Art. 20.
Onverminderd de toepassing van de straffen bepaald bij de artikelen 271 tot 274 van het Strafwetboek wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met geldboete van [2,48 euro tot 2.478,94 euro], of met een van die straffen alleen, hij die de in artikel 18 genoemde officieren of ambtenaren opzettelijk belemmert of hindert in de uitvoering van de aldaar bepaalde opdrachten. In geval van herhaling wordt de geldboete verdubbeld en wordt de overtreder gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar. De bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85 zijn toepasselijk op de in het eerste lid bedoelde overtredingen.