Besluit onderhoud en nazicht van stooktoestellen voor verwarming gebouwen of aanmaak warm verbruikswater
Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van [centrale] stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater

Hoofdstuk I.
Draagwijdte en definities



Toepassingsgebied


Artikel 1.
De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de centrale stooktoestellen die in hoofdzaak gebruikt worden voor het verwarmen van gebouwen [en optioneel] voor het aanmaken van warm verbruikswater.


Definities


Art. 2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
de minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;
[administratie: het Departement Omgeving;]
titel I van het Vlarem: het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;
titel II van het Vlarem: het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
[de [toezichthouder]: de toezichthouder, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die het toezicht uitoefent op de toepassing van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;]
stooktoestel: technisch toestel waarin vaste, vloeibare of gasvormige brandstof verbrand wordt om de gegenereerde warmte te gebruiken voor [ruimteverwarming en optioneel] of voor de aanmaak van warm verbruikswater;
[stooktoestel aangesloten als type B (open stooktoestel): een stooktoestel aangesloten op een rookgasafvoerkanaal, waarbij de verbrandingslucht ontnomen wordt uit het stooklokaal;]
[stooktoestel aangesloten als type C (gesloten stooktoestel): een stooktoestel, waarvan de verbrandingskamer gesloten is ten opzichte van het stooklokaal. De leidingen voor de aanvoer van de verbrandingslucht en de afvoer van de rookgassen en het eindstuk vormen een geheel met het toestel;]
centraal stooktoestel: een stooktoestel met een centrale stookketel, en, optioneel, een aparte brander, waarbij de gegenereerde warmte via een geleid en gekanaliseerd transportsysteem gedistribueerd wordt naar meerdere, afzonderlijke ruimten [waar deze warmte aangewend wordt om het binnenklimaat van de betreffende ruimte te conditioneren] en, optioneel, naar een voorziening voor de productie van warm verbruikswater;
10°
nieuw centraal stooktoestel: een centraal stooktoestel dat na de inwerkingtreding van dit besluit een van onderstaande handelingen heeft ondergaan:
a)
het stooktoestel werd voor het eerst in gebruik genomen;
b)
de ketel of brander van het stooktoestel werd vervangen;
c)
het stooktoestel werd verbouwd;
d)
het stooktoestel werd verplaatst.
11°
bestaand centraal stooktoestel: een centraal stooktoestel dat niet beantwoordt aan de definitie van een nieuw centraal stooktoestel;
12°
gasvormige brandstof: elke brandstof die bij een temperatuur van 15 °C onder een druk van 1 bar (0,1 MPa) in een gasvormige toestand verkeert;
13°
gastoestel: een centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof;
14°
categorie: categorie waartoe een gastoestel behoort naargelang de gebruikte gasvormige brandstof en de technologische kenmerken, overeenkomstig de Europese norm EN 437 en addendum 1 – 1993;
15°
[...]
16°
[...]
17°
[...]
18°
[rookgasafvoerkanaal]: constructie, bedoeld voor het afvoeren van de rookgassen;
19°
stooklokaal: het lokaal waarin het stooktoestel zich bevindt;
20°
bouwjaar: Het bouwjaar van het toestel, bepaald uit de informatie vermeld op de kenplaat van de ketel of brander. Indien geen kenplaat aanwezig is of indien de kenplaat onleesbaar is, dan wordt het bouwjaar van het toestel afgeleid uit de factuur van plaatsing, uit het keuringsrapport of uit de technische documentatie van de ketel. Indien het bouwjaar van de ketel verschilt van het bouwjaar van de brander, wordt het bouwjaar van het stooktoestel gelijkgesteld aan het bouwjaar van de ketel;
21°
rookgassen (of verbrandingsproducten): de gasvormige uitstoot van een stooktoestel als resultaat van de verbranding, met daarin vaste, vloeibare en gasvormige emissies;
22°
controleproeven omtrent de goede werking: de controleproeven, beschreven in bijlage I bij dit besluit;
23°
rookindex: maat voor de zwarting van de rookgassen van een stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof; het getal dat met de rookindexpomp wordt gemeten tijdens de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
24°
verbrandingsrendement: het verbrandingsrendement, berekend volgens de formule van Siegert;
25°
code van goede praktijk: een geheel van geschreven en publiek toegankelijke regels over de bouw, de plaatsing, de aansluiting, het gebruik en het onderhoud van stooktoestellen, met inbegrip van de
toepasselijke productnormen en de algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap bij de beroepscategorieën in kwestie. Als code van goede praktijk gelden in elk geval:
a)
de toepasselijke bepalingen in Belgische wetten en koninklijke besluiten, en in Vlaamse decreten en besluiten;
b)
de bij het Belgisch Instituut voor Normalisatie geregistreerde toepasselijke normen;
c)
de toepasselijke Europese normen;
d)
de regels, uitgegeven door de beroepsfederaties van de fabrikanten en distributeurs van stooktoestellen.
Bij tegenstrijdigheden is de opgegeven volgorde bepalend;
26°
[erkende technicus vloeibare brandstof: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof;]
27°
[erkend opleidingscentrum vloeibare brandstof: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof;]
28°
[erkende technicus gasvormige brandstof: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof;]
29°
[erkend opleidingscentrum gasvormige brandstof: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof;]
30°
[erkende technicus verwarmingsaudit: een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitvoeren van een verwarmingsaudit;]
31°
[erkend opleidingscentrum verwarmingsaudit: een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de verwarmingsaudit;]
32°
reinigingsattest: het attest overeenkomstig het toepasselijke model in bijlage III bij dit besluit, dat opgemaakt wordt na het beëindigen van de reinigingsbeurt van het stooktoestel [of [het rookgasafvoerkanaal]];
33°
verbrandingsattest: het attest overeenkomstig het toepasselijke model in bijlage III bij dit besluit, dat opgemaakt wordt na de verbrandingscontrole van een stooktoestel;
34°
keuringsrapport: verslag van de keuring voor de eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel, dat minstens de toepasselijke gegevens uit bijlage III bij dit besluit bevat;
35°
[verwarmingsauditrapport: verslag van de verwarmingsaudit van de gehele verwarmingsinstallatie, dat een beoordeling van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte vergeleken met de verwarmingsbehoeften van het gebouw bevat, alsook het advies over vervanging van de ketel, over andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen die een significante energiebesparing kunnen realiseren;]
36°
[...]
37°
schoorsteenveger: persoon, die vakbekwaam is in het reinigen en controleren van [het rookgasafvoerkanaal] van een stooktoestel;
38°
[geschoolde] vakman: persoon die vakbekwaam is in het onderhouden van een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof;
39°
[energieaudit: audit uitgevoerd conform het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de uitvoering van de energieaudit.]
40°
[gebouw: een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen;]
41°
[nominaal vermogen: het maximale verwarmingsvermogen, uitgedrukt in kW, dat door de fabrikant voor continu gebruik is aangegeven en gegarandeerd, waarbij het door hem aangegeven nuttig rendement wordt gehaald,]
[42°
niet-premix gasbrander: brander waarbij slechts een deel van de verbrandingslucht gemengd wordt met de gasvormige brandstof voor aanvang van de verbranding;]
[43°
premix gasbrander: brander waarbij alle verbrandingslucht gemengd wordt met de gasvormige brandstof vóór aanvang van de verbranding;]
[44°
gasketel met ventilatorbrander: gasketel met brander die los van de verwarmingsketel verkocht mag worden, waarbij de verbrandingslucht wordt aangevoerd met behulp van een ventilator, en die beantwoordt aan de norm EN 676;]
[45°
gasunit: centraal stooktoestel met een door de fabrikant ingestelde niet-premix gasbrander of premix gasbrander, waarbij de delen van het geheel onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.]

Art. 3. Wijzigingsbevoegdheid

De minister kan de bepalingen opgenomen in de bijlagen bij dit besluit wijzigen.

Hoofdstuk II.
Goede en veilige staat van werking van een centraal stooktoestel


Art. 4. Goede en veilige staat van werking van een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof

§ 1

Een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn, indien het zo is afgesteld dat:
geen zichtbaar oliespoor aanwezig is op het filtreerpapier dat gebruikt wordt bij de bepaling van de rookindex van de rookgassen;
[...] in het rookgasafvoerkanaal [...] geen condensatie optreedt, tenzij het ervoor is voorzien;
voldaan is aan de in de volgende tabel weergegeven eisen voor de rookindex van de rookgassen, het gehalte aan koolstofdioxide (CO2) van de rookgassen, het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) van de rookgassen, het verbrandingsrendement en het gehalte aan zuurstof (O2) in de rookgassen. De metingen moeten worden uitgevoerd wanneer het toestel op bedrijfstemperatuur is.
[
Maximale rookindex (Bacharach)
Minimaal CO2-gehalte
(%)
Maximaal CO-gehalte
(mg/kWh)
Minimaal Verbrandingsrendement
(%)
Maximaal O2-gehalte
(%)
1
12
155
90
4,4
]
De berekening van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) gebeurt zoals aangegeven in bijlage II bij dit besluit.
Indien het bouwjaar van het centraal stooktoestel niet bepaald kan worden op de wijze beschreven in de definitie onder artikel 2, 20°, dan wordt het centrale stooktoestel ingedeeld in de eerste groep (gebouwd vóór 1/1/1988).

§ 2

[Een centraal stooktoestel aangesloten als type B, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als:
[het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst werd en] in het rookgasafvoerkanaal steeds voldoende lage druk heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen. Voor centrale stooktoestellen waarbij de rookgassen worden afgevoerd op basis van natuurlijke trek betekent dit een druk van minstens -5 Pa bij werking bij normale weersomstandigheden;
het stooklokaal voldoende verlucht is en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht. Voor stooktoestellen met een vermogen kleiner dan 70 kW betekent dit een lage en hoge verluchting met een nuttige (onbelemmerde) oppervlakte van respectievelijk minstens 3 cm2/kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen en 1 cm2/kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen, welke beiden niet kleiner mogen zijn dan 50 cm2, als er geen andere waarden bepaald zijn in de code van goede praktijk. Voor stooktoestellen met een vermogen groter dan of gelijk aan 70 kW betekent dit een verluchting met een nuttige (onbelemmerde) oppervlakte van minstens 150 cm2 per 17,5 kW nominaal geïnstalleerd stooktoestelvermogen, als er geen andere waarde bepaald is in de code van goede praktijk.]

§ 3

[Een centraal stooktoestel aangesloten als type C, gevoed met vloeibare brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als:
de rookgasafvoerende delen geplaatst zijn volgens de code van goede praktijk, en de goede werking en de dichtheid ervan steeds verzekerd zijn;
de ventilatie van het stooklokaal in overeenstemming is met de code van goede praktijk.]

Art. 5. Goede en veilige staat van werking centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof

§ 1

Een centraal stooktoestel [...], gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn als het zo afgesteld is dat:
er geen condensatie optreedt in [het rookgasafvoerkanaal], tenzij het ervoor is voorzien;
voldaan is aan de in de volgende tabel weergegeven eisen voor de temperatuur van de rookgassen, het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen en het verbrandingsrendement. De metingen moeten worden uitgevoerd wanneer het toestel op bedrijfstemperatuur is.
[
Centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof
Benaming
(eenheid)
Maximale rookgastemperatuur
(°C)
Maximaal CO-gehalte
(mg/kWh)
Minimaal verbrandings rendement
(%)
Minimaal CO2-gehalte
(%)
Categorie gastoestel
Bouwjaar
 
 
 
 
Tot 1 januari 2018
Gasketel met niet-premix brander
(GI)
Vóór 1/1/1988
300
300
82
Tussen 1/1/1988 en 31/12/1997
250
200
86
Vanaf 1/1/1998
200
150
88
Gasketel met premix brander
(GI)
Vóór 1/1/1988
250
270
84
Tussen 1/1/1988 en 31/12/1997
200
150
88
Vanaf 1/1/1998
180
110
90
Gasketel met ventilatorbrander
(GII)
Vóór 1/1/1988
250
270
85
6,5
Tussen 1/1/1988 en 31/12/1997
220
150
88
7,5
Vanaf 1/1/1998
200
110
90
8,5
Vanaf 1 januari 2018
Gasketel met niet-premix brander
(GI)
Alle
200
150
88
Gasketel met premix brander
(GI)
Alle
180
110
90
Gasketel met premix brander
(GI)
Gasketel met ventilatorbrander
(GII)
Alle
200
110
90
8,5
]
In deze tabel wordt de maximaal toegestane temperatuur van de rookgassen gegeven. Deze temperatuur zal de nettowaarde zijn.
De eisen voor het verbrandingsrendement van gasketels met ventilatorbrander gelden niet voor condenserende gasketels.
De berekening van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) gebeurt zoals aangegeven in bijlage II bij dit besluit. Het CO-gehalte is de onverdunde waarde of de waarde bij 0 % restzuurstof. Voor de installaties die LPG als brandstof gebruiken is de CO-waarde met 15 mg/kWh verhoogd.
Indien het bouwjaar van het centraal stooktoestel niet bepaald kan worden op de wijze beschreven in de definitie onder artikel 2, 20°, dan wordt het centrale stooktoestel ingedeeld in de eerste groep (gebouwd vóór 1/1/1988).

§ 2

Een centraal stooktoestel [aangesloten als] type B, gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn als:
[[het rookgasafvoerkanaal volgens de code van goede praktijk geplaatst werd en] in het rookgasafvoerkanaal steeds voldoende lage druk heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen. Voor centrale stooktoestellen waarbij de rookgassen worden afgevoerd op basis van natuurlijke trek betekent dit een druk van minstens -3 Pa bij werking bij normale weersomstandigheden. Bij een druk tussen -3 Pa en -5 Pa wordt dit als opmerking op het reinigings- en verbrandingsattest vermeld;]
het stooklokaal voldoende verlucht is en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht; dit betekent een verluchting in overeenstemming met de code van goede praktijk;
de dichtheid van de toevoerleidingen van de gasvormige brandstof altijd verzekerd is.

§ 3

[...]

§ 4

Een centraal stooktoestel [aangesloten als] type C, gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn indien:
[de rookgasafvoerende delen geplaatst zijn volgens de code van goede praktijk, en de goede werking en de dichtheid ervan steeds verzekerd zijn;]
de dichtheid van de toevoerleiding van de gasvormige brandstof steeds [verzekerd is;]
[3°
de ventilatie van het stooklokaal in overeenstemming is met de code van goede praktijk.]

Art. 6. Goede en veilige staat van werking centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof

§ 1

Een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn, indien het voldoet aan de voorwaarde dat het slechts zelden en op kortstondige wijze hinderlijke en milieuverontreinigende rook verspreidt.

§ 2

Een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, wordt geacht in veilige staat van werking te zijn, indien:
[in het rookgasafvoerkanaal] steeds [een voldoende lage druk] heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen, overeenkomstig de [code van goede praktijk];
het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat voldoende verlucht is, en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht, dit betekent volgens de code van goede praktijk.

Hoofdstuk III.
Verplichtingen van de gebruiker en de eigenaar van een centraal stooktoestel


Art. 7. Keuring voor de eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel

§ 1

De eigenaar van een nieuw centraal stooktoestel zorgt ervoor dat de goede en veilige staat van werking van het toestel, vóór de ingebruikname door de gebruiker, gekeurd wordt.
[In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de eigenaar van een nieuw centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof dat in gebruik werd genomen vóór 1 juni 2010, niet verplicht tot keuring voor eerste ingebruikname.]

§ 2

Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, wordt de keuring, bedoeld onder § 1, uitgevoerd door respectievelijk een erkende technicus vloeibare brandstof en een erkende technicus gasvormige brandstof. In geval van een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, kan eveneens een [geschoolde] vakman de keuring, bedoeld onder § 1, uitvoeren.

§ 3

Een nieuw centraal stooktoestel mag enkel in gebruik genomen worden als het keuringsrapport dat uitdrukkelijk toestaat. Als het keuringsrapport ontbreekt, dan wordt het centrale stooktoestel geacht niet te voldoen aan de bepalingen van dit besluit en dan mag het niet in gebruik worden genomen.

Art. 8. Gebruik en onderhoud van een centraal stooktoestel

De gebruiker van een centraal stooktoestel moet:
uitsluitend de brandstof gebruiken waarvoor dit toestel gebouwd en afgesteld is;
het nodige doen om dit toestel steeds in goede en veilige staat van werking te houden;
de gebruikersinstructies van de fabrikant van het centrale stooktoestel respecteren;
Het centraal stooktoestel periodiek een onderhoudsbeurt laten geven in overeenstemming met de bepalingen in onderstaande tabel:
Centraal stooktoestel gevoed met
Nominaal vermogen V
Onderhoudsfrequentie
Onderhoud moet worden uitgevoerd door
Vaste brandstof
Alle
Jaarlijks
[geschoolde] vakman
Vloeibare brandstof
>= 20 kW
Jaarlijks
erkende technicus vloeibare brandstof
[Gasvormige brandstof
>= 20 kW
Tweejaarlijks
erkende technicus gasvormige brandstof gasketels met niet premix- of premixbrander: niveau GI of GII, gasketels met ventilatorbrander: niveau GII]
De tijd tussen twee opeenvolgende onderhoudsbeurten mag niet langer zijn dan de weergegeven onderhoudsfrequentie, vermeerderd met 3 maanden. [Die vermeerdering verstoort de onderhoudsfrequentie, vermeld in het eerste lid niet.]
Het reinigen en het controleren van [het rookgasafvoerkanaal] mag steeds door een schoorsteenveger uitgevoerd worden. [Als bij de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 13, [het rookgasafvoerkanaal] gereinigd en gecontroleerd moet worden, zal dat voorafgaand aan de reinigingsbeurt van het centrale stooktoestel gebeuren. Als de technicus de reiniging en controle van [het rookgasafvoerkanaal] niet zelf uitvoert, zal het reinigingsattest daarvan aan de erkende technicus worden voorgelegd.]
zodanig stoken dat de hinder en de uitstoot aan verontreinigende stoffen zo klein mogelijk is.

Art. 9. Verwarmingsaudit

§ 1 [

De eigenaar van een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen van 20 kW of meer laat telkens een verwarmingsaudit uitvoeren samen met de eerstvolgende onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, nadat het toestel vijf jaar oud is geworden en nadien vijfjaarlijks.
In afwijking van het eerste lid, laat de eigenaar van een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW een verwarmingsaudit uitvoeren met de [volgende frequentie die ingaat na eerste ingebruikname]:
tweejaarlijks in het geval van een centraal stooktoestel gevoed met vloeibare brandstof;
vierjaarlijks in het geval van een centraal stooktoestel gevoed met gasvormige brandstof.
]

§ 2

De verwarmingsaudit, bedoeld in § 1, wordt uitgevoerd door:
Een erkende technicus vloeibare brandstof, indien het centraal stooktoestel wordt gevoed met vloeibare brandstof en een nominaal totaal geïnstalleerd vermogen heeft kleiner of gelijk aan 100 kW;
Een erkende technicus gasvormige brandstof, indien het centraal stooktoestel wordt gevoed met gasvormige brandstof en een nominaal totaal geïnstalleerd vermogen heeft kleiner of gelijk aan 100 kW;
[Een erkende technicus verwarmingsaudit:
a.
die ook erkend is als technicus gasvormige brandstof, als het totaal geïnstalleerd nominaal vermogen van het centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof, meer dan 100 kW bedraagt of indien de verwarmingsinstallatie, gevoed met gasvormige brandstof, uit meerdere ketels bestaat;
b.
die ook erkend is als technicus vloeibare brandstof, als het totaal geïnstalleerd nominaal vermogen van het centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare brandstof, meer dan 100 kW bedraagt of indien de verwarmingsinstallatie, gevoed met vloeibare brandstof, uit meerdere ketels bestaat;
c.
als het centraal stooktoestel gevoed wordt met vaste brandstof.]

§ 3

[...]

Art. 10. Wegwerken van tekortkomingen

§ 1

[Als na de keuring vóór de eerste ingebruikname uit het keuringsrapport blijkt dat een verbouwing of een aanpassing van het centrale stooktoestel, het stooklokaal of het rookgasafvoerkanaal noodzakelijk is, omdat de goede en veilige staat van werking onvoldoende gegarandeerd is, dan mag het toestel niet in gebruik worden genomen en heeft de eigenaar de plicht om het centrale stooktoestel, het stooklokaal of het rookgasafvoerkanaal te verbouwen of aan te passen en om hiervan het bewijs te leveren. Het bewijs bestaat uit een nieuw keuringsrapport.]

§ 2

[Als na de onderhoudsbeurt uit het reinigings- en/of verbrandingsattest blijkt dat het centrale stooktoestel niet in goede en veilige staat van werking verkeert, of dat herstellingen aan het rookgasafvoerkanaal, het stooklokaal of het centrale stooktoestel noodzakelijk zijn, dan hebben de gebruiker en de eigenaar de plicht om het rookgasafvoerkanaal, het stooklokaal of het centrale stooktoestel binnen de drie maanden na de datum van het reinigings- en/of verbrandingsattest in orde te brengen en om hiervan het bewijs te leveren. Dit bewijs bestaat uit een nieuw attest waaruit minstens blijkt dat deze tekortkoming verholpen werd en dat de meetresultaten van een nieuwe verbrandingscontrole bevat.]

Art. 11. Ter beschikking houden van attesten en rapporten

§ 1

De eigenaar van een centraal stooktoestel zorgt ervoor dat het keuringsrapport [of een duplicaat daarvan] bij het toestel [blijft] zolang dat ongewijzigd in gebruik is.

§ 2

[De gebruiker bezorgt een duplicaat van het attest aan de eigenaar. De gebruiker en de eigenaar houden minstens [de duplicaten van] de attesten van de laatste twee onderhoudsbeurten bij.]

§ 3

De eigenaar van het centrale stooktoestel houdt het verwarmingsauditrapport bij zolang het toestel in gebruik is en geen nieuwe verwarmingsaudit werd uitgevoerd. [De eigenaar bezorgt een duplicaat van het verwarmingsauditrapport aan de gebruiker.]

§ 4

De attesten en rapporten, bedoeld in § 1, § 2 en § 3, worden ter beschikking gehouden van de [toezichthouder] en voorgelegd op eenvoudig verzoek.

§ 5

De eigenaar van het toestel bezorgt [...] een duplicaat van de attesten en rapporten, bedoeld in § 1, § 2 en § 3, aan een [...] gebruiker.

Hoofdstuk IV.
Verplichtingen van de persoon belast met de keuring vóór eerste ingebruikname, met de onderhoudsbeurt of met de verwarmingsaudit van een centraal stooktoestel


Art. 12. Keuring vóór eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel

§ 1

De keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in art. 7, bestaat uit:
het onderzoek van de goede en veilige staat van werking van het stooktoestel, met inbegrip van de controleproeven omtrent de goede staat van werking;
het onderzoek van de algemene staat van het centrale stooktoestel, inzonderheid de goede verbinding tussen de brander en de centrale stookketel indien van toepassing;
de controle van [het rookgasafvoerkanaal], met inbegrip van de goede werking ervan, en het onderzoek naar de geschiktheid van [het rookgasafvoerkanaal] voor het stooktoestel waarmee [het] verbonden is;
de controle op de aanwezigheid van de gebruikers- en onderhoudsinstructies;
het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht.
[De technicus voert de controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit, en daarbij rekening houdend met de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit.]

§ 2

Een nieuw centraal stooktoestel, gevoed met vloeibare of gasvormige brandstof, moet voorzien zijn van meetopeningen aan rookgaszijde voor het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking.

[§ 3

De technicus voert na de uitvoering van de keuring een verbrandingscontrole uit als vermeld in artikel 13.
]

[§ 4

De persoon die belast is met het uitvoeren van de keuring voor eerste ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als:
technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof;
technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof.
]

Art. 13. Uitvoeren onderhoudsbeurt

§ 1

De erkende technicus voert de onderhoudsbeurt van een centraal stooktoestel uit volgens de regels van goed vakmanschap. Hij houdt rekening met de onderhoudsinstructies van de fabrikant van het stooktoestel.
De controleproeven omtrent de goede staat van werking, opgenomen in hoofdstuk I van bijlage I bij dit besluit, voert hij uit volgens de instructies van de fabrikant, met apparatuur die minstens voldoet aan de technische specificaties, opgenomen in hoofdstuk II van bijlage I bij dit besluit. Hij houdt daarbij rekening met de voorschriften van [hoofdstuk I] van bijlage I bij dit besluit.

§ 2

[Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met vloeibare brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, bedoeld in artikel 8, 4°, uit:
het nazien van de algemene staat [en de veilige staat van werking] van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van verbrandingslucht;
een reinigingsbeurt:
a)
voor een stooktoestel aangesloten als type B: het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
b)
voor een stooktoestel aangesloten als type C: het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal.
c)
het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel en de inwendige delen van het centrale stooktoestel, het reinigen en het controleren van de ventilator, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
de verbrandingscontrole: het nazien en het afstellen van de brander, alsook van de inrichtingen en de onderdelen die voor de werking ervan noodzakelijk zijn, gevolgd door de controleproeven omtrent de goede staat van werking.]

§ 3

[Bij een centraal stooktoestel, met een nominaal vermogen van 20 kW of meer en gevoed met gasvormige brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, uit:
het nazien van de algemene staat [en de veilige staat van werking] van het centrale stooktoestel, het controleren van de verluchting van het stooklokaal en de aanvoer van de verbrandingslucht;
een reinigingsbeurt:
a)
voor een stooktoestel aangesloten als type B: het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel (onder meer de dichtheid), en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
b)
voor een stooktoestel aangesloten als type C: het controleren van de correcte plaatsing volgens de code van goede praktijk en van de rookgaszijdige dichtheid van het rookgasafvoerkanaal;
c)
het reinigen en het controleren van het centrale stooktoestel: het ontstoffen van het centrale stooktoestel, het reinigen van de branderbedden en de warmtewisselaar, en, voor gasketels met ventilatorbrander, het reinigen van de ventilator en de brander, en het nakijken van de dichtheid van het centrale stooktoestel;
een verbrandingscontrole: dit omvat het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking en, voor gasketels met ventilatorbrander, het afregelen van de ventilatorbrander.]

§ 4

[Bij een centraal stooktoestel, gevoed met vaste brandstof, bestaat de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 8, 4°, uit:
het controleren van de algemene staat [en de veilige staat van werking] van het centrale stooktoestel, met inbegrip van het controleren van de verluchting in het lokaal waarin het centrale stooktoestel staat, en van de aanvoer van de verbrandingslucht.
het reinigen en het controleren van het rookgasafvoerkanaal: het mechanisch vegen van het rookgasafvoerkanaal en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel, het nakijken van de algemene staat van het rookgasafvoerkanaal, en van het verbindingsstuk tussen het rookgasafvoerkanaal en het centrale stooktoestel en het controleren van de goede werking van het rookgasafvoerkanaal (onder meer de druk);
het reinigen van de inwendige delen van het centrale stooktoestel: het reinigen van de warmtewisselaar en alle andere inwendige delen die in contact komen met de rookgassen of de brandstof.]

[§ 5

De persoon die belast is met het uitvoeren van het onderhoud van een centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als:
technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof;
technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof.
Een schoorsteenveger mag het rookgasafvoerkanaal alleen reinigen en controleren. Als de technicus het rookgasafvoerkanaal niet zelf reinigt en controleert, vat hij het onderhoud pas aan nadat hem het reinigingsattest is voorgelegd.
]

Art. 14. Uitvoeren verwarmingsaudit

§ 1

De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 1° en 2°, wordt, bij een centraal stooktoestel met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 100 kW, uitgevoerd aan de hand van het rekeninstrument dat door de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, ter beschikking wordt gesteld.

§ 2

De verwarmingsaudit, [bedoeld in artikel 9, § 2, 3°, a) en [b)] ] [...], wordt uitgevoerd aan de hand van software die door de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, ter beschikking wordt gesteld.
[De verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, § 2, 3°, [c)], wordt uitgevoerd aan de hand van een berekeningsmethodiek die door de erkende technicus verwarmingsaudit wordt gekozen maar een beoordeling toelaat van het rendement van de ketel en van de ketelgrootte ten opzichte van de verwarmingsbehoeften van het gebouw. De erkende technicus verwarmingsaudit geeft [de administratie] op eenvoudig verzoek de nodige informatie over de gehanteerde berekeningsmethodiek.]

§ 3

De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, bepaalt de inhoud van het verwarmingsauditrapport.

§ 4

De persoon die de verwarmingsaudit van het centrale stooktoestel heeft uitgevoerd:
verstrekt aan de eigenaar van het centrale stooktoestel informatie omtrent de bestaande steunmaatregelen van de overheid of derden [en de geschatte besparing op het energieverbruik] met het oog op de vervanging van oudere ketels;
adviseert de eigenaar van het centrale stooktoestel over vervanging van de ketel, over andere wijzigingen van het verwarmingssysteem en alternatieve oplossingen die een significante energiebesparing kunnen realiseren.

[§ 5

De persoon die belast is met het uitvoeren van de verwarmingsaudit op een centraal stooktoestel beschikt over een erkenning als:
technicus gasvormige brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof en het nominaal vermogen gelijk is aan of groter is dan 20 kW, maar kleiner is dan of gelijk is aan 100 kW;
technicus gasvormige brandstof en technicus verwarmingsaudit als het centrale stooktoestel gevoed wordt met gasvormige brandstof en het nominaal vermogen groter is dan 100 kW, of als de installatie uit verschillende ketels bestaat;
technicus vloeibare brandstof als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof en het nominaal vermogen gelijk is aan of groter is dan 20 kW, maar kleiner is dan of gelijk is aan 100 kW;
technicus vloeibare brandstof en technicus verwarmingsaudit als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vloeibare brandstof en het nominaal vermogen groter is dan 100 kW, of als de installatie uit verschillende ketels bestaat;
technicus verwarmingsaudit als het centrale stooktoestel gevoed wordt met vaste brandstof.
]

Art. 15. Afgeven en ter beschikking houden van attesten en rapporten

§ 1

De persoon die de keuring van een nieuw centraal stooktoestel, bedoeld in artikel 7, uitvoert, overhandigt aan de eigenaar een behoorlijk ingevuld keuringsrapport [en een verbrandingsattest]. [Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de [toezichthouder].]

§ 2

De persoon die de gedeeltelijke of de volledige onderhoudsbeurt van artikel 8, 4°, heeft uitgevoerd overhandigt aan de gebruiker van het centrale stooktoestel het behoorlijk ingevulde reinigingsattest en/of het behoorlijk ingevulde verbrandingsattest. Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de [toezichthouder].

§ 3

De persoon die de verwarmingsaudit, bedoeld in artikel 9, heeft uitgevoerd, overhandigt aan de eigenaar van het centrale stooktoestel een verwarmingsauditrapport. [Een duplicaat ervan houdt hij gedurende minstens één jaar ter beschikking van de [toezichthouder].]

§ 4

[...]

§ 5

Een behoorlijk ingevuld reinigingsattest, verbrandingsattest, keuringsrapport of verwarmingsauditrapport bevat minstens de gegevens, gevraagd in het toepasselijke model uit bijlage III in duidelijk leesbare alfanumerieke tekens. Een rapport of attest is enkel geldig indien het behoorlijk werd ingevuld.

§ 6 [

De persoon die het keuringsrapport, reinigings- of verbrandingsattest of verwarmingsauditrapport opstelt en overhandigt aan de eigenaar of gebruiker van een centraal stooktoestel op gasvormige of vloeibare brandstof, moet op het moment van de uitreikingen daarvan over een erkenning als vermeld in hoofdstuk IV beschikken.
Een schoorsteenveger mag alleen een reinigingsattest opstellen voor het gedeelte reinigen en controleren van het rookgasafvoerkanaal.
]

Hoofdstuk V.


Art. 16.
[...]

Art. 17.
[...]

Art. 18.
[...]

Art. 19.
[...]

Art. 20.
[...]

Hoofdstuk VI.


Art. 21.
[...]

Art. 22.
[...]

Art. 23.
[...]

Art. 24.
[...]

Art. 25.
[...]

Art. 26.
[...]

Art. 27.
[...]

Art. 28.
[...]

Art. 29.
[...]

Art. 30.
[...]

Hoofdstuk VII.
Overgangsbepalingen en slotbepalingen


Art. 31.
[...]

Art. 32. Eerste onderhoud en verder periodiek onderhoud van een bestaand centraal stooktoestel, gevoed met gasvormige brandstof

§ 1

[...]

§ 2

Als het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking op een [centraal stooktoestel, dat vóór 1 juni 2007 voor het eerst in gebruik genomen werd], gevoed met gasvormige brandstof, niet mogelijk is, wegens afwezigheid van de vereiste meetopening en de technische onmogelijkheid tot het aanbrengen van een meetopening, inzonderheid bij een stooktoestel [aangesloten als] type C, dan motiveert de technicus dit omstandig. In dit geval vervallen de controleproeven omtrent de goede staat van werking.

Art. 33.
[...]

Art. 34.
[...]

Art. 35.
[...]

Art. 36.
[...]

Art. 37.
[...]

Art. 38.
[...]

Art. 39.
[...]

Art. 40.
[...]

Hoofdstuk VIII.
Wijzigingsbepalingen titel II van het Vlarem


Art. 41.
In artikel 1.3.2.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 12 mei 2006, worden de woorden “koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof” vervangen door de woorden “besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater”;

Art. 42.
In artikel 6.5.6.3. van hetzelfde besluit worden de woorden “koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof” vervangen door de woorden “besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater”;

Art. 43.
In artikel 6.6.0.2, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden “koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof” vervangen door de woorden “besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater”.

Art. 44. Opheffingsbepalingen

Het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof wordt opgeheven.

Art. 45. Datum van inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Art. 46. Uitvoering

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, zijn, elk voor wat hun bevoegdheid betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage I.
Controleproeven omtrent de goede staat van werking: Meetvoorschriften ? Meetapparatuur


Hoofdstuk I.
Meetvoorschriften


1 Inleiding
De controleproeven omtrent de goede staat van werking van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, en van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, worden [uitgevoerd:]
tijdens elke periodieke onderhoudsbeurt;
na elke interventie aan het verbrandingsgedeelte van het centrale stooktoestel;
vóór de ingebruikname van een nieuw centraal stooktoestel, als onderdeel van de keuring.
Daar waar dit besluit het toelaat, kan voor sommige bestaande, [...] centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, het uitvoeren van de controleproeven omtrent de goede staat van werking wegvallen.
Deze controleproeven omvatten minstens het volgende:
Voor centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof:
a)
de bepaling van de rookindex van de rookgassen;
b)
de bepaling van het gehalte aan zuurstof (O2) in de rookgassen;
c)
de bepaling van het gehalte aan koolstofdioxide (CO2) in de rookgassen (het gehalte aan CO2 mag ook berekend worden vanaf de brandstofkarakteristieken en het O2-gehalte);
d)
de bepaling van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen;
e)
de bepaling van de temperatuur van de rookgassen.
Voor centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof:
a)
de bepaling van het gehalte aan zuurstof (O2) in de rookgassen;
b)
de bepaling van het gehalte aan koolstofdioxide (CO2) in de rookgassen (het gehalte aan CO2 mag ook berekend worden vanaf de brandstofkarakteristieken en het bepaalde O2-gehalte);
c)
de bepaling van het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen;
d)
de meting van de temperatuur van de rookgassen.
[Verder worden alle variabelen bepaald die noodzakelijk zijn voor het volledig en correct invullen van het reinigingsattest en het verbrandingsattest (o.a. de druk in het rookgasafvoerkanaal, het rookgasrendement, de omgevingstemperatuur, de druk in de vuurhaard, de olie- of gasdruk of het oliedebiet,...) en het beoordelen van de goede en veilige staat van werking en de algemene staat.]

2 Uitvoering Van de metingen

2.1 Algemeenheden
De metingen worden uitgevoerd met apparatuur die voldoet aan de technische vereisten van hoofdstuk II van deze bijlage.
[De sonde voor het meten en het trekken van het rookgasmonster wordt in de kernstroom gebracht via de door de fabrikant van het stooktoestel daarvoor bestemde meetpunten. Als deze meetpunten niet aanwezig zijn, wordt een meetopening aangebracht volgens de code van goede praktijk.
Bij stooktoestellen aangesloten als type C (gesloten stooktoestellen) moet een meetpunt aanwezig zijn op de aansluiting van de verbrandingsgassen en op de aansluiting van de verbrandingslucht. Indien de verbrandingsluchttoevoer en verbrandingsgasafvoer via een concentrische buis gebeurt, moet hierbij een meetelement met twee meetpunten aanwezig zijn. Een meetpunt zal dienen om de rookgassen (verbrandingsproducten) te meten, het andere om de temperatuur van de verbrandingslucht te meten. Dit houdt in dat de meetapparatuur twee temperatuurvoelers moet kunnen ontvangen om het juiste verbrandingsrendement te kunnen bepalen.
Bij het trekken van het rookgasmonster en tijdens de verbrandingscontroleproeven worden alle maatregelen genomen om het aanzuigen van parasitaire lucht, die de meetresultaten kan beïnvloeden, te voorkomen.]
Er worden minstens twee meetreeksen uitgevoerd: een initiële meetreeks en een eindmeetreeks.
Initiële meetreeks: Bij aankomst stelt de erkende technicus het stooktoestel in werking, en meet de verschillende parameters nog voor enige onderhouds- of vervangingsactiviteit heeft plaatsgevonden. De meet- en rekenresultaten worden op het verbrandingsattest genoteerd in de kolom “Proef I: Initiële meting”.
Eindmeetreeks: Afhankelijk van de brander worden op het einde van de onderhoudsbeurt, na de reinigingsbeurt en de verbrandingscontrole, een of meerdere meetreeksen uitgevoerd:
a)
voor “alles of niets”-branders: een meetreeks tijdens de periode van continue werking van de brander;
b)
voor “alles of weinig”-branders: een meetreeks bij maximaal gebruiksvermogen en een meetreeks bij minimaal gebruiksvermogen;
c)
voor branders met een door de gebruiker regelbaar gebruiksvermogen: een meetreeks bij maximaal gebruiksvermogen, een meetreeks bij minimaal gebruiksvermogen, en drie meetreeksen bij tussenliggend gebruiksvermogen, respectievelijk op 75 %, 50 % en 25 % van het regelbereik.
Deze meetreeksen gebeuren in normale bedrijfsomstandigheden, dit wil zeggen bij normale bedrijfstemperatuur, in afgesloten stooklokaal, en, indien van toepassing, met de branderkap of beschermkap geplaatst.
Tussen de initiële meetreeks en de eindmeetreeks staat het de technicus vrij zo veel metingen uit te voeren als hij nodig en nuttig acht om het centrale stooktoestel in goede staat van werking te kunnen brengen.
Bij meertrapsbranders worden de hierboven bedoelde initiële meetreeks en eindmeetreeks uitgevoerd voor elke trap afzonderlijk. Per trap wordt een corresponderend verbrandingsattest opgemaakt.
Bij het beëindigen van de controlemetingen worden de meetopeningen vakkundig afgesloten.

2.2 Meten van de parameters

2.2.1 Meting van de rookindex van de rookgassen (vloeibare brandstof)
De rookindex wordt bepaald door met behulp van een genormaliseerde rookindexpomp een welbepaalde hoeveelheid rookgassen door een genormaliseerd filterpapiertje te trekken.
Dit filterpapier filtert de onverbrande brandstofdelen uit de rookgassen, wat resulteert in een witte, grijze of zwarte vlek op het filterpapier. Deze vlek wordt visueel vergeleken met tien referentievlekken op een zogenaamde Bacharach-schaal. Het nummer van de referentievlek die het best de grijswaarde van de gemeten vlek benadert bepaalt de rookindex van de rookgassen.
Na het testen van de rookindexpomp op de goede werking (o.a. lekdichtheid pomp en slang) brengt men het uiteinde van de monsternameslang via de meetopening in de kernstroom van de rookgassen. Om het juiste volume aan rookgassen door het filterpapier te trekken, voert men tien volledige pompslagen uit.
De lengte van de monsternameslang wordt zo klein mogelijk gehouden.
Het handmodel van de rookindexpomp mag vervangen worden door een elektromechanische versie die zodanig geregeld wordt dat het juiste volume aan rookgassen door het filterpapier getrokken wordt.
Een gelijkwaardige opto-elektronische methode voor de bepaling van de rookindex mag eveneens gebruikt worden.
De rookindex wordt bepaald voor enige andere parameter. Indien de technicus het stooktoestel niet zodanig geregeld krijgt dat aan de voorwaarde van de maximale toegelaten rookindex wordt voldaan, dan hoeven de overige parameters niet verder bepaald te worden. Het centrale stooktoestel wordt dan geacht niet in goede staat van werking te zijn.

2.2.2 Meting van de temperatuur van de verbrandingslucht (omgevingstemperatuur)
De temperatuur van de verbrandingslucht wordt bij stooktoestellen [aangesloten als] type B gemeten in de buurt van de centrale stookketel, op een hoogte van ca. 1,5 meter.
Bij stooktoestellen [aangesloten als] type C wordt de temperatuur van de verbrandingslucht gemeten via het daartoe bestemde meetpunt.

2.2.3 Meting van de temperatuur van de rookgassen, het gehalte aan koolstofmonoxide en koolstofdioxide, en de [druk in het rookgasafvoerkanaal]
Het uiteinde van de meetsensor/monsternameslang wordt via de daartoe bestemde meetopening in de kernstroom van de rookgassen gebracht, waarna de meting begint.

3 Beoordeling goede staat van werking
Het stooktoestel wordt al dan niet in goede staat van werking verklaard op basis van de resultaten van de eindmeetreeks.
[Het verbrandingsattest vermeldt de waarden, gemeten met het elektronische rookgasanalysetoestel. De afdruk van het toestel wordt opgenomen in de daarvoor bestemde ruimte.]

Hoofdstuk II.
Technische vereisten meetapparatuur

Voor het opmeten van de verschillende parameters worden uitsluitend meettoestellen gebruikt die voldoen aan de volgende minimale technische specificaties:
Parameter
Toestel
Resolutie
Absolute fout
Rookindex
Een lekdichte rookindexpomp, filterpapier, refe-rentieschaal
1
 
Zuurstof (O2)
Een zuurstofanalysator
0,1 %
±0,3 %
Koolstofdioxide (CO2)
Een koolstofdioxideanalysator
0,1 %
± 0,3 %
Koolstofmonoxide (CO)
Een koolstofmonoxide-analysator
1 ppm
± 20 ppm
Rookgastemperatuur Omgevingstemperatuur
Een thermometer
1 °C
± 3 °C
[Druk in het rookgasafvoerkanaal
Een drukmeter
1 Pa
± 2 Pa]
De verschillende meettoestellen bevinden zich steeds in goede staat van werking en onderhoud.
Vóór elke meting wordt het meettoestel gecontroleerd (goede werking, lekdichtheid) en gekalibreerd (nulpuntinstelling) volgens de voorschriften van de fabrikant. De erkende technicus moet de door hem gebruikte meettoestellen tonen aan de [toezichthouders] wanneer hem daar om gevraagd wordt.
Elektronische meetapparatuur wordt minstens eenmaal om de twee jaar door de fabrikant of invoerder ervan nagekeken en geijkt. De fabrikant of invoerder bevestigt na controle van het apparaat een klever op de toegangswegen tot het toestel. Op deze klever wordt de datum van de laatste controle en de uiterlijke datum van de eerstvolgende controle genoteerd. De fabrikant of invoerder maakt een zogenaamd attest van goede werking van het toestel op. Dit attest van goede werking bevindt zich steeds bij het desbetreffende apparaat. De erkende technicus moet het attest tonen aan de [toezichthouders] wanneer hem daar om gevraagd wordt.

Bijlage II.
Eenheden, conversies en berekeningsformules


1 Druk
Eenheid: Pa (Pascal)
Omzettingen:
1 mm H2O = 9,81 Pa
 
1 bar = 100.000 Pa
 
1 mbar = 1 hPa
 
1 mm Hg = 13,6 mm H2O

2 Temperatuur
Eenheid: °C (graden Celsius)
Omzettingen: T (in Kelvin) = t (in °C) + 273

3 Vloeibare brandstof: conversie van het CO-gehalte in de rookgassen
De emissiegrenswaarde voor het CO-gehalte in de rookgassen (zie artikel 4) is bepaald in massa per kilowatt-uur (mg/kWh) uitgaande van een zuurstofgehalte in de rookgassen van 0 volumepercent. Om het gemeten CO-gehalte in de rookgassen te kunnen vergelijken met de emissiegrenswaarde moet het eerst van het gemeten zuurstofpercentage in de rookgassen teruggebracht worden naar het referentiezuurstofpercentage van 0 %, en dan geconverteerd worden naar de eenheid mg/kWh.

3.1 Omrekening van het gemeten gehalte bij de gemeten zuurstofovermaat naar het gehalte bij de referentiezuurstofovermaat
W (g % O2) = [ (21-g) / (21 - γ) * M
met
W = gewenste emissiewaarde bij gewenste zuurstofovermaat g
 
M = gemeten emissiewaarde bij de gemeten zuurstofovermaat Y
 
γ = gemeten zuurstofovermaat
 
g = gewenste zuurstofovermaat

3.2 Conversie naar een andere eenheid bij de referentiezuurstofovermaat van 0 %
O2 = 0 %
CO
 
 
1 ppm =
1 mg/m3 =
[1,101 mg/kWh]
0,889 mg/kWh

4 Vloeibare brandstof: berekening van het verbrandingsrendement (formule van Siegert)
Verbrandingsrendement = 100 – k * (tg – ta) / %CO2
met
k = 0,48 + 0,008 * %CO2
 
 %CO2 = het gemeten percentage aan CO2 in de rookgassen
 
tg = temperatuur van de rookgassen
 
ta = omgevingstemperatuur

5 Gasvormige brandstof: conversie van het gemeten CO-gehalte in de rookgassen
De emissiegrenswaarde voor het CO-gehalte in de rookgassen (zie artikel 5) is bepaald in massa per kilowatt-uur (mg/kWh) uitgaande van een zuurstofgehalte in de rookgassen van 0 volumepercent. Om het gemeten CO-gehalte in de rookgassen te kunnen vergelijken met de emissiegrenswaarde moet het eerst van het gemeten zuurstofpercentage in de rookgassen teruggebracht worden naar het referentiezuurstofpercentage van 0 %, en dan geconverteerd worden naar de eenheid mg/kWh.

5.1 Omrekening van het gemeten gehalte bij de gemeten zuurstofovermaat naar het gehalte bij de referentiezuurstofovermaat
W (g % O2) = [ (21-g) / (21 - γ) * M
met
W = gewenste emissiewaarde bij gewenste zuurstofovermaat g
 
M = gemeten emissiewaarde bij de gemeten zuurstofovermaat
 
γ = gemeten zuurstofovermaat
 
g = gewenste zuurstofovermaat

5.2 Conversie naar een andere eenheid bij de referentiezuurstofovermaat van 0 %
O2 = 0 %
CO
Aardgas (G20)
Aardgas (G25)
LPG (G30)
 
1 ppm =
1,074 mg/kWh
1,095 mg/kWh
1,091 mg/kWh
1 mg/m3 =
0,859 mg/kWh
0,875 mg/kWh
0,872 mg/kWh

Bijlage III.
Modellen van attesten en rapporten


I Model van het reinigingsattest

II Model van het verbrandingsattest
[
]

III Inhoud van het keuringsrapport
Het verslag van de keuring voor de eerste ingebruikname van een nieuw stooktoestel, bevat minstens de volgende gegevens en elementen bevat in duidelijk leesbare alfanumerieke tekens:
a)
de naam en het adres van de eigenaar van het stooktoestel, of van
zijn aangestelde;
b)
het adres van de plaats waar het stooktoestel staat;
c)
de kenmerken van het stooktoestel;
d)
een overzicht van de verschillende delen van de keuring met de vermelding van het resultaat;
e)
de volledige eindbeoordeling van het stooktoestel, [het rookgasafvoerkanaal] en het stooklokaal (conform / niet conform);
f)
de datum van de keuring;
g)
de naam en de handtekening van de keurder;
h)
het erkenningsnummer;
i)
[de naam van het keuringsbedrijf, het adres en het ondernemingsnummer;]
j)
vastgestelde gebreken en noodzakelijke maatregelen om deze weg te werken
k)
de handtekening van de eigenaar van het stooktoestel, of van zijn aangestelde, voorafgegaan door de vermelding “voor kennisname”.

Bijlage IV.


Hoofdstuk I.

[...]

Hoofdstuk II.

[...]

Bijlage V.

[...]

Bijlage VI.


Hoofdstuk I.

[...]

Hoofdstuk II.

[...]

Hoofdstuk III.

[...]