Hoofdstuk VIII.
Vervoer en handel in wild


Art. 26.
[In het gehele of een gedeelte van het grondgebied van het Gewest is het verboden wild levend of dood te vervoeren of in de handel te brengen. Op dat verbod gelden de volgende uitzonderingen:
1░
wild mag worden vervoerd of verhandeld vanaf de opening van de jacht op dit wild tot en met de tiende dag die volgt op de sluiting ervan;
2░
wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van bestrijding als vermeld in artikelá22;
3░
wild mag worden vervoerd als het gaat om specimens die het voorwerp zijn geweest van een afwijking met toepassing van artikelá33.
]
Het verbod van het eerste lid slaat niet op wildpreparaten met bedoelde wildsoorten, wanneer het wild dat er in is verwerkt volledig onherkenbaar is.
De Vlaamse Regering kan jaarlijks bepalen dat het vervoeren of het in de handel brengen van levend of dood wild eveneens verboden is of alleen onder door haar te stellen voorwaarden geoorloofd is in de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.
Wanneer de jacht in een beperkt gebied geopend is, kan de Vlaamse Regering tijdens de betrokken periode machtiging verlenen tot het vervoer van geschoten wild en de voorwaarden bepalen waaronder dit vervoer mag geschieden.
De Vlaamse Regering kan eveneens de voorwaarden bepalen waaronder het vervoer en de handel van wildsoorten of delen van wildsoorten waarvoor zij een afschotplan gesteld heeft, mogen plaatshebben.
Het is eveneens verboden aan handelaars in eetwaren, traiteurs en restaurateurs het in het eerste lid genoemde wild bij zich te houden, zelfs buiten hun woning, en het is aan iedereen verboden de genoemde wildsoorten te verbergen of bij zich te houden voor rekening van [de voormelde handelaars, traiteurs en restaurateurs].
Onder de door de Vlaamse Regering voorgeschreven voorwaarden en het door haar geregelde toezicht, is het vervoer, de opslag en de handel van diepgevroren wild geoorloofd buiten de periode vanaf de opening tot en met de tiende dag volgend op de sluiting van de jacht op dit wild.
[...]

Art. 27.
[...]

Art. 28.
Het vervoer van het in artikel 26, eerste lid, bedoelde levend wild en van de in artikel 35, bedoelde eieren, kan in gesloten jachttijd door de Vlaamse Regering worden toegestaan onder de voorwaarden die zij voorschrijft.

Art. 29.
Het is te allen tijde en overal verboden wild uit te zetten.
[De Vlaamse regering kan hierop met het oog op het behoud van wildsoorten uitzonderingen toestaan na advies te hebben ingewonnen van de MiNa-Raad. In voorkomend geval stelt ze regels op voor het aantal en de soorten wild, alsmede voor de terreinen.]
[...]