Hoofdstuk XII.
Wijzigings- en opheffingsbepalingen


Art. 41.
De jachtwet van 28 februari 1882 wordt, wat het Vlaamse Gewest betreft, als volgt gewijzigd:
1.
de artikelen 1, 1bis, 1ter, 2, 2bis, 3, 4, 5, 6, 6bis, 6ter, 7, 7bis eerste lid, 7ter, 8 eerste, tweede en derde lid, 9, 9bis, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 21, 22 eerste lid, 23, 30bis, 31 eerste lid, en 31bis worden opgeheven;
2.
in het eerste lid van artikel 20 worden de woorden “artikel 4, eerste lid.” vervangen door de woorden “artikel 7, eerste lid, van het Jachtdecreet van 24 juli 1991”;
3.
in het tweede lid van artikel 22 worden de woorden “in de gevallen van 1” gelezen als “in de gevallen van 1, zoals vermeld in artikel 32 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991”;
4.
in het eerste lid van artikel 24 worden de woorden “boswachters, kantonniers, stationchefs” vervangen door de woorden “ambtenaren en boswachters van het Bosbeheer, ambtenaren van de diensten van de Vlaamse Regering bevoegd voor het natuurbehoud”;
5.
in het tweede lid van artikel 24 worden de woorden “artikel 8, eerste en derde lid, en in artikel 10, eerste lid” vervangen door de woorden “artikel 19, eerste en derde lid en in artikel 26, eerste lid van het Jachtdecreet van 24 juli 1991”;
6.
in het eerste lid van artikel 26 worden de woorden “artikelen 4 en 5” gelezen als “artikelen 7 en 10 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991”; in het tweede lid van artikel 26 worden de woorden “artikel 4” gelezen als “artikel 7 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991”;
7.
in artikel 31 worden in het tweede lid de woorden “vorig lid” gelezen als “artikel 34 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991” en worden na het woord “geldboete” de woorden “van vijf frank tot vijfentwintig frank” vervangen door de woorden “van vijftig frank tot honderd frank” en worden in het derde lid na het woord gevangenisstraf de woorden “van drie dagen tot zeven dagen” vervangen door de woorden “van acht dagen tot een maand”;
8.
in artikel 31ter worden de woorden “artikel 31bis” gelezen als de woorden “artikel 36 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991” en worden tussen de woorden “vervolgd” en “overeenkomstig” de woorden “en gestraft” weggelaten.

Art. 42.
Artikel 13 van het Veldwetboek van 7 oktober 1886 wordt, wat het Vlaamse Gewest betreft, opgeheven.

Art. 43.
De wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade wordt, wat het Vlaamse Gewest betreft, opgeheven.

Art. 44.
Het decreet van 23 mei 1990 betreffende de afgifte van jachtverloven wordt opgeheven.

Art. 45.
Wat het Vlaamse Gewest betreft, worden in de wets- en verordeningsbepalingen inzake de jacht, de vermeldingen “de wet van 30 juli 1922 waarbij het zegelrecht gesteld op de verlofbrieven voor het dragen van jachtwapens en voor het jagen met de hazewind verhoogd wordt en waarbij een verlofbrief voor het vogelvangen met netten en een taxe op de inrichtingen van eendekooien ingevoerd wordt” en “de artikelen 184-186 van het wetboek der met zegel gelijkgestelde taksen” als “het Jachtdecreet van 24 juli 1991” gelezen.

Art. 46.
Artikel 4 van het decreet van 23 januari 199 tot oprichting van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur als Gewestdienst met Afzonderlijk Beheer wordt aangevuld met de volgende bepaling:
(...)

Art. 47.
De reglementaire bepalingen getroffen in uitvoering van de Jachtwet van 28 februari 1882 blijven geldig voor zover zij niet in strijd zijn met de bepalingen van dit decreet en zolang zij door de Vlaamse Regering niet worden opgeheven.