Art. 8.

§ 1

De jacht met het geweer is verboden op elk [jachtterrein] waarvan de aaneengesloten oppervlakte minder bedraagt dan veertig hectaren.
Voor de toepassing van het eerste lid worden ook als aaneengesloten [jachtterreinen] beschouwd waarop over geheel hun uitgestrektheid mag worden gejaagd de jachtterreinen die doorsneden worden door een openbare of privé-weg, een niet bevaarbare waterloop of een spoorweg.
Niet als aaneengesloten worden echter alleen beschouwd, de [jachtterreinen]:
die hetzij door een [autosnelweg] hetzij door een bevaarbare waterloop hetzij door een spoorweg met een breedte, bermen inbegrepen van meer dan vijftig meter, worden doorgesneden;
die verbonden zijn door delen waarin omwille van hun afmetingen geen cirkel met een straal van ten minste vijfentwintig meter kan worden getrokken.
De jacht met het geweer is eveneens verboden op elk gedeelte van een [jachtterrein], welke ook de oppervlakte van dit laatste zij, waarin omwille van zijn afmetingen geen cirkel met een straal van ten minste vijfentwintig meter kan worden getrokken.
Het is verboden op minder dan honderdvijftig meter van woningen of gebouwen vuurwapens af te vuren in de richting van deze laatste.

§ 2

De jacht met het geweer op waterwild is evenwel toegestaan op [jachtterreinen] van geringere op pervlakte dan bepaald in § 1, mits deze [jachtterreinen], op het ogenblik dat de jacht wordt uitgeoefend, een minimum aaneengesloten wateroppervlakte van drie hectare omvatten waarop de jacht toegestaan is.
Voor de toepassing van het eerste lid worden als aaneengesloten beschouwd alle ononderbroken waterppervlakten evenals de watervlakten die onderling op natuurlijke of kunstmatige wijze door een watergang zijn verbonden.

§ 3

[...]