Art. 22.
Aan degene die op de datum van inwerkingtreding van deze wet een gasvervoer als bedoeld in artikel 2 exploiteert, wordt de in artikel 3 bepaalde gasvervoervergunning of -toelating verleend op voorwaarde dat hij, binnen de termijn te bepalen door de Koning, aan de Minister tot wiens bevoegdheid de energie behoort de stukken overmaakt en de inlichtingen verstrekt die overeenkomstig artikel 17 zijn vereist. De Koning of de Minister tot wiens bevoegdheid de energie behoort, al naar het geval, bepaalt binnen welke termijn de vervoerder, op straffe van verval, moet voldoen aan de voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en aan de voorschriften van de algemene voorwaarden waarvan de tekst bij de vergunningsakte is gevoegd, of aan de voorwaarden die in de toelatingsakte zijn vermeld.