten vuilvracht.

 

§ 5.

Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied, is de noodzaak tot afkoppeling van de bestaande individuele voorbehandelingsinstallatie in het veranderde gedeelte afhankelijk van de afwateringssituatie en/of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie.

 

§ 6.

Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied moeten de bestaande individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater in het veranderde gedeelte afgekoppeld worden.


Art. 4.2.8.1.2.

Wanneer de openbare weg niet van openbare riolering is voorzien en het bovendien niet mogelijk blijkt het afvalwater overeenkomstig de wetten en reglementen, in een naburige waterloop te lozen, is de lozing van huishoudelijk afvalwater in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater in toepassing van artikel 4.2.1.3 toegelaten onder dezelfde voorwaarden als deze van artikel 4.2.8.1.1.


Subafdeling 4.2.8.2.
Lozing van huishoudelijk afvalwater in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied


Art. 4.2.8.2.1.

§ 1.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld is de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied, toegelaten onder de volgende algemene voorwaarden :

 

het geloosde afvalwater mag noch textielvezels, noch verpakkingsmateriaal in plastiek, noch vaste huishoudelijke afvalstoffen van organische of niet organische aard bevatten.
het geloosde afvalwater mag niet bevatten :
a)minerale oliën, ontvlambare stoffen en vluchtige solventen;
b)andere stoffen extraheerbaar met petroleumether, met een gehalte van hoger dan 0,5 g/l;
c)andere stoffen die het rioleringswater giftig of gevaarlijk kunnen maken.

 

§ 2.

In het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied wordt het huishoudelijk afvalwater bij voorkeur rechtstreeks geloosd in de openbare riolering. Indien de afwateringssituatie of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie dit vereist, kan door het gemeentebestuur opgelegd worden dat het afvalwater via een individuele voorbehandelingsinstallatie moet worden geleid alvorens te lozen in de openbare riolering.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

[...]


Art. 4.2.8.2.2.

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, afkomstig van een tijdelijke sanitaire installatie die geplaatst wordt in openlucht bij een publiek toegankelijke inrichting, moet een uitdrukkelijke schriftelijke toelating van de exploitant van de rioolwaterzuiveringsinstallatie verkregen worden.

 

In de aktename van de melding kunnen bijkomende voorwaarden in functie van de optimale werking van het afwaartse rioleringsstelsel, inclusief aanwezige overstorten, en van de rioolwaterzuiveringsinstallatie worden opgelegd.


Subafdeling 4.2.8.3.
Werking en onderhoud van inidividuele voorbehandelingsinstallaties


Art. 4.2.8.3.1.

De werking en het onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties moeten aan volgende algemene bepalingen beantwoorden :

het lozen van geruimd septisch materiaal in de openbare riolering of in de collectoren is verboden.
septisch materiaal moet afgevoerd worden naar een openbare waterzuiveringsinstallatie.

De openbare waterzuiveringsinstallatie kan (een deel van) de aangevoerde lading weigeren dewelke moet worden afgevoerd naar een daartoe vergunde verwerker.


Subafdeling 4.2.8.4.
Overgangsregels


Art. 4.2.8.4.1. [...]

Hoofdstuk 4.3.
BEHEERSING VAN BODEM- EN GRONDWATERVERONTREINIGING


Afdeling 4.3.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.3.1.1.

§ 1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de lozingen in grondwater, zoals bedoeld in rubriek 52 van de indelingslijst.

 

§ 2.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op:

de uitspreiding van meststoffen mits de opgelegde grenswaarden of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaanwijzingen volgens een code van goede praktijk worden nageleefd;
buiten de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III, de uitspreiding van stoffen voor gebruik in land- en tuinbouw, mits de opgelegde grenswaarden of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaanwijzingen worden nageleefd;
het direct of indirect lozen, het deponeren of opslaan van produkten en stoffen, die in zulk een geringe hoeveelheid en concentratie stoffen bevatten van de lijsten I en II van de bijlage 2B, dat elk gevaar voor de verontreiniging van het ontvangende grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten.
de injectie van kooldioxidestromen met het oog op opslag in geologische formaties die door hun aard blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden, op voorwaarde dat dergelijke injecties plaatsvinden overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond dan wel op grond van artikel 37, tweede lid, van voormeld decreet buiten de werkingssfeer ervan vallen.
het terugvoeren van bij de winning van aardwarmte opgepompt water in hetzelfde geothermische reservoir, op voorwaarde dat dergelijke injecties van water plaatsvinden conform het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond.

 

§ 3.

Directe lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst I en II van bijlage 2B en indirecte lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst I van bijlage 2B kunnen overeenkomstig art. 3 van het Besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen die het grondwater kunnen verontreinigen, niet worden vergund.


Art. 4.3.1.2.

§ 1.

Lozingen van stoffen van lijst I van bijlage 2B

 

Elke lozing van stoffen van lijst I van bijlage 2B in het grondwater is verboden.

 

Handelingen, zoals bedoeld in de rubrieken 52.1.1.3°, 52.1.2. en 52.2.3° waarbij de vermelde gevaarlijke stoffen worden verwijderd of met het oog op hun verwijdering worden gestort, kunnen slechts vergund worden overeenkomstig het bepaalde in art. 2.4.1.1. en mits alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat de stoffen geen aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere eco-systemen.

 

§ 2.

Lozingen van stoffen van lijst II van bijlage 2B

 

elke directe lozing van stoffen van lijst II van bijlage 2B is verboden.
stoffen van lijst II van bijlage 2B kunnen slechts in het grondwater worden geloosd mits alle vereiste voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze lozing:
a) de gezondheid van de mens of de watervoorziening niet in gevaar kan brengen;
b) het leven en de eco-systemen in het water niet kan schaden;
c) een ander rechtmatig gebruik van het water niet kan hinderen.

Afdeling 4.3.2.
Indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater dat stoffen van lijst II van bijlage 2B bevat


Art. 4.3.2.1.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden opgelegd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing op de indirecte lozing van bedrijfsafvalwater in grondwater, zoals vermeld in de subrubrieken 52.1.1, 2°, en 52.2, 2°, van de indelingslijst :

 

elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd is verboden;
elke lozing van afvalstoffen, zoals afvalolie, verfresten, e.d., is ten strengste verboden;
de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) een maximale diepte van 10 m onder het maaiveld;
b) zich bevinden op een afstand van ten minste :
  1°  75 m van een oppervlaktewater;
  75 m van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
  200 m van een grondwaterwinning; 
  200 m van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater; 
c) geen overloop hebben; 
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt; 
met betrekking tot de afgevoerde afvalwaters gelden voor de respectieve parameters als emissiegrenswaarden, de richtwaarden als bedoeld in artikel 2.4.1.1; deze emissiegrenswaarden zijn absolute waarden die op elk ogenblik moeten worden nageleefd; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen in functie van de milieukwaliteitsnormen, vastgesteld in artikel 2.4.1.1 en 2.4.2.1, strengere emissiegrenswaarden worden vastgesteld; in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen daarenboven beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de maximum debieten die per uur, per dag, per maand of per jaar naar de besterfput, vermeld in punt 3°, mogen worden afgevoerd;
de indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater dat stoffen van lijst II van bijlage 2B [...] bevat, is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of overeenkomstig artikel 4.2.1.3 in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden.

 


Art. 4.3.2.2.

§ 1.

De bedrijfsafvalwaters moeten vooraleer in de besterfput te worden geloosd:

eerst worden behandeld in een waterbehandelingsinstallatie,;
na behandeling afgevoerd worden naar een controleput die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk afgevoerde afvalwater te controleren, en inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van dit afvalwater te nemen.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde controleput moet beantwoorden aan de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden opgelegd dat langs deze controleput geen huishoudelijk afvalwater of hemelwater mag worden afgevoerd.

 

§ 3.

In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant op zijn kosten in de omgeving van de besterfput tenminste drie grondwatermeetputten aan te leggen teneinde tot de controle van het grondwater te kunnen overgaan. Tenminste één meetput dient zich te bevinden in het gebied waar het grondwater binnenstroomt (0-niveau) en twee meetputten in het gebied waar het grondwater uitstroomt. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan de ligging en de diepte van de putten nader worden bepaald.

 

Voormelde grondwatermeetputten dienen daarenboven te voldoen aan de volgende voorwaarden:

elke meetput is duidelijk geïdentificeerd;
de peilputten worden met een slot afgegrendeld;
een nivelleringsstreep met vermelding van het bijhorende TAW-niveau (Tweede Algemene Waterpassing) is duidelijk aangebracht;

 

De Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten. Na het aanleggen dienen deze meetputten aan een testpomping onderworpen. De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthouder.


Art. 4.3.2.3.

§ 1.

Indien de maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater die naar de in artikel 4.3.2.1. bedoelde besterfput wordt afgevoerd, groter is dan 10 m3 per dag of 250 m3 per maand of 2.500 m3 per jaar, dient de exploitant daarenboven op zijn kosten over te gaan tot de volgende metingen:

controle op de in de besterfput geloosde afvalwaters:
a) continue meting van het debiet;
b) driemaandelijkse meting van het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof alsmede het gehalte aan totale fosfor;
c) halfjaarlijkse meting van de som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink alsmede van de som van de metalen cadmium en kwik;
d) meting van de andere relevante parameters die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn opgelegd, waaronder stoffen die niet van nature uit voorkomen in de te beschermen watervoerende laag;
ter controle van het grondwater dienen de volgende parameters in het water in de in artikel 4.3.2.2. bedoelde grondwatermeetputten tenminste halfjaarlijks gemeten:
- het grondwaterniveau;
- BZV;
- CZV;
- geleidingsvermogen;
- T.O.C.
- geabsorbeerde organisch gebonden halogenen (AOX);
- arseen;
- lood;
- cadmium;
- chroom;
- cyanide;
- dezelfde stoffen als bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit in toepassing van 1°, d) hierboven.

 

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde metingen en analyses dienen te gebeuren op kosten van de exploitant, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, hetzij door dit laboratorium zelf.

 

§ 3.

In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant de resultaten van de uitgevoerde metingen bij te houden in een meetdossier dat steeds ter inzage dient gehouden van de toezichthouders.


Afdeling 4.3.3.
Indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater


Art. 4.3.3.1.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen worden opgelegd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing op de indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater, zoals vermeld in de subrubriek 52.1.1, 1°, en 52.2, 1°, van de indelingslijst :

 

elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd is verboden;
alleen de lozing van huishoudelijk afvalwater is toegestaan; het is verboden hierin afvalstoffen te lozen of te laten toekomen;
de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) een maximale diepte van 10 m onder het maaiveld;
b) zich bevinden op een afstand van ten minste :
  50 m van een oppervlaktewater;
  50 m van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater; 
  100 m van een grondwaterwinning; 
  100 m van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater;  
c) geen overloop hebben;
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt; 
de indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of overeenkomstig artikel 4.2.1.3 in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden;
het huishoudelijk afvalwater moet voor het in een besterfput geloosd wordt, behandeld worden volgens de algemene voorwaarden, vermeld in [...] afdeling 4.2.8.

 


Hoofdstuk 4.4.
BEHEERSING VAN LUCHTVERONTREINIGING


Afdeling 4.4.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.4.1.1. [...]

Art. 4.4.1.2.

In de beschermingszones en in de speciale beschermingszones, zoals gedefinieerd in art. 1.1.2. is, onverminderd de bepalingen van dit reglement die voor het hele grondgebied, met inbegrip van bedoelde zones, van toepassing zijn, het gebruik van voor verwarming van gebouwen bestemde brandstof aan volgende regels onderworpen:

a) de verbranding van turf, van bruinkool en van niet-rookloze kolenagglomeraten is verboden
b) het zwavelgehalte van vloeibare brandstoffen mag niet meer bedragen dan 1 % van het gewicht, ongeacht het type van de gebruikte vloeibare brandstof;
c) het gehalte aan vluchtige zwavel van vaste brandstoffen mag niet meer bedragen dan 1 % van het gewicht.

Afdeling 4.4.2.
Algemene installatievoorschriften


BBT.


Art. 4.4.2.1.

De installaties worden ontworpen, gebouwd en geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk zodat de luchtverontreiniging die van die installaties afkomstig is, maximaal wordt beperkt en indien mogelijk zelfs wordt voorkomen. De installaties worden daarvoor uitgerust en geëxploiteerd met middelen ter beperking van de emissies die met de beste beschikbare technieken overeenkomen. De emissiebeperkende maatregelen zijn gericht op zowel een vermindering van de massaconcentratie als een vermindering van de massastromen van de installatie uitgaande luchtverontreiniging. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

maatregelen ter vermindering van de hoeveelheid afgas, zoals inkapselen van installatiedelen en doelgericht opvangen van stromen afgas;
maatregelen ter optimalisering van de gebruikte stoffen en energie;
maatregelen ter optimalisering van de handelingen voor opstarten en stilleggen en overige bijzondere bedrijfsomstandigheden.

 

Voor bestaande installaties wordt bij de toepassing van de eis met betrekking tot het gebruik van de beste beschikbare technieken, vermeld in het eerste lid, rekening gehouden met:

de technische kenmerken van de inrichting;
de gebruiksgraad en de residuele levensduur van de inrichting;
de aard en het volume van de verontreinigende emissies van de inrichting;
de wenselijkheid om geen overmatige hoge kosten te veroorzaken voor de betrokken inrichting, met name rekening houdend met de economische situatie van de ondernemingen die tot de betrokken categorie behoren.

Evacuatie afvalgassen.


Art. 4.4.2.2.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.4.2.1 worden dampen, nevels en afgassen op de plaats waar ze ontstaan opgevangen en, na de eventueel noodzakelijke zuivering ter naleving van de emissie- en immissievoorschriften die van toepassing zijn, geëmitteerd.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vindt de emissie naar de lucht plaats via een schoorsteen die minstens 1 meter hoger is dan de nok van het dak van de woningen, bedrijfs- en andere gebouwen die gewoonlijk door mensen bezet zijn, gelegen in een straal van 50 meter rond de schoorsteen. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan een minimumschoorsteenhoogte worden opgelegd. Dit tweede lid is niet van toepassing voor bestaande inrichtingen.

 

De schoorsteen is, met behoud van de toepassing van artikel 4.4.2.3, voldoende hoog met het oog op een voldoende spreiding van de geloosde stoffen vanuit milieuoogpunt en voor de volksgezondheid.

 

De schoorsteen wordt uitgerust met meetopeningen, uitgevoerd overeenkomstig een code van goede praktijk en, met het oog op de veilige en praktische uitvoering van de controlemetingen, met een meetplatform of gelijkwaardig alternatief.

 

Voor installaties die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het vierde lid, vanaf 1 juli 2017, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

De afvalgassen dienen in elk geval via één of meer schoorstenen of andere geleide kanalen geloosd wanneer de totale emissies afkomstig van de inrichting voor één of meer van de volgende verontreinigende stoffen de hierna aangegeven emissiewaarde (onder emissiewaarde wordt hier verstaan: de gemiddelde waarde per bedrijfsuur van de emissies over één kalenderweek onder de inzake luchtverontreiniging meest ongunstige normale bedrijfsomstandigheden) overschrijdt:

 

 

Parameter

emissiewaarde in kg/uur

Stikstofoxiden (uitgedrukt in NO)

40

Zwaveldioxide

60

totaal stof

15

Lood

0,5

Cadmium

0,01

Thallium

0,01

Chloor

20

Chloorwaterstof en anorganische gasvormige chloorverbindingen (uitgedrukt in Cl)

20

Fluorwaterstof en anorganische gasvormige fluorverbindingen (uitgedrukt in F)

1

Koolmonoxide

1.000

 

 


Minimumhoogte schoorstenen of geleide kanalen.


Art. 4.4.2.3.

§ 1.

Als de emissies van verontreinigende stoffen meer bedragen dan de emissiewaarden vermeld in artikel 4.4.2.2, §2, wordt de minimumhoogte van de schoorsteen bepaald conform het schoorsteenhoogte- en verspreidingsberekeningssysteem, vermeld in bijlage 4.4.1. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de minimumhoogte wordt bepaald volgens een andere gelijkwaardige code van goede praktijk goedgekeurd door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL.

 

[...]

 

§ 2.

In geval de werkelijke hoogte van de schoorsteen [...] om stedebouwkundige redenen, om redenen van ruimtelijke ordening of enige andere reden, lager is dan de minimumhoogte resulterend uit het in paragraaf 1 vermelde berekeningssysteem, worden de toelaatbare emissies van verontreinigende stoffen verder beperkt tot de emissiegrenswaarden die volgens het in het eerste lid vermelde berekeningssysteem geen aanleiding geven tot een overschrijding van de overeenkomstig dit reglement van toepassing zijnde milieukwaliteitsnormen voor de lucht.


Mededelingsplicht.


Art. 4.4.2.4.

De exploitant houdt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, ter beschikking van de toezichthouder. Bij de exploitatie van een nieuwe installatie wordt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, uitgevoerd vóór de ingebruikname van de installatie.


[...].


Art. 4.4.2.5. [...]

Afdeling 4.4.3.
Emissiegrenswaarden


Art. 4.4.3.1.

§ 1.

De algemene emissiegrenswaarden, vermeld in bijlage 4.4.2, zijn van toepassing op de geloosde afgassen.

 

Bij aanwezigheid van verscheidene stoffen die samen onder een van de punten 6°, 7°, 8°, 9° 10°, 11°, 12°, 13°, 14° en 15°, vermeld in bijlage 4.4.2, zijn geklasseerd, gelden de emissiegrenswaarden, die per stof zijn voorgeschreven, ook voor de som van de verschillende samen onder één subpunt geklasseerde stoffen.

 

Bij aanwezigheid van stoffen als vermeld in punt 9°, 10° en 11° van bijlage 4.4.2, mag, bij een totale massastroom van 3 kg/uur of meer, de massaconcentratie in het afgas 150 mg/Nm³ niet overschrijden.

 

§ 2.

Stoffen die niet in de lijst van organische stoffen voorkomen, worden gerekend tot de groep waarvan de stoffen wat betreft hun invloed op het milieu die stoffen het meest nabijkomen. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afbreekbaarheid en bio-accumulatie, toxiciteit, invloeden van afbraakprocessen met hun betreffende reactieproducten en geurintensiteit. Dat kan geregeld worden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Art. 4.4.3.2.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen:

in functie van de milieukwaliteitsnormen voor de lucht strengere emissiegrenswaarden worden opgelegd;
bij emissies waar stoom het dragergas en hoofdbestanddeel is, in afwijking van artikel 4.4.3.3, §1, de emissiegrenswaarden met inbegrip van het watergehalte worden toegepast. Emissies met natte pluimen als gevolg van natte gaswassers zijn uitgesloten van deze bepaling; de vergunningverlenende overheid doet daarover uitspraak in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
emissiegrenswaarden voor bepaalde stoffen worden opgelegd, uitgedrukt in massastromen;
emissiebeperkingen worden opgelegd voor al dan niet gespecifieerde stoffen, uitgedrukt in maximale stofneerslaghoeveelheden op de bodem in de omgeving van de inrichting of in milieukwaliteitsnormen in de omgevingslucht rondom de inrichting.

Art. 4.4.3.3.

§ 1.

Emissiegrenswaarden in de vorm van concentraties worden uitgedrukt in mg/Nm³ en hebben betrekking op geleide emissies in de volgende omstandigheden: temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, droog gas. De luchthoeveelheden die naar een onderdeel van de installatie worden toegevoerd om het afgas te verdunnen of af te koelen, blijven bij de bepaling van de emissiewaarden buiten beschouwing.

 

§ 2.

De emissiegrenswaarden gelden voor elk emissiepunt waarvoor de grensmassastroom, vermeld in bijlage 4.4.2 of in andere bepalingen van dit besluit, wordt overschreden.

Als voor de hele milieutechnische eenheid de grensmassastroom, vermeld in bijlage 4.4.2 of in andere bepalingen van dit besluit, wordt overschreden, voldoet ook de debietgewogen gemiddelde concentratie van de emissies uit de milieutechnische eenheid aan de emissiegrenswaarden.

 

Voor de bepaling van de emissies van de milieutechnische eenheid wordt er bij de start van het meetprogramma gemeten op alle emissiepunten. Hetzelfde geldt bij wijzigingen in het productieproces die een wijziging van de emissies kunnen veroorzaken.

 

Op basis van de met toepassing van het eerste lid verkregen meetresultaten kunnen voor de verdere meting deelstromen worden weggelaten die niet of niet significant bijdragen tot de emissies. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt het weglaten van de metingen op bepaalde deelstromen aanvaard in een van de volgende gevallen:

als de som van emissies van de gemeten deelstromen niet minder bedraagt dan 95% van de emissies van de betrokken verontreinigende stof voor de hele milieutechnische eenheid;
als dat vooraf is goedgekeurd door detoezichthouder.

 

De meetfrequentie, vermeld in bijlage 4.4.3, en het controleprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, worden toegepast op het geheel van de milieutechnische eenheid.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, geldt voor de geloosde afgassen een referentiezuurstofgehalte van 18% als naverbranding gebruikt wordt als afgasreinigingstechniek.

 

§ 4.

Voor de berekening van de emissiewaarden bij het referentiezuurstofgehalte wordt de volgende omrekeningsformule gebruikt:

 

ER= EM * ((21-OR)/ (21-OM)), waarbij:

EM: gemeten emissie;
ER: emissie betrokken op referentiewaarde;
OR: referentiezuurstofgehalte;
OM: gemeten zuurstofgehalte.

Afdeling 4.4.4.
Meetstrategie en toetsing meetwaarden


Art. 4.4.4.1.

§ 1.

De parameters SOx, NOx, en totaal stof worden ten minste maandelijks op kosten van de exploitant gemeten als de massastroom van de beschouwde stof meer bedraagt dan respectievelijk 5 kg SOx/h, uitgedrukt als SO2, 5 kg NOx/h, uitgedrukt als NO2, of 0,5 kg stof/h.

 

§ 2.

Als de massastroom van de parameters SO2, NOx en totaal stof, groter is dan respectievelijk 50 kg SO2/h, 30 kg NOx/h, uitgedrukt als NO2, of 5 kg stof/h, worden de emissiewaarden van die stof of die stoffen continu gemeten.

 

Als de emissiewaarden voor zwaveldioxide continu gemeten worden, kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden op welke wijze de emissiewaarden voor zwaveltrioxide bepaald worden en inbegrepen worden in de toetsing aan de emissiegrenswaarde voor zwaveloxiden.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de continue metingen, vermeld in het eerste lid, worden vervangen door andere controles die de emissiewaarden met een gelijkwaardige nauwkeurigheid kunnen bepalen, met goedkeuring door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Als de voormelde andere controles komen in aanmerking:

de continue vaststelling van de doeltreffendheid van de installaties tot emissievermindering;
de continue vaststelling van de samenstelling van de brandstoffen of van de verwerkte stoffen of van de procesomstandigheden;
enige andere gelijkwaardige continue controle.

 

In het geval, vermeld in het derde lid, wordt ten minste eenmaal per maand gemeten.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen daarenboven de volgende metingen worden opgelegd:

metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van emissies van andere relevante parameters;
metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van immissies van bepaalde stoffen in de omgeving van de inrichting;
metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van de neerslag van bepaalde stoffen op de bodem in de omgeving van de inrichting.

 

§ 4.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 en 3, geldt met betrekking tot de meetmethode, de monsterneming, de te meten relevante parameters, de meetfrequentie, het controlemeetprogramma en de beoordeling van de meetresultaten van de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn, de meetstrategie voor luchtverontreinigende stoffen, vermeld in artikel 4.4.4.2 tot en met 4.4.4.5, en bijlage 4.4.3 en 4.4.4.

 

Voor installaties die niet continu in bedrijf zijn, kan, na goedkeuring door de toezichthouder, de meetfrequentie worden afgestemd op de periodes dat de installatie effectief in gebruik is. De werking van de installatie wordt in dat geval continu geregistreerd.

 

§ 5.

Tegelijkertijd met de uitvoering van de periodieke en continue metingen van de relevante parameters, worden de betrokken procesparameters, namelijk minimaal waterdampgehalte, temperatuur, druk en debiet periodiek dan wel continu gemeten en geregistreerd. De meting van die procesparameters is niet vereist als die maar een beperkte variatie vertonen die verwaarloosbaar is voor de bepaling van de emissiewaarden of als die met andere methoden met een voldoende zekerheid bepaald kunnen worden.


Art. 4.4.4.2.

§ 1.

De meetmethode omvat de monsterneming, de analyse en de berekening van het resultaat.

 

§ 2.

De bemonstering en analyse van de verontreinigende stoffen in kwestie en de metingen van procesparameters, alsook de referentiemeetmethoden om de geautomatiseerde systemen te ijken, worden uitgevoerd volgens de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2. Als er geen meetmethoden zijn opgenomen in deze bijlagen, worden de volgende methoden toegepast:

de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;
de methoden, vermeld in Belgische normen die uitgegeven zijn door het NBN;
de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door de International Organisation for Standardization (ISO);
de methoden van een in die materie onderlegde instelling of erkend laboratorium, die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL, en de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, geschikt bevonden zijn.

 

De volgorde, vermeld in het eerste lid, is bepalend. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, kan de methoden, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, nader bepalen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden toegestaan dat de meetmethoden, vermeld in het eerste lid, vervangen worden door andere controles die de emissiewaarden met een gelijkwaardige nauwkeurigheid kunnen bepalen, met goedkeuring door een erkend MER-deskundige in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL. Als de voormelde andere controles komen in aanmerking:

de continue vaststelling van de doeltreffendheid van de installaties tot emissievermindering;
de continue vaststelling van de samenstelling van de brandstoffen of van de verwerkte stoffen of van de procesomstandigheden;
enige andere gelijkwaardige controle;
het opmaken van massabalansen.

 

Voor de meting van asbestemissies, wordt hetzij de gravimetrische methode, hetzij de telbare-vezelmethode, vermeld in bijlage 4.4.5, aangewend.

 

§ 3.

De bepalingsdrempel, de gevoeligheid, de precisie en de betrouwbaarheid van de methode zijn aangepast aan de emissiegrenswaarde die voor de te meten stof voorgeschreven is. Het meetbereik bestrijkt ten minste het gebied dat gelegen is tussen 0,1 maal de emissiegrenswaarde en drie maal de emissiegrenswaarde.

In afwijking van het eerste lid is in geval van geautomatiseerde meetsystemen de vereiste van een meetbereik tot drie maal de emissiegrenswaarde ondergeschikt aan de vereiste voor aangepaste gevoeligheid, precisie en betrouwbaarheid, voor zover piekconcentraties steeds gemeten kunnen worden.

 

§ 4.

De periodieke metingen die overeenkomstig dit besluit of door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd op kosten van de exploitant door een voor deze metingen erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, of door de exploitant zelf.

 

Als de metingen uitgevoerd worden door de exploitant, worden de apparatuur en de meetmethode goedgekeurd door een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende meting. De goedkeuring wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk. Die goedkeuring is geldig voor maximaal drie jaar.

 

In afwijking van de methode, vermeld in het eerste lid van paragraaf 2, kan een gelijkwaardige inrichtingspecifieke methode gebruikt worden nadat de goedkeuring, vemeld in het tweede lid, is bekomen van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4, §1, 36°, van het VLAREL. De continue metingen die overeenkomstig dit besluit of door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd op initiatief van en op kosten van de exploitant door middel van geautomatiseerde meetsystemen die zijn goedgekeurd door een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende continue meting.

 

De geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden gecontroleerd en worden ten minste om de drie jaar gekeurd of gekalibreerd door een laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, dat erkend is voor de desbetreffende continue meting. De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen wordt tot 30 juni 2017 uitgevoerd conform een code van goede praktijk. Vanaf 1 juli 2017 wordt de kwaliteitsborging uitgevoerd volgens de CEN-normen en de bijkomende bepalingen uit de code van goede praktijk.

 

§ 5.

Bij de beoordeling van de eerbiediging van de emissiegrenswaarden mag de som van alle systematische en toevallige fouten van de monsterneming en de analyse samen niet meer bedragen dan 30% van het resultaat van de meting, met uitzondering van de meting van asbestemissies. De meting van asbestemissies moet voldoen aan de bepalingen, vermeld in bijlage 4.4.5.

 

§ 6.

De exploitant meldt aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de metingen die hij zelf uitvoert en het laboratorium dat de goedkeuring van de meetmethode, vermeld in paragraaf 4, verleend heeft. De exploitant houdt deze goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.


Art. 4.4.4.3.

Voor het bepalen van een meetwaarde kunnen de volgende bemonsteringsmethoden worden aangewend:

continue bemonstering gedurende de volledige referentieperiode;
bemonstering gedurende een aantal opeenvolgende tijdsintervallen van één uur die de volledige referentieperiode omvatten; de meetwaarde overeenstemmend met de beschouwde referentieperiode wordt daarbij berekend als het tijdgewogen rekenkundige gemiddelde van de verschillende metingen;
3°  discontinue bemonstering, tijdens de referentieperiode, waarbij de monsternemingsduur van de verschillende bemonsteringen ten hoogste een factor 2 mag verschillen. In dat geval wordt afhankelijk van de toegepaste monsternemingsduur ten minste het volgende aantal monsters genomen:
a)

voor een referentieperiode van 1 uur:

monsternemingsduur

aantal monsters

< 2,5 minuten

4

2,5 tot 15 minuten

3

15 tot 30 minuten

2

>30 minuten

1

  b)

voor referentieperioden die langer dan 1 uur duren:

monsternemingsduur

aantal monsters

< 15 minuten

4 of meer

15 tot 60 minuten

3 of meer

1 tot 2 uur

2 of meer

2 uur of meer

1

 

De monsternemingsduur of frequentie wordt zo nodig verhoogd als men met de aangegeven monsternemingsduur of frequentie niet tot een betrouwbaar eindresultaat komt.

 

De referentieperiode kan worden opgesplitst in de tijd in verschillende periodes van ten minste 1 uur als dat vereist is om tot een representatief eindresultaat te komen.

 

De uitvoerder van de metingen verifieert dat de gekozen monsternemingsduur en meetfrequentie en in voorkomend geval het opsplitsen in de tijd een representatief gemiddelde oplevert voor de voorgeschreven referentiemethode.


Art. 4.4.4.4.

§ 1.

Met behoud van de toepassing van de metingen die overeenkomstig de andere bepalingen van dit besluit of door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn voorgeschreven, worden op kosten van de exploitant in de geloosde afgassen de parameters, vermeld in bijlage 4.4.3, met de aangegeven meetfrequentie gemeten.

 

Bij aanwezigheid van verscheidene stoffen die onder hetzelfde punt in bijlage 4.4.2 zijn geklasseerd, gelden de meetfrequenties die per stof zijn voorgeschreven, ook voor de som van de verschillende stoffen die onder hetzelfde punt in de voormelde bijlage geklasseerd zijn, behalve voor de stoffen, vermeld in punt 2°, 3°, 4° en 5°, van de voormelde bijlage.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan daarenboven de meting van parameters waarvan de meting niet door dit besluit is voorgeschreven, worden opgelegd. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden ook die relevante parameters gemeten volgens de meetfrequentie die wordt voorgeschreven in dit artikel.

 

Voor alle parameters die voor de betrokken activiteiten relevant zijn en waarvoor de meetfrequentie noch in dit artikel, noch in andere delen van dit reglement, noch in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, is bepaald, geldt een zesmaandelijkse meetfrequentie.

 

§ 2.

De meetfrequentie, vermeld in paragraaf 1, wordt nageleefd gedurende het eerste jaar na de ingebruikname van de installatie. Als de exploitant het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, toepast, kan na die periode de meetfrequentie voor een of meer parameters aangepast worden conform bijlage 4.4.4.


Art. 4.4.4.5.

Het geloosde afgas, al of niet na behandeling in een afgasbehandelingsinstallatie, wordt in de volgende gevallen en onder de volgende voorwaarden geacht in overeenstemming te zijn met emissiegrenswaarden die zijn opgelegd in dit besluit of in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit:

in geval er geen maandelijkse of met een grotere frequentie uitgevoerde periodieke meting uitgevoerd wordt: als elke waarde die gemeten wordt gedurende de referentieperiode, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, lager is dan of gelijk aan de emissiegrenswaarde die door dit reglement of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt voorgeschreven;
in geval er een maandelijkse of met een grotere frequentie uitgevoerde periodieke meting uitgevoerd wordt: als aan ten minste een van de beide volgende voorwaarden is voldaan:
a) als elke gedurende de referentieperiode gemeten waarde, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, lager is dan of gelijk aan de door dit besluit of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteitomgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voorgeschreven emissiegrenswaarde;
b) als tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1) geen enkele van de, op basis van de gedurende de referentieperiode gemeten waarden, berekende daggemiddelde waarden mag, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, de emissiegrenswaarde, die door dit besluit of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt voorgeschreven, overschrijden;
2) van al de in een bepaald kalenderjaar gedurende de referentieperiode gemeten gemiddelden, mag, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, maximaal het aantal, vermeld in punt 3°, gedurende de referentieperiode gemeten gemiddelden de emissiegrenswaarde, die door dit besluit of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt voorgeschreven, overschrijden;
3) geen enkel gedurende de referentieperiode gemeten gemiddelde, mag, na verrekening van de vereiste nauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, §5, hoger zijn dan de waarde die overeenstemt met tweemaal de emissiegrenswaarde, die door dit besluit of de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt voorgeschreven. Deze bepaling geldt evenwel niet voor opstart- en stilleghandelingen waarbij het overschrijden van het tweevoud van de voorgeschreven emissiegrenswaarde niet kan worden verhinderd; met betrekking tot die opstart- en stilleghandelingen kunnen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bijzondere voorwaarden of beperkingen worden opgelegd;
voor de toepassing van punt 2° wordt het maximale aantal monsters per kalenderjaar, dat niet voldoet aan de emissiegrenswaarden, op basis van het aantal gedurende de referentieperiode uitgevoerde monsternames, als volgt vastgesteld:

aantal per kalenderjaar genomen monsters gedurende de referentieperiode

maximaal toegestaan aantal monsters dat niet voldoet aan de emissiegrenswaarden

12 - 19

0

20 - 40

1

41 - 60

2

61 - 80

3

81 - 100

4

101 - 120

5

121 - 140

6

141 - 160

7

161 - 180

8

181 - 200

9

201 - 220

10

221 - 240

11

241 - 260

12

261 - 280

13

281 - 300

14

301 - 320

15

321 - 340

16

341 - 365

17

bij continue metingen wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden als uit de evaluatie van alle beschikbare resultaten voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar, en rekening houdende met de meetonnauwkeurigheid, volgt dat:
a) geen daggemiddelde boven de emissiegrenswaarde ligt;
b) 97 % van de uur- of halfuurgemiddelden niet hoger ligt dan 6/5 van de emissiegrenswaarde;
c) geen enkel uur- of halfuurgemiddelde hoger ligt dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.
Bij de berekening van de gemiddelde emissiewaarden worden de waarden die zijn gemeten in de periodes van opstarten en stilleggen buiten beschouwing gelaten. 

 

Een dag waarvan meer dan drie uurgemiddelden of meer dan zes halfuurgemiddelden ongeldig zijn wegens storing of onderhoud van het geautomatiseerde meetsysteem, wordt ongeldig verklaard.

Als per jaar meer dan tien dagen ongeldig worden verklaard, treft de exploitant passende maatregelen om de betrouwbaarheid van het geautomatiseerde meetsysteem te verbeteren.


Afdeling 4.4.5.
Wintersmogperiodes


Art. 4.4.5.1. Toepassingsgebied

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen waarvan de totaal door de inrichting geloosde emissies voor één of meer parameters meer bedragen dan de volgende emissiewaarden:

Parameter

emissiewaarde in kg/uur

Stikstofoxiden (uitgedrukt in NO2)

40

Zwaveldioxide

60

Zwevende deeltjes (stof)

15

Chloor en zijn gasvormige anorganische verbindingen, uitgedrukt als Cl

20

Fluor en zijn gasvormige anorganische verbindingen, uitgedrukt als F

1

Koolmonoxide

1.000

 

Onder voormelde emissiewaarde wordt verstaan de gemiddelde waarde per bedrijfsuur van de emissies over één kalenderweek onder de inzake luchtverontreiniging meest ongunstige bedrijfsomstandigheden.


Art. 4.4.5.2. Maatregelen bij smog

Gedurende de periodes van wegens ongunstige meteorologische omstandigheden tijdelijk verhoogde luchtverontreiniging dient de exploitant van een in artikel 4.4.5.1. bedoelde inrichting alle mogelijke maatregelen te treffen om de emissies van verontreinigende stoffen maximaal te beperken. Deze maatregelen zullen inzonderheid betrekking hebben op:
 

1) de tijdelijke beperking van produktieprocessen alsook van verbrandingsprocessen die aanleiding geven tot bedoelde emissies;
2) de tijdelijke overschakeling naar zwavelarme brandstof en zo mogelijk naar aardgas als brandstof;
3) de tijdelijke opschorting van uitstelbare luchtverontreinigende activiteiten;
4) het uitstellen van het opstarten van bepaalde processen wanneer dit met een extra emissie zou gepaard gaan.

Art. 4.4.5.3. Waarschuwingsfase

§ 1.

De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient zich in staat van paraatheid te houden voor het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maatregelen zodra:

1) ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 190 μg/m3;
2) ofwel gedurende drie opeenvolgende uren het gemeten uurgemiddelde van stikstofdioxide in de omgevingslucht hoger is dan 150 μg/m3.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde waarschuwingsfase neemt een einde zodra de gemeten glijdend 24-uurgemiddelde immissiewaarde van zwaveldioxyde lager is dan of gelijk aan 190 μg/m3, respectievelijk de gemeten glijdend uurgemiddelde immissiewaarde van stikstofdioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 150 μg/m3.


Art. 4.4.5.4. Alarmfase

§ 1.

De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient over te gaan tot het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maatregelen telkens wanneer:

1) ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 250 μg/m3;
2) ofwel het gemeten glijdend uurgemiddelde van stikstofdioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 200 μg/m3.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde maatregelen nemen een einde zodra de gemeten glijdend 24-uurgemiddelde immissiewaarde van zwaveldioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 190 μg/m3, respectievelijk de gemeten glijdend uurgemiddelde immissiewaarde van stikstofdioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 150 μg/m3.


Art. 4.4.5.5. De Afdeling , bevoegd voor milieuhandhaving deelt aan de betrokken exploitanten mee wanneer de waarschuwingsfase of de alarmfase ingaan en ook wanneer ze eindigen. Deze gegevens worden tegelijkertijd meegedeeld aan de andere gewesten, aan de buurlanden en aan de pers.

Afdeling 4.4.6.
Meten en beheersen van fugitieve VOS-emissies


Subafdeling 4.4.6.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.4.6.1.1.

Met uitzondering van verticale bovengrondse vaste houders, is deze afdeling van toepassing op de proces- en de op- en overslaginstallaties van:

elke inrichting met een jaarlijkse fugitieve emissie van meer dan 10 ton VOS, berekend volgens de berekeningsmethode van hoofdstuk I van bijlage 4.4.6;
elke inrichting met een jaarlijkse fugitieve emissie van meer dan 2 ton VOS waaraan één of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F zijn toegekend, berekend volgens de berekeningsmethode van hoofdstuk I van bijlage 4.4.6.

 

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de activiteiten van de inrichtingen, vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, noch op koelinstallaties vermeld in rubriek 16.3 van de indelingslijst.


Art. 4.4.6.1.2.

[...]

 

Voor inrichtingen of delen van een inrichting die voor de eerste maal vergund zijn op of na 1 januari 2009, gelden volgende bepalingen :

de beschrijving van de inrichting, vermeld in artikel 4.4.6.2.1, moet beschikbaar zijn bij de indienststelling van de inrichting of van een deel van de inrichting;
de initiële steekproef, vermeld in artikel 4.4.6.2.3, moet uiterlijk afgerond zijn op 31 december volgend op het jaar na de indienststelling;
de eerste berekening van de jaarlijkse fugitieve emissie, vermeld in artikel 4.4.6.2.5, moet uiterlijk 3 maand na het afronden van de initiële steekproef uitgevoerd worden.

Art. 4.4.6.1.3.

Het meet- en beheersprogramma van de subafdeling 4.4.6.2 is niet van toepassing op de volgende apparaten :

onderdelen op onderdruk;
bronnen in leidingen met een diameter kleiner dan 0,5″ (12,7 mm) en knelfittingen;
technisch dichte apparaten zoals gedefinieerd in hoofdstuk IV van bijlage 4.4.6.

 


Subafdeling 4.4.6.2.
Meet- en Beheersprogramma


Art. 4.4.6.2.1.

§ 1.

De exploitant past jaarlijks een meet- en beheersprogramma toe om de fugitieve emissies van de inrichting te bepalen en te beperken.

 

§ 2.

Indien de inrichting opgedeeld wordt in meetblokken, wordt het meet- en beheersprogramma toegepast per individueel meetblok.

 

§ 3.

Het meet- en beheersprogramma omvat alleen de in de inrichting aanwezige apparaten voor zover die in contact komen met :

gasvormige productstromen die bestaan uit meer dan 10 vol% organische stoffen (exclusief methaan) met een dampspanning groter dan 0,3 kPa bij 20 °C;
vloeibare productstromen die bestaan uit organische stoffen waarvan de som van de concentraties van de individuele componenten (exclusief methaan), met een dampdruk groter dan 0,3 kPa bij 20 °C, groter of gelijk is aan 20gew%.

 

§ 4.

Het programma, vermeld in § 1, bestaat uit de volgende onderdelen :

een beschrijving van de inrichting die bestaat uit :
a) een opdeling van de inrichting in meetblokken;
b) een kwantificering van het aantal apparaten per type zoals vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6, op verifieerbare manier gedocumenteerd (bijvoorbeeld per processchema);
een inventaris van apparaten;
een meet- en herstelprogramma;
een berekening van de emissies;
een rapportering.

 


Art. 4.4.6.2.2.

§ 1.

Alle gemeten apparaten moeten op een overzichtelijke en verifieerbare manier (bijvoorbeeld per processchema) geteld en gedocumenteerd worden volgens de types, vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6. Die tellingen worden in de inventaris opgenomen.

 

§ 2.

Als de meetwaarde van een gemeten apparaat het registratiecriterium overschrijdt, moeten binnen een termijn van twee maanden na de meting de volgende gegevens in de inventaris opgenomen of geactualiseerd worden :

identificatie van het apparaat : type, locatie, identificatienummer;
naam product;
beschrijving van de productstroom :
a) gas of vloeibaar;
b) gew% organische stoffen (exclusief methaan; vol% bij gassen), met een dampdruk groter dan 0,3 kPa bij 20 °C;
datum en resultaten van de uitgevoerde metingen;
uitgevoerde reparaties en datum en resultaat van de controlemetingen.

 


Art. 4.4.6.2.3.

§ 1.

Het meetprogramma, vermeld in artikel 4.4.6.2.1, omvat de meting van de fugitieve emissies van de apparaten in de inrichting of meetblokken.

 

§ 2.

Die meting wordt uitgevoerd volgens de meetmethode, beschreven in hoofdstuk II van bijlage 4.4.6.

 

§ 3.

De metingen worden uitgevoerd door een voor deze metingen erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, of door de exploitant. Als de metingen uitgevoerd worden door de exploitant, worden apparatuur en een code van goede praktijk gehanteerd, die goedgekeurd worden door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL.

 

§ 4.

Het meetprogramma wordt opgestart met de initiële steekproef. Het minimumaantal te meten apparaten per type apparaat en per type product wordt uitgedrukt als percentage van het totale aantal apparaten en is vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6. Meetresultaten die niet dateren van vóór 1 januari 2000, mogen gebruikt worden in de initiële steekproef.

 

§ 5.

Na het afronden van de initiële of aangepaste steekproef wordt jaarlijks en uiterlijk binnen een termijn van één jaar na het afronden van de vorige steekproef de ‘aangepaste steekproef’’ uitgevoerd. Het minimumpercentage apparaten dat gemeten moet worden, is afhankelijk van het aantal lekkende apparaten uit de vorige steekproef, zoals aangegeven in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6. Ter aanvulling van de ‘aangepaste steekproef’’ moeten de apparaten waarvan de meetwaarde in de vorige steekproef het lekcriterium overschreed, steeds opnieuw opgenomen worden. Elke ’aangepaste steekproef’ wordt zo opgezet dat na een minimumaantal steekproeven alle apparaten gemeten zijn.

 

§ 6.

Het meetprogramma, vermeld in § 1, kan worden toegepast op de volledige inrichting of op individuele meetblokken. Alle meetblokken worden voor de start van de initiële steekproef vastgelegd en moeten samen de volledige inrichting omvatten.

 

§ 7.

Een beperkt aantal apparaten kan om praktische redenen niet altijd bereikbaar zijn voor metingen. Het aantal niet-meetbare apparaten moet tot een minimum beperkt worden. Die apparaten worden gedocumenteerd en bij elke gelegenheid waar meting toch mogelijk is opgemeten.


Art. 4.4.6.2.4.

Als de meetwaarde van een apparaat het herstelcriterium van hoofdstuk III van bijlage 4.4.6 overschrijdt, moet het apparaat in kwestie binnen een maand na de meting hersteld worden.

 

In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende langere hersteltermijnen toegepast worden :

herstellingen die een vervanging van het apparaat zelf of een onderdeel ervan vereisen, moeten binnen drie maanden na de meting uitgevoerd worden;
als een herstelling niet binnen de in punt 1° opgelegde termijn kan uitgevoerd worden, moet dit vermeld worden in het rapporteringsdocument, vermeld in art. 4.4.6.2.5, eerste lid. Hierbij worden per apparaat de volgende gegevens vermeld :
a) de oorzaak van het niet herstellen binnen de opgelegde termijn;
b) de geplande hersteltermijn;
c) de emissie die hierdoor jaarlijks zal uitgestoten worden.

 

Na de herstelling van het lekkende apparaat moet de uitgevoerde herstelling binnen een maand gecontroleerd worden via een nieuwe meting. Als het herstelde apparaat opnieuw het herstelcriterium overschrijdt, moet de herstelling opnieuw binnen de opgegeven maximale herstelperiode, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden uitgevoerd. Die procedure wordt zolang herhaald totdat de meetwaarde onder het herstelcriterium blijft.


Art. 4.4.6.2.5.

Jaarlijks en uiterlijk op 31 maart, wordt een rapporteringsdocument over het voorgaande jaar opgesteld met de volgende gegevens :

de opdeling van de inrichting in meetblokken;
per meetblok en per type apparaat :
a. het aantal gemeten punten;
b. het aantal lekkende apparaten;
c. het aantal herstelde apparaten;
d. lijst van niet herstelde apparaten, als vermeld in artikel 4.4.6.2.4, tweede lid, 2°;
e. het aantal onbereikbare punten, vermeld in artikel 4.4.6.2.3, § 7;
f. de totale jaarlijkse fugitieve emissie, berekend volgens de berekeningsmethode van hoofdstuk V van bijlage 4.4.6.

 

Het document, vermeld in het eerste lid, wordt gedurende ten minste tien jaar bewaard.


Afdeling 4.4.7.
Beheersing van niet-geleide stofemissies


Onderafdeling 4.4.7.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.4.7.1.1.

§ 1.

De exploitant neemt maatregelen om de stofemissies die afkomstig zijn van de opslag van stuivende stoffen en van installaties waarbij stuivende stoffen worden getransporteerd of behandeld, zo laag mogelijk te houden.

 

De maatregelen houden rekening met het type en de eigenschappen van de stuivende stoffen of zijn componenten, de (ont)ladingsinstallatie en -methode, de massastroom, de meteorologische omstandigheden, storingen aan installaties en de locatie van de (ont)laadplaats. Ook veiligheidsaspecten worden in rekening gebracht.

 

§ 2.

De technische installaties die stofemissies kunnen veroorzaken, en de installaties voor de reductie van de stofemissies worden tijdig onderhouden en gecontroleerd om stofemissies te minimaliseren. Stoffilters worden tijdig vervangen om de goede werking te verzekeren.

 

§ 3.

Vanaf 1 januari 2014 moet de exploitant procedures en instructies voor de beheersing van de niet-geleide stofemissies ter beschikking hebben voor het eigen personeel en voor het personeel van derden die op de inrichting activiteiten uitvoeren met een potentiële impact op de stofemissies.

 

§ 4.

Gemorste stoffen die aanleiding kunnen geven tot stofvorming, worden na de beëindiging van de handeling zo snel mogelijk verwijderd.


Onderafdeling 4.4.7.2.
Bijzondere bepalingen


Art. 4.4.7.2.1.

Stuivende stoffen worden in bijlage 4.4.7.1 in stuifcategorieën ingedeeld op basis van de stuifgevoeligheid van de stof en de mogelijkheid om de verstuiving al dan niet door bevochtiging tegen te gaan. De verschillende stuifcategorieën zijn :

SC1 : stuifgevoelig, niet bevochtigbaar;
SC2 : stuifgevoelig, wel bevochtigbaar;
SC3 : nauwelijks stuifgevoelig;

 

De minister kan bijlage 4.4.7.1 aanvullen of wijzigen.

 

Vanaf 1 januari 2014 bepaalt de exploitant zelf de stuifcategorie op basis van de indeling van vergelijkbare stoffen in bijlage 4.4.7.1 wat betreft de stuifgevoeligheid of op basis van een specifiek daarvoor ontwikkelde test als :

een stof ingedeeld is in de tabel van bijlage 4.4.7.1, maar de fysicochemische eigenschappen gedurende haar verblijftijd op het bedrijfsterrein voortdurend van die aard zijn dat ze in een andere stuifcategorie thuishoort. De exploitant houdt de stuifcategorie en de motivatie ervan ter beschikking van de toezichthoudende overheid;
de stof niet in de tabel van bijlage 4.4.7.1 is ingedeeld.De exploitant legt de stuifcategorie en de motivatie ervan vast voor ontvangst van de goederen en houdt de informatie ter beschikking van de toezichthoudende overheid. Als bij de ontvangst van de goederen blijkt dat ze tot een andere stuifcategorie behoren dan wat was verwacht, neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om de stofemissie tot een minimum te beperken.

 


Art. 4.4.7.2.2.

Stuivende stoffen van stuifcategorie SC1 worden in een gesloten opslagplaats of afgedekt met fijnmazige netten of zeilen opgeslagen. In geval van afdekking worden passende maatregelen genomen om stofemissies bij het vullen en afgraven van de opslaghoop tegen te gaan.

 

Het aantal openingen in een gesloten opslagplaats is zo laag mogelijk. De openingen zijn zo klein mogelijk. Niet-functionele openingen worden dichtgemaakt. Functionele openingen in de gesloten opslagplaats worden zoveel mogelijk gesloten gehouden. Bij het vullen of het ledigen van een gesloten opslagplaats worden de overstortpunten zo ver mogelijk van de openingen geplaatst.


Art. 4.4.7.2.2bis.

Silo’s voor de opslag van stuivende stoffen van stuifcategorie SC1 en SC2 worden uitgerust met een stofverwijderingsinstallatie. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.


Voor installaties vergund voor 1 juli 2014, geldt deze bepaling vanaf 1 juli 2017.


Art. 4.4.7.2.3.

Artikel 4.4.7.2.4 tot en met 4.4.7.2.9 zijn, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, van toepassing op inrichtingen die een van de volgende kenmerken vertonen :

een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 5 000 m2 grondoppervlakte;
een over de drie voorgaande kalenderjaren gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 70.000 ton per jaar;
een in het komende kalenderjaar verwachte overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 70 000 ton per jaar.

Art. 4.4.7.2.4.

Informatie over onderhoudsbeurten voor de technische installaties, vermeld in artikel 4.4.7.1.1, § 2, wordt bijgehouden en wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.


Art. 4.4.7.2.5.

§ 1.

Bij opslag in de open lucht van stuivende stoffen van stuifcategorie SC2 en SC3 wordt stofverspreiding maximaal beperkt door het bevochtigen van de stuivende stoffen. Voor zover de karakteristieken van het terrein en de vaste installaties dat toelaten, worden bijkomend de volgende maatregelen genomen :

het opslagterrein voorzien van windreductieschermen;
een ommuring of een groenscherm;
de opgeslagen hoeveelheid in zo weinig mogelijk hopen verzamelen;
de hellingsgraad van de hopen zo kiezen dat de toplaag niet afglijdt.

 

Punt 2° is niet van toepassing op bouw-, sloop- of wegeniswerken.

 

§ 2.

Als droog of winderig weer wordt voorspeld, worden de hopen extra besproeid met water of schuim.

 

Het besproeien kan worden vervangen door het bespuiten met een vastleggend middel als de goede werking van het middel is gegarandeerd. Kammen en beschadigingen van het vastleggende middel in de opslaghoop worden gecontroleerd en hersteld. De bespuiting wordt herhaald als dat uit het oogpunt van het voorkomen van stofverspreiding noodzakelijk blijkt.

 

§ 3.

Als de maatregelen, vermeld in paragraaf 1 en 2, niet worden genomen, wordt de opslaghoop afgedekt met fijnmazige netten of zeilen of wordt overgegaan tot een gesloten opslag, zoals bepaald in artikel 4.4.7.2.2, tweede lid.


Art. 4.4.7.2.6.

§ 1.

Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen wordt maximaal voorkomen door :

bevochtigbare stoffen van stuifcategorie SC2 afdoende te bevochtigen;
aan de operatoren procedures voor het gebruik van de transport- en overslagmiddelen ter beschikking te stellen die minstens de relevante elementen bevatten die worden vermeld in bijlage 4.4.7.2.

 

Bijlage 4.4.7.2 kan door de minister aangevuld of gewijzigd worden.

 

§ 2.

Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen via grijpers wordt maximaal voorkomen door :

het gebruik van een grijper waarbij de grijperschalen goed aansluiten;
het gebruik van een bovenaan semigesloten of gesloten grijper voor stoffen uit stuifcategorie SC1 en SC2, voor zover de behandelde stof dat toelaat.

 

 

§ 3.

Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen via transportbanden wordt maximaal voorkomen door :

als stofemissies visueel waarneembaar blijven na de toepassing van de code van goede praktijk, vermeld in bijlage 4.4.7.2, open transportbanden in de buitenlucht af te schermen tegen windaanval via langsschermen, dwarsschermen of overkappingen; 
als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1°, over te schakelen op een gesloten transportsysteem.

 

Een vast opgestelde transportband voor het vervoer van stoffen van stuifcategorie SC1 die in gebruik wordt genomen na 31 december 2013, wordt gesloten of overdekt uitgevoerd. Dat geldt niet voor de delen van de transportband die worden beladen door een storttrechter of een ander overslagsysteem.

 

§ 4.

Stofverspreiding bij overslagpunten van continue transportsystemen wordt maximaal voorkomen door :

de overslagpunten waar stoffen van stuifcategorie SC2 worden overgeslagen, te bevochtigen of te benevelen als de producten op voorhand niet voldoende bevochtigd zijn;
2°  als de maatregelen, vermeld in punt 1°, niet kunnen worden toegepast of als ook na het nemen van die maatregelen nog visueel waarneembare stofverspreiding plaatsvindt, de overslagpunten waar stoffen van stuifcategorie SC2 worden overgeslagen, te voorzien van windreductieschermen, als dat technisch mogelijk is;
de overslagpunten bij vaste transportsystemen voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een behuizing of een stofafzuiging als dat technisch haalbaar is. Dat geldt ook voor de stuifcategorieën SC2 en SC3 als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1° en punt 2°;
de lospunten van mobiele transportbanden voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een afscherming die zo goed mogelijk aansluit op het laadpunt van het volgende transportsysteem of een stofafzuiging. Dat geldt ook voor de stuifcategorieën SC2 en SC3 als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1° en punt 2°.

 

 

§ 5.

Stofverspreiding bij het laden en het lossen van stuivende stoffen via storttrechters wordt maximaal voorkomen door :

de storttrechter voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van doelmatige keerschotten of roosters. Dat geldt ook voor stoffen van stuifcategorie SC2 die niet voldoende bevochtigd worden;
vaste storttrechters voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een stofafzuiginstallatie tenzij dat niet kan wegens locatiespecifieke omstandigheden. Deze maatregel moet niet genomen worden als de exploitant kan aantonen dat de storttrechter maximaal 10 % van de tijd dat hij in gebruik is, wordt gebruikt voor het laden en lossen van stoffen van stuifcategorie SC1.

 

 

§ 6.

Stofverspreiding bij het laden en het lossen van stuivende stoffen via stortgoten, vulbuizen, vulpijpen en transportbanden wordt maximaal voorkomen door :

als dat technisch en operationeel mogelijk is, de laad- en losinstallatie te voorzien van remschotten of het uiteinde ervan aan te passen opdat stofverspreiding beperkt wordt;
als dat operationeel mogelijk is, nieuwe laad- en losinstallaties te voorzien van remschotten of het uiteinde van de installatie aan te passen opdat stofverspreiding beperkt wordt.

 

 

§ 7.

Stofverspreiding bij het laden en het lossen van vrachtwagens en treinwagons met stuivende stoffen wordt maximaal voorkomen door :

voor vrachtwagens die het bedrijfsterrein verlaten, een open laadbak, gevuld met stoffen van stuifcategorie SC1, af te dekken met een dekzeil. Dat geldt ook bij stoffen van stuifcategorie SC2 als het vochtgehalte ervan onvoldoende is om stofverspreiding te vermijden;
de valputten waarin stuivende stoffen worden gestort, te voorzien van keerschotten.

 

Als het laden van de laadbak of het transport dat het bedrijfsterrein verlaat, wordt uitgevoerd door derden, zullen aan het personeel van die derden instructies ter beschikking gesteld worden conform punt 1°.


Art. 4.4.7.2.7.

Stofverspreiding door verkeer op en rond het bedrijfsterrein wordt maximaal voorkomen door :

de wegen op het terrein regelmatig schoon te maken;
de voertuigsnelheid op het terrein te beperken;
de wegen van het terrein te besproeien als er kans op stofverspreiding is;
de plaatsen waar de op- en overslag plaatsvindt,regelmatig te reinigen;
maatregelen te nemen om stofverspreiding op de openbare weg maximaal te voorkomen.

 


Art. 4.4.7.2.8. De exploitant zorgt minstens gedurende de periode dat overslagactiviteiten plaatsvinden voor toezicht op de op- en overslagactiviteiten om stofemissies snel waar te nemen en de oorzaak ervan te achterhalen, zodat de gepaste maatregelen getroffen kunnen worden.

Art. 4.4.7.2.9.

De exploitant moet vanaf 1 juli 2015 voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2 tot en met artikel 4.4.7.2.8.

 

In afwijking van het eerste lid moet de exploitant vanaf 1 januari 2014 voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2 tot en met artikel 4.4.7.2.8, voor procedures en handelingen die niet leiden tot noodzakelijke wijzigingen van de infrastructuur.


Art. 4.4.7.2.10.

§ 1.

De exploitant stelt een stofrapport, als vermeld in het aanvraagformulier, op voor de volgende inrichtingen:

inrichtingen met een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 50.000 m² grondoppervlakte. Het stofrapport wordt, voorafgaand aan het overschrijden van de drempel van de opslagcapaciteit, bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gevoegd of wordt met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning;
inrichtingen met een over de drie voorgaande kalenderjaren gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 700.000 ton per jaar. Het stofrapport wordt uiterlijk op 31 juli van het lopende jaar bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gevoegd of met een aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

Bij een toename van de opslagcapaciteit of de overslaghoeveelheden met 50 % of meer ten opzichte van de toestand in het meest recente stofrapport of addendum, stelt de exploitant een addendum bij het bestaande stofrapport, als vermeld in addendum E4, 10, van de addenda-bibliotheek die is opgenomen in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, op. Dat addendum wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gevoegd of wordt per aangetekende brief bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.


Afdeling 4.4.8.
Installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen


Art. 4.4.8.1.

De volgende werkzaamheden aan stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen.

 

Voor de installatie, het onderhoud, de reparatie of de buitendienststelling van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen is het bedrijf waar de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur werkt, erkend als bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om een certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/2, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor houders of de bijbehorende onderdelen van stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen.


Art. 4.4.8.2.

De volgende werkzaamheden aan elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL:

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/3, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor elektrische schakelinrichtingen en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen.

 

Het eerste lid is tot 1 juli 2017 niet van toepassing voor de installatie, het onderhoud, de reparatie en de buitendienststelling van elektrische schakelinrichtingen met gefluoreerde broeikasgassen en voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit andere elektrische schakelinrichtingen dan de hoogspanningsschakelaars.


Art. 4.4.8.3.

De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat, mag alleen uitgevoerd worden door een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL.

 

Het eerste lid is niet van toepassing, wat stationaire apparatuur die oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen bevat betreft, op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/4, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de terugwinning uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.


Art. 4.4.8.4.

De volgende werkzaamheden aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie:

 

installatie, onderhoud, reparatie en buitendienststelling;
controles op lekkage van koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens als vermeld in artikel 4 van verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;
terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de werkzaamheden. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de desbetreffende categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

Het eerste lid is niet van toepassing op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.


Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten.

 


Hoofdstuk 4.5.
BEHEERSING VAN GELUIDSHINDER


Afdeling 4.5.1.
Algemene bepalingen


Art. 4.5.1.1.

§ 1.

De exploitant treft ter naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk, de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken. Naargelang van de omstandigheden en op basis van de technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de beste beschikbare technieken wordt hierbij gebruikgemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties en toestellen, geluidsisolatie en/of -absorptie en/of -afscherming.

 

§ 2.

Tenzij voor bepaalde categorieën van inrichtingen in dit besluit andere bepalingen zijn opgenomen, zijn de bepalingen, vermeld in afdeling 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.4 van dit besluit van toepassing, uitgezonderd tijdens de eigenlijke bouw-, sloop- of wegenwerken.


Afdeling 4.5.2.
Richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht en binnenshuis


Art. 4.5.2.1.

Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen gelden de in de bijlagen 4.5.4 en 4.5.5 bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid in open lucht van een inrichting wordt getoetst.


Art. 4.5.2.2.

Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken gelden de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid binnenshuis van een inrichting wordt getoetst.


Afdeling 4.5.3.
Voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 en voor veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2


Art. 4.5.3.1.

§ 1.

LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is gelijk aan of hoger dan de richtwaarde van bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid, in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot het LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid verminderd met 5 dB(A) enerzijds alsmede tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden anderzijds.

 

§ 2.

LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 1°, 4°, [...] 6° of 7° van de bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot het LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid enerzijds en tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A) anderzijds.

 

§ 3.

LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 2°, 3°, 5°, 8°, 9° of 10° van de bijlage 2.2.1. bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A).

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van § 1, 2 en 3 moeten nieuwe inrichtingen van klasse 1 of 2, alsmede veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken voldoen aan volgende bepalingen:

het specifieke geluid binnenshuis van de inrichting gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn, dient beperkt te worden tot de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 3 dB(A).

 

§ 5.

Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde is de in bijlage 4.5.4 van dit besluit aangegeven richtwaarde voor de verschillende gebieden verminderd met 5 dB(A).

 

 

 

§ 6.

De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.1 en 4.5.6.3 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.


Afdeling 4.5.4.
Voorwaarden voor bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2


Art. 4.5.4.1.

§ 1.

Indien volgens een beperkt akoestisch onderzoek een door de inrichting veroorzaakte overschrijding van de in bijlage 4.5.4, 4.5.5 en/of bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden wordt vastgesteld, kan de toezichthouder de exploitant(en) verplichten tot uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek en dit op kosten van de exploitant(en).

 

Dit volledige akoestische onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage 4.5.2 bij dit besluit en bepaalt de bijdrage van de inrichting of, in voorkomend geval, van elke inrichting tot voormelde overschrijding.

 

§ 2.

Indien het volledige akoestische onderzoek, bedoeld in § 1, uitwijst dat het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de inrichting(en) de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bedoelde richtwaarde met 10 dB(A) of meer overschrijdt, moet(en) de exploitant(en) van de betrokken inrichting(en) op zijn(hun) kosten een saneringsplan opstellen en uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.

 

§ 3.

Indien het volledige akoestische onderzoek, bedoeld in § 1, uitwijst dat het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de inrichting(en) de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden met minder dan 10 dB(A) overschrijdt, kan de vergunningverlenende overheid, op advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning voor de inrichtingen van de 1ste klasse en van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning en van de bevoegde gemeentelijke milieudienst voor inrichtingen van de 2de klasse, een saneringsplan ter uitvoering opleggen overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van § 1, 2 en 3 wordt het specifieke geluid binnenshuis van bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken zodanig beperkt dat de richtwaarden van bijlage 2.2.2 bij dit besluit zo goed mogelijk worden benaderd, rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

 

Het specifieke geluid van de inrichting wordt gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn.

 

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit moet het specifieke geluid van de inrichting aan de bepalingen van deze paragraaf voldoen uiterlijk op 1 augustus 1997.

 

§ 5.

Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde is de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde voor de verschillende gebieden.

 

§ 6.

De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.2 en 4.5.6.3 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.


Afdeling 4.5.5.
Voorwaarden voor inrichtingen van klasse 3


Art. 4.5.5.1.

§ 1.

Het specifieke geluid in open lucht van nieuwe inrichtingen alsmede van veranderingen van bestaande inrichtingen mag op de in § 3 of 4 van artikel 1 van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten de met 5 dB(A) verminderde richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit niet overschrijden.

 

§ 2.

Onverminderd de bepalingen van § 1 moet het specifieke geluid binnenshuis van nieuwe inrichtingen alsmede van veranderingen van bestaande inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken voldoen aan de volgende bepaling:

het specifieke geluid gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn, dient beperkt te worden tot de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 3 dB(A).

 

§ 3.

Het specifieke geluid in open lucht van bestaande inrichtingen wordt op de in § 3 of 4 van artikel 1 van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit zo goed mogelijk wordt benaderd, rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van § 3 wordt het specifieke geluid binnenshuis van bestaande inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken zodanig beperkt dat de richtwaarden van bijlage 2.2.2 bij dit besluit zo goed mogelijk worden benaderd rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

 

§ 5.

[...]

 

§ 6.

Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde voor nieuwe inrichtingen is de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde verminderd met 5 dB(A) en voor bestaande inrichtingen de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde.

 

 

 

§ 7.

De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.4 en 4.5.6.5 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.


Afdeling 4.5.6.
Bijzondere voorwaarden


Art. 4.5.6.1.

§ 1.

De vergunningverlenende overheid kan strengere grenswaarden en meetomstandigheden opleggen voor het specifieke geluid voortgebracht door inrichtingen van klasse 1 of 2 gelegen in de nabijheid van stiltebehoevende instellingen of zones.

 

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt verstaan onder:

"stiltebehoevende instellingen": gebouwen waar omwille van de functie en het gebruik ervan het geluid in de omgeving steeds moet beperkt worden; dit zijn inzonderheid bejaardentehuizen, ziekenhuizen, scholen en gelijkaardige;
"stiltebehoevende zones": zones waar omwille van de functie ervan het geluid in de omgeving al of niet tijdelijk moet beperkt worden; deze zones omvatten inzonderheid de woongebieden en de natuurgebieden met een wetenschappelijke waarde, volgens het gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan, alsook de erkende natuur- en bosreservaten.

 

§ 2.

De grenswaarden, bedoeld in § 1, kunnen ofwel buitenshuis ofwel, in geval van inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken binnenshuis worden opgelegd en dit zowel voor overdag, 's avonds als 's nachts.

 

§ 3.

Als het geluid van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont kunnen strengere grenswaarden aan dit geluid worden opgelegd in de nabijheid van de stiltebehoevende instellingen of zones, bedoeld in § 1.

 

§ 4.

Bij overtreding van de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit overeenkomstig dit artikel opgelegde bijzondere voorwaarden kan de vergunningverlenende overheid, op advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning voor inrichtingen van de 1ste klasse en van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunningde en de gemeentelijke milieuambtenaar voor inrichtingen van de 2de klasse, een saneringsplan ter uitvoering opleggen overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.


Afdeling 4.5.7.
Voorwaarden voor laad- en losverrichtingen voor bepaalde inrichtingen ingedeeld volgens rubriek 16.3.1


Toepassingsgebied en algemene bepalingen.


Art. 4.5.7.0.1.

Deze afdeling is van toepassing op de laad- en losverrichtingen met vrachtwagens bij inrichtingen die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen:

de inrichting valt onder categorie 47.11 van het referentiekader voor de productie en de verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in Europa (NACE 2008). Deze categorie wordt omschreven als detailhandel in niet-gespecialiseerde winkels waarbij voedings- en genotsmiddelen overheersen;
de inrichting omvat een activiteit als vermeld in rubriek 16.3.1;
de inrichting is uitgerust met een bedrijfseigen laad- en losplaats. Een bedrijfseigen laad- en losplaats is een specifieke plaats binnen de perceelsgrenzen van de inrichting die ingericht is voor het laden en lossen van goederen.

Art. 4.5.7.0.2. De exploitant treft de nodige maatregelen met toepassing van de beste beschikbare technieken om het geluid voortgebracht door laad- en losverrichtingen, te beperken en te verhinderen dat het geluid, voortgebracht door laad- en losverrichtingen een bron van hinder is voor de omgeving.

Voorwaarden tijdens het laden en lossen van goederen.


Art. 4.5.7.0.3.

Tijdens het laden en lossen van goederen ligt de motor van de vrachtwagen stil.

 

In afwijking van afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5 gelden voor het laden en lossen van goederen tussen 6 uur en 23 uur de volgende voorwaarden:

het gemiddelde niveau van de kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, moet beperkt worden tot de grenswaarden, vermeld in bijlage 4.5.7.1. Het gemiddelde niveau van de kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, wordt gemeten als LA05,T, waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het laden en lossen van de goederen beslaat;
het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, moet beperkt worden tot de grenswaarden, vermeld in bijlage 4.5.7.2. Het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het laden en lossen van goederen, wordt gemeten als LA01,T , waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het laden en lossen van de goederen beslaat.

Voorwaarden tijdens het manoeuvreren van de vrachtwagen.


Art. 4.5.7.0.4.

In afwijking van afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5 wordt het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand, beperkt tot de richtwaarden, vermeld in bijlage 4.5.4, vermeerderd met 30 dB(A). Het niveau van de hoogste kortstondige geluidsverhogingen in openlucht, voortgebracht door het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt gemeten als LA01,T , waarbij het tijdsinterval T de tijdsduur van het manoeuvreren van de vrachtwagen beslaat.

 

De bepalingen vermeld in afdeling 4.5.2 tot en met 4.5.5, zijn niet van toepassing voor het manoeuvreren van de vrachtwagen tussen 7 uur en 19 uur.


Subafdeling 4.5.7.1.
Voorwaarden voor laad- en losverrichtingen in de dagrand


Algemene bepalingen.

Art. 4.5.7.1.1.

§ 1.

Deze subafdeling is van toepassing op de laad- en losverrichtingen, vermeld in artikel 4.5.7.0.1, die uitgevoerd worden tijdens de dagrand.

 

Tijdens het laden en lossen van goederen liggen de motor van de vrachtwagen en de aandrijving van koelgroepen waarmee de vrachtwagen uitgerust is, stil, tenzij de koelgroepen aangesloten zijn op het elektriciteitsnet. Radio’s zijn uitgeschakeld.

 

Tijdens de ochtenddagrand mag er hoogstens één belevering uitgevoerd worden en tijdens de avonddagrand mogen er maximaal twee beleveringen plaatsvinden.

 

Conform bijlage 4.5.7.3 treft de exploitant de nodige maatregelen om de hinder, veroorzaakt door laad- en losverrichtingen, in de dagrand te beperken.


Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een laad- en losplaats in open lucht.

Art. 4.5.7.1.2.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een laad- en losplaats in openlucht de volgende minimale afstanden als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°:

voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materieel: 40 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen;
voor alle andere laad- en losverrichtingen: 50 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen.

 

De afstanden, vermeld in het eerste lid, kunnen na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.3, tweede lid, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.


Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een overdekte laad- en losplaats.

Art. 4.5.7.1.3.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een overdekte laad- en losplaats de volgende minimale afstanden als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°:

voor laad- en losverrichtingen met geluidsarm materieel: 20 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen;
voor alle andere laad- en losverrichtingen: 30 meter tussen het midden van de achterkant van de geparkeerde vrachtwagen in de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen.

 

De afstanden, vermeld in het eerste lid, kunnen na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.3, tweede lid, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.


Laden en lossen van goederen bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats.

Art. 4.5.7.1.4.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.3 gelden voor het laden en lossen van goederen in de dagrand bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats geen minimale afstanden tussen de laad- en losplaats en de dichtstbijzijnde woningen als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°.


Manoeuvreren van de vrachtwagen.

Art. 4.5.7.1.5.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.4 geldt voor het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand een minimale afstand van 10 meter tussen het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd, en de dichtstbijzijnde woningen als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°.

 

De afstand, vermeld in het eerste lid, kan na het nemen van bijkomende structurele geluidsreducerende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm, gereduceerd worden als aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.5.7.0.4, voldaan is. Dat wordt aangetoond aan de hand van een geluidsstudie, opgesteld door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), a, van het VLAREL.

 

Met behoud van de toepassing van artikel 4.5.7.0.4 geldt voor het manoeuvreren van de vrachtwagen in de dagrand bij inrichtingen met een inpandige laad- en losplaats geen minimale afstand tussen het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd, en de dichtstbijzijnde woningen als het traject waarop het manoeuvreren van de vrachtwagen wordt uitgevoerd volledig in een afgesloten gebouw ligt en als de dichtstbijzijnde woningen gelegen zijn in een gebied als vermeld in bijlage 2.2.1, 2°.


Hoofdstuk 4.6.
BEHEERSING VAN HINDER DOOR LICHT


Art. 4.6.0.1. Onverminderd andere reglementaire bepalingen treft de exploitant de nodige maatregelen om lichthinder te voorkomen.

Art. 4.6.0.2. Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. De verlichting is dermate geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt.

Art. 4.6.0.3.

Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan.


Art. 4.6.0.4.

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.


Hoofdstuk 4.7.
BEHEERSING VAN ASBEST


Art. 4.7.0.1.

§ 1.

Onverminderd de bepalingen terzake water-, bodem-, grondwater- en luchtverontreiniging en afvalstoffenbeheersing moeten overeenkomstig de Richtlijn 87/217/EEG bij het gebruik van asbest en werken met asbesthoudende produkten de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat emissies van asbest in het milieu en afvalstoffen van asbest voor zover dat met redelijke middelen mogelijk is aan de bron worden verminderd en voorkomen. Bij gebruik van asbest impliceren deze maatregelen dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technieken, met inbegrip van recycling of behandeling waar zulks dienstig is.

Tevens dienen de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat:

 

tijdens het vervoer, het laden en het lossen van afvalstoffen die asbestvezels of asbeststof bevatten, deze vezels en stof niet vrijkomen in de lucht en geen vloeistoffen worden verloren die asbestvezels kunnen bevatten;
afvalstoffen die asbestvezels of -stof bevatten, indien gestort op plaatsen waar zulks met vergunning mogelijk is, zodanig worden behandeld, zijn verpakt of afgedekt, met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden, dat er geen asbestdeeltjes in het milieu terechtkomen;
activiteiten die verbonden zijn aan het werken met asbest bevattende produkten geen noemenswaardige milieuverontreiniging door asbestvezels of -stof veroorzaken;
bij de sloop van asbestbevattende gebouwen, constructies en installaties en het verwijderen van asbest of asbesthoudende materialen daaruit, waarbij asbestvezels of asbeststof kunnen vrijkomen, geen asbest in het milieu terechtkomt.

 

 

§ 2.

De volgende asbesthoudende toepassingen kunnen zelf worden verwijderd voor zover deze via eenvoudige handelingen (bvb. vlot losschroeven) kunnen worden weggenomen :

hechtgebonden asbest die niet beschadigd is of waarbij er geen vrije vezels zichtbaar zijn en waarbij verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
hechtgebonden asbest die beschadigd is of waarbij er vrije vezels zichtbaar zijn en die verwerkt is in een buitentoepassing waarbij geen derden aanwezig zijn, voor zover de verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
asbesthoudende koorden, dichtingen of pakkingen, remvoeringen en analoge materialen.

 

Andere toepassingen mogen alleen verwijderd worden door gespecialiseerde bedrijven.

 

§ 3.

Bij de sloop en verwijdering van asbesthoudend materiaal als vermeld in § 2, 1°, 2° en 3°, moet vezelverspreiding en blootstelling van personen aan asbestvezels verhinderd worden door de volgende maatregelen te nemen :

bevochtigen of fixeren van het materiaal;
de elementen één voor één verwijderen, bij voorkeur manueel, gebruik makend van handwerktuigen of in laatste instantie traagdraaiend gereedschap;
de materialen niet gooien;
de materialen niet breken;
de materialen opslaan in gesloten verpakkingen.

 

Bij de werkzaamheden mogen geen minderjarigen aanwezig zijn.

 

Voor persoonlijke bescherming tegen blootstelling wordt gebruik gemaakt van een stofmasker type P3 of gelijkwaardig stofmasker.

 

§ 4.

De asbesthoudende toepassingen worden afzonderlijk opgeslagen en niet gemengd met het andere sloopafval;

 

§ 5.

Het gebruik van mechanische werktuigen met grote snelheid (schuurschijven, slijpmachines, boormachines, e.d.), hogewaterdrukreinigers en luchtcompressoren, voor het bewerken, snijden of schoonmaken van objecten of ondergronden in asbesthoudend materiaal, objecten of ondergronden bekleed met asbesthoudend materiaal of voor het verwijderen van asbest is verboden.


Art. 4.7.0.2.

Voor bestaande installaties dient bij de toepassing van de eis met betrekking tot het gebruik van de beste beschikbare technieken zoals gesteld in artikel 4.7.0.1. § 1, rekening gehouden met:

de technische kenmerken van de inrichting;
de gebruiksgraad en de residuele levensduur van de inrichting;
de aard en het volume van de verontreinigende emissies van de inrichting;
de wenselijkheid geen overmatige hoge kosten te veroorzaken voor de betrokken inrichting, met name rekening houdende met de economische situatie van de tot de betrokken categorie behorende ondernemingen.

Art. 4.7.0.3.

Voor de emissies in de lucht en de afvalwaterlozingen gelden inzonderheid respectievelijk de bepalingen:

van artikel 5.3.2.4 en de bijlage 5.3.2, sub 2°, b), voor wat de voorwaarden voor de lozing van afvalwater betreft;
van artikel 4.2.5.3.1 en de bijlagen 4.2.5.2 en 4.4.5.A voor wat de meetverplichtingen en meetmethoden voor de lozing van afvalwater betreft;
van artikel 4.4.3.1 en de bijlage 4.4.2 voor wat de grenswaarden voor de emissies in de lucht betreft;
van artikel 4.4.4.1 en de bijlagen 4.4.3 en 4.4.4 en 4.4.5.B voor wat de meetverplichtingen en de meetmethode voor de emissies in de lucht betreft.

Hoofdstuk 4.8.
VERWIJDERING VAN PCB'S EN PCT'S


Art. 4.8.0.1. [...]

Art. 4.8.0.2. [...]

Art. 4.8.0.3. [...]

Art. 4.8.0.4. [...]

Hoofdstuk 4.9.
Energieplanning en energieaudits


Afdeling 4.9.1.
Energieplanning


Art. 4.9.1.1.

Deze afdeling is van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen met een totaal energiegebruik van ten minste 0,5 PetaJoule per jaar.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de energie-intensieve inrichtingen van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie, niet VER-bedrijven en VER-bedrijven, vrijgesteld van deze afdeling.


Art. 4.9.1.2.

§ 1.

Binnen de zes maanden nadat uit het eerstvolgend ingediend Integraal Milieujaarverslag blijkt dat de ingedeelde inrichting een totaal energiegebruik van 0,5 PJ per jaar heeft, stelt de exploitant voor deze inrichting een energieplan op dat conform dient verklaard te worden overeenkomstig artikel 6.5.4, 6.5.5, 6.5.6 en 6.5.7 van het Energiebesluit van 19 november 2010. Dit plan wordt op de inrichting ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

§ 2.

De exploitant voert binnen een termijn van drie jaar, na de conformverklaring van het energieplan, alle maatregelen uit dit energieplan met een interne rentevoet, als vermeld in artikel 6.5.4, §1, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, uit. Op gemotiveerd verzoek van de exploitant bij het Vlaams Energieagentschap kan de termijn verlengd worden of kan vrijstelling verleend worden voor de uitvoering van die maatregelen. In het verzoek toont de exploitant met gegronde economische redenen aan dat de voormelde termijn niet kan gehaald worden of dat de interne rentevoet lager geworden is dan de interne rentevoet, vermeld in artikel 6.5.4, §1, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.


Art. 4.9.1.3.

De energiestudie of het energieplan, die bij de vergunningsaanvraag wordt gevoegd met toepassing van addendum C6, 10 en 11, van het aanvraagformulier vastgesteld in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt als eerste energieplan.


Afdeling 4.9.2.
Energieaudits


Art. 4.9.2.1.

Deze afdeling is van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen waar ofwel meer dan 250 personen werkzaam zijn, ofwel waarvan de jaaromzet 50 miljoen euro overschrijdt en het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen euro overschrijdt.

 

In afwijking van het eerste lid zijn alle ingedeelde inrichtingen, die vallen onder de toepassing van afdeling 4.9.1, vrijgesteld van deze afdeling.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de energie-intensieve inrichtingen van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie, niet VER-bedrijven en VER-bedrijven, afgesloten op grond van artikel 7.7.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en hun verplichtingen in kader van deze energiebeleidsovereenkomsten nakomen, vrijgesteld van deze afdeling.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de ingedeelde inrichtingen die beschikken over een Europese energienorm EN 16001 of over een internationale norm voor energiemanagementsystemen ISO 50001, vrijgesteld van deze afdeling.

 

In afwijking van het eerste lid zijn de ingedeelde inrichtingen die beschikken over een geldig energieprestatiecertificaat publieke gebouwen zoals vermeld in artikel 9.2.12 tot en met 9.2.16 van het Energiebesluit van 19 november 2010, vrijgesteld van deze afdeling.


Art. 4.9.2.2.

§ 1.

Uiterlijk op 1 december 2015 beschikken de ingedeelde inrichtingen over een geldige energieaudit.

 

§ 2.

De energieaudit wordt uitgevoerd door de exploitant van de ingedeelde inrichting of een persoon, die daartoe door de exploitant gemachtigd is, die zich registreert in de webapplicatie als vermeld in afdeling 4.9.3.

 

§ 3.

De energieaudit heeft een geldigheidsduur van vier jaar.

 

§ 4.

Een energieaudit:

is gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en op de belastingsprofielen voor elektriciteit;
omvat een gedetailleerd overzicht van het energieverbruikprofiel van gebouwen of groepen gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;
bouwt, zo veel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;
is proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.

Afdeling 4.9.3.
Webapplicatie


Art. 4.9.3.1.

De exploitant van de ingedeelde inrichting of een persoon, die daartoe door de exploitant gemachtigd is, geeft de resultaten van het energieplan, dat overeenkomstig afdeling 4.9.1 opgesteld is, of van de energieaudit, die overeenkomstig afdeling 4.9.2 opgesteld is, in de webapplicatie, die daarvoor beschikbaar wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap, in.


Art. 4.9.3.2.

De exploitant van de ingedeelde inrichting die vrijgesteld is van de opmaak van een energieaudit overeenkomstig artikel 4.9.2.1, vierde lid, of een persoon, die daartoe door de exploitant gemachtigd is, geeft de resultaten van de energieaudit volgend uit de EN 16001- of de ISO 50001-procedure, in de webapplicatie, die daarvoor beschikbaar wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap, in.


Art. 4.9.3.3.

De exploitant van de ingedeelde inrichting van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie, niet VER-bedrijven en VER-bedrijven, afgesloten op grond van artikel 7.7.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en hun verplichtingen in kader van deze energiebeleidsovereenkomsten nakomen, is vrijgesteld van deze afdeling.


Art. 4.9.3.4.

De gegevens in de webapplicatie zijn confidentieel en alleen toegankelijk voor het Vlaams Energieagentschap en de toezichthouder. De exploitant van de ingedeelde inrichting of een persoon die daarvoor door de exploitant gemachtigd is, heeft alleen en steeds toegang tot de gegevens van zijn eigen energieplan of energieaudit.

 

In afwijking van het eerste lid kan het Vlaams Energieagentschap in het kader van rapporteringsverplichtingen geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens uit de webapplicatie ter beschikking stellen van de bevoegde instanties waarbij het aggregatieniveau voldoende confidentialiteit waarborgt. De individuele data beschikbaar in deze webapplicatie zijn confidentieel en kunnen, noch door het Vlaams Energieagentschap, noch door enige andere partij, gebruikt worden zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van de exploitant.


Hoofdstuk 4.10.
EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN


Afdeling 4.10.1.
BKG-emissies


Art. 4.10.1.1.

Deze afdeling geldt voor de volgende inrichtingen :

inrichtingen die als BKG-installaties zijn ingedeeld voor wat betreft hun BKG-emissies;
inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1 hebben beoefend;
inrichtingen die ontstaan na opsplitsing van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie, als binnen de grenzen van de oorspronkelijke BKG-installatie een activiteit wordt uitgevoerd die in de indelingslijst is aangeduid met de letter Y in de vierde kolom.

 

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de vergunning alleen worden verleend als de vergunningverlenende overheid ervan overtuigd is dat de exploitant in staat is de emissies van de broeikasgasemissies die relevant zijn voor de inrichting, te bewaken en erover te rapporteren. Dat betekent dat de exploitant in het bezit moet zijn van een monitoringplan, geverifieerd door het verificatiebureau en goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.


Art. 4.10.1.2.

§ 1.

Met ingang van 1 januari 2014 is de exploitant van een BKG-installatie verplicht om ieder kalenderjaar uiterlijk op 30 april emissierechten in te leveren via afboeking in het nationaal register van de broeikasgassen.

 

§ 2.

Het aantal ingeleverde emissierechten komt overeen met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie in het voorgaande kalenderjaar heeft veroorzaakt, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKGinstallatie heeft veroorzaakt in voorgaande jaren en waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd. Voor BKG-emissies die worden afgevangen en vervoerd voor permanente opslag in een inrichting waarvoor rubriek 16.11 van toepassing is, bestaat geen verplichting om emissierechten in te leveren.

 

§ 3.

Als de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie wordt opgesplitst, is elke exploitant verantwoordelijk voor de inlevering van emissierechten voor wat betreft zijn eigen BKG-emissies.

 

§ 4.

In voorkomend geval vervalt de verplichting tot inlevering van emissierechten, vermeld in paragraaf 1, pas vijf maanden na het kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen.

 

§ 5.

Inrichtingen die in 2012 een activiteit uit bijlage 4.10.1 hebben beoefend, zijn verplicht om uiterlijk op 30 april 2013 via afboeking in het nationaal register van de broeikasgassen emissierechten in te leveren. Het aantal ingeleverde emissierechten moet overeenkomen met de hoeveelheid BKG-emissies in 2012, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies uit voorgaande jaren waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd. De hoeveelheid veroorzaakte BKG-emissies, is gelijk aan de BKG-emissies in het voor de inrichting in kwestie geverifieerde en gevalideerde emissiejaarrapport van de BKG-installatie, vermeld in art 4.10.1.5, § 6.


Art. 4.10.1.3.

De hoeveelheid BKG-emissies, vermeld in artikel 4.10.1.2, §2, is gelijk aan de BKG-emissies in het voor de inrichting in kwestie geverifieerde en goedgekeurde emissiejaarrapport, vermeld in artikel 4.10.1.5, §3. In voorkomend geval is de hoeveelheid BKG-emissies, vermeld in artikel 4.10.1.2, §2, gelijk aan de conservatieve schatting, vermeld in artikel 4.10.1.5, §7.


Art. 4.10.1.4.

§ 1.

De exploitant van een BKG-installatie zorgt voor de bewaking van de BKG-emissies van de BKG-installatie in kwestie. De bewaking van BKG-emissies wordt uitgevoerd volgens een monitoringplan dat het verificatiebureau heeft geverifieerd en de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, heeft goedgekeurd. De exploitant van een BKG-installatie is in het bezit van dat geverifieerde en goedgekeurde monitoringplan.

 

§ 2.

Het monitoringplan wordt in 2013 aan de milieuvergunning toegevoegd. BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning actualiseren om een Y-rubriek te verkrijgen, voegen overeenkomstig artikel 5, § 9, en artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM, zelf een goedgekeurd monitoringplan bij de vergunning. Voor BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning niet actualiseren, bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij besluit bij de milieuvergunning voegt.

 

Uiterlijk vijf jaar na de eerste toevoeging van het monitoringplan bezorgt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het monitoringplan aan de bevoegde overheid die het bij de omgevingsvergunning voegt.

 

§ 3.

Als de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie wordt opgesplitst, stelt de exploitant van elke afgesplitste omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een monitoringplan op voor het deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van de afgesplitste vergunning gelegen is.

 

§ 4.

In voorkomend geval loopt de bewaking, vermeld in paragraaf 1, door voor het volledige kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43 van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. In voorkomend geval vervalt de verplichting om de BKG-emissies te bewaken voor het kalenderjaar dat volgt op de volledige stopzetting van de activiteiten van de BKG-installatie.


Art. 4.10.1.5.

§ 1.

Met ingang van 1 januari 2014 stelt de exploitant van een BKG-installatie jaarlijks een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van het totaal aan BKG-emissies, uitgestoten door de BKG-installatie.

 

§ 2.

De exploitant van de BKG-installatie dient ieder kalenderjaar uiterlijk op 14 maart bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een geverifieerd emissiejaarrapport in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, geeft de BKG-emissies, vervat in deze emissiejaarrapporten, door aan de registeradministrateur. De geverifieerde emissiejaarrapporten liggen ter inzage bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.

 

§ 3.

De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, onderwerpt de geverifieerde emissiejaarrapporten, vermeld in paragraaf 2, aan een steekproefsgewijze controle om na te gaan of de geverifieerde emissiejaarrapporten conform zijn aan de bepalingen van de Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van emissies van broeikasgassen, en keurt de BKG-emissies, die erin staan, in voorkomend geval, goed, uiterlijk op 15 april van het lopende kalenderjaar. De afdeling brengt de exploitant daarvan op de hoogte. Als de afdeling vaststelt dat een geverifieerd emissiejaarrapport niet voldoet aan de bepalingen van de verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, keurt de afdeling het geverifieerde emissiejaarrapport niet goed, en maakt ze een conservatieve schatting conform paragraaf 7.

 

§ 4.

Als de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een BKG-installatie wordt opgesplitst, vermeldt het emissiejaarrapport afzonderlijk de BKG-emissies voor elk deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van een afgesplitste vergunning ligt.

 

§ 5.

In voorkomend geval vervalt de verplichting tot het opstellen van een emissiejaarrapport als vermeld in paragraaf 1, pas drie maanden na het kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen, voor zover de juistheid hiervan is vastgesteld door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.

 

§ 6.

Inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1, beoefenen, stellen een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies in 2012. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van de totale BKG-emissies.

 

De exploitant bezorgt het emissiejaarrapport, aangetekend of bij wijze van een levering met ontvangstbewijs uiterlijk op 1 februari 2013 aan het verificatiebureau.

Het verificatiebureau verifieert dit emissiejaarrapport voor 20 maart 2013.

Het verificatiebureau betekent de geverifieerde emissiejaarrapporten aan de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging.

 

§ 7.

Conform artikel 70 van de verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, kan, in voorkomend geval, de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een conservatieve schatting maken van de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten en wordt dat cijfer door de afdeling doorgegeven aan de registeradministrateur. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, brengt de exploitant daarvan op de hoogte.

 

§ 8.

De conform paragraaf 3 goedgekeurde BKG-emissies en de conform paragraaf 7 gemaakte conservatieve schattingen worden door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, op het internet bekendgemaakt.


Art. 4.10.1.6.

Als een hinderlijke inrichting zijn hoedanigheid van BKG-installatie verliest, of als de activiteiten van de BKG-installatie worden stopgezet, dient de exploitant van de BKG-installatie binnen een termijn van veertien dagen een aanvraag tot schrapping van de toepasselijke Y rubrieken in.


Deel 5.
SECTORALE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE INRICHTINGEN


Hoofdstuk 5.1.
AARDOLIE OF AARDOLIEPRODUKTEN


Art. 5.1.0.1.

Voor inrichtingen, bedoeld onder de subrubriek 1.2 van de indelingslijst, worden geen sectorale voorschriften bepaald. De algemene, eventuele andere toepasselijke sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden zijn onverminderd van toepassing.

 

Voor inrichtingen bedoeld in de subrubriek 1.1 van de indelingslijst gelden de bepalingen van afdeling 5.20.2.


Hoofdstuk 5.2.
INRICHTINGEN VOOR DE VERWERKING VAN AFVALSTOFFEN


Afdeling 5.2.1.
Algemene bepalingen


Toepassingsgebied.


Art. 5.2.1.1.

§ 1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 2 van de indelingslijst.

 

§ 2.

De voorschriften van dit hoofdstuk gelden onverminderd de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten.

 

§ 3.

De volgende voorwaarden inzake de aanvaarding van afvalstoffen, het werkplan en inrichting en infrastructuur gelden niet voor de opslag van afvalstoffen - in functie van de regelmatige afvoer ervan - in de inrichting waar de afvalstoffen worden geproduceerd.

 

§ 4.

De hierna volgende algemene uitbatingsvoorwaarden worden, naargelang het type inrichting, aangevuld door de voorwaarden, opgenomen onder de afdelingen 5.2.2. (inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen), 5.2.3. (verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen), 5.2.4 (stortplaatsen voor afvalstoffen in of op de bodem) en 5.2.5. (mono-stortplaatsen voor baggerspecie afkomstig uit de oppervlaktewateren behorende tot het openbaar hydrografisch net).

 

§ 5.

Dierlijke bijproducten die worden beschouwd als afvalstoffen als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, worden verzameld, behandeld en afgevoerd overeenkomstig de voorschriften van verordening dierlijke bijproducten en haar uitvoerende verordening (EU) nr. 142/2011.

 

§ 6.

Deze afdeling is niet van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubrieken 2.2.2, h), 2.3.2, f) en 2.3.3, b), van de indelingslijst.


De aanvaarding en registratie van afvalstoffen.


Art. 5.2.1.2.

§ 1.

De aanvoer, de aanvaarding, de opslag, de verwerking en de afvoer van afvalstoffen zijn enkel toegelaten mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 2.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of in dit besluit is de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug is in ieder geval verplicht voor inrichtingen waar bedrijfs- of huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van derden worden verwijderd. De ijking gebeurt overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde weegbrug.

 

§ 3.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag de normale afvalstoffenaanvoer en -afvoer niet vóór 7 uur en na 19 uur plaatsvinden.

 

§ 4.

[...]

 

§ 5.

In de inrichting voor de verwerking van afvalstoffen mogen enkel die afvalstoffen worden aanvaard waarvoor de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit werd verleend. De exploitant is verantwoordelijk voor de aanvaarding van de afvalstoffen. De aanvaarding van de afvalstoffen gebeurt op basis van de door de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit toegelaten afvalstoffen en steunt op de technische verwerkbaarheid van de afvalstoffen in de inrichting en, indien nodig en relevant, op regelmatige afvalstoffenanalyses en/of -testen.

 

De exploitant controleert de aangevoerde afvalstoffen op hun herkomst, oorsprong, aard en hoeveelheid. Elke vracht dient minstens visueel geïnspecteerd. De exploitant bevestigt elke aanvaarde aflevering van afvalstoffen schriftelijk. In geval van stortplaatsen stelt de exploitant, onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 259/93, de toezichthoudende overheid onverwijld in kennis van een weigering afvalstoffen op zijn stortplaats te aanvaarden.

 

§ 6.

De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde afvalstoffen moet kunnen worden getotaliseerd. Op vraag van de toezichthouder moeten de totalen op basis van de rubrieknummers van de afvalstoffencatalogus binnen de kortste tijd kunnen worden meegedeeld.


Het werkplan.


Art. 5.2.1.3.

§ 1.

De exploitant beschikt bij de aanvang der activiteiten over een werkplan dat naargelang de aard van de inrichting omvat:

een overzichtelijke en duidelijke handleiding met betrekking tot de exploitatie van de inrichting;
de organisatie van de aanvoer van de afvalstoffen;
de organisatie van de verwerking van de aangevoerde afvalstoffen;
een plan van de opslag- en behandelingsruimte met aanduiding van de soort en de opslagcapaciteit voor de diverse afvalstoffen.
de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen;
de verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;
het afwateringsplan omvattende het schema, de organisatie en de uitvoering van de maatregelen inzake de afwatering van de inrichting en/of het terrein;
de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder;

 

§ 2.

Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthouder.


Inrichting en infrastructuur.


Art. 5.2.1.4.

§ 1.

Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot:

  • woongebieden, recreatiegebieden, landbouwgebieden, parkgebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
  • de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
  • de ruimtelijk kwetsbare gebieden;
  • de perimeters van gebieden, afgebakend volgens of in uitvoering van internationale verdragen, overeenkomsten of richtlijnen;
  • waterrijke gebieden zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betrefende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
  • wegen en waterwegen;
  • het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, beschermde cultuurhistorische landschappen en beschermde archeologische goederen;
  • de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III voor grondwater, afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, en
    de sub-hydrografische bekkens van oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, afgebakend in toepassing van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging.

 

§ 2.

Naargelang de aard van de inrichting, in ieder geval in het geval van stortplaatsen, dient bovendien rekening te worden gehouden met:

  • de geo- en hydrogeologische omstandigheden in het gebied;
  • de potentiële waarde van de aanwezige grondwaterlagen;
  • de grondmechanische eigenschappen en stabiliteitskenmerken van het terrein, inclusief het gevaar voor overstromingen, verzakkingen, aardverschuivingen e.d.;
  • de nabestemming van het terrein;
  • de bescherming van het natuurlijke of culturele erfgoed in de omgeving.

Art. 5.2.1.5.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en Behalve in het geval dat in de inrichting uitsluitend afvalstoffen afkomstig van de eigen bedrijfsactiviteiten worden verwerkt, wordt bij de ingang van de inrichting een uithangbord van minstens 1 m2 grootte aangebracht waarop duidelijk leesbaar volgende vermeldingen voorkomen:

de aard van de inrichting;
de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
de vervaldatum van de vergunning: "vergund tot ...";
de normale openingsuren;
het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;
bij brand of onheil: telefoonnummer brandweer;

 

§ 2.

De inrichting dient ontoegankelijk te zijn voor onbevoegden. Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt de inrichting omheind met een stevige en voldoende ongeveer twee meter hoge afsluiting. Alle toegangswegen tot de inrichting worden met een poort afgesloten. De in- en uitrit voor vrachtwagens is voldoende breed om geen gevaarlijke verkeerssituaties te creëren noch op het terrein, noch op de openbare weg. De poorten worden enkel open gehouden onder toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. Buiten de normale openingsuren worden de poorten op slot gehouden.

 

§ 3.

Voldoende parkeerruimte voor voertuigen en vrachtwagens wordt aangelegd.

 

§ 4.

De breedte, de stabiliteit en het onderhoud van de wegenis is zodanig dat een veilig verkeer wordt gewaarborgd bij alle weersomstandigheden.

 

§ 5.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5m breedte aangelegd. Het groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen om zo snel mogelijk een efficiënt groenscherm te bekomen. Voor nieuwe inrichtingen wordt het groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Indien geen bouwwerken worden uitgevoerd , wordt het groenscherm aangeplant in het eerste plantseizoen dat bij de aanvang van de uitbating aansluit.


De uitbating.


Art. 5.2.1.6.

§ 1.

De exploitant waakt over de goede werking en de zindelijkheid van de inrichting. Het personeel beschikt over de nodige onderrichtingen om de inrichting te bedienen en te onderhouden.

 

De exploitant zorgt ervoor dat het beheer van de inrichting gebeurt door een natuurlijke persoon die technisch bekwaam is om de inrichting te beheren. De exploitant van de inrichting zorgt ervoor dat het personeel de nodige beroeps- en technische opleiding krijgt.

 

De inrichting en de uitbating gebeuren zodanig dat geen afvalstoffen of zwerfvuil buiten de inrichting kunnen terechtkomen en dat zwerfvuil zoveel mogelijk wordt voorkomen.

 

De ganse inrichting, inclusief de in- en uitrit, de parkeerruimten en de wegenis van de inrichting worden regelmatig, indien nodig dagelijks, grondig gereinigd. Het zwerfvuil langsheen de omheining en op het terrein wordt regelmatig verwijderd, tenminste wekelijks.

 

§ 2.

De exploitant treft de nodige schikkingen om bij defect aan de inrichting alle herstellingen zo snel mogelijk uit te voeren. Hij zorgt ervoor dat de nodige reserveonderdelen snel worden bekomen.

 

§ 3.

De exploitant voorkomt en bestrijdt stank en stof, gas, aërosolen, rook of hinderlijke geuren met aangepaste middelen eigen aan een verantwoorde uitbating van de inrichting. De exploitant neemt alle mogelijke maatregelen om verontreinigende emissies minimaal te houden. De hinder mag noch de normaal aanvaardbare grenzen, noch de normale burenlast overschrijden.

 

§ 4.

Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning en onverminderd andere voorwaarden inzake het voorkomen van geluidshinder zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen vóór 7 uur en na 19 uur, en op zon- en feestdagen.

 

§ 5.

De exploitant treft de vereiste schikkingen om te voorkomen dat trillingen inherent aan de uitbating schadelijk zouden zijn voor de stabiliteit van constructies of een bron van ongemak zijn voor de buurt. De trillingen van de installaties mogen niet overgedragen worden op het gebouw of de omgeving. De gedeelten van de installaties die een trillingsbron kunnen zijn worden daartoe met een trillingdempend systeem uitgerust.

 

§ 6.

De exploitant neemt de nodige maatregelen om overlast, veroorzaakt door vogels, ongedierte en insecten te voorkomen. Het gebruik van pesticiden wordt zoveel mogelijk vermeden en vereist de goedkeuring van de toezichthoudende overheid.

 

§ 7.

Het is verboden dieren vrij te laten rondlopen in de inrichting.

 

§ 8.

Het afvalwater dat ontstaat in de inrichting wordt opgevangen. Het afvalwater wordt steeds op een aangepaste wijze behandeld om daar waar mogelijk opnieuw te worden benut of om in het andere geval te worden geloosd. Iedere rechtstreekse verbinding tussen een plaats waar nog te behandelen afvalwater wordt opgevangen en een oppervlaktewater of een riool is verboden.

 

§ 9.

De afwatering van de omliggende percelen mag niet worden gehinderd.


Art. 5.2.1.7.

§ 1.

De afvalstoffen mogen niet buiten de daartoe bestemde behandelings- of opslagruimte worden opgeslagen. De hoeveelheid in de inrichting opgeslagen afvalstoffen mag niet meer bedragen dan toegestaan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geen hoeveelheden zijn vermeld, gelden de hoeveelheden vermeld in de aanvraag.

 

§ 2.

Het verdunnen van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 4.4.2. van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, is verboden.

 

§ 3.

De plaatsen op het terrein waar vloeistoffen van bijlage 2B van titel I van het VLAREM of gevaarlijke vloeistoffen volgens de CLP-verordening op de bodem kunnen lekken, worden uitgerust met een vloeistofdichte vloer zodanig dat gelekte vloeistoffen noch de bodem noch het grond- of oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Deze vloer wordt aangelegd met een lekdicht afwateringssysteem.

 

§ 4.

De afwatering van de gebouwen, de installatie en het terrein wordt zó uitgevoerd dat de verontreiniging van het hemelwater zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat het niet verontreinigd hemelwater kan afvloeien of worden weggepompt. Niet verontreinigd hemelwater mag in geen geval worden gemengd met ander nog te behandelen afvalwater. Daar waar mogelijk wordt het hemelwater gebruikt voor de waterbevoorrading van de inrichting. Het opgevangen hemelwater wordt daartoe gestockeerd. Overtollig hemelwater wordt geloosd in oppervlaktewater. De lozing in riool kan slechts worden aanvaard indien geen lozing in oppervlaktewater mogelijk is en op voorwaarde dat het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten.

 

§ 5.

Verontreinigd hemelwater moet worden opgevangen en behandeld zoals het overige afvalwater van de inrichting.


Art. 5.2.1.8.

§ 1.

De exploitant van de inrichting verwittigt tenminste tien dagen voor de geplande aanvangsdatum van de uitbating van de inrichting met een aangetekend schrijven de toezichthoudende overheid. Nieuwe inrichtingen of installaties mogen niet in gebruik worden genomen vooraleer de toezichthoudende overheid de inrichting of installatie heeft geïnspecteerd en zich ervan heeft vergewist dat aan de opgelegde milieuvoorwaarden wordt voldaan Indien de toezichthouder vaststelt dat de naleving van de milieuvoorwaarden onvoldoende verzekerd is, kan hij de aanvang van de uitbating doen uitstellen.

 

§ 2.

De exploitant is ertoe gehouden een voldoende verzekering aan te gaan inzake burgerlijke aansprakelijkheid.

 

§ 3.

Een afschrift van alle vergunningen waarover de inrichting beschikt en het goedgekeurde werkplan, worden, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, in de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder. Het register en de resultaten en/of verslagen van de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voorgeschreven metingen en analyses worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en dat gedurende de volledige periode van de uitbating. Bij het beëindigen van de uitbating worden de registers bezorgd aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.


Brandvoorkoming en brandbestrijding.


Art. 5.2.1.9.

§ 1.

Behalve in daartoe geëigende en vergunde verbrandingsinstallaties is het verboden om afvalstoffen in brand te steken;

 

§ 2.

Bij de opslag van afvalstoffen met een ontvlambaar of ontplofbaar karakter als vermeld in Verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, worden de nodige maatregelen getroffen om brand- en ontploffingsrisico te voorkomen, waaronder:

de vorming van elektrostatische ladingen voorkomen bij de opslag en behandeling;
de opslag beschermen tegen de nadelige gevolgen van de inwerking van zonnestraling;
de opslag niet laten plaatsvinden op plaatsen binnen de inrichting waar de temperatuur 40 °C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong;
de lokalen waarin de opslag plaatsvindt, alleen verwarmen met toestellen waarvan de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om brand- en ontploffingsrisico te voorkomen;
een openvuurverbod en rookverbod toepassen in de buurt van de opslag, tenzij voor onderhouds- of herstellingswerken op voorwaarde dat daarvoor de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen. Deze bepalingen worden verduidelijkt aan de hand van reglementaire veiligheidspictogrammen;
de opslagplaatsen op afdoende wijze, hetzij natuurlijk, hetzij kunstmatig ventileren.

 

§ 3.

[...]

 

§ 4.

Tenzij in de inrichting uitsluitend onbrandbare afvalstoffen worden verwerkt, of tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit treft de exploitant met het oog op het voorkomen en bestrijden van brand volgende maatregelen:

[...]
de organisatie van de brandbestrijding en de brandbestrijdingsmiddelen worden jaarlijks en de eerste maal voor de inwerkingstelling van de installatie gecontroleerd door de exploitant, zijn aangestelde of zijn afgevaardigde. De data van deze controles en de vaststellingen worden ingeschreven in het register;
de nodige apparatuur voor de detectie van brand of rook in de inrichting wordt aangebracht volgens de onderrichtingen van de bevoegde brandweer;
geschreven onderrichtingen voor het personeel inzake brandvoorkoming en brandbestrijding worden op goed zichtbare plaatsen uitgehangen.
[...]

 

§ 5.

De voorwaarden inzake de voorkoming en bestrijding van brand zijn van toepassing onverminderd andere voorschriften terzake.


Afdeling 5.2.2.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen


Subafdeling 5.2.2.1.
Containerparken


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.1.1.

§ 1.

Op een containerpark kunnen de volgende huishoudelijke afvalstoffen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de vergunning, selectief worden ingezameld en opgeslagen:

metaalafval;
bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;
glasafval;
papier- en kartonafval;
textielafval;
kunststofafval;
houtafval;
snoeihout, tuinafval en gazonmaaisel;
rubberbanden;
10° afgewerkte motorolie;
11° gebruikte frituuroliën en -vetten;
12° andere in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen.

 

 

§ 1bis.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden bepaald dat bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard en samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen mogen worden aanvaard voorzover ze de normale werking van het containerpark niet hinderen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder "bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen" verstaan: afvalstoffen die ontstaan ten gevolge van activiteiten die van dezelfde aard zijn als deze van de normale werking van een particuliere huishouding.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen ingezameld en opgeslagen worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

Op het containerpark wordt een container opgesteld voor de opvang van de niet recupereerbare restfractie die bij het sorteren ontstaat.

 

§ 4.

De afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, worden altijd gescheiden opgeslagen in aangepaste recipiënten of stockageruimten.


Art. 5.2.2.1.2. In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, is geen weegbrug vereist en worden in het register enkel ingeschreven de gegevens inzake de afgevoerde afvalstoffen en de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.

De uitbating.

Art. 5.2.2.1.3.

§ 1.

De containers worden geplaatst op een vloeistofdichte vloer, die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 2.

De containers voor afgewerkte motorolie, die tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een maximum inhoudsvermogen van 2 x 1.000 liter mogen hebben, worden geplaatst in een vloeistofdichte en oliebestendige inkuiping met een inhoud die tenminste gelijk is aan de inhoud van de daarin opgestelde oliecontainers.

 

§ 3.

Het ingezamelde asbestcementafval of ander asbesthoudend afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, moet gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

 

§ 4.

De ingezamelde elektrische en elektronische toestellen worden op een milieuverantwoorde wijze opgeslagen. Koel- en vriestoestellen worden droog [...] en zodanig geplaatst dat het koelcircuit niet kan beschadigd worden. Beeldschermen worden in intacte toestand opgeslagen.


Subafdeling 5.2.2.2.
Inrichtingen voor het opslaan en sorteren van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong, aansluitend bij containerparken


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.2.1.

§ 1.

De afvalstoffen die in de inrichting kunnen worden opgeslagen zijn kleine gevaarlijke afvalstoffen van huishoudelijke oorsprong (verder KGA genoemd).

 

§ 1bis.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan worden bepaald dat KGA van bedrijfsmatige oorsprong dat omwille van aard, samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar is met KGA van huishoudelijke oorsprong, mag worden aanvaard voorzover dit KGA de normale werking van de inrichting voor het opslaan en sorteren van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong, aansluitend bij containerparken niet hindert.

 

§ 2.

Alleen KGA dat met in achtname van de bepalingen van de toepasselijke wetgeving wordt afgegeven, mag worden aanvaard.


Art. 5.2.2.2.2.

§ 1.

De aanvoer, de aanvaarding, en de sortering van het KGA is enkel toegelaten mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant of voornoemde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften . De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthouder.

 

§ 2.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist en worden in het register enkel ingeschreven de gegevens inzake de afgevoerde afvalstoffen en de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.


De uitbating.

Art. 5.2.2.2.3.

§ 1.

De ingezamelde afvalstoffen worden onmiddellijk en uiterlijk vóór het beëindigen van zijn dagtaak door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde gesorteerd en opgeslagen op een wijze dat elk risico wordt vermeden.

 

§ 2.

Het KGA wordt onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen van de verschillende afvalstoffen. De deelcontainers of recipinten dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen.

 

§ 3.

De opslag van KGA gebeurt in een vloeistofdichte gecompartimenteerde container (KGA-kluis) of in een gesloten opslaglokaal, overeenkomstig het goedgekeurde werkplan.

 

§ 4.

Als er wordt vastgesteld dat een recipiënt met KGA lekt, wordt het recipiënt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipiënt en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd. In de inrichting zijn daartoe voldoende reserverecipinten en absorptiemateriaal aanwezig. Lege verontreinigde recipiënten en verontreinigd absorptiemateriaal wordt afgevoerd met het KGA.


Subafdeling 5.2.2.3.
Opslag en compostering van groenafval, GFT-afval en organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen


Gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 5.2.2.3.1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de subrubrieken 2.2.3, a), b) en c) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3.2. In afwijking van de algemeen geldende bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug, groenscherm noch afvalstoffenregister vereist voor inrichtingen ingedeeld in klasse 3.

Art. 5.2.2.3.3. Buiten de openingsuren dient de composteerinstallatie te zijn afgesloten voor onbevoegden. [...]

Art. 5.2.2.3.4.

De exploitant houdt een compostdagboek bij met vermelding van gegevens inzake temperatuurmetingen, data van het omzetten en afoogsten.


Art. 5.2.2.3.5.

§ 1.

De bedrijfsvoering van de aerobe compostering moet zo zijn dat :

in de composthopen een aerobe gelijkmatige compostering verzekerd wordt;
de composteringstijd zo is dat het proces optimaal verloopt teneinde een bruikbaar eindproduct te bekomen.

 

 

§ 2.

De inrichting voor aerobe compostering beschikt over een spreidplaats om de volledige compostering te verzekeren. Bij het opzetten van de composthopen wordt het te composteren materiaal voldoende bevochtigd om een goed composteringsproces te verzekeren. Tijdens het composteringsproces wordt het substraat regelmatig gekeerd zodat de aerobe omstandigheden in de hopen steeds gehandhaafd blijven. De uitrusting voor het beluchten of het keren moet aanwezig zijn.

 

§ 3.

Tussentijdse opslag van compost dient stofvrij te gebeuren en in hopen van maximum 4 meter hoogte.

 

§ 4.

Composteerinstallaties met een composteerruimte groter dan 10 m; dienen voorzien te zijn van een vloeistofdichte vloer, die is uitgerust met een afwateringssysteem. Het afvloeiwater wordt opgevangen, indien nodig behandeld, en opgeslagen met het oog op het gebruik ervan voor het bevochtigen van de te composteren afvalstoffen.


Inrichtingen voor het composteren van uitsluitend groenafval.

Art. 5.2.2.3.6.

In de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, a) mogen uitsluitend composteerbare afvalstoffen afkomstig van het onderhoud van tuinen en plantsoenen worden aanvaard.


Inrichtingen voor het composteren van groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval).

Art. 5.2.2.3.7.

In de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, b) mag uitsluitend het volgende groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) worden aanvaard :

in de composteerinstallaties bedoeld in de subrubriek 2.2.3, b), 1° : GFT-afval van huishoudelijke oorsprong verbonden aan een wooncomplex en/of wijk;
in de composteerinstallaties bedoeld in de subrubriek 2.2.3, b), 2° : GFT-afval van huishoudelijke oorsprong verbonden aan een woonwijk; de gebiedsafbakening rond de composteerinstallatie gebeurt in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op basis van de capaciteit van de composteerinstallatie en het aantal inwoners dat onvoldoende mogelijkheden heeft tot thuiscomposteren; de exploitant registreert de producenten van de aangeboden afvalstoffen;
in de composteerinstallaties vermeld in de subrubriek 2.2.3, b), 3° : het GFT-afval omschreven in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

Art. 5.2.2.3.8.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mag de compost die door een composteerinstallatie, ingedeeld in klasse 3, wordt geproduceerd uitsluitend :

worden geleverd aan diegenen die GFT-afval hebben aangeleverd en/of
worden gebruikt als bodemverbeterend middel in openbare groenvoorzieningen in de gemeente waar de inrichting wordt geëxploiteerd.

Inrichtingen voor het composteren van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen.

Art. 5.2.2.3.9.

In de composteerinstallaties, vermeld in de subrubriek 2.2.3, c), mogen uitsluitend organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen worden aanvaard als omschreven in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Subafdeling 5.2.2.3bis.
Opslag en voorbehandeling van maaisel in afwachting van een nuttige toepassing


Art. 5.2.2.3bis.1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, d) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3bis.2. In afwijking van de algemeen geldende bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug, groenscherm noch afvalstoffenregister vereist voor inrichtingen ingedeeld in klasse 3.

Art. 5.2.2.3bis.3. In de inrichting mag uitsluitend maaisel afkomstig van het beheer van bermen en natuurgebieden worden aanvaard.

Art. 5.2.2.3bis.4. De bedrijfsvoering op het terrein moet zo zijn dat :

de opslag en voorbehandeling gecontroleerd gebeuren waarbij de biologische processen worden stilgelegd of op zijn minst dermate beperkt dat elke vorm van geurhinder of bodemverontreiniging uitgesloten is;

de voorbehandeling is afgestemd op de uiteindelijke verwerking.

 


Art. 5.2.2.3bis.5. [...]

Art. 5.2.2.3bis.6. [...]

Subafdeling 5.2.2.3ter.
Opslag en biologische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen


Art. 5.2.2.3ter.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de rubrieken 2.2.3, e), 2.2.3, f), 2.3.3,a) en 2.3.7,d) van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.3ter.2. De exploitant zorgt ervoor dat open bekkens maximaal gevuld worden tot het niveau waarbij er geen gevaar is dat de bekkens overlopen.

Art. 5.2.2.3ter.3.

De aanvoerdarm voor vloeibare organisch-biologische afvalstoffen vanuit de betreffende vrachtwagen beschikt over een vloeistofdichte snelkoppeling die past op de gesloten opslagvoorziening of een gelijkwaardig alternatief. Ter hoogte van de koppelingen wordt ook in lekbakken voorzien die de organisch-biologische afvalstoffen alsnog kunnen opvangen. De vrachtwagen staat tijdens het lossen op een verharde vloer, voldoende dicht zodat de bodem en het grond- en of oppervlaktewater niet verontreinigd kunnen worden. Alle run-off van die verharding wordt opgevangen.

 

Voor inrichtingen die voor 1 juli 2014 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in het eerste lid, vanaf 1 juli 2017.


Subafdeling 5.2.2.4.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van bepaalde ongevaarlijke vaste afvalstoffen


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.4.1.

§ 1

In de inrichting voor het opslaan en behandelen van ongevaarlijke afvalstoffen kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, de volgende vaste afvalstoffen worden verwerkt:

 

selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen bestaande uit papier-, hout-, karton-, textiel-, plastiek-, metaal-,glas- en rubberafval.
de bedrijfsafvalstoffen die omwille van de herkomst, de aard en de samenstelling vergelijkbaar zijn met de in 1° vermelde huishoudelijke afvalstoffen;
inerte afvalstoffen:
a) reststoffen afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken, met uitzondering van asfalt, hout, plastiek, andere kunststoffen aangewend in de bouwsector en afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten;
b) reststoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem-, mergel- en grindafzettingen);
inerte afvalstoffen verontreinigd met asfalt, hout, plastiek en andere kunsstoffen aangewend in de bouwsector, met uitzondering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten.
bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;

 

§ 2

Volgende afvalstoffen mogen in geen geval in de inrichting worden aanvaard:

gevaarlijke afvalstoffen met inbegrip van KGA, uitgezonderd, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;
groente-, fruit- en tuinafval en afval van dierlijke oorsprong;
niet selectief ingezameld huisvuil;

 

§ 3

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 4

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen zoals sorteren, opslaan, overslaan, breken en persen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.


De uitbating.

Art. 5.2.2.4.2.

§ 1

Het behandelen gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 2

De opslag van de gesorteerde materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren of in containers, voor zover dit geen aanleiding geeft tot hinder en overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Niet nuttig toepasbare afvalstoffen mogen buiten de sorteervloer enkel in containers worden opgeslagen. De opslag van de afvalstoffen, al dan niet in containers, gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

 

§ 3

In afwijking van § 1 en § 2 gebeurt het opslaan en behandelen van inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt op een verharde niet-vloeistofdichte bodem, zonder dat die moet uitgerust zijn met een vloeistofdichte verharding.

 

§ 4

Om stof en lawaai te beperken kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, al dan niet ter aanvulling van het groenscherm, de aanleg van een aarden wal worden opgelegd.

 

§ 5

De exploitant treft de nodige maatregelen om lange opslagtijden en grote opslaghoeveelheden te vermijden. Afvalstoffen die niet voor nuttige toepassing in aanmerking komen en de gesorteerde materialen worden regelmatig afgevoerd. Afvalstoffen die aanleiding geven tot hinder voor de omgeving worden onmiddellijk afgevoerd.

 

§ 6

De verwerking van voertuigbanden moet zo gebeuren dat de banden worden gesorteerd naar de volgende categorieën:

die welke in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands;
die welke in aanmerking komen voor loopvlakvernieuwing;
die welke noch in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands, noch voor loopvlakvernieuwing.

 

§ 7

Op bouw- en sloopafval waarin via visuele keuring vastgesteld wordt dat asbestcement aanwezig is, worden er in geen geval breekactiviteiten uitgevoerd.


Art. 5.2.2.4.3. Het ingezamelde asbestcementafval of andere asbesthoudende afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, dient gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval te worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

Subafdeling 5.2.2.4bis.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen, afkomstig van één specifiek bouw- en sloopwerf of wegenwerk, waarbij minstens 50% van de stoffen na behandeling nuttig worden aangewend op de plaats van ontstaan, waarbij de inrichting niet langer dan één jaar in exploitatie zal zijn en waarbij de inrichting zich op maximaal 1.000 m van het wegenwerk bevindt of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf


Art. 5.2.2.4bis.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.2.2, h), van de indelingslijst.


Art. 5.2.2.4bis.2.

In de inrichting worden alleen afvalstoffen aanvaard, opgeslagen en behandeld, afkomstig van de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk dat expliciet in het meldingsdossier is vermeld en geïdentificeerd. De opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen en gerecycleerde granulaten is beperkt tot de hoeveelheden, vermeld in het meldingsformulier.

 

In de inrichting worden alleen de volgende soorten afvalstoffen opgeslagen en behandeld:

inerte afvalstoffen die bestaan uit de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken; 
niet-teerhoudend asfalt, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken.

 

De volgende afvalstoffen mogen niet verwerkt worden in de inrichting:

teerhoudend asfalt;
bouw- en sloopafval dat asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, bevat;
bouw- en sloopafval dat vrije asbestvezels of asbeststof bevat;
andere gevaarlijke afvalstoffen;
andere niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet vermeld in het tweede lid van dit artikel. 

 

 


Art. 5.2.2.4bis.3.

De op de inrichting toegelaten handelingen zijn beperkt tot:

de opslag;
het sorteren en voorbereidende mechanische behandeling, zoals crushen met het oog op het breken;
het breken; 
het zeven. 

 


Art. 5.2.2.4bis.4. De inrichting ligt op een afstand van maximaal 1.000 m van het wegenwerk, gemeten vanaf de perceelsgrenzen of de afgebakende werfzone van het wegenwerk, of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf.

Art. 5.2.2.4bis.5.

De opslag van te breken puin en gerecycleerde granulaten is beperkt tot maximaal één jaar na de datum van de melding.

 

De verwerking van de afvalstoffen is beperkt tot maximaal zestig werkdagen binnen de periode van één jaar, vermeld in het eerste lid.

 

De termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen niet verlengd worden.


Art. 5.2.2.4bis.6. De aanvoer en de verwerking van afvalstoffen, alsook de afvoer van gerecycleerde granulaten en restfracties, zijn verboden op weekdagen tussen 19 uur en 7 uur, en op zaterdagen, zondagen en feestdagen.

Art. 5.2.2.4bis.7. De inrichting wordt gedurende de volledige periode van exploitatie voorzien van een vaste of tijdelijke afsluiting die de toegang voor rollend materieel onmogelijk maakt. Ook de toegangsweg wordt voorzien van een afsluitmogelijkheid.

Art. 5.2.2.4bis.8.

Aan de toegangsweg wordt op een vanaf de openbare weg goed zichtbare plaats een uithangbord geplaatst waarop duidelijk leesbaar de volgende vermeldingen zijn opgenomen:

“toegang verboden voor onbevoegden”;
de aard van de inrichting;
de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
de normale openingsuren; 
de datum van aanvang en beëindiging van de activiteiten;
het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid; 
bij brand of onheil: het telefoonnummer van de brandweer. 

 


Art. 5.2.2.4bis.9.

Voor de inrichtingen bedoeld in deze subafdeling zijn de bepalingen van afdeling 4.5.5 van toepassing. Overdag wordt in afwijking van deze subafdeling het specifieke geluid in openlucht van de inrichting tijdens het mechanisch behandelen op de in artikel 1, §3 en §4, van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit, verhoogd met 20 dB(A), niet wordt overschreden. Deze bepaling is niet van toepassing ter hoogte van stiltebehoevende instellingen, waarvoor afdeling 4.5.5 blijft gelden.


Art. 5.2.2.4bis.10.

§ 1.

Voor de aanvang van de mechanische behandeling van de afvalstoffen bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de overheid waarbij de melding is ingediend, en aan de bevoegde toezichthoudende overheid:

de datum van aanvang en de duur van de periode dat de afvalstoffen mechanisch behandeld zullen worden;
de afstand van de inrichting tot de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk;
de identificatiegegevens van de puinbreker, zoals vastgesteld in het kader van het Geografisch Informatiesysteem (GIS);
een afschrift van het certificaat van de puinbreker die ingezet zal worden, afgeleverd door een geaccrediteerde keuringsinstelling in het kader van het VLAREA;
een beschrijving van de bronsterkte (LW) van de puinbreker in dB(A);
de afstand van de puinbreker tot de dichtstbijzijnde woning en stiltebehoevende instelling. 

 

 

§ 2.

Het register dat de exploitant met toepassing van de afvalstoffenregelgeving bijhoudt, bevat daarnaast de volgende gegevens:

op elk ogenblik: de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen te behandelen afvalstoffen; 
op elk ogenblik: de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen gerecycleerde granulaten;
de tijdstippen (dagen en uren) waarop er afvalstoffen mechanisch worden behandeld. 

 

 

§ 3.

Inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt worden opgeslagen en behandeld op een vlakke verharde bodem, zonder dat uitrusting met een vloeistofdichte verharding noodzakelijk is. De afvalstoffen en gerecycleerde granulaten worden gestapeld op een veilige manier, zonder risico voor de omgeving.

 

§ 4.

De exploitant treft de nodige maatregelen zodat afvalstoffen die niet nuttig worden aangewend binnen de bouw- en sloopwerf of het wegenwerk waarbij de inrichting hoort, regelmatig worden afgevoerd.

 

§ 5.

De inrichting beschikt over een geijkte weeginstallatie met automatische registratie.

 

§ 6.

Tijdens de periodes van aan- en afvoer en tijdens de mechanische behandeling is altijd een verantwoordelijke persoon aanwezig met voldoende vakbekwaamheid en kennis van de na te leven voorwaarden en de te nemen maatregelen. De exploitant deelt de naam van die persoon schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

 

§ 7.

De exploitant treft alle nodige maatregelen om stofhinder te voorkomen en te beperken.

 

Er wordt zo nodig gebruik gemaakt van een sproei-installatie of sproeiwagen om de opgeslagen en te breken afvalstoffen en gerecycleerde granulaten, alsook de stofgevoelige delen van het terrein, vochtig te houden, zowel tijdens de opslagfase als tijdens het breken.

 

Bij het transport van bouw- en sloopafval en van afval van wegenwerken naar de inrichting en bij afvoer van gerecycleerde granulaten worden de nodige voorzieningen, zoals afdekken of bevochtigen, getroffen om ladingverlies en stofverspreiding tegen te gaan.

 

§ 8.

De machines worden zo opgesteld dat trillingen naar de omgeving worden voorkomen.

 

§ 9.

De puinbreker is uitgerust met een webgebaseerd informatiesysteem dat gelinkt is aan een gps-systeem. Het informatiesysteem is operationeel telkens als de puinbreker in werking is.

 

Het webgebaseerde informatiesysteem, vermeld in het eerste lid, laat de certificatie-instelling en de toezichthouder toe om de locatie van de productie-installatie te visualiseren, de operationaliteit te volgen en de productieperiode na te gaan. Die gegevens worden bijgehouden en opgelijst in een centrale databank die online beschikbaar is voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.

 

§ 10.

Binnen dertig dagen na het beëindigen van de activiteiten en binnen de periode van één jaar exploitatie, vermeld in artikel 5.2.2.4bis.5, §1, wordt het terrein volledig schoongemaakt.


Subafdeling 5.2.2.5.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, niet elders vermeld


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.5.1.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen kunnen gevaarlijke huishoudelijke en bedrijfsafvalstoffen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden verwerkt.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.


De uitbating.

Art. 5.2.2.5.2.

§ 1.

Voor afval van brandbare vloeistoffen gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.6 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling. Voor afvalstoffen met gevaarlijke eigenschappen zoals vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, gelden de overeenkomstige voorwaarden van hoofdstuk 5.17 bovenop de voorwaarden van deze subafdeling.

 

§ 2.

De opslag van gevaarlijke afvalstoffen dient te gebeuren in een gecompartimenteerde opslagplaats eventueel aangevuld met vaste houders of tanks voor vloeibare afvalstoffen. De afvalstoffen mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde compartimenten, houders of tanks overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Verborgen leidingen en/of verbindingskanalen tussen tanks of houders zijn verboden.

 

§ 3.

De behandelings- en opslagruimten voor vloeibare afvalstoffen zijn zo geconstrueerd dat accidenteel uit de recipiënten ontsnapte vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen in een inkuiping. Dubbelwandige houders, uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem, hoeven niet in of boven een inkuiping geplaatst te worden. De bevloering, opvanggoten, opvangputten en inkuiping zijn ondoordringbaar en chemisch inert voor de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen. De inkuiping kan de vloeistofmassa die bij lekkage kan vrijkomen, weerstaan. Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, moet de inhoud van de opvangputten of de inkuiping minstens gelijk zijn aan de hoeveelheid vloeistoffen die in het betreffende compartiment worden opgeslagen.

 

§ 4.

Afvalstoffen met buitengewone risico's, inzonderheid samengeperste gassen en voor zelfontbranding vatbare stoffen, worden opgeslagen in een afzonderlijk gebouw, ruimtelijk gescheiden van de andere gebouwen, opslagruimten en installaties. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen minimumafstanden met betrekking tot de ruimtelijke scheiding worden opgelegd. Containers, vaten, tanks en recipiënten waarin afvalstoffen worden opgeslagen die wegens hun aard en eigenschappen ruimtelijk gescheiden opgeslagen moeten worden, mogen niet in éénzelfde inkuiping worden geplaatst.

 

§ 5.

De containers, houders, tanks en andere recipiënten:

dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen;
zijn zo geconstrueerd en geplaatst dat een vlotte en representatieve monstername van de inhoud mogelijk is;
worden dermate beveiligd dat ongevallen en lekken tijdens het overpompen van de afvalstoffen maximaal worden vermeden.

 

§ 6.

In de inrichting zijn de nodige interventiemiddelen, zoals absorptiemateriaal, overmaatse vaten en beschermingsmiddelen aanwezig om bij lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.

 

§ 7.

De exploitant beschikt over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie die het afvalwater zuivert om in alle omstandigheden te voldoen aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 8.

Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.5.3/1, § 1 en § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen moet niet-herbruikbare afgedankte elektrische of elektronische apparatuur op de volgende wijze verwerkt worden :

de apparaten worden ontdaan van de verschillende schadelijke onderdelen, inzonderheid die welke gevaarlijke stoffen of componenten bevatten;
a) uit gescheiden ingezamelde afgedankte elektrische of elektronische apparatuur moeten ten minstens de volgende stoffen, mengsels en onderdelen worden afgezonderd:
    1) condensatoren:
      aa) PCB/PCT-houdende condensatoren en andere PCB-bevattende componenten;
      ab) elektrolytische condensatoren die tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevatten (hoogte > 25 mm, diameter > 25 mm, of met een naar verhouding vergelijkbaar volume);
    2) onderdelen die kwik bevatten;
    3) alle batterijen en accumulatoren;
    4) printplaten:
      aa) printplaten van mobiele telefoons;
      ab) printplaten van andere apparaten als de oppervlakte van de printplaat meer dan 10 cm_ bedraagt;
    5) alle tonercassettes en inkthoudende recipiënten (al of niet leeg, droge, pasteuze of vloeibare inkt) en inktlinten;
    6) kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten;
    7) asbesthoudende onderdelen;
    8) beeldschermen:
      aa) beeldbuizen: kathodestraalbuizen;
      ab) lcd-schermen (in voorkomend geval met toebehoren) met een oppervlak van meer dan 100 cm² en schermen met een achtergrondverlichting met behulp van gasontladingslampen;
    9) chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK’s en HCFK’s) of fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), koolwaterstoffen (HC’s);
    10) gasontladingslampen;
    11) uitwendige elektrische kabels;
    12) onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten;
    13) alle onderdelen die radioactieve stoffen bevatten;
    14) alle vloeistoffen;
  b) de volgende onderdelen worden als volgt behandeld :
    1) beeldbuizen : de fluorescerende laag wordt afgezonderd;
    2) gasontladingslampen : het kwik wordt afgezonderd.

 

§ 9.

De gassen uit apparatuur die de ozonlaag aantasten of een aardopwarmingspotentieel hebben van meer dan 15 GWP, zoals in isolatieschuim en koelcircuits, worden adequaat verwijderd en behandeld. Gassen die de ozonlaag aantasten, worden behandeld overeenkomstig verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen.


Het isolatiemateriaal dat ozonlaagafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevat, wordt met een gesloten ontgassingssysteem ontdaan van die stoffen in een daarvoor vergunde inrichting.

 

De terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit stationaire koelinstallaties mag alleen uitgevoerd worden door een erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL, die in het bezit is van een certificaat van de overeenkomstige categorie.

 

Het derde lid is niet van toepassing voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen voor de betreffende categorie, vermeld in artikel 17/1, 2°, van het VLAREL, op voorwaarde dat hij de werkzaamheden uitvoert onder toezicht van een erkende koeltechnicus die houder is van een certificaat van de betreffende categorie en die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de correcte uitvoering van de terugwinning. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting is gedurende maximaal twee jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, toegestaan en vervalt indien de persoon een erkenning als koeltechnicus voor de overeenkomstige categorie als vermeld in artikel 6, 2°, e), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.

 

Het derde lid is niet van toepassing voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen op een persoon die voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat.

 

Het derde lid is niet van toepassing op een persoon die ozonlaagafbrekende stoffen maar geen gefluoreerde broeikasgassen terugwint uit koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van minder dan drie kilogram op voorwaarde dat de persoon een gepaste opleiding heeft gevolgd en dat kan bewijzen met een diploma of getuigschrift. De opleiding behandelt ten minste de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067, over de terugwinning van ozonlaagafbrekende stoffen. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs daarvan voor.

 

Het derde lid is eveneens niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor stationaire koelinstallaties met gefluoreerde broeikasgassen.

 

§ 9bis.

De selectieve behandeling, vermeld in paragraaf 8 en 9, van materialen en onderdelen van afgedankte EEA wordt, rekening houdend met milieuoverwegingen en de wenselijkheid van voorbereiding voor hergebruik en recyclage, zo toegepast dat het op milieuverantwoorde wijze voorbereiden voor hergebruik en recycleren van onderdelen van complete apparaten niet bemoeilijkt wordt.

 

§ 10.

De opslag, met inbegrip van de tijdelijke opslag, de behandeling en de verwerking van afgedankte batterijen en accu's vindt plaats op overdekte locaties met vloeistofdichte vloer of in weersbestendig afgedekte en zuurbestendige containers. De verwerking van afgedankte batterijen en accu's omvat minimaal het wegnemen van alle vloeistoffen en zuren.


Art. 5.2.2.5.3.

§ 1.

De exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften . De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthouder.

 

§ 2.

De gevaarlijke afvalstoffen worden bij aanvoer door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde opgeslagen en behandeld op een wijze dat risico's maximaal worden vermeden.

 

§ 3.

De gevaarlijke afvalstoffen worden onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen.

 

§ 4.

De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen die met elkaar kunnen reageren tot ongecontroleerde reacties leiden of tot de vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen of dampen.

 

§ 5.

Als er wordt vastgesteld dat een recipiënt met gevaarlijk afval lekt, wordt het recipiënt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipint en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd.

 

§ 6.

De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag worden regelmatig, en tenminste na elke calamiteit, geledigd. De bekomen afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwerkt.

 

§ 7.

Lege verontreinigde recipiënten en verontreinigd absorptiemateriaal worden opgeslagen en behandeld volgens de aard van de stoffen waarmee ze verontreinigd zijn. Niet herbruikbare recipinten krijgen een aangepaste verwerkingswijze.


Subafdeling 5.2.2.6.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken


Art. 5.2.2.6.1. [...]

De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.6.2.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, gedepollueerde en niet-gedepollueerde voertuigwrakken en onderdelen ervan worden opgeslagen en behandeld en volgende afvalstoffen afkomstig van behandeling van de voertuigwrakken tijdelijk worden opgeslagen:

 

- vloeistoffen, inzonderheid koelmiddelen voor airconditioning, remvloeistof, motor-, transmissie- en aandrijfolie, hydraulische olie, brandstoffen, koelvloeistof, ruitensproeier-vloeistof;
- metalen onderdelen;
- motoroliefilters;
- gastanks;
- loodstartbatterijen;
- pyrotechnische delen van airbags/gordels;
- katalysatoren;
- voertuigbanden;
- glas;
- grote kunststofonderdelen, zoals bumpers, instrumentenborden en vloeistoftanks.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, onder meer volgende behandelingen gebeuren:

 

- het aftappen van vloeistoffen;
- het demonteren van onderdelen;
- het vernietigen, met inbegrip van het indrukken

 

§ 4.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke behandelingen kunnen gebeuren, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 5.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken, ingedeeld in klasse-2 of -3.

 

§ 6.

[...]


De uitbating.

Art. 5.2.2.6.3.

§ 1.

Overeenkomstig de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, worden de plaatsen op het terrein waar voor het milieu schadelijke vloeistoffen op de bodem kunnen lekken, uitgerust met een vloeistofdichte vloer. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is deze vloeistofdichte vloer uitgerust met een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem, noch het grond- of oppervlaktewater kunnen verontreinigen. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. Deze bepalingen gelden inzonderheid voor volgende plaatsen:

de stelplaatsen voor lekkende voertuigwrakken;
de plaatsen waar niet-gedepollueerde voertuigwrakken worden opgeslagen of gedepollueerd;
de plaatsen waar gedepollueerde voertuigwrakken worden opgeslagen;
de opslagplaatsen voor batterijen en vloeistofhoudende recipiënten of onderdelen;
de plaatsen waar voertuigen of onderdelen worden gereinigd;
de plaatsen waar voertuigwrakken worden vernietigd, met inbegrip van indrukken;
andere plaatsen bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

Niet-gedepollueerde voertuigwrakken worden zo geplaatst dat nog aanwezige vloeistoffen niet uit het wrak kunnen lekken. Niet-gedepollueerde voertuigwrakken mogen niet worden gestapeld, behalve met gebruik van stapelrekken voor zover dit in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen.

 

§ 3.

Het stapelen van gedepolueerde voertuigwrakken, al dan niet met gebruik van stapelrekken, kan enkel gebeuren voor zover het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen.


Art. 5.2.2.6.4.

§ 1.

De volgende activiteiten worden duidelijk van elkaar gescheiden in ruimten die specifiek daarvoor bestemd en ingericht zijn:

de inzameling van de voertuigwrakken;
de tijdelijke opslag van de niet-gedepollueerde voertuigwrakken;
de tijdelijke opslag van de gedepollueerde voertuigwrakken;
de opslag van vloeistoffen en andere materialen;
de opslag van onderdelen;
de opslag van afval;
de verwerking.

 

In afwijking van het eerste lid, 2° en 3°, mogen niet-gedepollueerde en gedepollueerde voertuigwrakken wel gezamenlijk worden opgeslagen als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

de inrichting beschikt niet over een shredderinstallatie;
elk gedepollueerd voertuigwrak wordt gemarkeerd met een duidelijk herkenbaar etiket dat zichtbaar is vanaf de begane grond.

 

Het verwerkingsproces is zo georganiseerd dat de stoffen die gevaarlijk zijn voor het milieu, zo snel mogelijk verwerkt worden.

 

§ 2.

De demontage en het vernietigen, met inbegrip van het indrukken, en elke andere behandeling van voertuigwrakken worden altijd voorafgegaan door een depollutie van het voertuigwrak. In afwijking van de depollutieplicht moeten werkplaatsen voor het nazicht, de herstelling en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) alvorens te demonteren, alleen de onderdelen depollueren die aanleiding kunnen geven tot lekkage van vloeistoffen, of die het vrijkomen van gevaarlijke stoffen of andere milieuschade kunnen veroorzaken.

 

De materialen en onderdelen van het wrak worden zodanig verwerkt dat de shredderresidu’s optimaal nuttig toegepast kunnen worden en geenszins als gevaarlijke afvalstof verwerkt of verwijderd worden.

 

De depollutie bestaat uit het verplicht ontdoen of gescheiden inzamelen van alle vloeistoffen, tenzij ze nodig zijn voor het hergebruik van de onderdelen in kwestie, en van polluerende of schadelijke bestanddelen in het voertuigwrak zodra het ingeleverd wordt, voorafgaand aan elke verdere behandeling, en meer bepaald:

aftappen en afzonderlijk opslaan van de vloeistoffen;
aftappen van de koelmiddelen voor airconditioning met een gesloten systeem;
leegmaken van de remvloeistoftank;
aftappen van de motorolie, transmissieolie en de aandrijfolie;
demonteren van de motoroliefilter;
leegmaken van de brandstoftank door gebruik te maken van rechtstreekse afzuiging in de tank of van een spatvrij leegloopsysteem;
aftappen van het differentieel en eventueel van het verdeeldrijfwerk;
aftappen van de olie van de stuurinrichting of stuurbekrachtiging;
aftappen van hydraulische oliën uit wielophangingssystemen;
10° aftappen van koelvloeistof;
11° aftappen van ruitensproeiervloeistof;
12° demonteren van eventuele gastanks;
13° demonteren van de loodstartbatterijen;
14° onschadelijk maken van pyrotechnische delen van airbags/gordels;
15° demonteren van katalysatoren en andere gevaarlijke onderdelen.
16° demonteren of gescheiden inzamelen van de onderdelen en materialen die gemerkt of herkenbaar gemaakt moeten worden overeenkomstig bijlage I bij het koninklijk besluit van 19 maart 2004 houdende productnormen voor voertuigen.

Het aftappen van de vloeistoffen gebeurt zo grondig mogelijk. Onderdelen die belangrijke hoeveelheden vloeistof bevatten, die moeilijk afgetapt kunnen worden en waarbij bij het demonteren vloeistof kan weglekken, worden zo veel mogelijk van het wrak gedemonteerd. Na het aftappen worden de aftappluggen weer aangebracht.

 

§ 3.

Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in § 2 worden lekkende voertuigwrakken onmiddellijk ontdaan van de betreffende nog aanwezige vloeistoffen.

 

§ 4.

De demontage of ontmanteling bestaat uit het ontdoen van het voertuigwrak van zo mogelijk nuttig toe te passen onderdelen, met inbegrip van vervangingsonderdelen met het oog op hergebruik.

 

Volgende materialen en onderdelen worden gedemonteerd en selectief ingezameld met het oog op recycling:

katalysatoren;
metalen onderdelen die koper, aluminium en magnesium bevatten, indien deze metalen na shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze als materialen kunnen teruggewonnen worden;
banden en grote kunststofonderdelen zoals bumpers, instrumentenbord, vloeistoftanks, indien deze materialen na shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze als materialen kunnen teruggewonnen worden;
glas, indien dit glas na shredding niet zo wordt gescheiden dat het als materiaal kan teruggewonnen worden.

De onderdelen van afgedankte voertuigen dienen als volgt verwerkt:

herbruikbare onderdelen worden hergebruikt, rekening houdend met de eisen inzake veiligheid; meer bepaald dient een eventueel verbod van de constructeur op het in de handel brengen van de veiligheidsonderdelen van het ingeleverde afgedankte voertuig te worden geëerbiedigd.
niet-herbruikbare onderdelen worden zoveel mogelijk nuttig toegepast waarbij, voorzover daartegen geen milieubezwaren bestaan de voorkeur wordt gegeven aan recycling.

 

§ 5.

Grote opslaghoeveelheden en lange opslagtijden worden vermeden. Daartoe worden alle opgeslagen materialen, voor herbruik gedemonteerde wisselstukken uitgezonderd, regelmatig afgevoerd.

 

§ 6.

De opslaghandelingen worden zodanig verricht dat schade aan onderdelen die vloeistoffen bevatten of aan onderdelen voor nuttige toepassing en reserveonderdelen voorkomen wordt.


Art. 5.2.2.6.5.

§ 1.

De uit de wrakken verwijderde vloeistoffen worden bewaard in de daarvoor bestemde gesloten vaten of tanks overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Ieder vat of tank draagt een duidelijk leesbare vermelding van de inhoud en de overeenstemmende gevarenpictogrammen. Vaten met vloeistoffen worden geplaatst op een overdekte vloeistofdichte vloer uitgerust met een opvangsysteem voor lekvloeistoffen. De verschillende soorten oliën en vloeistoffen worden apart gehouden en mogen in geen geval worden gemengd.

 

§ 2.

De batterijen en accu's worden opgeslagen in weerbestendig afgedekte en zuurbestendige containers.

 

§ 3.

In de inrichting is voldoende absorptiemateriaal aanwezig. Verontreinigd absorptiemateriaal wordt afgevoerd naar een daartoe geschikte inrichting.


Subafdeling 5.2.2.7.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.7.1.

§ 1.

In een inrichting voor het opslaan en behandelen van schroot kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, volgende afvalstoffen worden aanvaard:

- ferro- en non-ferroschroot;

 

§ 2.

Schroot in de vorm van recipiënten zoals vaten, tanks of buisvormige structuren die gevaarlijke stoffen hebben bevat of ermee verontreinigd zijn, kan maar op de inrichting worden aanvaard voor zover de recipiënten :


ofwel leeg zijn en gereinigd werden;

ofwel leeg zijn en maximaal een dunne laag verf en/of inkt bevatten die een stevige en hechtende bekleding vormt.

 

 

§ 3.

Wit schroot of afgedankte consumptiegoederen die gassen of vloeistoffen bevatten kunnen slechts worden behandeld indien het in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is toegelaten. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen bijkomende voorwaarden worden opgelegd naargelang de aard van de behandelingen die op de afvalstoffen mogen gebeuren.

 

§ 4.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen worden aanvaard, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 5.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke behandelingen kunnen gebeuren, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 6.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot, ingedeeld in klasse 3.


De uitbating.

Art. 5.2.2.7.2.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden ferro- en nonferroschroot opgeslagen op een vloeistofdichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput of in vloeistofdichte containers overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden.

 

§ 2.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit gebeuren de behandelingen op een vloeistofdichte vloer met een afwateringssysteem.

 

§ 3.

De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, niet meer dan 3 m bedragen. Grote opslaghoeveelheden en lange opslagtijden worden vermeden. Daartoe worden alle opgeslagen materialen regelmatig afgevoerd.


Subafdeling 5.2.2.8.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.8.1.

§ 1.

In de inrichting voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie mogen uitsluitend die soorten afgewerkte olie worden aanvaard die in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit zijn vermeld. Indien in de vergunning geen soorten zijn vermeld is de vergunning beperkt tot de soorten vermeld in de aanvraag.

 

§ 2.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie.


De uitbating.

Art. 5.2.2.8.2.

§ 1.

De opslag van afgewerkte olie moet voldoen aan de voorwaarden voor het opslaan van brandbare vloeistoffen opgenomen in afdeling 5.6.2.

 

§ 2.

De exploitant van een inrichting voor het opslaan of behandelen van afgewerkte olie moet over voldoende technische middelen beschikken om afgewerkte olie op te slaan of te behandelen, zonder verontreiniging van het milieu te veroorzaken. De exploitant van een inrichting voor het behandelen van afgewerkte olie moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie die het bij het behandelen vrijkomende afvalwater zuivert om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 3.

De opslagtanks en houders voor afgewerkte olie zijn zo geconstrueerd en geplaatst dat een vlotte en representatieve monstername van de inhoud mogelijk is.

 

§ 4.

Het is verboden in de voor afgewerkte olie vergunde opslagtanks of houders andere stoffen te bewaren.

 

§ 5.

Het is verboden aan afgewerkte olie, water, oplosmiddelen of enig andere stof toe te voegen.

 

§ 6.

De residu's die tijdens de opslag van afgewerkte olie ontstaan, worden afgegeven aan een geschikte verwerkingsinrichting.


Art. 5.2.2.8.3. [...]

Art. 5.2.2.8.4. [...]

Art. 5.2.2.8.5. [...]

Art. 5.2.2.8.6.

§ 1.

De exploitant van een vergunde opslagplaats voor afgewerkte olie stelt een bankgarantie ten gunste van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

 

§ 2.

Het bedrag van de bankgarantie wordt vastgesteld op 49,58 euro per kubieke meter vergunde opslagcapaciteit. Het bewijs van de gegeven bankgarantie wordt binnen de dertig dagen na betekening van de vergunning overgelegd aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij alsmede aan de toezichthouder.

 

§ 3.

De bankgarantie kan mits akkoord van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gelicht worden wanneer overeenkomstig de bepalingen van dit reglement en de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit alle afgewerkte olie uit de inrichting is verwijderd en de exploitant geen nieuwe afgewerkte olie meer aanvoert in de inrichting.

 

§ 4.

De toezichthouder bezorgt een schriftelijk verslag hieromtrent aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Deze kan desgevallend de bankgarantie aanwenden voor de ambtshalve verwerking van de afvalstoffen.

 

§ 5.

De bepalingen omtrent de bankgarantie gelden niet voor de opslag van afgewerkte olie die ontstaat bij garages, machineparken en herstel- of onderhoudswerkplaatsen, noch voor de opslag op containerparken, noch voor de opslag rechtstreeks verbonden aan inrichtingen voor de verbranding van afgewerkte olie.


Subafdeling 5.2.2.9.
Inrichtingen voor het reinigen van recipienten waarin stoffen werden opgeslagen of vervoerd


Art. 5.2.2.9.1. De volgende voorwaarden gelden voor de reinigingsactiviteit onverminderd de voorwaarden die gelden voor andere activiteiten zoals het uitblutsen, stralen en verven van metalen of andere materialen.

De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.9.2.

§ 1.

In de inrichting voor het reinigen van recipiënten kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, lege recipiënten worden gereinigd. Recipiënten zijn verpakkingen, containers, laadkisten voor vervoer, vaten, tanks, tankwagens, bulkwagens, spoorwagons en scheepsruimen, exclusief kratten en rolcontainers voor niet-gevaarlijke afvalstoffen, huisvuilwagens en veegmachines.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke recipiënten kunnen worden gereinigd, is de vergunning beperkt tot de recipiënten die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activitei wordt bepaald welke behandelingen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activitei daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

 

§ 4.

Voor het uitbranden van recipiënten gelden de voorwaarden die gelden voor het verbranden van afvalstoffen die overeenkomen met de stoffen die de recipiënten hebben bevat.

 

§ 5.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het reinigen van recipiënten waarin stoffen werden opgeslagen of vervoerd.


De uitbating.

Art. 5.2.2.9.3.

§ 1.

De constructie van de reinigingsinrichting is zodanig dat op geen enkele wijze afvalstoffen in het milieu kunnen terechtkomen. De vloeren van de reinigingsinrichting, de reinigingsbanen, de opvanggoten en de afvoerkanalen, zijn vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de afvalstoffen die ermee in contact kunnen komen. Elke verbinding tussen de eigenlijke reinigingsinrichting en een grondwaterlaag, een openbare riolering, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewaters is verboden.

 

§ 2.

De exploitant van een inrichting voor het reinigen van recipiënten moet beschikken over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie om de bij het reinigen vrijkomende afvalwaters te zuiveren om in alle omstandigheden aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie dient te worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting. De hele afvalwaterbehandelingsinstallatie is vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de afvalstromen die erin behandeld worden. Behalve het lozingspunt van het effluent, mag er geen enkele verbinding bestaan tussen de afvalwaterbehandelingsinstallatie en een grondwaterlaag, een openbare riolering, een oppervlaktewater of een verzamelbekken voor oppervlaktewaters.

 

§ 3.

De restladingen en de spoelwaters die niet kunnen worden behandeld in de afvalwaterbehandelingsinstallatie, en de afvalstoffen die ontstaan na de behandeling worden afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

 

§ 4.

De constructie van de opslagruimten van vloeibare afvalstoffen en de eigenlijke reinigingsruimten is zodanig dat wegstromende vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen. De bevloering, opvanggoten en opvangputten zijn vloeistofdicht en chemisch inert ten overstaan van de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen.

 

§ 5.

De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen die met elkaar kunnen reageren tot ongecontroleerde reacties leiden of tot de vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen of dampen.

 

§ 6.

De containers of vaten waarin de afvalstoffen van de reinigingsactiviteiten worden opgeslagen:

  1. mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde opslagruimten op een oppervlak dat vloeistofdicht en chemisch inert is ten overstaan van de afvalstoffen die zich in deze containers of vaten bevinden;
  2. worden in een inkuiping geplaatst die vloeistofdicht en chemisch inert is ten overstaan van de afvalstoffen die zich in deze containers of vaten bevinden; de inhoud van deze inkuiping is zodanig dat deze al de erin opgeslagen vloeistoffen kan bevatten.
  3. dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijbehorende gevarenpictogrammen.

 

§ 7.

Bij het reinigen van recipiënten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35°C, bevat hebben, met uitzondering van vaten :

worden de recipiënten koud voorgespoeld;
wordt het spoelwater gesloten afgevoerd naar de afvoergoot, bijvoorbeeld door aan de uitstroomopening van de tank een afvoerslang te koppelen die uitmondt onder het waterniveau van de afvoergoten;
wordt het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen.

 

 

§ 8.

Bij het reinigen van vaten wordt, zowel bij het spoelen van de vaten met behulp van een organisch oplosmiddel of een zuur, als bij het spoelen van de vaten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C bevat hebben, met behulp van warm of heet water of loog:

de lucht afgezogen en behandeld met een gaswasser, een actiefkoolfilter, een naverbrander, een biofilter of een ander gelijkwaardig behandelingssysteem;
het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen. 

 

 

§ 9.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 8, vanaf 1 januari 2015.


Subafdeling 5.2.2.9bis.
Inrichtingen voor de verwerking van extern aangevoerd bedrijfsafvalwater en vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen


Art. 5.2.2.9bis.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de volgende activiteiten:

de voorbehandeling van extern aangevoerde vloeibare of slibachtige bedrijfsafvalstromen waarbij afvalwater ontstaat, en de zuivering van dat afvalwater;
de zuivering van extern aangevoerd bedrijfsafvalwater.

Art. 5.2.2.9bis.2. Voor geleide emissiepunten van procesonderdelen en handelingen die afgedekt en afgezogen worden, geldt er voor vluchtige organische stoffen met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C een emissiegrenswaarde voor de som van de organische stoffen van 20 mg/Nm³ in het geloosde afgas.

Subafdeling 5.2.2.10.
Inrichtingen voor het opslaan en verwerken van dierlijke bijproducten die worden beschouwd als afvalstoffen


Art. 5.2.2.10.1.

§ 1.

De inrichting omvat een rein en een onrein gedeelte, die gescheiden zijn om besmetting of herbesmetting van de eindproducten te voorkomen.

 

§ 2.

Het onreine gedeelte van het bedrijf omvat de ruimten voor het in ontvangst nemen van de dierlijke bijproducten, alle behandelingsruimten van het productieproces en de zuiveringsinstallaties voor afgassen en afvalwater.

 

§ 3.

Het reine gedeelte van het bedrijf omvat de opslag en behandelingsruimten voor de stoffen die een behandeling overeenkomstig bijlage IV van de verordening (EU) nr. 142/2011 hebben ondergaan.

 

§ 4.

De verwerking van de afvalstoffen gebeurt in een gesloten verwerkingsinstallatie.


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.2.10.2.

§ 1.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden de aangevoerde afvalstoffen uiterlijk binnen 24 uur na aanvoer verwerkt.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

[...]


De inrichting en infrastructuur.

Art. 5.2.2.10.3.

§ 1.

Op elke plaats van de inrichting waar ze ontstaan, worden geurbeladen afgassen afgezogen en naar een aangepaste afgasbehandelingsinstallatie gevoerd. De afgassen worden in elk geval afgezogen in de ontvangstruimte, de opslagruimte en boven de breek- of maalinstallatie.

 

§ 2.

[...]

 

§ 3.

Het afvalwater van de inrichting moet gemakkelijk kunnen wegvloeien naar geschikte opvangputten.

 

§ 4.

Het afvalwater wordt behandeld in een aangepaste afvalwaterbehandelingsinstallatie tot het beantwoordt aan de lozingsnormen en zonder geurhinder te veroorzaken.

 

§ 5.

Afvalwater dat afkomstig is uit de onreine zone moet C voor zover dat praktisch uitvoerbaar is C zo worden behandeld dat er geen ziekteverwekkers meer aanwezig zijn.


Art. 5.2.2.10.4.

De procedures, methodes en apparatuur voor monsterneming van de verwerkte producten dragen de goedkeuring van de toezichthoudende overheid. De praktische uitvoering van de monsternemingen wordt vooraf goedgekeurd door een daarvoor erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL, tenzij de monsternemingen door een ter zake erkende [...] laboratorium zelf worden uitgevoerd.


Art. 5.2.2.10.5. [...]

Art. 5.2.2.10.6. [...]

De verwerking.

Art. 5.2.2.10.7. [...]

Art. 5.2.2.10.8. [...]

Art. 5.2.2.10.9. [...]

Art. 5.2.2.10.10. [...]

Hygiëne-eisen voor de eindproducten.

Art. 5.2.2.10.11. [...]

Controle.

Art. 5.2.2.10.12. [...]

Art. 5.2.2.10.13. [...]

Verplichtingen voor de overheid.

Art. 5.2.2.10.14. [...]

Subafdeling 5.2.2.11.
Inrichtingen voor het behandelen van afvalstoffen in, of deel uitmakend van, een rioolwaterzuiveringsinstallatie


Art. 5.2.2.11.1. Deze subafdeling is van toepassing op inrichtingen voor de behandeling van afvalstoffen in, of deel uitmakend van, rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Art. 5.2.2.11.2.

§ 1.

In afwijking van artikel 5.2.1.2 is geen weegbrug vereist.

 

§ 2.

In afwijking van artikel 5.2.1.3 moet het werkplan enkel omvatten:

de organisatie van de aanvoer van de afvalstoffen;
de organisatie van de verwerking van de aangevoerde afvalstoffen;
de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen;
de verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;
de maatregelen voor het opvangen van ongewenste neveneffecten en het voorkomen van de hinder.

 

§ 3.

In afwijking van artikel 5.2.1.5, § 1, moet geen uithangbord worden voorzien.


Subafdeling 5.2.2.12.
Thermische grondreinigingsinstallaties


Art. 5.2.2.12.1.

Deze subafdeling is van toepassing op die installaties, vermeld in rubriek 2.2.5 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het reinigen van uitgegraven bodem door middel van verhittingsprocessen.

 

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze subafdeling, vanaf 1 januari 2015.


Art. 5.2.2.12.2.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

parameters

emissiegrenswaarden bij een zuurstofgehalte van 11%

 

daggemiddelde
 in mg/Nm3

halfuurwaarde
 in mg/Nm3

CO

50

100

totaal stofdeeltjes

10

30

gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof

10

20

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt in HCl

10

60

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt in HF

1

4

zwaveldioxide (SO2)

50

200

stikstofoxiden, uitgedrukt in NO2

200

400

kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg

0,03

0,05

 

gemiddelde over minimaal 6 uur en maximaal 8 uur in ng TEQ/Nm³

dioxinen en furanen

0,1

 

Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van hoofdstuk 4.4, wordt de concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, minstens met de onderstaande frequentie gemeten:

 

 

meetfrequentie

CO, zwaveldioxiden, stikstofoxiden

continu

dioxinen en furanen

tweemaal per jaar

de andere parameters

om de drie maanden

 

[...]


Subafdeling 5.2.2.13.
Inrichtingen voor het opslaan en behandelen met vochtige hitte en mechanische verkleining van infectieuze afvalstoffen met uitzondering van dierlijke bijproducten


Art. 5.2.2.13.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen die ingedeeld zijn in subrubriek 2.3.13 van de indelingslijst.

 

In de inrichtingen, vermeld in het eerste lid, mogen uitsluitend de volgende afvalstoffen worden verwerkt:

 

infectieuze afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie als vermeld in artikel 1.2.1, §2, 74°/1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
infectieuze afvalstoffen afkomstig van GGO’s en pathogene organismen van inrichtingen die ingedeeld zijn onder de rubriek 51 van de indelingslijst, behalve wanneer ze behoren tot inperkingsniveau 3 of 4. Decontaminatie sluit de mogelijkheden waarin voorzien is voor ingeperkt gebruik niet uit.

 

De algemene voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.1.2, § 2 en § 3, en artikel 5.2.1.5, zijn niet van toepassing op de inrichtingen die alleen afvalstoffen behandelen die afkomstig zijn van bedrijfseigen activiteiten.


Art. 5.2.2.13.2.

De decontaminatie-installatie wordt zodanig gebouwd, uitgerust en geëxploiteerd dat de afvalstoffen zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden gedecontamineerd met behulp van vochtige hitte. Technieken die werken met droge hitte zijn niet toegestaan.


De voorwaarden voor temperatuur en druk zijn beschreven in bijlage 5.2.2.13.A en 5.2.2.13.B.

 

De werkingsdruk van het toestel is aangepast aan de werkingstemperatuur zodat altijd gegarandeerd is dat de opgewekte stoom verzadigd is. De decontaminatiefase start als de vooropgestelde temperatuur en druk bereikt zijn.


Alleen als alle bepalingen van de code van goede praktijk, vemeld in bijlage 5.2.2.13.C, nageleefd worden, kan er gesproken worden van een afdoende decontaminatie.


Art. 5.2.2.13.3.

De inrichting omvat een rein en een onrein deel, die op passende wijze zijn gescheiden om besmetting of herbesmetting van de eindproducten te voorkomen. Het onreine deel omvat de ruimte voor de opslag van de niet-behandelde afvalstoffen en de decontaminatieapparatuur. Het reine gedeelte omvat de opslag van de stoffen die de decontaminatiefase hebben ondergaan.


De aangevoerde infectieuze afvalstoffen worden zo spoedig mogelijk en minstens wekelijks verwerkt. De verwerkingsfrequentie wordt afgestemd op de opslagcapaciteit van de ruimte waar het afval wordt opgeslagen in afwachting van decontaminatie.


Gassen en dampen worden over een HEPA-filter geleid voor ze door de installatie worden uitgestoten.


De decontaminatie-installatie beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 5.2.2.13.C.


De monitoring van de decontaminatie-installatie beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 5.2.2.13.C.


De geregistreerde gegevens worden geklasseerd en gedurende twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


De meetapparaten worden regelmatig geijkt door de instantie of persoon die verantwoordelijk is voor het onderhoud. In geval van abnormale werkingsomstandigheden worden voorzieningen getroffen overeenkomstig bijlage 5.2.2.13.C.


Art. 5.2.2.13.4.

De decontaminatie-installatie bevat een onderhoudsprogramma en een onderhoudsprotocol die minstens de onderhoudsbeurten van bijlage 5.2.2.13.C omvatten.


De decontaminatie-installatie wordt gedocumenteerd in een logboek dat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 5.2.2.13.C, omvat.


De procesparameters die zijn geregistreerd per decontaminatiecyclus en de resultaten van het onderhoudsprogramma worden gedurende minstens twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.2.2.13.5.

§ 1.

De installatie voldoet aan de volgende keuringen :

door een keuring bij ingebruikname toont de exploitant dat de installatie volgens de vooropgestelde procesparameters opereert, de registratieapparatuur correct gekalibreerd is en er een afdoende afdoding plaatsvindt van pathogene en/of genetisch gemodificeerde micro-organismen;
via een periodieke keuring toont de exploitant aan dat de installatie nog altijd in staat is om een afdoende afdoding van pathogene en/of genetisch gemodificeerde micro-organismen te verzekeren. Initieel wordt deze controle maandelijks uitgevoerd. Na een periode van twaalf maanden waarin alle maandelijkse keuringen een gunstig resultaat opleveren, wordt de keuring om de drie maanden uitgevoerd;
na gebeurtenissen die een invloed kunnen hebben op de goede werking van de installatie wordt met een uitzonderlijke keuring aangetoond dat de goede werking gegarandeerd blijft. Dat gebeurt in elk geval na een reparatie, na een defect en bij elke significante wijziging van het te verwerken afval.


Voor het testorganisme van biologische indicatoren worden sporen gebruikt van Bacillus subtilis, Geobacillus stearothermophilus of een ander organisme waarvan kan worden aangetoond dat het minstens een gelijke weerstand heeft tegen decontaminatie met vochtige stoom.

 

§ 2.

De rapporten van de prototypekeuring, de keuring bij ingebruikname en de protocollen voor periodieke en uitzonderlijke keuring worden gevalideerd door de technisch deskundige. De validaties worden aangevraagd door de exploitant van de installatie en worden op zijn kosten uitgevoerd.


Deze documenten en het validatiedocument worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

 

De rapporten van de periodieke en uitzonderlijke keuringen worden, samen met het logboek van onderhoud, reparaties en belading, in de inrichting gedurende twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.


Art. 5.2.2.13.6. De risicohoudende medische afvalstoffen die een decontaminatiecyclus hebben doorlopen, worden pas vrijgegeven als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen als de geregistreerde procesparameters gecontroleerd zijn door de verantwoordelijke voor de decontaminatie. Daarvoor tekent hij een vrijgaveformulier dat op verzoek van de geregistreerde inzamelaar kan worden voorgelegd. Als de procesparameters of de resultaten van de biologische controle na het proces afwijken van de voorschriften, worden de afvalstoffen behandeld als risicohoudende medische afvalstoffen.

Art. 5.2.2.13.7.

Er worden preventieve maatregelen voor de werknemers getroffen overeenkomstig bijlage 5.2.2.13.C.


Afdeling 5.2.3.
Verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen


Subafdeling 5.2.3.1.
Algemeen geldende voorwaarden voor verbrandingsinrichtingen


Art. 5.2.3.1.1. [...]

Afwijking houtkachels.

Art. 5.2.3.1.2. [...]

Uitbating.

Art. 5.2.3.1.3. [...]

Rookgasemissies en schoorsteenhoogte.

Art. 5.2.3.1.4. [...]

Art. 5.2.3.1.5. [...]

Afvalwater.

Art. 5.2.3.1.6. [...]

Verwerking van verbrandingsresten.

Art. 5.2.3.1.7. [...]

Metingen.

Art. 5.2.3.1.8. [...]

Normoverschrijding en storingen.

Art. 5.2.3.1.9. [...]

Subafdeling 5.2.3.2.
Verbrandingsinrichtingen voor gevaarlijke afvalstoffen


De aanvaarding van de afvalstoffen.

Art. 5.2.3.2.1. [...]

Art. 5.2.3.2.2. [...]

De uitbating.

Art. 5.2.3.2.3. [...]

Art. 5.2.3.2.4. [...]

Art. 5.2.3.2.5. [...]

Art. 5.2.3.2.6. [...]

Subafdeling 5.2.3.3.
Verbrandingsinrichtingen voor huishoudelijke afvalstoffen


De aanvaarding van de afvalstoffen.

Art. 5.2.3.3.1. [...]

Art. 5.2.3.3.1bis. [...]

De uitbating.

Art. 5.2.3.3.2. [...]

Art. 5.2.3.3.3. [...]

Art. 5.2.3.3.4. [...]

Art. 5.2.3.3.5. [...]

Art. 5.2.3.3.6. [...]

Art. 5.2.3.3.7. [...]

Subafdeling 5.2.3.4.
Verbrandingsinrichtingen voor houtafval


De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.3.4.1. [...]

Art. 5.2.3.4.2. [...]

De uitbating.

Art. 5.2.3.4.3. [...]

Art. 5.2.3.4.4. [...]

Art. 5.2.3.4.5. [...]

Subafdeling 5.2.3.5.
Verbrandingsinrichtingen voor als brandstof te gebruiken afgewerkte olie


Art. 5.2.3.5.1. [...]

De aanvaarding van afvalstoffen.

Art. 5.2.3.5.2. [...]

De uitbating.

Art. 5.2.3.5.3. [...]

Art. 5.2.3.5.4. [...]

Art. 5.2.3.5.5. [...]

Art. 5.2.3.5.6. [...]

Art. 5.2.3.5.7. [...]

Subafdeling 5.2.3.6.
Verbrandingsinrichtingen voor risicohoudend medisch afval en voor vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval


Art. 5.2.3.6.1. [...]

Art. 5.2.3.6.2. [...]

Afdeling 5.2.3bis.
Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen


Subafdeling 5.2.3bis.1.
Algemeen geldende voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties


Art. 5.2.3bis.1.1.

Deze subafdeling is van toepassing op inrichtingen ingedeeld volgens volgende rubrieken:

2.3.4.1.b,c,e,f,g,h,j,k,l,m;
2.3.4.2.b,c,d,e,f,g;
2.3.5.

Art. 5.2.3bis.1.1bis.

§ 1.

Voor de toepassing van deze subafdeling omvatten afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties tevens alle verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, stoomketels, de voorzieningen voor het behandelen van afgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorstenen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandings- of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de verbrandings- of meeverbrandingsomstandigheden.

 

Als voor de thermische behandeling van afval gebruik wordt gemaakt van andere processen dan oxidatie, zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie zowel het proces voor thermische behandeling als het daaropvolgende verbrandingsproces.

 

§ 2.

Deze subafdeling is niet van toepassing op vergassings- en pyrolyse-installaties, voor zover de gassen die het resultaat zijn van de thermische behandeling van afvalstoffen dermate worden gezuiverd dat ze vóór de verbranding ervan qua aard en samenstelling steeds vergelijkbaar zijn met aardgas.

 

§ 3.

Als meeverbranding van afval op een zodanige manier plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten bestemd is, maar voor de thermische behandeling van afval, wordt de installatie beschouwd als een afvalverbrandingsinstallatie.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.2. De exploitant van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie treft in samenhang met de aflevering en inontvangstneming van de afvalstoffen alle nodige voorzorgsmaatregelen om schadelijke gevolgen voor het milieu, in het bijzonder de verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater alsook andere negatieve milieueffecten, geuroverlast en geluidshinder, en directe risico’s voor de menselijke gezondheid te voorkomen of, zover als haalbaar is, te beperken.

Art. 5.2.3bis.1.3.

§ 1.

In een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatievoor afvalstoffenkunnen enkel die afvalstoffenworden verbrand of meeverbrand die uitdrukkelijk vermeld zijn in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 2.

Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit niet bepaald is welke afvalstoffenmogen worden verbrand of meeverbrand, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffendie in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

 

§ 3.

De vergunning is beperkt tot de gegevens die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit van een verbrandingsinstallatie of een meeverbrandingsinstallatie voor gevaarlijke afvalstoffen geen gegevens zijn vermeld over:

de minimale en de maximale toevoer van de afvalstoffen;
de laagste en de hoogste calorische waarde van de afvalstoffen;
de maximumgehalten aan verontreinigende stoffen (PCB’s, PCP, chloor, fluor, zwavel en zware metalen) in de afvalstoffen.

Art. 5.2.3bis.1.4.

§ 1.

Vooraleer afvalstoffenbij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in ontvangst worden genomen, volgt de exploitantvan de installatie ten minste de volgende inontvangstnemingsprocedures:

controle van de vereiste documenten;
controle van de conformiteit van de aangevoerde afvalstoffenmet de schriftelijke gegevens. Indien relevant worden de afvalstoffendaartoe op een representatieve wijze bemonsterd en geanalyseerd, waarbij de te analyseren parameters zo worden bepaald dat een sluitende conformiteitscontrole is verzekerd. De daartoe genomen monsters worden tot ten minste één maand na de verbranding bewaard.

 

§ 2.

Vooraleer gevaarlijke afvalstoffen bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie kunnen worden aanvaard, moet de exploitant daarenboven over een beschrijving van de afvalstoffenbeschikken waarin de volgende gegevens zijn vermeld:

de oorsprong en de herkomst van de afvalstof;
de fysische en chemische samenstelling van de afvalstoffen, alsmede alle benodigde gegevens voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het bedoelde verbrandingsproces, gebaseerd onder meer op analyse van de afvalstoffen;
de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstoffen, de stoffen waarmee ze niet mogen worden gemengd en de bij de behandeling van de afvalstof te treffen voorzorgsmaatregelen;
De aanvaarding gebeurt op basis van documenten die de voormelde gegevens bevatten.

Art. 5.2.3bis.1.5. De exploitant stelt de massa van elke afvalcategorie per vracht vast, en indien mogelijk de categorie overeenkomstig de afvalstoffenlijst, vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen voordat het afval bij de verbrandings- of meeverbrandings-installatie in ontvangst wordt genomen.

Art. 5.2.3bis.1.6. In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen afwijkingen van artikel 5.2.3bis.1.4 en artikel 5.2.3bis.1.5 worden toegestaan voor industriële installaties en ondernemingen die uitsluitend de door henzelf geproduceerde afvalstoffen verbranden of meeverbranden op de plaats waar ze werden geproduceerd, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze afdeling.

[...].

Art. 5.2.3bis.1.7.

De terreinen van verbrandings- en meeverbrandings-installaties, met de bijbehorende terreinen voor de opslag van afval, worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen in bodem, oppervlaktewater en grondwater wordt voorkomen.

 

Er wordt voorzien in opvangcapaciteit voor het van het terrein van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wegvloeiend verontreinigd hemelwater en voor het verontreinigd water dat afkomstig is van overlopen of brandbestrijding. De opvangcapaciteit is zodanig dat dit water, alvorens het wordt geloosd, zo nodig kan worden onderzocht en behandeld.


Art. 5.2.3bis.1.8.

§ 1.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden de afvalstoffenniet buiten de daartoe bestemde overdekte opslagruimte opgeslagen. De opslagruimte is dermate beveiligd dat ongevallen tijdens het afladen van de afvalstoffen worden vermeden.

 

§ 2.

Voor verbrandingsinstallaties waar afval in bulk wordt opgeslagen, is de grootte van de opslagruimte berekend op een hoeveelheid afvalstoffendie overeenkomt met ten minste achtenveertig bedrijfsuren van de installatie, om continu bedrijf te garanderen. Om stankontwikkeling en andere hinder te voorkomen worden te lange opslagtijden van het geheel of van een gedeelte van de afvalstoffenin de opslagruimte evenwel vermeden. Er wordt rekening gehouden met de bedrijfsvoering en de stilstanden voor herstelling en onderhoud.

 

De opslagruimte wordt in onderdruk gehouden ten opzichte van de omgeving. Hiertoe wordt de verbrandingslucht aangezogen uit de opslagruimte. Een goede verluchting van deze ruimte wordt verzekerd.

 

De wanden van de opslagruimte zijn zodanig uitgevoerd dat de afzetting van stof en afval voorkomen wordt. De opslagruimte is bovendien zo gebouwd dat ze volledig mechanisch kan geledigd worden. Ze is uitgerust met een afvoermogelijkheid voor water.

 

§ 3.

Voor verbrandingsinstallaties van huishoudelijke afvalstoffenis het aantal stortopeningen voldoende om ook gedurende de piekuren de aanvoer van afvalstoffenmogelijk te maken. Enkel de poorten, noodzakelijk voor de aanvoer van afvalstoffen, mogen geopend zijn.

 

§ 4.

Gevaarlijke afvalstoffenmoeten in afwachting van verbranding worden opgeslagen overeenkomstig subafdeling 5.2.2.5.


Art. 5.2.3bis.1.9.

§ 1.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatiewordt zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de afvalstoffen steeds zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden verbrand en de emissieminimaal is. Indien nodig worden de afvalstoffen voorbehandeld en in geval van heterogene afvalstoffen worden ze zo goed mogelijk gemengd en homogeen gemaakt.

 

§ 2.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit is voor verbrandings-installaties een continue uitbating verplicht, met uitzondering van de periodes voor nazicht of onderhoud en periodes van stilstand. De voeding van de oven gebeurt in de meest veilige omstandigheden. De vulopening wordt luchtdicht afgesloten als de oven niet gevuld wordt. De onderdruk in de oven is zodanig dat het ontsnappen van afgassen via de vulopening niet kan optreden, ook niet tijdens de vuloperaties. Het toevoermechanisme naar de installatie is zo opgevat dat een regelmatige voeding wordt gewaarborgd.


Art. 5.2.3bis.1.10. Risicohoudend medisch afval wordt in de voorgeschreven recipiënten rechtstreeks in de oven gebracht, dat wil zeggen zonder dat het eerst met afvalstoffen van andere categorieën wordt vermengd.

Art. 5.2.3bis.1.11.

§ 1.

De verbrandingsinstallaties worden zo geëxploiteerd dat een verbrandingsniveau wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof (TOC) afkomstig van de ontbinding van organische stoffen in de ontijzerde slakken en de ontijzerde bodemas minder bedraagt dan 3 % of waarbij het gloeiverlies ten gevolge van de ontbinding van organische stoffen in de ontijzerde slakken en bodemas minder bedraagt dan 5% van het droge gewicht van het materiaal, conform het compendium voor monsterneming en analyse, zoals goedgekeurd bij ministerieel besluit.

 

§ 2.

De verbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas na de laatste toevoer van verbrandingslucht op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C gedurende ten minste twee seconden.

 

Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt verbrand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit.

 

De temperatuur, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt gemeten dichtbij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, toegestaan door de toezichthouder.

 

§ 3.

Elke verbrandingslijn van de verbrandingsinstallatie wordt uitgerust met tenminste één brander die automatisch wordt ingeschakeld wanneer de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht daalt tot onder de temperatuur, genoemd in paragraaf 2. De branders moeten ook worden gebruikt bij het starten en stilleggen van de installatie, teneinde te waarborgen dat de genoemde minimumtemperatuur gehandhaafd blijft, zolang zich onverbrande afvalstoffenin de verbrandingskamer bevinden. Tijdens het starten en stilleggen of wanneer de temperatuur van het verbrandingsgas daalt tot beneden de temperatuur, genoemd inparagraaf 2, mogen naar de branders geen brandstoffen worden toegevoerd die hogere emissieskunnen veroorzaken dan die welke ontstaan bij het stoken van vloeibaar gas, van aardgas of van gasolie, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 3 oktober 2002 tot vervanging van het koninklijk besluit van 7 maart 2001 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming.

 

§ 4.

Meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afval ontstane gas gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C. Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit.

 

§ 5.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatiewordt uitgerust met en maakt gebruik van een automatisch systeem waarmee de toevoer van afvalstoffenwordt belet:

bij het starten,totdat de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang van het geval, 1100 °C is bereikt;
wanneer de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang vanhet geval, 1 100° C niet behouden blijft;
wanneer de continumetingen uitwijzen dat een emissiegrenswaardewordt overschreden als gevolg van storingen of defecten aan de reinigingsinstallaties.

 

§ 6.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en wat de temperatuur betreft van paragraaf 5, worden afgeweken voor bepaalde thermische processen of bepaalde categorieën afval op voorwaarde dat in de verbrandings- of meeverbrandingsoven of in de installatie voor de behandeling van de verbrandingsgassen adequate technieken worden toegepast. Bij toepassing van deze technieken moeten de emissieniveaus van dioxinen en furanen overeenkomen met of lager zijn dan de niveaus die onder de voorwaarden van paragraaf 2 of paragraaf 4 worden bereikt [...] en mogen niet meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan verontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de voorwaarden, genoemd in paragraaf 1 tot en met paragraaf 4. De emissies van TOC en CO van afvalmeeverbrandingsinstallaties moeten in deze gevallen tevens voldoen aan de emissiegrenswaarden van artikel 5.2.3.bis.1.15.


Art. 5.2.3bis.1.12.

§ 1.

De warmte die door het verbrandings- of meeverbrandingsproces wordt opgewekt, wordt volgens de beste beschikbare technieken zo veel mogelijk nuttig gebruikt.

 

§ 2.

Voor stookinstallaties waarvoor een kosten-batenanalyse uitgevoerd wordt, worden de opties toegepast waarvan de baten hoger zijn dan de kosten. Als in de kosten-batenanalyse rekening wordt gehouden met potentiële warmte- of koudevraagpunten en de baten hoger zijn dan de kosten, is het voldoende dat met betrekking tot de potentiële warmte- of koudevraagpunten alleen de opties worden toegepast die de stookinstallatie voorzien van de aansluitingsmogelijkheden voor de toekomstige uitkoppeling van warmte of koude.

 

In afwijking van het eerste lid kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden toegestaan dat de opties waarvan de baten hoger zijn dan de kosten, niet toegepast worden. Dit is alleen toegestaan indien de exploitant in de vergunningsaanvraag of in de vraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden aantoont dat hiervoor wettelijke, eigendomsrechtelijke of financiële redenen bestaan.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.13.

§ 1.

De verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de emissies in de lucht die zouden leiden tot luchtverontreiniging van betekenis aan de grond, worden voorkomen.

 

§ 2.

De afgassen worden op gecontroleerde wijze door een schoorsteen geloosd.

 

§ 3.

De schoorsteenhoogte wordt zodanig berekend dat de menselijke gezondheid en het leefmilieu voor gevaar worden behoed. De exploitantberekent de schoorsteenhoogte volgens de algemene schoorsteenhoogteberekeningsmethode vermeld in bijlage 4.4.1 of volgens een gelijkwaardig systeem. De minimale of maximale schoorsteenhoogte kan worden bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

 

§ 4.

De schoorsteen en de afvoerkanalen worden uitgerust met meetopeningen en een meetplatform overeenkomstig de norm NBN T95-001 of een equivalente norm. De meetopeningen hebben een diameter van tenminste 12 cm.

 

§ 5.

De exploitant treft de nodige schikkingen om het werkelijke debiet van de afgassen, geloosd door de schoorsteen, te registreren. Het werkelijke debiet van de afgassen is het debiet zonder de eventuele verdunningslucht.

 

§ 6.

De berekening van de schoorsteenhoogte en de debietgegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder.


[...].

Art. 5.2.3bis.1.14.

§ 1.

Voor verbrandingsinstallaties voor afvalstoffen zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, van toepassing op de geloosde afgassen.

 

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 11%.

 

Voor de verbranding van afgewerkte olie geldt een referentiezuurstofgehalte van 3%.

 

§ 2.

Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld referentiezuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt.

 

§ 3.

De omrekening voor de in paragraaf 1 en paragraaf 2 vermelde referentiezuurstofgehaltes gebeurt enkel en alleen indien het zuurstofgehalte dat gemeten wordt tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het referentiezuurstofgehalte. In afwijking hiervan gebeurt voor de bestaande roosterovens de omrekening altijd naar 11%, ongeacht het gemeten zuurstofgehalte.


Art. 5.2.3bis.1.15.

Elke verbrandingsinstallatie voor afvalstoffen moet, als ze in bedrijf is, aan volgende voorwaarden voldoen:

volgende emissiegrenswaarden gelden voor CO [...]:
a) een daggemiddelde van 50 mg/Nm3 verbrandingsgas;
b) 150 mg/Nm3 verbrandingsgas voor de bepalingen van tien minuten-gemiddelden, of 100 mg/Nm3 voor de bepalingen van halfuurgemiddelden.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van die emissiegrenswaarden worden afgeweken voor verbrandingsinstallaties die de wervelbedtechnologie gebruiken, mits in de vergunning een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide (CO) bepaald is die een uurgemiddelde van 100 mg/Nm3 niet overtreft.
de volgende emissiegrenswaarden gelden :

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3
  Halfuurgemiddelden  Daggemiddelden
Verontreinigende stof   A
(100 %)
B
(97 %)
100 %
1. totaal stof 30 10 10
2. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 20 10 10
3. gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 60 10 10
4. gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF 4 2 1
5. zwaveldioxide 200 50 50
6. stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2  
a) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van 6 ton/uur of minder
b) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur en voor nieuwe verbrandingsinstallaties van 6 ton/uur of minder
c) voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur (*)
- - 400
400 200 200
400 200 150

(*) Voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur geldt tevens een emissiegrenswaarde voor NOx van 125 mg/Nm3 als jaargemiddelde. Als voor een nieuwe verbrandingsinstallatie een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vóór 28 december 2002 is verleend, gelden de emissiegrenswaarden voor NOx die bepaald werden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, waarbij het daggemiddelde niet meer dan 200 mg/Nm3 mag bedragen.
volgende emissiegrenswaarden gelden als gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal 8 uur:

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3
zware metalen (*) (100 %)
de som van:
- cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als cadmium (Cd)
- thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als thallium (Tl)
0,05
kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg) 0,05
de som van: antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als antimoon (Sb),
- arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As)
- lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)
- chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr)
- kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co)
- koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu)
- mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als mangaan (Mn)
- nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni)
- vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als vanadium (V)
- tin en tinverbindingen, uitgedrukt als tin (Sn)
0,5

(*) Deze gemiddelden omvatten zowel de stofvormige als de gas- en dampvormige emissies van de zware metalen in kwestie en de verbindingen daarvan.
volgende emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen geldt:

Emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm3
dioxinen en furanen 0,1

De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

 


[...].

Art. 5.2.3bis.1.16.

§ 1.

Voor meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen zijn de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.17 tot en met 5.2.3bis1.22, van toepassing op de geloosde afgassen.

 

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte als vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met artikel 5.2.3bis.1.22.

 

§ 2.

Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden meeverbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld referentiezuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt.

 

§ 3.

De omrekening voor de in paragraaf 1 en paragraaf 2 vermelde referentiezuurstofgehaltes gebeurt enkel en alleen indien het zuurstofgehalte, dat wordt gemeten tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het referentiezuurstofgehalte droog gas, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22.


Art. 5.2.3bis.1.17.

§ 1.

Als in een meeverbrandingsinstallatie onbehandeld gemengd stedelijk afval of ermee vergelijkbaar bedrijfsafval wordt verbrand, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsinstallaties, van toepassing.

 

§ 2.

Als in een meeverbrandingsinstallatie meer dan 40 % van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijke afvalstoffen, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsinstallaties van toepassing.


Art. 5.2.3bis.1.18.

§ 1.

Als artikel 5.2.3bis.1.17 niet van toepassing is voldoet elke meeverbrandingsinstallatie, die in bedrijf is, aan de emissiegrenswaarden [...] zoals omschreven in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22.

 

§ 2.

De berekende emissiegrenswaarden worden van toepassing vanaf de eerste meeverbranding en blijven dan gelden, ook als geen afvalstoffen worden meeverbrand.


Art. 5.2.3bis.1.19.

Als een specifieke totale emissiegrenswaarde « Ctotaal » niet in een tabel van artikel 5.2.3bis.1.20, artikel 5.2.3bis.1.21 of artikel 5.2.3bis.1.22 is opgenomen, wordt de onderstaande formule (mengregel) toegepast.

 

De emissiegrenswaarde voor elke verontreinigende stof, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, en voor koolstofmonoxide in het afgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen, wordt als volgt berekend :

 

waarin:

 

Vafvalstoffen: volume afgas ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen(bepaald op basis van de afvalstof met de laagste calorische waarde) en naargelang het geval herleid tot de in artikel 5.2.3bis.1.16 vermelde omstandigheden.

 

Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van afvalstoffenminder dan 10 % bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet Vafvalstoffen worden berekend op basis van een (theoretische) hoeveelheid afvalstoffendie bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10 % van de vrijkomende warmte zou opleveren.

 

Cafvalstoffen: emissiegrenswaardengeldend voor verbrandingsinstallaties zoals vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15.

 

Vproces: het volume afgas ten gevolge van het in de installatie plaatsgrijpende proces, met inbegrip van de verbranding van de toegestane normaal in de installatiegebruikte brandstoffen (geen afvalstoffen), bepaald op basis van het referentiezuurstofgehalte waartoe de emissiesvolgens de geldende regelgeving moeten worden herleid. Ingeval er geen voorschriften voor de installatie bestaan, moet het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas, zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht, worden gebruikt.

 

Cproces: de emissiegrenswaarden die in artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 voor bepaalde industriële sectoren zijn vastgesteld of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze installaties gelden, bij verbranding van de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen). Bij ontbreken van dergelijke bepalingen worden de in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vermelde emissiegrenswaarden gebruikt. Indien in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geen emissiegrenswaarden worden vermeld, worden de werkelijke massaconcentraties gebruikt. Indien de emissiegrenswaarden die in artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 worden vermeld, soepeler zijn dan de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze industriële sectoren zijn vastgesteld, dan gelden voor Cproces de meest strenge emissiegrenswaarden.

 

Ctotaal: de totale emissiegrenswaarde bij het zuurstofgehalte dat in de tabellen bij artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 1.22 voor bepaalde industriële sectoren is vastgesteld, of, indien een dergelijke tabel of waarde ontbreekt, de totale emissiegrenswaarde die de in de tabel van artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 genoemde emissiegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding vervangt, wordt berekend op basis van bovenstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.


Art. 5.2.3bis.1.20.

§ 1.

Bijzondere voorschriften gelden voor cementovens waarin afvalstoffen worden meeverbrand.

 

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 10%.

 

De volgende emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden :

 

Verontreinigende stof  Ctotaal
(mg/Nm3)
1. totaal stof 30
2. zwaveldioxide 50
3. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 10
4. gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 10
5. gasvormige en anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF  1
6. stikstofoxide(NOX), uitgedrukt als NO2(*)  500
   
   

7. de som van :

a) cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als Cd en
b) thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als Tl 
0,05
8. kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg  0,05

9. de som van :

a) antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als Sb
b)  arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als As
c) lood en loodverbindingen, uitgedrukt als Pb
d) chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als Cr
e) kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als Co
f) koper en koperverbindingen, uitgedrukt als Cu
g) mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als Mn
h) nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als Ni
i) vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als V en
j) tin en tinverbindingen, uitgedrukt als Sn
0,5
 Verontreinigende stof Ctotaal
(ng TEQ/Nm3
10. dioxinen en furanen (**)   0,1

 

(*) Tot 1 januari 2016 kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een afwijking verleend worden op de NOx-emissiegrenswaarde voor Lepol-ovens en lange draai-ovens, op voorwaarde dat in de vergunning een totale emissiegrenswaarde voor NOx van ten hoogste 800 mg/Nm3 bepaald is.

(**) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip ’toxische equivalentie’.

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

Halfuurgemiddelden zijn alleen nodig voor de berekening van de daggemiddelden. 

 

§ 2.

De emissiegrenswaarde voor CO wordt in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgesteld.


Art. 5.2.3bis.1.21.

De volgende bijzondere voorschriften gelden voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand :

 

1° voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, gelden de volgende proces-emissiegrenswaarden (Cproces) als daggemiddelden, waarbij het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een stookinstallatie bepaald wordt aan de hand van de samentellingsregels, vastgesteld in artikel 5.43.2.1 en 5.43.3.1 en halfuurgemiddelden alleen nodig zijn voor de berekening van de daggemiddelden :

 

a) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 7 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, op voorwaarde dat ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen :

 

1) tot en met 31 december 2015 :

 

1.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300300
200
 200
NOX, uitgedrukt als NO 400 400 200 200
stof  50 30 30 30
HCl 30 30 30 30

 

1.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7575
NOX, uitgedrukt als NO600/300*300300200
stof  50151515
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

1.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
150150
NOX, uitgedrukt als NO300300200200
stof  50303030
HCl 30303030

 

2) vanaf 1 januari 2016 :

2.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300300
200100
NOX, uitgedrukt als NO400300200150
stof  50302010
HCl 30303030

 

2.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7575
NOX, uitgedrukt als NO600/300*300250150
stof  5015
1510
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

2.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
150100
NOX, uitgedrukt als NO300300200150
stof  50302010
HCl 30303030

 

b) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen :

 

1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :


Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 300200
10060
NOX, uitgedrukt als NO30015010060
stof  5010
106
HCl 30303030

 

2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 45075
7560
NOX, uitgedrukt als NO450/300*15015060
stof  5010
106
HCl 50151515

 

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.

 

3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) : 

 

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)    
< 50 MWth
50 tot 100 MWth
100 tot 300 MWth
> 300 MWth
SO2
 150150
10060
NOX, uitgedrukt als NO30015010060
stof  5010
106
HCl 3030
30
30

 

i. 2° Voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, waarin afvalstoffen worden meeverbrand, gelden de volgende totale emissiegrenswaarden (Ctotaal) Ctotaal voor zware metalen (mg/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur bij een referentie