Hoofdstuk VI.
Sancties


Art. 18.

[§ 1

Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, wijst de Koning de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aan die bevoegd zijn om de overtredingen bedoeld in artikel 19 en 20/1 op te sporen en vast te stellen; hun proces-verbaal heeft bewijskracht tot het tegenbewijs wordt geleverd.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen:
gebouwen, werkplaatsen en hun aanhorigheden tijdens de openings- of werkuren betreden, wanneer dat voor de uitoefening van hun opdracht noodzakelijk is;
alle dienstige vaststellingen doen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen die bij de opsporing en vaststelling nodig zijn, doen vertonen en die in beslag nemen.
Wanneer deze handelingen de kenmerken van een huiszoeking vertonen, mogen ze door de in het eerste lid bedoelde ambtenaren enkel worden gesteld met machtiging van de onderzoeksrechter of de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die daartoe bij verzoekschrift is aangezocht.

§ 2

De Koning wijst de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aan die belast zijn met de administratieve controle op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

§ 3

Onverminderd artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering, wijst de Koning de leden van het Directiecomité en de personeelsleden van de Commissie aan die bekleed zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie.
De leden bedoeld in het voorgaande lid zijn bevoegd om inbreuken op het artikel [15/14, § 2, tweede lid, 5°bis], 12° en 13°, 16° tot 18°, 20°, 23° en 25°, op het artikel 15/14bis, op het artikel 15/14ter, op het artikel 15/16, § 1, [evenals op artikelen 3, 4 en 5 van de Verordening (EU) nr. 1227/2011] wat betreft de uitvoering van de opdrachten van [15/14, § 2, tweede lid, 5°bis], op het artikel 15/14bis, op het artikel 15/14ter en op het artikel 15/16, § 1bis], van deze wet en op de uitvoeringsbesluiten ervan op te sporen en vast te stellen, door middel van processen-verbaal die bewijs opleveren tot het tegendeel. Hiertoe kunnen zij:
gebouwen, werkplaatsen en hun aanhorigheden tijdens de openings- of werkuren betreden, wanneer zulks voor de uitoefening van hun opdracht noodzakelijk is;
alle dienstige vaststellingen doen, zich documenten, stukken, boeken en voorwerpen die bij de opsporing en vaststelling van inbreuken nodig zijn, doen vertonen en die in beslag nemen;
alle inlichtingen verzamelen en alle geschreven of mondelinge verklaringen of getuigenissen afnemen;
bijstand verlenen in het kader van de uitvoering van de beslissingen van de Commissie.
[Om de toepassing van de artikelen 3, 4 en 5 van de Verordening (EU) nr. 1227/2011 te garanderen kan de commissie eisen dat haar, in het kader van en met het oog op het onderzoek, bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer worden bezorgd.]
Wanneer die daden de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen met toepassing van de artikelen 87 tot 90 van het Wetboek van Strafvordering worden ingesteld.
[Wanneer de handelingen de kenmerken hebben van het afluisteren van telefoonverkeer, kunnen zij enkel gesteld worden met toepassing van de artikelen 90ter tot 90decies van het Wetboek van strafvordering.
Wanneer een persoon een verklaring of gelijk welke schriftelijke of mondelinge getuigentis aflegt overeenkomstig § 3, tweede lid, 2°, wordt hij bijgestaan door een raadsman.]
De leden bedoeld in het eerste lid, kunnen voor de uitvoering van hun opdrachten een beroep doen op de openbare macht en beschikken over alle middelen die aan de agenten van de openbare macht worden toegekend. Onverminderd de bijzondere wetten die de geheimhouding van de verklaringen garanderen, zijn de openbare besturen gehouden hun bijstand te verlenen aan deze leden in de uitoefening van hun opdrachten. De leden kunnen eveneens de bijstand vorderen van de overtreder of van zijn aangestelden.
De leden bedoeld in het eerste lid oefenen hun opdracht van officier van gerechtelijke politie uit volgens de regels bepaald door een koninklijk besluit overlegd in Ministerraad, op voorstel van de commissie. Zij leggen de eed af voor de Minister van Justitie, overeenkomstig de bepalingen in uitvoering van het decreet van 31 juli 1831. In hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, zijn zij onderworpen aan het toezicht van de procureur-generaal.]

Art. 19.
Overtreding [van artikel 22] van deze wet en van de besluiten gesteld tot uitvoering van deze wet wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van [2,48 euro tot 2.478,94 euro], of met één van die straffen alleen. In geval van herhaling wordt de geldboete verdubbeld en wordt de overtreder gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar.
De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85 zijn toepasselijk op de in het eerste lid bedoelde overtredingen. De artikelen 523 en 525 van het Strafwetboek zijn toepasselijk op de opzettelijke beschadiging of vernieling van eender welke gasvervoerinstallatie.

Art. 19bis.
De aardgasondernemingen aan de Algemene Directie Energie, op straffe van dwangsom van een maximumbedrag van 1 % van de jaaromzet van de betrokken activiteit in België, alle informatie mede die ze nodig heeft voor de uitoefening van zijn opdrachten krachtens deze wet.]

Art. 20.
Onverminderd de toepassing van de straffen bepaald bij de artikelen 271 tot 274 van het Strafwetboek wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met geldboete van [2,48 euro tot 2.478,94 euro], of met een van die straffen alleen, hij die de in artikel 18 genoemde officieren of ambtenaren opzettelijk belemmert of hindert in de uitvoering van de aldaar bepaalde opdrachten. In geval van herhaling wordt de geldboete verdubbeld en wordt de overtreder gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar. De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85 zijn toepasselijk op de in het eerste lid bedoelde overtredingen.

Art. 20/1.

§ 1

Worden gestraft met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met geldboete van [1,24 tot 495,79 euro] of met één van deze straffen alleen:
zij die de verificaties en onderzoeken van de Commissie [...] krachtens deze wet hinderen, weigeren hun informatie te verstrekken die zij gehouden zijn mee te delen krachtens deze wet, of hun bewust verkeerde of onvolledige informatie verstrekken;
[zij die de bepalingen van de artikelen 3, 15/3 en 15/5, § 4 overtreden.]

§ 2

De Koning kan strafsancties bepalen voor inbreuken op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van deze wet die Hij aanduidt. Deze strafsancties mogen een gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van [495,79 euro] niet overschrijden.

§ 3

De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek zijn van toepassing op de inbreuken bepaald in §§ 1 en 2. De vennootschappen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten waarvoor hun bestuurders, zaakvoerders of lasthebbers wegens dergelijke inbreuken worden veroordeeld.]

Art. 20/1bis.
Elke overtreding op de door deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan uitgevaardigde vertrouwelijkheidsregels wordt bestraft met de straffen bepaald bij artikel 458 van het Strafwetboek. De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing.]

Art. 20/2.
Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de Commissie elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen [van deze wet, de uitvoeringsbesluiten ervan, van latere wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 15/11, of van alle andere bepalingen op de toepassing waarvan ze toeziet krachtens artikel 15/14, § 2, tweede lid, 5° [en 5°bis],] binnen de termijn bepaald door de Commissie. Indien deze persoon bij het verstrijken van de termijn in gebreke blijft, kan de Commissie, op voorwaarde dat de persoon werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, [in aanwezigheid van zijn raadsman] een administratieve geldboete opleggen. De geldboete mag, per kalenderdag, [niet lager zijn dan 1.240 euro, noch hoger zijn dan [10]] procent van de omzet die de betrokken persoon heeft gerealiseerd op de nationale [aardgasmarkt] tijdens het laatste afgesloten boekjaar [...]. [...]]
[Bovendien, indien deze persoon bij het verstrijken van de termijn, bepaald door de commissie, in gebreke blijft al de bepalingen na te leven op de toepassing waarvan de commissie toeziet krachtens artikel 15/14, § 2, tweede lid, 5°bis, kan de commissie, op voorwaarde dat de persoon werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen in aanwezigheid van zijn raadsman, een dwangsom opleggen. De dwangsom mag, per kalenderdag, niet minder bedragen dan 250 euro, noch meer bedragen dan 50.000 euro, noch in het totaal 2.500.000 euro overschrijden.
In het geval van recidive van een persoon die nalaat om zich in overeenstemming te brengen met de bepalingen waarover de commissie toezicht uitoefent op de naleving ervan uit hoofde van artikel 15/14, § 2, tweede lid, 5°bis, kan de commissie de geldboete en/of de dwangsom maximaal vermeerderen tot het dubbele van het maximale bedrag zoals bedoeld in het eerste en het tweede lid.
De geldboete en de dwangsom worden ten gunste van de Schatkist geïnd door de Administratie bevoegd voor de niet-fiscale invordering binnen de FOD Financiën.]
[De administratieve boetes [en de dwangsommen] die door de commissie opgelegd worden aan de aardgasvervoersnetbeheerder, beheerder van een opslaginstallatie, beheerder van een LNG installatie en de distributienetbeheerders worden niet opgenomen in hun kosten maar worden in mindering gebracht van hun billijke winstmarges. De aardgasbedrijven mogen evenmin aan hun afnemers de bedragen van de administratieve boetes [en de dwangsommen] die de commissie hen oplegt doorfactureren.]

Art. 20/3.

§ 1

Ten einde de toepassing van de artikelen 3 tot 5 van de Verordening (EU) nr. 1227/2011 te garanderen en door middel van een voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter kunnen de personen bedoeld in artikel 18, § 3, eerste lid, op basis van een met redenen omklede beslissing, behalve in een privéwoning, het beslag bevelen op de activa die eigendom zijn van de persoon die het voorwerp uitmaakt van een door de commissie gevoerd onderzoek en die, ofwel het voorwerp uitmaken van de inbreuk die onderzocht wordt, ofwel die bestemd waren of bijgedragen hebben om de inbreuk in kwestie te begaan, ofwel een vermogensvoordeel vormen dat rechtstreeks uit de inbreuk gehaald wordt of er het equivalent van vormen.
De personen bedoeld in artikel 18, § 3, eerste lid, vermelden in hun beslissing, bedoeld in het eerste lid, de feitelijke omstandigheden die het nemen van de maatregel rechtvaardigen en bij de motivering van hun beslissing houden zij rekening met de principes van proportionaliteit en subsidiariteit.
Om dit bevel uit te voeren, kunnen de personen bedoeld in artikel 18, § 3, eerste lid, zo nodig de hulp vragen van het openbaar gezag.
De uitvoering van de beslaglegging maakt het voorwerp uit van een proces-verbaal waaraan de inventaris van alle in beslag genomen activa wordt toegevoegd. In de mate van het mogelijke worden de activa geïndividualiseerd.

§ 2

De gemotiveerde beslissing van de beslagmaatregel, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, die genomen wordt door de personen bedoeld in artikel 18, § 3, eerste lid, vervalt van rechtswege ofwel na afloop van de beroepstermijn tegen de beslissing van de commissie om een boete op te leggen en/of een dwangsom, overeenkomstig artikel 20/2, ofwel de eerste dag na de dag waarop het arrest van het [Marktenhof] is uitgesproken met betrekking tot de beslissing genomen op basis van artikel 20/2, met toepassing van artikel 15/20.
In afwijking van het eerste lid vervalt het beslag, met betrekking tot de activa die in de beslissing van de commissie of, desgevallend, van het [Marktenhof], beschouwd worden als een vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit de inbreuk gehaald wordt of als het equivalent van dergelijk voordeel, enkel op het ogenblik waarop de geldboete en de dwangsom die opgelegd zijn met toepassing van artikel 20/2, integraal betaald zijn.

Art. 20/4.
Ten einde de toepassing van de artikelen 3 tot 5 van de Verordening (EU) nr. 1227/2011 te garanderen en door middel van een voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter kunnen de personen bedoeld in artikel 18, § 3, eerste lid, op basis van een met redenen omklede beslissing, aan een natuurlijke of rechtspersoon uit hoofde van wie er duidelijke aanwijzingen zijn van een inbreuk in de betekenis van de artikelen 3 tot 5 van de Verordening (EU) nr. 1227/2011, een tijdelijk verbod opleggen om beroepsactiviteiten uit te oefenen die een risico op nieuwe inbreuk van deze bepalingen inhouden en die in de beslissing worden uiteengezet.
Het verbod kan enkel betrekking hebben op de natuurlijke en rechtspersonen die vermeld zijn in de beslissing van een persoon bedoeld in artikel 18, § 3, eerste lid, alsook op de beroepsactiviteiten die daarin nauwkeurig omschreven zijn.
De personen bedoeld in artikel 18, § 3, eerste lid, vermelden in hun beslissing de feitelijke omstandigheden die het nemen van de maatregel rechtvaardigen en bij de motivering van hun beslissing houden zij rekening met de principes van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het verbod is geldig voor een termijn van drie maanden, eenmalig verlengbaar volgens dezelfde procedure.
Het verbod begint pas te lopen op het ogenblik waarop de beslissing aan de betrokken persoon is betekend door een persoon bedoeld in artikel 18, § 3, eerste lid.

Art. 20/5.
De sancties die in artikel 20/2 voorzien zijn mogen niet meer worden opgelegd binnen een termijn van meer dan 5 jaar te rekenen vanaf het begaan van de inbreuk op of van de schending van bepaalde bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten, van latere wetten betreffende de tarieven of betreffende de bijdrage bedoeld in artikel 15/11, of van alle andere bepalingen waarvan zij toeziet op de toepassing ervan krachtens artikel 15/14, § 2, tweede lid, 3° en 5°.
In het geval van voortdurende inbreuk op of van voortdurende schending van bepaalde bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten, van latere wetten betreffende de tarieven of betreffend de bijdrage bedoeld in artikel 15/11, of van alle andere bepalingen waarvan zij toeziet op de toepassing ervan krachtens artikel 15/14, § 2, tweede lid, 3° en 5°, is de eerste dag van die termijn de dag waarop de inbreuk heeft opgehouden.
Deze termijn wordt onderbroken telkens wanneer een onderzoeksdaad of een daad van administratieve repressie wordt uitgeoefend ten aanzien van de betrokken persoon.