Art. 3.
Dit decreet verstaat onder wild alle dieren die behoren tot de in dit artikel bepaalde soorten.
Het wild wordt in de volgende categorieŽn gerangschikt:
a)
Grof wild: edelherten (Cervus elaphus), reeŽn (Capreolus capreolus), damherten (Dama dama), moeflons (Ovis musimon), wilde zwijnen (Sus scrofa);
b)
Klein wild: hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix), patrijzen (Perdix perdix);
c)
Waterwild: wilde eenden (Anas platyrhynchus), krakeenden (Anas strepera), slobeenden (Anas clypeata), kuifeenden (Aythya fuligula), tafeleenden (Aythya ferina), pijlstaarten (Anas acuta), wintertalingen (Anas crecca), smienten (Anas penelope), grauwe ganzen (Anser anser), rietganzen (Anser fabalis), watersnippen (Gallinago gallinago), meerkoeten (Fulica atra), toppereenden (Aythya marila), kolganzen (Anser albifrons), kleine rietganzen (Anser brachyrhynchus), Canadaganzen (Branta canadensis), waterhoenen (Gallinula chloropus), kieviten (Vanellus vanellus), zomertalingen (Anas querquedula), bokjes (Lymnocryptes minimus), goudplevieren (Pluvialis apricaria);
d)
Overig wild: houtduiven (Columba palumbus), konijnen (Oryctolagus cuniculus), vossen (Vulpes vulpes), verwilderde katten (Felis catus), bunzings (Putorius putorius), hermelijnen (Mustela erminea), wezels (Mustela nivalis), boommarters (Martes martes), steenmarters (Martes foina).