Hoofdstuk V.
Uitvoering van de wet, de veiligheidsregels en Technische Codes voor de vervoerinstallaties


Art. 16.
Voor de uitvoering van deze wet bepaalt de Koning onder meer:
[...]
welke overheden of diensten, behalve provincies en gemeenten, moeten worden geraadpleegd en binnen welke termijn zij hun advies moeten geven;
de procedure en de formaliteiten die in acht moeten worden genomen bij elk in artikel 9 bedoeld gebruik van het openbaar domein, of wanneer de centrale, provinciale of gemeentelijke overheden, overeenkomstig hetzelfde artikel, de op hun openbaar domein aangelegde vervoerinstallaties willen doen wijzigen;
de procedure die moet worden gevolgd voor de verklaring van openbaar nut bedoeld in artikel 10, en binnen welke termijn gevolg moet worden gegeven aan een aanvraag tot verklaring van openbaar nut;
[...];
[...];
de strafbedingen die mogen worden gesteld in geval van niet-nakoming van de verbintenissen inzake gasvervoer;
[de voorschriften die moeten worden in acht genomen door eenieder die, in de nabijheid van vervoerinstallaties door middel van leidingen, werken uitvoert, doet uitvoeren of beoogt uit te voeren.][Deze voorschriften kunnen veiligheidsverplichtingen voorzien ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen die werken uitvoeren in de nabijheid van leidingen, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van hoofdstuk V van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en haar uitvoeringsbesluiten.]
De Koning bepaalt ook de schaal van de maximumretributies die de Staat, de provincie of de gemeente, overeenkomstig artikel 13, als vergoeding voor de bezetting van zijn openbaar of privaat domein mag heffen, alsmede de schaal van de minimumuitkeringen die krachtens hetzelfde artikel aan private personen verschuldigd zijn.

Art. 17.

§ 1

Na advies van Algemene Directie Energie van de FOD Economie en advies van de Administratie Kwaliteit en Veiligheid van de FOD Economie, bepaalt de Koning de algemene veiligheidsvoorschriften in het kader van het ontwerp, de bouw, de exploitatie en de buitengebruikstelling van vervoerinstallaties.
De algemene voorschriften definiëren onder meer:
de verplichtingen van de houder van een vervoervergunning ter preventie en behandeling van ongevallen door de invoering van een systeem van veiligheidsbeheer en een noodplan;
de voorbehouden zone en het daaraan verbonden verbod om te bouwen, te bezetten, te werken of aan te planten;
de ingravingsdiepte van de leidingen en de voorwaarden waaronder een bovengrondse installatie kan worden gebruikt;
de bescherming van het tracé;
de bescherming tegen corrosie;
de gebruikte materialen en de specificatie voor de levering van materialen alsook de testen en controle van materialen;
de specificaties voor de berekening van de leiding;
de specificaties voor de uitvoering van de werken op de werf bij de aanleg van leidingen;
de controle op de samengevoegde onderdelen;
10°
de controle op de werken na de aanleg en de ontvangsttesten op het vlak van de dichtheid;
11°
de exploitatievoorwaarden; met inbegrip van het toezicht op de vervoerinstallaties, alsook de druk, de temperatuur en de wanddikte van de vervoerinstallaties;
12°
de verplichtingen van de organismen voor de controle van de vervoerinstallaties; en
13°
de vereisten inzake de risicoanalyse.

§ 2

Op voorstel van een of meerdere houders van een vervoerver-gunning en na advies van de Administratie Kwaliteit en Veiligheid van de FOD Economie, of op voorstel van de Administratie Kwaliteit en Veiligheid van de FOD Economie en na overleg met een of meerdere houders van een vervoervergunning, keurt de minister de Technische Codes goed.
De respectievelijke Technische Codes bepalen de technische maatregelen die noodzakelijk zijn om de algemene veiligheidsvoorschriften bedoeld in § 1 van dit artikel uit te voeren door de voorschriften met betrekking tot de veiligheid, meer bepaald in het kader van het ontwerp, de bouw, inbedrijfstelling, het toezicht, het onderhoud, en de buitengebruikstelling van vervoerinstallaties, het veiligheidsbeheersysteem en het noodplan verder uit te werken.

§ 3

De minister kan aan de ambtenaren van de FOD Economie die hij aanduidt voor specifieke door hem voorziene functies, de bevoegdheid delegeren om:
binnen de grenzen bepaald door de Koning, algemene technische maatregelen te bepalen;
binnen de grenzen bepaald door de Koning, individuele technische maatregelen te bepalen.

Art. 17/1.

§ 1

De vervoerinstallaties moeten worden ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en buiten gebruik gesteld overeenkomstig de regels voorzien in artikelen 16 en 17.
De houder van een vervoervergunning bouwt, exploiteert, onderhoudt, ontwikkelt en stelt een vervoerinstallatie buiten gebruik op een economische en veilige wijze en zet de redelijke middelen in om de veiligheid van goederen en personen te verzekeren, met respect voor het milieu.

§ 2

De verplichtingen voorzien in § 1 van dit artikel worden in hoofde van de houder van een vervoervergunning als voldaan beschouwd wanneer deze laatste deze wet en de uitvoeringsbesluiten voorzien in artikelen 16 en 17 van de wet alsook de vervoervergunning(en) naleeft.
Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen in hoofde van de betrokkenen bij de uitvoering van werken in de nabijheid van vervoerinstallaties bedoeld in het koninklijk besluit van 21 september 1988, moeten de vervoerinstallaties aan de interne en externe belastingen kunnen weerstaan waaraan zij kunnen worden onderworpen in normale bedrijfsomstandigheden zoals beschreven in de Technische Codes. Deze verplichting van de houder van de vervoervergunning is een middelenverbintenis.

Art. 17/2.

§ 1

De volgende personen worden bestraft met een administratieve geldboete van 50 tot 20.000 euro:
zij die zich verzetten tegen de onderzoeken en naspeuringen die krachtens deze wet plaatsvinden, zij die weigeren de informatie te verstrekken die zij krachtens deze wet verplicht zijn aan te leveren of zij die hen opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie geven;
zij die de bepalingen van deze wet of een van de uitvoeringsbesluiten ervan die genomen zijn op basis van de artikelen 16 en 17 overtreden.
In geval van samenloop van inbreuken worden de bedragen van de administratieve boetes bij elkaar opgeteld, zonder dat hun totaal het vierdubbele van het maximum voorzien in het eerste lid kan overschrijden.
De ondernemingen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe hun beheerders, zaakvoerders of mandatarissen voor dergelijke inbreuken veroordeeld worden.

§ 2

Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie wijst de Koning de ambtenaren van de Overheidsdienst Economie, K.MO., Middenstand en Energie aan die bevoegd zijn om de inbreuken op deze wet en op de besluiten die in uitvoering ervan genomen zijn op te sporen en vast te stellen. Hun processen-verbaal zijn rechtsgeldig tot bewijs van het tegendeel.

§ 3

De daartoe gemachtigde agenten kunnen na inzage van de processen-verbaal waarin een inbreuk op de bepalingen van deze wet zijn vastgesteld en die zijn opgesteld door de agenten bedoeld in § 2, de overtreders voorstellen een som te betalen die bepaald wordt met toepassing van § 1, waardoor de openbare vordering teniet wordt gedaan. De betalings- en inningsmodaliteiten worden door de Koning bepaald.

§ 4

De natuurlijke of rechtspersoon aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd kan binnen de door de Koning bepaalde termijn voor betaling van de geldboete, bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel beroep aantekenen tegen de beslissing om een geldboete op te leggen.
Het beroep wordt ingediend via verzoekschrift op tegenspraak op basis van de artikelen 1034bis en volgens van het Gerechtelijk Wetboek.
Het beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
De voorschriften van het eerste boek van het Strafwetboek zijn van toepassing, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85.