Art. 8. Gebruik en onderhoud van een centraal stooktoestel

De gebruiker van een centraal stooktoestel moet:
uitsluitend de brandstof gebruiken waarvoor dit toestel gebouwd en afgesteld is;
het nodige doen om dit toestel steeds in goede en veilige staat van werking te houden;
de gebruikersinstructies van de fabrikant van het centrale stooktoestel respecteren;
Het centraal stooktoestel periodiek een onderhoudsbeurt laten geven in overeenstemming met de bepalingen in onderstaande tabel:
Centraal stooktoestel gevoed met
Nominaal vermogen V
Onderhoudsfrequentie
Onderhoud moet worden uitgevoerd door
Vaste brandstof
Alle
Jaarlijks
[geschoolde] vakman
Vloeibare brandstof
>= 20 kW
Jaarlijks
erkende technicus vloeibare brandstof
[Gasvormige brandstof
>= 20 kW
Tweejaarlijks
erkende technicus gasvormige brandstof gasketels met niet premix- of premixbrander: niveau GI of GII, gasketels met ventilatorbrander: niveau GII]
De tijd tussen twee opeenvolgende onderhoudsbeurten mag niet langer zijn dan de weergegeven onderhoudsfrequentie, vermeerderd met 3 maanden. [Die vermeerdering verstoort de onderhoudsfrequentie, vermeld in het eerste lid niet.]
Het reinigen en het controleren van [het rookgasafvoerkanaal] mag steeds door een schoorsteenveger uitgevoerd worden. [Als bij de onderhoudsbeurt, vermeld in artikel 13, [het rookgasafvoerkanaal] gereinigd en gecontroleerd moet worden, zal dat voorafgaand aan de reinigingsbeurt van het centrale stooktoestel gebeuren. Als de technicus de reiniging en controle van [het rookgasafvoerkanaal] niet zelf uitvoert, zal het reinigingsattest daarvan aan de erkende technicus worden voorgelegd.]
zodanig stoken dat de hinder en de uitstoot aan verontreinigende stoffen zo klein mogelijk is.