Hoofdstuk III.
Houder van het jachtrecht - jachtterreinen


Art. 7.
[Het is verboden te eniger tijd en op enigerlei wijze te jagen op andermans grond zonder uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende. In geval van betwisting inzake het jachtrecht op hetzelfde perceel heeft hij die een [schriftelijk bewijs van het jachtrecht] kan voorleggen, het jachtrecht.
Elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruikmaakt, is verplicht een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein met aanduiding van de percelen waarbinnen hij geen jachtrecht heeft, in te dienen bij [...] de door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaar, in wiens ambtsgebied het jachtterrein of het grootste gedeelte ervan, is gelegen.
Het plan wordt door die ambtenaar en door anderen door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaren ter inzage gehouden.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, het tijdstip en de wijze waarop de plannen worden neergelegd bij de in het tweede lid aangewezen ambtenaar, en de extra informatie die moet worden verstrekt. Elke houder van het jachtrecht die een plan heeft neergelegd dat de toestand van zijn jachtterrein niet juist weergeeft, is verplicht op verzoek van [...] de door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaar, om binnen de gestelde termijn de juiste gegevens neer te leggen. [De Vlaamse Regering kan in bepaalde omstandigheden eisen dat een schriftelijk bewijs van het jachtrecht wordt voorgelegd bij het neerleggen of het aanpassen van het plan.]]

Art. 7/1.
De Vlaamse Regering kan aan elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruik maakt, opleggen dat hij aan bepaalde administratieve voorwaarden moet voldoen. Die voorwaarden zijn gericht op een beter wildbeheer, op het natuurbehoud en op een verbeterd toezicht.

Art. 8.

§ 1

De jacht met het geweer is verboden op elk [jachtterrein] waarvan de aaneengesloten oppervlakte minder bedraagt dan veertig hectaren.
Voor de toepassing van het eerste lid worden ook als aaneengesloten [jachtterreinen] beschouwd waarop over geheel hun uitgestrektheid mag worden gejaagd de jachtterreinen die doorsneden worden door een openbare of privé-weg, een niet bevaarbare waterloop of een spoorweg.
Niet als aaneengesloten worden echter alleen beschouwd, de [jachtterreinen]:
die hetzij door een [autosnelweg] hetzij door een bevaarbare waterloop hetzij door een spoorweg met een breedte, bermen inbegrepen van meer dan vijftig meter, worden doorgesneden;
die verbonden zijn door delen waarin omwille van hun afmetingen geen cirkel met een straal van ten minste vijfentwintig meter kan worden getrokken.
De jacht met het geweer is eveneens verboden op elk gedeelte van een [jachtterrein], welke ook de oppervlakte van dit laatste zij, waarin omwille van zijn afmetingen geen cirkel met een straal van ten minste vijfentwintig meter kan worden getrokken.
Het is verboden op minder dan honderdvijftig meter van woningen of gebouwen vuurwapens af te vuren in de richting van deze laatste.

§ 2

De jacht met het geweer op waterwild is evenwel toegestaan op [jachtterreinen] van geringere op pervlakte dan bepaald in § 1, mits deze [jachtterreinen], op het ogenblik dat de jacht wordt uitgeoefend, een minimum aaneengesloten wateroppervlakte van drie hectare omvatten waarop de jacht toegestaan is.
Voor de toepassing van het eerste lid worden als aaneengesloten beschouwd alle ononderbroken waterppervlakten evenals de watervlakten die onderling op natuurlijke of kunstmatige wijze door een watergang zijn verbonden.

§ 3

[...]

Art. 9.
Het is verboden [...] te jagen op de spoorwegen en hun aanhorigheden.
[Het is] aan ieder ander dan de aangelande eigenaar of zijn rechthebbende verboden te jagen op de openbare wegen en op de spoorwegbermen.
De aangelande eigenaar of zijn rechthebbende mag op de spoorwegbermen van dit recht echter alleen gebruik maken om met buidels en fretten op konijnen te jagen.

Art. 10.
[Het is verboden om honden te laten jagen of rondlopen op gronden waarvan het jachtrecht aan een ander toebehoort.]
Het feit dat honden over andermans erf lopen bij het vervolgen van grof wild of ander wild dat op het eigendom of het jachtrecht van hun meester respectievelijk werd opgejaagd of aangeschoten wordt geacht niet onder toepassing te vallen van dit artikel noch van artikel 7 behoudens de burgerlijke rechtsvordering in geval van schade.

Art. 11.
[Het jagen op de domeinen van openbare besturen is alleen geoorloofd ingevolge jachtrecht toegekend volgens de principes van mededinging en transparantie.]
De zittende jager en een wildbeheerseenheid zoals bedoeld in artikel 12, hebben het recht bij een aanbesteding voor zover zij deelgenomen hebben aan de aanbesteding een hoger bod te doen. [Voor een wildbeheereenheid geldt de voorwaarde dat het domein in kwestie binnen het werkingsgebied van die wildbeheereenheid gelegen moet zijn of aan het werkingsgebied ervan moet grenzen.] Het jachtrecht moet worden toegekend aan de hoogst biedende zo dit hoger bod, gedaan binnen de tien dagen volgend op de aanbesteding meer dan één tiende hoger ligt dan de bij de openbare aanbesteding verkregen prijs. Bij gelijk hoger bod geniet de zittende jager de voorkeur zo hij geen inbreuk heeft gepleegd op de vroegere verpachtingsvoorwaarden.
Het recht tot jagen in het Zoniënbos is voorbehouden aan de Kroon.

Art. 12.
[De Vlaamse Regering kan grotere beheereenheden, die ontstaan als gevolg van de vrijwillige samenvoeging van afzonderlijke jachtterreinen, erkennen als wildbeheereenheden en de werking ervan subsidiëren.
De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen met betrekking tot deze erkenning en subsidiëring. Deze voorwaarden zijn gericht op een beter wildbeheer, op het natuurbehoud en op een verbeterd toezicht, en hebben onder meer betrekking op het door de wildbeheereenheid op te maken wildbeheerplan.
De Vlaamse Regering kan in functie van een gerichter wildbeheer, de instandhouding van leefgebieden en het verbeterd toezicht, de jacht op alle of bepaalde wildsoorten, het gebruik van bepaalde jachttechnieken of -tuigen, en bepaalde maatregelen beperken tot jachtterreinen van leden van een erkende wildbeheereenheid, zoals bedoeld in artikel 12.]