Art. 7.
[Het is verboden te eniger tijd en op enigerlei wijze te jagen op andermans grond zonder uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar of zijn rechthebbende. In geval van betwisting inzake het jachtrecht op hetzelfde perceel heeft hij die een [schriftelijk bewijs van het jachtrecht] kan voorleggen, het jachtrecht.
Elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruikmaakt, is verplicht een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein met aanduiding van de percelen waarbinnen hij geen jachtrecht heeft, in te dienen bij [...] de door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaar, in wiens ambtsgebied het jachtterrein of het grootste gedeelte ervan, is gelegen.
Het plan wordt door die ambtenaar en door anderen door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaren ter inzage gehouden.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, het tijdstip en de wijze waarop de plannen worden neergelegd bij de in het tweede lid aangewezen ambtenaar, en de extra informatie die moet worden verstrekt. Elke houder van het jachtrecht die een plan heeft neergelegd dat de toestand van zijn jachtterrein niet juist weergeeft, is verplicht op verzoek van [...] de door de Vlaamse Regering aan te wijzen ambtenaar, om binnen de gestelde termijn de juiste gegevens neer te leggen. [De Vlaamse Regering kan in bepaalde omstandigheden eisen dat een schriftelijk bewijs van het jachtrecht wordt voorgelegd bij het neerleggen of het aanpassen van het plan.]]